← Table of contents
Liesje van den Lompenmolen

Zeventiende Hoofdstuk.

Reading edition

“En gij zegt, Hendrik, mijne grootmoeder heeft die beiden te zamen gezien?”

“Francis heeft het mij in vertrouwen verteld, heer luitenant, den avond vóór haar verdwijnen.”

De jonge officier zat in een der groote leunstoelen in zijn kamer en zag onderzoekend en met kennelijke belangstelling den ouden man aan, die in eerbiedige houding dicht bij hem stond en in wiens trekken een lichte verlegenheid zichtbaar was. Army had hem nog laat in den avond laten roepen; hij wilde weten, welke beweegredenen zijne grootmoeder had, en waarin de haat wortelde, die zich ook heden weder geopenbaard had in de minachtende bejegening zijner bruid; uit een onpartijdigen mond wilde hij hooren, waarop de toespelingen zijns aanstaanden schoonvaders doelden. Hij had besloten, het met Hendrik te beproeven, en de oude man was inderdaad op zijne vragen aarzelend en verlegen begonnen te verhalen van baron Frits, die de schoone Lisette daar beneden in den molen zoo lief had gehad.

“In dien tijd,” voer de oude voort, “kwam baron Frits op een avond zoo recht vroolijk aanrijden; ik nam hem zijn overjas af, want het was koud, deed toen het torenkamertje open en maakte vuur in den haard aan—”

“Het torenkamertje?” viel de jonge officier den verhaler driftig in de rede.

“Ja, heer luitenant. Baron Frits woonde daar altijd; ik weet ook wel waarom; hij kon van daar het venster zijner liefste zien—ik maakte dan vuur aan, haalde hem een flesch madera en hielp hem van kleederen verwisselen. Hij vroeg naar alles, wat er was voorgevallen, of zijn broeder reeds weder te huis was; ik antwoordde hem op alles, en zei dat de meester binnen drie dagen terug werd verwacht; en daarop, hoe Mevrouw zijne moeder het maakte, benevens zijne schoonzuster en al zoo wat meer; ondertusschen zocht hij aanhoudend in de schuifladen van zijn schrijftafel, en vroeg eindelijk angstig: “Hendrik, hebt gij hier opgeruimd, toen ik onlangs zoo haastig ben vertrokken?”

“Ja, zeker, mijnheer de baron,” zeide ik.

“Hebt gij niet een klein gouden hart gevonden?”

“Neen,” en hij ging voort met zoeken, en ik zocht mede, maar er werd niets gevonden; eindelijk hield hij op, maar zag zeer treurig. “Weet gij, Hendrik!” sprak hij toen, “dat is een groot verlies voor mij; vijftig daalders geef ik u, als gij mij het hart terug bezorgt; toen nam hij hoed en stok, want hij droeg altijd burgerkleeding als hij hier was, en zeide, dat hij nog eene wandeling in het park ging doen, vóór hij zijne opwachting bij de dames wilde maken; maar ik wist wel, waar hij heen wilde.”

“Mij spookten de vijftig daalders in het hoofd, heer luitenant, en dus begon ik weder te zoeken, en te zoeken, maar ik vond niets; daarop nam ik het licht en ging in de aangrenzende slaapkamer, waar ik nauwelijks binnen was, of ik verbeeldde mij, dat ik de deur heel, heel zachtjes hoorde openen, en toen ik haastig de woonkamer weder binnentrad, deinsde ik terug, want daar stond Sanna, die, mij ziende, van schrik neerviel.”

“Weet gij, heer luitenant, ik ben nu oud en kalm geworden, maar toen kon ik het magere vrouwspersoon, met de koude, grauwe oogen, het zwarte haar, en de gele kleur niet uitstaan; het was altijd een valsch schepsel, en daarom stoof ik in drie duivelsnaam op haar toe, en vroeg, wat zij hier te zoeken had. “De genadige vrouw wil weten, wanneer baron Frits terugkomt?” Zij noemde mij toen altijd Enrico, want zij was trotsch op haar Italiaansche afkomst. “Waar is mijnheer de baron?” vroeg zij nog eens. “Loop naar de koekoek!” riep ik, “en spioneer hier niet. Ik weet niet, waar hij is;” ik wilde haar daarmede de deur uitschuiven. “Hoor!” zeide zij, en toen ik luisterde, hoorden wij beneden in het dorp de doodsklokken luiden; zij begon zich te bekruisen en een Ave Maria op te zeggen; intusschen schoof ik haar evenwel naar buiten: “Maak dat maar buiten af! Verstaat gij?” Toen keerde zij zich bij de deur om, en sprak:

“Weet gij, Enrico, wie er gestorven is? Lompenmolenaars Lisette is het.”

Lompenmolenaars Lisette! Ik beefde van schrik; heilige vader, wat zal baron Frits zeggen? was mijne eerste gedachte; hij ging zoo vroolijk, zoo gelukkig naar haar toe en nu dood, dat lieve, jonge wezen! Het was een prachtstuk, heer, als men dat meisje zag; of men nu lompenmolenaars Liesje, ik wil zeggen: de bruid van mijnheer den baron aanziet of hare oudtante Lisette, is precies hetzelfde; Liesje is als uit haar gezicht gesneden. Terwijl ik daar zoo stond, stak er een storm op, dat de boomen bogen, de oude muren kraakten, en men allerlei geluiden hoorde. Baron Frits kwam niet en kwam niet, en onderwijl werd het weder al erger en erger het scheen alsof de orkaan den toren wilde omverrukken; het oog kon in de duisternis geen voorwerp onderscheiden, hoe ik mij ook inspande en het gezicht tegen het venster drukte. De klok van het slot had reeds tien geslagen, en nog keerde hij niet terug. Heer, het was een vreeselijke nacht! Op eens vloog de deur open, en toen ik mij omkeerde, vielen mijn ontstelde oogen op baron Frits—hij stond reeds midden in de kamer, en voor zijne voeten lag bleek en bevend de dolle Francis, die de handen angstig smeekend tot hem opgeheven hield.

“Verzoek mijne schoonzuster, Hendrik,” sprak hij met toonlooze stem, “of zij zich de moeite wil geven, een oogenblik hier te komen!” Ik vloog naar de deur, heer luitenant; ik wist, er moest iets verschrikkelijks gebeurd zijn, toen ik de verslagen houding van het meisje zag, en juist toen ik de deur openrukte, stond mevrouw de barones—uwe grootmoeder—buiten en wilde naar binnen gaan. Zij deinsde terug, toen zij haar zwager zag; een oogenblik voer een hevige schrik haar door de leden. Zij verborg schielijk iets in den zak van haar kleed en trad toen schijnbaar kalm het vertrek binnen.

Heer luitenant, een schoonere vrouw dan zij, was er niet; zooals zij daar stond in het lange, witte nachtgewaad, de zwarte lokken half losgemaakt en met haar groote, donkere oogen in het bleeke gelaat, als een engel der onschuld, tegenover het arme, kermende schepsel op den vloer.

“Mio caro amico,” riep zij den baron toe, “wat beteekent dat?” en wees verwondert met de hand naar Francis.

“Kom binnen, schoonzuster!” antwoordde hij ruw. “Ga, Hendrik, en sluit de deur!”—Toen eerst keerde hij zijn gelaat naar mij toe—mijnheer; ik was toen een ruwe, wilde borst—maar ik heb gesidderd, zoo zag hij er uit. De oogen schenen weggezonken; het jonge, bloeiende gelaat was oud en vervallen van waanzinnige smart, en de mond beefde van hevigen toorn. Van mijn leven vergeet ik dat gezicht niet, noch den doodsangst, dien ik gevoelde, toen ik de deur achter de barones sloot; de tanden klapperden mij van ontsteltenis, en als vastgenageld bleef ik in de gang staan. Sanna sloop ook naderbij, en zoo stonden wij beiden en waagden het nauwelijks adem te halen. Eerst was het onverstaanbaar, wat zij daarbinnen spraken; men hoorde slechts de zachte stem der barones en het snikken van Francis; toen echter vernamen wij de met een donderende stem uitgesproken woorden van baron Frits duidelijk; moordenares noemde hij de barones en vervloekte haar en haar huis; ik stond stom en stijf, toen de deur plotseling openvloog, de barones naar buiten stormde, en als een gejaagd ree de gang langs en de trappen afvloog; verschrikkelijk zag zij er uit, en daar beneden sloeg zij, als naar een steun reikende, de armen om den pilaar en gleed bewusteloos ter aarde; ik zie haar nog voor mij, de witte, ineengezonkene gedaante, en hoe Sanna haar schreiend volgde en op hare armen wegdroeg. Op hetzelfde oogenblik werd Francis naar buiten gestooten, en stond de baron in de deur: “Mijn paard!” beval hij met heesche stem, en terwijl ik naar beneden ijlde liep Francis het portaal door in donker en stormweer naar buiten. Ik bracht den baron zijn paard voor; hij wrong er zich op met zijn bleek, ontdaan gezicht—het arme dier, het steigerde hoog op, zoo drukte hij het de sporen in de zijden, en weg vloog hij, zoodat ik meende er moest een ongeluk geschieden. Toen kwam hij op eens terug; ik stond nog in wind en weder op de trappen van het bordes en luisterde naar het naderbij komende paardengetrappel. Hij wierp mij een geldstuk toe.

“Hoor eens, Hendrik,” zeide hij, “ga gij naar mijn oude moeder en zeg haar voor mij vaarwel; mij ziet zij nimmer weer—” Het laatste verstond ik nauwelijks; de wind verwaaide het, òf zijne stem werd door snikken verbroken, ik weet het niet; hij gaf mij de hand, toen was hij weg, en is nooit teruggekomen.

Francis zag ik echter nog eens; zij lag daar boven onder de oude boomen op de knieën, en toen zij hem in den duisteren nacht zag wegrijden, gaf zij zulk een hartverscheurenden gil, dat ik er heen liep. Dáár, mijnheer, daar vond ik een arm ongelukkig schepsel, dat van berouw en smart verging; toen bemerkte ik, dat zij niet zoo slecht was; ik troostte haar in haar ellende—nu, toen heeft zij mij verhaald, dat baron Frits en de schoone Lisette gescheiden moesten worden—dat zij gestorven was, omdat men haar had doen gelooven, dat hij haar ontrouw was en—dat is alles wat ik weet.”

“Meent gij, Hendrik, dat mijne grootmoeder werkelijk—”

De stem van den jongen man klonk dof.

“O, mijnheer, mij voegt het niet iets slechts van mijne meesters te gelooven; ik heb immers geen bewijs er voor, dat baron Frits reden had tot zulk een vreeselijke vervloeking; maar dit weet ik zeker, dat hij met de barones sedert eenigen tijd niet op een goeden voet stond, omdat—och, hij had zich eens in hare zaken gemengd; daarbij was zij gruwelijk trotsch; zij had voor geen geld ter wereld lompenmolenaars Lisette als schoonzuster erkend; en daarom—mijnheer de luitenant—neem het mij niet kwalijk! ik durf het u immers wel zeggen, ik heb u in den wieg zien liggen en tot een jonkman zien opgroeien. Duidt het mij niet euvel—Liesje—”

“Is mijne bruid, Hendrik—”

“Ik weet het, en heb mij verblijd, toen ik u beiden zag, zooals ik nooit geloofd had, mij ooit weer te zullen verheugen—ach, mijnheer, houdt uwe bruid in eere, en laat haar niet uit uwe oogen gaan! Men kan angstig worden voor zulk een jong wezen, hier boven in het slot; vergeef mij, heer baron! Mijn hart drong mij, u dit te zeggen; zij gelijkt zooveel op Lisette, vooral dezelfde oogen, even zoo blauw, diep en helder, en dezelfde uitdrukking er in. Zulke oogen vergeet men niet. God geve haar enkel vreugdetranen!”

De stem van den oude was ontroerd toen hij weg ging, en het “goeden nacht” klonk zeer onduidelijk in Army’s ooren; hij lette er ook niet op—voor zijn geest stonden zij ook, die blauwe kinderoogen, maar zoo smartelijk, zoo bang, en onuitsprekelijk droevig, als hij ze dezen avond gezien had.

“Dezelfde oogen,” herhaalde hij halfluid, “dezelfde uitdrukking!” en hij zag naar de beeltenis der schoone Agnese Mathilde. Het licht was diep neergebrand; het flikkerde slechts nu en dan flauw op, en het roode, volle haar was bijna onzichtbaar in het matte schijnsel; de twee donkere, droevige oogen echter staarden uit het bleeke gelaat onafgewend op den jongen man, zoo smartvol, zoo bang, als zochten zij een verloren geluk. Dat waren de oogen, waaraan hij gedacht had bij het uitstijgen uit den wagen—de oogen der schoone Agnese Mathilde!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings