← Table of contents
Lord Lister No. 0004

VERIJDELDE HOOP.

Reading edition

Gouverneur Ortschkoff zorgde ervoor, dat de terugtocht naar Irkoetsk zoo snel mogelijk plaats kon vinden.

Hij brandde van verlangen om den verraderlijken districtschef rekening en verantwoording te vragen en het geroofde van hem terug te krijgen.

Hij kon en wou niet op den volgenden trein wachten, waarom hij een extra-trein liet samenstellen, bestaande uit locomotief, tender en een enkel salon-rijtuig.

Hierin aanvaardde hij den terugtocht met Raffles; de zes soldaten en de geestelijke moesten met den volgenden gewonen trein volgen.

Tegen den avond kwam men in de hoofdstad aan, juist op het oogenblik, dat de districtschef zich gereedmaakte, om naar het Casino te gaan, waar hij vermoedelijk een groot deel van het geld, dat hij de boeren had afgeperst, aan den speelduivel had geofferd.

Graaf Barjatinsk was niet weinig verrast den gouverneur, dien hij reeds in Krasnojask vermoedde, zoo plotseling voor zich te zien.

De generaal viel terstond met de deur in huis.

„Ge zult u wel verbazen, graaf Barjatinsk over mijn bezoek. Ik wilde u verzoeken, mij het geld te geven, dat ge hebt vergeten in te pakken.”

De districtschef werd aschgrauw in het gelaat.

Hij was zich in dezen van geen schuld bewust, want hij had den gouverneur rijkelijk diens aandeel in den buit gegeven.

„Mijnheer de gouverneur,” begon hij, „ik weet waarlijk niet, hoe ik uw woorden moet opvatten. Ge vergeet bovendien mij voor te stellen aan uw geleider.”

„Dat is de Engelsche detective lord Cruzon, die den grooten John Raffles op het spoor is. Ik maakte in den trein kennis met den lord. Hij was de persoon, die mij aanried de kist nader te onderzoeken.”

„En welk belang had hij daarbij?” vroeg de graaf op scherpen toon.

„Wij redeneerden over den meesterdief.”

„Dan zal deze zeer zeker uw kas hebben bestolen.”

„Dat dachten wij in den beginne ook. Maar de kist was niet geopend en nog geheel en al dichtgeschroefd. De kozakken hebben den schat geen oogenblik verlaten. Het geld moet dus al ontbroken hebben, graaf Barjatinsk, voordat de kist in den goederenwagen werd geplaatst.”

„Mijnheer de gouverneur!”

De chef werd woedend.

„Hoe kunt gij mij van een dergelijken lagen streek beschuldigen. Denkt ge, dat ik het geld heb verduisterd?”

De gouverneur werd veel kalmer en gematigder door dezen uitval.

Hij beval John Raffles zelfs een oogenblik in de aangrenzende kamer te gaan, daar hij nog een en ander met den chef had te bepraten.

Lord Lister boog en verliet den salon.

De gouverneur had gedacht, dat de graaf nu wel zoete broodjes zou gaan bakken.

Maar de graaf was in dezen werkelijk onschuldig.

En hij verklaarde dan ook onomwonden, dat hij er niet aan dacht ook maar een kopeke schadevergoeding te betalen.

Dat maakte den gouverneur woedend.

„Niet één enkele kopeke graaf? Vergeet niet, dat ik uw chef ben en u elk oogenblik kan ontslaan.”

„Dat zult ge niet doen, mijnheer de gouverneur,” antwoordde Barjatinsk op kouden, snijdenden toon.

„Waarom niet?”

„Vraagt ge dat nog?”

„Natuurlijk!”

„Wel, omdat het u ook uw betrekking zou kosten! In hetzelfde oogenblik namelijk, dat ge mij uit mijn ambt zou ontslaan, zou ik een brief zenden naar de regeering, waarin ik eenvoudig verklaarde, dat gouverneur Ortschkoff mijn medeplichtige is. Hij heeft niet alleen alles afgeweten van mijn plichtsverzuim, maar hij heeft belastingen opgelegd en groote sommen gestolen.”

De gouverneur liet een kreunend geluid hooren.

Ja!

Het was maar al te waar!

Hij was medeplichtige! Hij had geroofd en bedrogen en nu kon hij moeilijk de openbare aanklager worden.

Barjatinsk vroeg:

„Blijft ge bij uw voornemen, mijnheer de gouverneur om mij te willen aanklagen?”

„Neen, neen!” sprak Ortschkoff op doffen toon, „ik zal geen aanklacht jegens u indienen. Alles blijft bij het oude!”

Het gelaat van den graaf straalde van duivelsche vreugde.

Hij liet zijn chef de deur uit.

„Nu?” vroeg Raffles dezen met lichten spot. Hij wist natuurlijk, hoe dat gesprek moest afloopen.

De generaal waagde het niet, den lord aan te kijken,

„Nu?” vroeg deze nogmaals.

„Wat is er?”

„Hoe is het gegaan met den graaf?”

„Er is niets met hem te beginnen. Ik geef het op.”

„Wat? Heeft hij niets bekend? Wil hij niet betalen?”

„Geen kopeke!”

„Geen kopeke?”

„Neen!”

„Dat is een mooie boel! Dan moeten wij hem ertoe dwingen!”

„Om Gods wil, doe dat niet! Het zou toch niets baten! Ik geloof inderdaad, dat hij ditmaal onschuldig is. De verdoemde Raffles zal wel een middel hebben gevonden om de doodkist te forceeren!”

„Raffles en altijd weer Raffles? Ik zal u bewijzen, dat graaf Barjatinsk de eenige schuldige is!”

„Neen, neen! Kom liever mee! Laat hem met rust! Hij zou zich wreken!”

„Aan wien?”

„Aan mij!”

„Zijt gij zijn chef niet?”

„Zeker!”

„Dan hebt ge ook geen wraak te duchten!”

„Toch wel!”

„Mijnheer de gouverneur, ge hebt hem alleen te vreezen, als ge zijn medeplichtige zijt!”

Ortschkoff kromp ineen.

Raffles bemerkte het.

Hij deed echter, alsof hij niets bemerkte en vervolgde:

„En daarvan kan natuurlijk geen sprake zijn, baron Ortschkoff.”

„Neen, neen! Zeker niet! Natuurlijk niet! Maar kom nu mee! De zaak verveelt me geducht!”

„Niet, voordat graaf Barjatinsk het gestolen geld heeft aangezuiverd!”

„Wat?”

„Hebt ge mij niet verstaan, baron?”

„Ah!”

Ortschkoff was de wanhoop nabij.

„Wacht hier een oogenblik, baron, ik zal met graaf Barjatinsk gaan spreken. Het zal niet lang duren!”

De gouverneur stond als versteend.

Ieder woord had hem getroffen als een vuistslag.

„Het is uit”, mompelde hij „Heilige George, wat zal er nu gebeuren! Ik ben een verloren man!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings