EEN NIEUW SPOOR.
Reading edition
John Raffles veranderde nu van taktiek.
Zwijgend nam hij in een hoek plaats, als iemand, die over een diepzinnig vraagstuk nadenkt, in tegenstelling met den generaal, die opgewonden in den coupé heen en weer liep.
„Nu?” viel Ortschkoff uit, „gij weet zeker ook geen raad? Ja, het is niet gemakkelijk, zoo’n genialen spitsboef te vangen! Gij zult het ook niet kunnen, lord Cruzon!”
„Ik ben van meening, dat Raffles in dit geval even onschuldig is als ik zelf,” antwoordde John glimlachend.
„En dat zegt gij?” riep de generaal verbaasd, „terwijl gij mij eerst hebt gezegd, dat niemand anders dan Raffles de dief kan zijn?”
„Dat is waar, maar nu staan de zaken anders!”
„Waarom? Wilt u mij dit duidelijk maken?”
„Zeker! als gij een beetje geduld hebt.”
„Hm! Ik ben zeer nieuwsgierig.”
„Gelooft gij, dat uw soldaten het geld gestolen hebben?”
„Eerlijk gezegd: neen! Russische beambten stelen, maar Russische militairen nooit.”
„Goed! Dat denk ik ook. Wie kan het dan geweest zijn?”
„Raffles natuurlijk!” schreeuwde de gouverneur.
De lord schudde langzaam het hoofd en antwoordde:
„Vertelt u mij dan eens, op welke wijze Raffles het geld had kunnen stelen.”
„Ik? Hoe zou ik dat weten, ik ben geen beroepsdief of inbreker.”
„Ik weet ook niet!”
„Wat wilt gij daarmee zeggen?”
„Dat het onmogelijk is, uw vernuftige schuilplaats te bestelen. De kist was nergens beschadigd, de soldaten hebben den wagen niet verlaten, er is niemand behalve gijzelf in den wagen geweest, dus: geen mensch kan de doodkist bestolen hebben.”
„Zoo schijnt het, maar hebt gij een ander spoor?”
„Zeker. Het staat vast,” begon Raffles met de scherpzinnigheid van een rechter, „dat de diefstal niet gepleegd kan zijn gedurende de reis. Daar de schat echter gestolen is, moet dit voor dien tijd geschied zijn.”
„Gij wilt zeggen,” barstte de gouverneur los, „dat graaf Barjatinsk de dader is?”
„Dezelfde!”
„Maar hoe zou hij? — —”
„Dood eenvoudig. Hij heeft u geen volle kist geleverd, maar alleen dat ingepakt, wat gij er nog in gevonden hebt!”
„Ongehoord! Dat zou dus het gemeenste bedrog zijn!” raasde de generaal! „Maar wat moet ik doen? Ik heb geen bewijzen en de ellendeling zal alles ontkennen.”
„Dat zal hij ongetwijfeld, maar hij moet gevangen genomen worden!”
„Als hij werkelijk gestolen heeft, en daaraan twijfel ik niet meer, zal hij het nimmer willen bekennen!”
„Het komt er maar op aan, hoe men de zaak aanpakt.”
„Denkt gij het te kunnen?”
„Ik zou een slecht detective moeten zijn, als ik het niet kon.”
„Maar wat zal het helpen? Natuurlijk heeft hij het gestolene reeds in veiligheid gebracht!”
De generaal wist uit eigen ervaring, hoe men doet met achtergehouden gelden.
„Er bestaan middelen, om zelfs den brutaalsten misdadiger tot bekentenis te brengen,” sprak Raffles kalm. „Zijn slecht geweten zal een groote rol spelen. Wij zullen eens zien of mijn middel helpt. Ik rijd met u mee naar Irkoutsk.”
„Dat doet mij genoegen! Gij zijt een flinke kerel, Lord. Wij beiden zullen goede vrienden worden.”
Het was intusschen volkomen dag geworden. Raffles begaf zich met den gouverneur naar den restauratiewagen, waar zij, naar Russische gewoonte, de thee gebruikten.
Het gesprek van alle reizigers draaide natuurlijk om het voorgevallene van dien nacht, dus in de eerste plaats om Raffles.
Men bewonderde den onverschrokken dief meer dan dat men hem vreesde, want allen hadden gemerkt, dat zij zelf niet bestolen waren.
Den generaal beklaagde men weinig, want het geld, dat gestolen was, had aan de Regeering behoord en deze kon het verlies wel dragen.
Men lachte om de voortreffelijk geslaagde list met de doodkist. Voorwaar, de berooving van de door soldaten bewaakte kist was een meesterstuk.
De jonge detective, die zoo vertrouwelijk met den gouverneur zat te fluisteren, werd algemeen beklaagd. Dit zeer elegante, maar schijnbaar zoo onbeduidende mannetje zou opgewassen zijn tegen den grooten Raffles?
Neen, neen, met goede manieren, een keurig toilet en goede cigaretten ving men Raffles niet!
Tegen acht uur kwam de trein in Nischne-Udinsk aan, een plaats aan het riviertje de Uda of Tschuna.
Hier wachtte een nieuwe verrassing.
De trein mocht niet dadelijk het station binnenrijden maar op ongeveer honderd meter afstand blijven staan.
Daar scheen een geheel leger te zijn opgesteld.
Agenten van politie, gendarmen en geheime agenten waren daar aanwezig en een geheele compagnie kozakken omsingelde het terrein, zoodat geen muis had kunnen ontsnappen.
Zooals Raffles reeds had vermoed, was het optreden van den pseudo-grootvorst reeds bekend geworden en waren telegrafisch maatregelen genomen om den misdadiger en zijn medeplichtige te snappen.
Helaas was ook nu weer, zooals dat zoo dikwijls gaat, alle moeite voor niets. De vermetele, die zijn slachtoffers steeds onder de schuldigen zocht, was ontsnapt!
De hoofdconducteur deelde mede dat hij met zijn adjudant reeds in Kursan den trein had verlaten, om naar het heette, op de jacht te gaan.
Onmiddellijk werden telegrafische berichten naar die plaats gezonden.
Tegelijkertijd doorzocht de politie den trein nauwkeurig. Wie geen voldoende identiteitsbewijzen bij zich had, werd onherroepelijk gevangen genomen.
Raffles had natuurlijk volledige papieren op den naam van Lord Cruzon en daar hij geen bagage bij zich had, liet men hem volkomen ongemoeid.
Gouverneur Ortschkoff nam intusschen de gelegenheid waar om bij de hoofdpolitie te Nischne-Udinsk aangifte te doen van den diefstal.
Hij was van plan om, wanneer hij met behulp van Lord Cruzon het geld werkelijk los zou krijgen van graaf Barjatinsk, dit bedrag geheel en al achter te houden.
Barjatinsk zou zich wel wachten, hem te verraden en de diefstal der belastingen op de Siberische spoorlijn was immers officieel vastgesteld.
Nu kon hij prachtig in troebel water visschen en een dubbelen buit verwerven!
Tot groote ergernis der reizigers, werd alles wat zich in den trein bevond, grondig onderzocht.
De wagons werden totaal leeggepakt, koffers, reistasschen, hoedendoozen, zelfs parapluie-foudraals, alles werd doorzocht en niet steeds geschiedde dit even voorzichtig.
Raffles slenterde, een cigarette rookend, langzaam heen en weer, alsof de geheele geschiedenis hem geen belang inboezemde.
Integendeel, hij maakte bezwaren over het onnoodige oponthoud, waartoe men hem noodzaakte, terwijl hij zich op zijn Lordstitel beriep.
Eindelijk bracht hij het zoover, dat men hem en den gouverneur verlof gaf, hun weg te gaan.