← Table of contents
Lord Lister No. 0004

DE GROOTVORST EN ZIJN ADJUDANT.

Reading edition

De heldere morgen straalde in volle pracht, toen de automobiel Tscheremkowo binnenreed, waar het voertuig stilhield voor een eenvoudige herberg.

Het was een afgelegen dorpje, dat uit houten huizen bestond.

Charly Brand was koortsachtig opgewonden.

Hij wist dat zijn vriend op het punt stond, een dollen streek uit te halen, maar wat er feitelijk zou gebeuren was hem een volkomen raadsel.

Waarom moest in dit kleine nest worden opgehouden?

Het lag wel aan den spoorweg, maar de trein was allang gepasseerd.

En wat had die geheimzinnige brief te beteekenen.

Toen de auto stil hield, sprong Raffles van den bok, nam den hoed af en fluisterde Brand toe:

„Charly, zet een hoogmoedig gelaat, kijk zoo minachtend en verachtelijk mogelijk, praat alleen met mij, bemoei je met niets en met niemand. In één woord: speel den grootvorst!”

Brand was zóó verbaasd in het eerste oogenblik, dat hij dacht ineen te zinken.

Maar de toon van lord Lister was zóó beslist, dat Charly zich onmiddellijk verplaatste in de hem toebedeelde rol.

De herbergier boog bijna tot den grond, toen hij hoorde, welke gasten onder zijn nederig dak kwamen vertoeven.

Zoo’n eer was hem nog nooit te beurt gevallen.

Hij rende door zijn huis om het den gasten toch vooral naar den zin te maken, want de adjudant had eten en drinken besteld, ook voor den chauffeur.

Nog wijder openden zich de oogen van den waard, toen hij bij terugkomst den grootvorst zag in galagewaad. Hij had de uniform van het regiment van Kaluga aangetrokken.

Toen de reizigers zich gelaafd hadden, vertrokken zij weer en reeds van verre zagen zij aan het station den trein staan, waarover Brand zich niet genoeg kon verbazen.

Op het station heerschte groote opgewondenheid, want de reizigers waren er ganschelijk niet over gesticht, dat zij hier werden opgehouden.

Lord Lister was onmiddellijk naar den stationschef gegaan.

„De grootvorst gevoelt zich niet al te wel,” sprak hij, „hij zal terstond naar den slaapwagen gaan. Is die gereed?”

„Zeker, uwe genade. Zal ik u den coupé aanwijzen?”

„Wacht even! Ik zal Zijne Excellentie vragen, wat hij wenscht!”

Gouverneur Ortschkoff was intusschen ook verschenen en als een hondje liep hij achter den adjudant aan.

Hij gevoelde zich heel erg onbehagelijk en ondanks de heerschende koude parelden groote zweetdroppels op zijn gelaat.

De stationschef ook was niets op zijn gemak, zij het dan ook om geheel andere redenen.

Zijn angst verminderde niet, toen hij bemerkte, dat de „adjudant” bijzondere belangstelling koesterde voor het lijkentransport.

Hij liet zich den goederenwagen wijzen en de opmerking moest hem van het hart, dat de eerewacht bij het lijk wel bijzonder groot en prachtig was.

„Als ge de heele doodkist vol goudstukken hadt”, sprak de meesterdief tot den gouverneur, „zoudt ge haar niet zorgvuldiger kunnen laten bewaken dan nu den dooden generaal.”

De gouverneur verbleekte.

De opmerking van den adjudant had hem als een bliksemstraal getroffen.

Het duizelde hem een oogenblik.

Maar toen hij opkeek, staarden zijn ontstelde oogen slechts in een glimlachend, onbevangen gelaat.

John Raffles wist genoeg.

Hij wist thans zeker, dat de doodkist met goud gevuld was.

Hij liet den gouverneur gaan met een handbeweging en sprak op welwillenden toon:

„Ik zal den grootvorst rapport doen.”

Ortschkoff haalde verruimd adem.

De meesterdief liet zich thans de voor hem en den grootvorst gereserveerde afdeelingen toonen.

Hij scheen er niet mee in zijn schik en Raffles—Tirmofejew verklaarde eenvoudig, dat hij het niet zou durven wagen, den grootvorst deze ruimte aan te bieden.

De stationschef wist zich gewoonweg geen raad.

Met een Russischen grootvorst valt nu eenmaal niet te spotten.

Maar er gebeurde niets.

De adjudant scheen inderdaad een heel vriendelijk heer te zijn.

Hij stelde er zich mede tevreden, dat voor den grootvorst een aparte slaapwagen werd aangehaakt.

Als plaats daarvoor wees hij aan de plek vóór den goederenwagen, waarin de doodkist werd vervoerd.

De chef was blij, dat hij er zóó afkwam en alles werd terstond geregeld, zooals de adjudant het verlangde.

De reizigers haalden verruimd adem. Zij begrepen, dat men nu heel spoedig Kutulik zou verlaten.

Intusschen liep de pseudo-grootvorst in de wachtkamer als een hyena in zijn kooi onrustig heen en weer.

Hij was door Raffles in een toestand gebracht, waarin hij heelemaal niet thuis behoorde.

Daar kwam zijn vriend eindelijk aan.

Hij sloot de deur, ging in militaire houding staan, sloeg aan en meldde op korten, zakelijken toon:

„Alles is in orde, Uwe Hoogheid! De slaapwagen wordt aangehaakt, over een kwartier kunnen wij afreizen!”

„Alle duivels, Edward, laat die gekheid!” barstte Charly los, „zou je mij nu eens willen vertellen, wat al die poespas beteekent?”

„Ik heb het je toch gezegd, Charly, dat ik het lijk moet hebben!”

„Welk lijk?”

„Dat in de doodkist ligt, die gouverneur Ortschkoff weg brengt!”

„Ik dacht, dat er goud was in die doodkist!”

„Des te beter! Dan neem ik het goud inplaats van het lijk. Ik zie, dat de trein klaar is. Onze koffers worden al opgeladen; daar moet ik als adjudant het toezicht op houden. Je moet voor grootvorst spelen, Charly, trek vooral een lijdend gezicht en wees te ziek om iemand te kunnen groeten. Denk er aan!”

Raffles was de deur al uit, voordat Brand hem nog kon vasthouden.

Lord Lister beloonde den chauffeur zóó rijkelijk, dat de man als door midden boog.

Charly’s bleekheid was nu geheel en al verdwenen. Hij was eerder rood geworden van zenuwachtige spanning en groette met voorname minachting.

De trein kon thans vertrekken.

Raffles gaf den stationschef verlof, dat hij het sein kon geven en spoedig zette de locomotief zich in beweging over de gladde rails, door verdubbelde snelheid trachtend, het tijdverzuim in te halen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings