← Table of contents
Lord Lister No. 0004

EEN MEDELIJDEND AUTOMOBILIST.

Reading edition

De chauffeur was niet weinig verbaasd over deze handeling van zijn passagier.

Lord Lister liet hem echter geen tijd, van deze verbazing te doen blijken, maar vroeg hem, waarom hij niet sneller reed.

„Het is al donker,” luidde het antwoord, „er is zoo weinig te zien op den weg!”

„Maar man, dan ben je blind! Ik zal je eens wijzen, hoe je moet rijden!”

Lord Lister nam het stuur.

En nu raasde de autokar met verdubbelde snelheid voorwaarts.

Maar halt!

Wat was dat?

Een dikke stofwolk dwarrelde op, de motor pufte met zoo’n kracht, dat een ontploffing onvermijdelijk scheen.

Charly stiet een kreet van schrik uit en vloog van zijn plaats.

De chauffeur kwam met een groote bocht op den straatweg.

De auto stond stil.

Raffles had in allerijl gestopt, want ondanks de heerschende duisternis had hij een vrouw en twee kinderen voor het voertuig zien vallen.

De ongelukkige had zich met haar spruiten van het leven willen berooven.

Zij lag nu met haar schreiende kleinen midden op den weg.

Raffles nam eerst de kinderen op en zette ze in den auto.

Hij zei Charly, dat deze hen moest troosten, want ze beefden van schrik.

De arme vrouw ging te keer als een waanzinnige.

Zij verweet Raffles in vele woorden, dat hij den auto had gestopt, zoodat zij niet met haar kinderen den dood had gevonden, waarnaar zij zoozeer had verlangd.

„Beste, goede vrouw”, sprak Raffles in antwoord op de grove verwijten, „is uw leed dan zoo groot, dat ik het niet kan helpen verzachten? Vertel mij eens, wat u dreef tot deze wanhoopsdaad. Weet ge wel, dat het heel zondig is om u zelve en uw kinderen van het leven te berooven?”

„Ik deed het, omdat ik mijn kinderen lief heb. Omdat ik een einde wilde maken aan hun jammerlijk bestaan. Het is beter zoo te sterven, dan den hongerdood te gemoet te gaan!”

„Is het dus de honger? Als dat uw grootste zorg is, kan ik er u spoedig van bevrijden!”

„Gij? Wilt gij ons van den honger bevrijden, die ons martelt, zoover onze herinnering strekt?”

„Ja, goede vrouw, dat wil ik! Ik zal voor u en uw kinderen zorgen. Leeft uw man nog?”

De arme vrouw knikte bevestigend.

Tranen verstikten haar stem.

„Mijn arme man ligt uitgeput thuis. Hij zal spoedig sterven en om verdere ellende te ontkomen, wilde ik mij met mijn kinderen van het leven berooven!”

„Dan is het hoog tijd, dat wij uw man redden!”

Raffles ging weer aan het stuur zitten en liet de vrouw naast zich plaats nemen, opdat zij hem den weg zou kunnen wijzen.

De arme sloof vertelde hem onderweg treurige dingen.

Het geheele gouvernement was uitgezogen, daar de bevolking krankzinnig hooge belasting moest betalen. De laatste kopeken werden hun afgenomen, de laatste koe, de laatste geit uit den stal gehaald en voortgedreven.

Geen wonder, dat de boeren vertoornd waren, daar zij bijna allen tot den bedelstaf waren gebracht.

Toen de geredde vrouw hoorde, dat zij van lord Lister genoeg geld zou krijgen om eenige maanden geheel zonder zorg te kunnen leven, kon zij die blijde boodschap eerst niet gelooven.

John Raffles gaf haar toen een beurs vol goudstukken, opdat zij zou zien, dat het hem volle ernst was.

Toen barstte de rampzalige los in een wilden schaterlach en zoende de beurs.

Na eenigen tijd reed de auto een dorp binnen, dat er erbarmelijk en verwaarloosd uitzag en lord Lister bracht de vrouw en de kinderen naar een barak, waarin geen stuk huisraad was.

Op een legerstede van vervuild stroo lag de vader van het huisgezin, die door gebrek aan voedsel totaal was uitgeput.

De edele weldoener gaf den armen stumperd, die zijn geluk niet kon beseffen, een groote som gelds en ging toen naar den Starosta, den burgemeester van het dorp.

Deze, een eerwaardige grijsaard, ging diep gebukt onder zorg en kommer. Hij had zich niet ter ruste begeven, hoewel middernacht allang voorbij was.

Het ongeluk dat de dorpsgenooten had getroffen, hield de slaap uit zijn oogen.

De Starosta was hoogelijk verwonderd over deze plotselinge hulp. Hij knielde neer en begon met luider stem te bidden.

Toen hij eenigszins van zijn verrassing was bekomen, gaf de meesterdief hem 5000 roebel en daarbij een gesloten brief, waarin hij enkele woorden had geschreven.

Brand wilde over den schouder van zijn vriend kijken.

„Niet nieuwsgierig zijn, Charly. Je zult gauw genoeg hooren, wat er in dezen brief staat!”

„En waarom moet het tot zoolang een geheim blijven?”

„Omdat het je te veel zou opwinden!”

Dat was juist voor den zenuwachtigen Brand een reden om opgewonden te worden.

Raffles nam daarvan echter geen notitie.

Hij sprak tot den starosta:

„Open dezen brief niet, voordat ge in gemeenteraad vergaderd zijt. Vaarwel!”

De oude man wilde uiting geven aan zijn overgroote dankbaarheid.

Raffles wachtte dat echter niet af.

„Wat doe je toch weer geheimzinnig,” bromde Charly, „waarom geef je mij toch voortdurend raadseltjes op!”

„Ik denk er niet aan jou raadseltjes op te geven. Ik zou het zelfs veel beter vinden, als je je wat minder bemoeidet met dingen, die je niet aangaan. En stap nu in, Charly, wij moeten zoo gauw mogelijk naar Tscheremkowo. Wij hebben ons hier al veel te lang opgehouden!”

„Zeg mij dan tenminste, wat je in Tscheremkowo wilt!”

John Raffles glimlachte.

„Morgen zult ge alles vernemen, grootvorst Peter Andrejew, want als zoodanig kun je je adjudant, Teodor Timofejew bevelen te zeggen, wat hij weet.”

Met deze woorden duwde lord Lister den verbluften secretaris in den wagen, sprong op den bok en in het volgende oogenblik rende de automobiel weer door de duisternis.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings