VLUCHT EN VERVOLGING.
Reading edition
Het dreunende schot had natuurlijk het geheele hotelpersoneel op de been gebracht.
Uit alle vensters keken de verschrikte gasten en de kellners vlogen den tuin in.
Veel konden zij echter niet zien en het duurde een poosje, voordat licht werd gebracht.
Raffles had terstond zijn gevaarlijke positie geheel overzien.
Op het balkon van nummer 38 kon hij onmogelijk blijven.
Ieder zou zijn aanwezigheid daar met den moord in verband hebben gebracht.
Hij mocht tot geen prijs in hechtenis worden genomen.
Iedere minuut, iedere seconde voor hem was kostbaar.
Tuimelde niet reeds de trein, die den schat vervoerde, met razende snelheid door de vlakte?
Naar het balkon van nummer 39 durfde hij evenmin terugkeeren.
En elk oogenblik kon de tuin helder verlicht worden.
Zijn toestand was hachelijker dan ooit. Van de gang af drong men nummer 38 al binnen.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Intusschen verkeerde Charly Brand in duizend vreezen.
Hij was, zooals boven beschreven, naar het station gegaan om te hooren, wanneer het „lijk” zou vervoerd worden.
Tot zijn groote ontzetting had hij daar gehoord, dat de trein „met het lijk van den generaal” al vertrokken was.
Hij was wanhopig en teleurgesteld.
Charly toch wist maar al te goed, hoeveel het zijn vriend kon schelen om mee te zijn vertrokken.
Gelukkig echter verloor hij nog niet alle tegenwoordigheid van geest.
Tijd winnen was het eenige, dat hier aan de orde was.
Brand stapte dus dadelijk in een automobiel en suisde naar het hotel „Sint Petersburg,” waar hij de trappen op vloog.
In de haast had hij heelemaal vergeten, den chauffeur te betalen en deze bleef dus kalm wachten, in de meening, dat de vreemdeling zijn diensten nog wel verder zou noodig hebben.
Charly Brand was niet weinig verbaasd, zijn vriend Edward niet in de kamer te vinden.
Hij rende naar de eetzaal, de leeszaal, de conversatiezaal, de schrijfkamer.
Raffles was er niet.…..
Niemand had den heer van nummer 38 het hotel zien verlaten.
Doodelijk ontsteld en ongerust en zonder een oogenblik te denken aan de wachtende auto vloog hij naar nummer 38 terug en pakte daar alles in voor het geval, dat men plotseling zou moeten afreizen.
Toen alles gepakt was, viel hem plotseling de automobiel weer in.
Zijn eerste gedachte was nu, den chauffeur zoo gauw mogelijk weg te sturen.
Hij liet dit plan echter al heel gauw weer varen.
Hij liet den koffer naar beneden brengen en op de auto laden, toen betaalde hij de hotelrekening, want hij begreep dat Raffles, als hij terugkwam, dadelijk zou willen vertrekken.
Nadat dit alles was geschied, ging Charly terug naar nummer 39, nam plaats op de sofa en wachtte doodkalm af, wat verder zou gebeuren.
Plotseling werd in de aangrenzende kamer gedruisch vernomen. Toen kraakte een schot en klonk het rinkelend geluid van geld.— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Charly holde naar het venster, want in den tuin werden stemmen gehoord.
Daar zag hij plotseling een donkere gedaante door de lucht vliegen.
Het bloed stokte hem in de aderen.
Die zwarte schaduw was een mensch.
„Almachtige God!” stiet Charly uit en hij sloeg de handen voor het gelaat om niet te zien, dat de ongelukkige te pletter viel.
Maar er volgde geen noodkreet en geen doffe slag.
Alleen vloog hem iets over het hoofd en hij hoorde de zacht maar duidelijk gefluisterde woorden:
„Charly, neem de touwladder en wacht mij met hoed en jas op onze kamer!”
„Dat was Edwards stem”, hijgde Charly toonloos.
Werktuigelijk haalde hij de touwladder binnen en stak die in den zak.
Nauwelijks was hij de kamer weer binnen gegaan of van den anderen kant kwam—lord Lister, elegant gekleed, de sigaret tusschen de lippen, die vol voorname minachting over de geheele wereld glimlachte.
Raffles was door de dakgoot geloopen, die hij langs de brandladder bereikt had, toen was hij door een luik geklommen en met de steeds dóórloopende lift kwam hij op de verdieping, waar hij wezen moest.
Doodkalm was hij toen naar zijn kamer gestapt.
Charly was verstomd.
En bovendien wist hij niet, hoe hij zijn vriend de Jobstijding moest meedeelen.
Maar Raffles was hem vóór.
„De trein is al vertrokken, Charly!”
„Wéét je dat al? Van wien?”
„Komt er niet op aan!”
„Maar—”
„Hou je kalm, kerel! Wij moeten den trein inhalen!”
„Inhalen? Dat is totaal onmogelijk!”
Charly volgde echter zijn vriend naar de gang, waar de grootste verwarring heerschte.
De politie was druk in de weer en alle uitgangen werden afgezet.
Niemand viel het echter in, den voornamen lord Lister en diens secretaris vast te houden en terwijl alle hotelbedienden diep bogen, verlieten de heeren het gebouw.
„Naar het station”, beval Charly.
De auto tufte weg.
Raffles liet den automobiel niet voor den hoofdingang rijden; een eindje tevoren reeds liet hij halt houden.
Vlug trad hij toen het telegraafbureau binnen.
„De trein naar Krasnojarsk is om 7 uur 45 minuten vertrokken, dus vijf uren vroeger dan was aangegeven. Waar is hij nu?”
De beambte raadpleegde een kaart.
„Ongeveer tusschen Tscheremkowo en Kurulitz.”
„Is hij Kurulitz nog niet voorbij?”
„Neen! Dan zou ik reeds telegrafisch bericht hebben ontvangen.”
„Goed. Telegrafeer dan vlug: De trein moet opgehouden, tot grootvorst Peter Andrejew met zijn adjudant is aangekomen. Voor den grootvorst moeten in den voorsten slaapwagen twee afdeelingen tegenover elkander, elk met twee bedden, gereserveerd worden.”
De beambte boog diep.
Hij twijfelde er geen oogenblik aan of hier voor hem stond de adjudant van den grootvorst.
Toch antwoordde hij op bescheiden, maar vastberaden toon:
„Uw telegram mag ik niet zonder toestemming van den stationschef overseinen.”
Nu veranderde Raffles van taktiek.
Hij wist, dat men bij Russische beambten moet werken met den knoet en den roebel.
Lord Lister deed beide.
Hij gaf den beambte een banknoot van honderd roebel en hield hem dreigend een revolver voor.
„Dadelijk telegrafeeren, jij hondsvot, anders schiet ik je neer, alsof je dol waart geworden!”
De beambte werd vaalbleek, maar hij deed, wat verlangd en bevolen werd.
Toen dit geschied was, sprak Raffles:
„En waag het nu niet, door een tweede telegram dit eerste te herroepen. Het zou onherroepelijk je dood zijn.”
Raffles ging heen.
Hij was ervan overtuigd, dat de telegrafist geen tweede telegram zou zenden.
Onmiddellijk nam hij weer plaats in den auto, nadat hij den chauffeur had bevolen, naar „Tscheremkowo” te rijden.