← Table of contents
Liesje van den Lompenmolen

Achtste Hoofdstuk.

Reading edition

Boven in het slot kwam men nog in lang niet tot rust. De jonge verloofde had zich wel is waar in hare vertrekken teruggetrokken; het was alles zoo haastig, zoo onverwacht gekomen. Zij liet zich trouwens de vleierijen der oude barones welgevallen, en luisterde naar de vriendelijke woorden van Army’s moeder; toen werd zij zoo moede en sloot zich op in haar kamer. De liefelijke lach verdween van het schoone gelaat, en Sophie, hare kamenier, had een zeer ongemakkelijke gebiedster te bedienen.

Eindelijk zat zij in haar nachtgewaad aan haar schrijftafel, en vloog de pen over het papier, terwijl de trekken om den mond bitter verdriet teekenden.

In het woonvertrek beneden sloeg Army’s moeder hare armen om zijn hals en staarde in zijne van geluk stralende oogen.

“Mijn lieve, beste jongen,” fluisterde zij, “moogt gij gelukkig worden! Het is zoo snel gegaan, en gij zijt nog zoo jong, God zegene u!”

De oude barones stond vóór haar, juist toen de jonge man zijne lippen op den mond zijner moeder drukte.

“Army,” begon zij, blijkbaar geërgerd over dit betoon van hartelijkheid, “gij weet, wat gij nu het eerst te doen hebt. Gij reist naar tante Stontheim en vraagt formeel om Blanka’s hand, en dan zal al het andere, hoop ik, zich vanzelf schikken. Aan Blanka’s vader schrijft gij slechts; met dien mensch zullen wij, hoop ik, in ieder geval niet in aanraking komen.”

“Zeker, grootmama,” viel hij haar met zachte stem in de rede. Hij naderde Nelly, die in een grooten leunstoel gehurkt, de handen voor de oogen hield; “kleine,” sprak hij zacht, “hebt gij geen vriendelijk woord voor mij?”

“Och, Army,” snikte zij, “ik—ik schrikte zoo, toen ik u samen zag, en het bedroeft mij zoo, dat—”

“Maar, Nelly, het is toch voor ons allen zeer gelukkig, dat het zoo ver gekomen is, en ik heb Blanka zoo lief—”

“Heeft zij u ook lief?” vroeg zij ernstig, zijne hand vattende, “weet gij dat zeker?”

“Maar, kindlief! denkt gij, dat zij mij zonder dat zou willen trouwen? Zij, die zoo schoon en gevierd is?”

Nelly schudde het hoofd en zag haar broeder met betraande oogen aan.

“Ik stelde mij alles zoo geheel anders voor,” fluisterde zij.

“Kleine gekkin!” sprak hij, en streek haar zacht liefkoozend over hare lokken. “Maar, nietwaar Nelly, het is toch heerlijk, dat ik zoo gelukkig ben?”

Zij lachte door hare tranen heen en verliet toen schielijk het vertrek. Buiten klonk het eerste rollen des donders van het naderende onweer in den zwoelen nacht.

“Nelly is ziek, vrees ik,” sprak hare moeder bezorgd, “hare handen waren gloeiend heet.”

“Och kom, zij is in een kwaden luim; zij mokt, omdat haar Liesje, naar hare meening, vandaag niet vriendelijk genoeg bejegend is,” verklaarde de oude barones wrevelig. “Ik wed, dat zij reeds naar den molen geweest is, en het onnoozele kind om verschooning gevraagd heeft; het is waarlijk ongehoord.”

“Zij scheen er vandaan te komen, toen zij ons zoo onverwacht ontmoette; overigens, moet ik bekennen, en Blanka vindt het ook, grootmama! dat gij veel te lomp jegens het meisje waart.”

Op dit oogenblik doorkliefde een helle bliksemstraal de lucht, gevolgd door een zwaren donderslag.

“Misericordia, welk een weer!” riep bevend de oude dame, op wier lippen het scherpe antwoord door den schrik bestierf, “zou Blanka ook bang zijn?”

Daar vloog de deur open en in het ruime, witte cachemiren kleed stond de jonge dame plotseling midden in het vertrek; zij hield de handen voor de ooren en zag angstig in het rond.

“Ik ben zoo bang,” sprak zij huiverend, en liet zich in den stoel vallen, dien Nelly zooeven verlaten had.

Army ijlde naar haar toe; hij zag haar bleek gelaat en vatte hare koude, kleine hand.

“Ik zou om niets ter wereld altijd hier willen wonen!” vervolgde zij, en stampte met haar klein voetje heftig op den grond.

“Waar wilt gij dan wonen, mijn kind?” vroeg de oude barones verwonderd.

“Dan wonen?” herhaalde verbaasd de jonge dame, die voor een oogenblik haar angst totaal vergeten scheen te zijn. “Wel, lieve grootmama, meent gij dan, dat Army en ik ons hier zullen begraven? Neen, nietwaar, Army? Wij gaan eerst reizen en wat van de wereld zien; ik ken nog geen der groote badplaatsen, Ems, Baden-Baden, dan Zwitserland, Italië—verbeeld u eens Italië, waar gij mij gister nog zooveel van verteld hebt, en dan, als wij dat alles gezien hebben, zoeken wij een plekje uit, waar het ons bevalt om te wonen.” Zij zweeg opeens, want een nieuwe bliksemstraal en donderslag deden het oude slot op zijne grondvesten schudden.

Army hield de hand zijner verloofde vast; hij stond rechtop naast haar en luisterde naar den wegstervenden donder; de oude dame naderde echter het jonge paar met een gelaat, waarop de hoogste verbazing te lezen stond, terwijl hare schoondochter angstig luisterde naar hetgeen die kleine mond zei, als iets dat van zelf sprak.

“Wij zullen wel dáár moeten wonen, Blanka,” sprak nu de jonge man kalm, “waar tante Stontheim het verkiest.”

“Neen, nooit!” antwoordde zij driftig, “ik wil hier in dit oude slot niet eens begraven worden; ik ben nog jong, en wil het leven genieten; Army! gij zult mij gelijk geven. Hier wonen? Nooit of nimmer! Tante is te verstandig, zij zal dit niet van mij vergen; neen, zeker niet,” voegde zij er bevestigend bij.

“Zeker, Blanka, wij zullen reizen; maar onze vaste woonplaats heeft tante te bepalen.”

“En wanneer zij Derenberg kiest, dan—dan ga ik niet mede; ik verzeker u, ik ga niet mee; het is hier veel te stil; ik zou sterven in deze eenzaamheid.”

“En zoudt gij mij hier alléén willen laten?” vroeg Army zacht en bukte zich om haar aan te zien. De toon was schertsend, maar klonk toch eenigszins angstig; “en gij hebt mij straks in den tuin nog verzekerd, dat gij slechts gelukkig zoudt zijn, waar—”

Zijne stem daalde tot zacht fluisteren.

Een heftig hoofdschudden was het antwoord. “Neen, neen,” riep zij daarop; “zoo meende ik het niet, Army! Mijn weinigje vrijheid laat ik mij niet ontnemen, het zou mijn dood zijn, als ik dagelijks door de koude, hooge gangen loopen en in het donkere park uitzien moest.”

“Als echter uw aanstaande echtgenoot wenscht, dat gij hier blijft?” vroeg de oude dame met ingehouden adem; hare handen grepen krampachtig de plooien van haar kleed.

“Hij zal het niet wenschen,” riep zij hartstochtelijk en sprong overeind; haar lief gelaat had een dreigende uitdrukking aangenomen en haar voet stampte hevig op het tapijt; geen spoor was er meer van de minzaamheid van dien avond. De eigenzinnigheid vertoonde zich op eens in hare hatelijkste gedaante, en haar stem klonk scherp en ruw.

“Het is belachelijk, inderdaad belachelijk,” ging zij voort, “de vrouw als eene slavin te behandelen en tegen haar te zeggen, dáár, waar uw man zich gelukkig gevoelt, moet gij het u noodwendig ook doen, en doet gij het niet, dan is het uwe zaak te zien hoe gij u redt! Army kan en zal mij zoo niet behandelen; ik heb hem mijn woord gegeven de zijne te worden, het ligt aan hem, mij gelukkig te maken, maar hier kan en wil ik niet wonen.”

“Blanka,” riep hij, en zijne groote oogen zagen verschrikt het jonge meisje aan, dat straks onder duizend liefdesbetuigingen zijne verloofde geworden was.

“Blanka! ik bid u, houd op! gij zijt opgewonden van angst en schrik.” Hij schelde en bracht haar naar haar stoel terug. “Een glas water,” beval hij Hendrik, die binnentrad.

De oude dame zag als versteend naar de verloofde van haren kleinzoon. Zou dit kleine wezen al haar kostelijke plannen in duigen werpen? Zou zij evenals vroeger hier eenzaam leven? Zou zij van dien schitterenden rijkdom niet genieten? Zich niet koesteren in de stralen, die een frisch, vroolijk leven hier zou verspreiden? Ontsteld viel zij op een stoel en sloeg een donkeren blik op den jongen officier, die juist het glas water uit Hendriks hand aannam en het zijne verloofde toereikte.

Plotseling klonk een flauwe kreet uit het belendend vertrek. “Nelly,” riep de jonge barones ontsteld, en verdween door de kamerdeur. “Kind, wat scheelt u toch?” vroeg zij angstig, terwijl zij zich over het op de sofa liggende meisje heenboog en de hand op haar brandend voorhoofd legde.

“Och, zij is vreeselijk mama, zij is vreeselijk!” snikte het kind; “mijn Army, mijn lieve, goede Army! Zij heeft hem niet lief, mama, geloof mij.”

“Heb maar geen zorg, liefje!” troostte de moeder zacht; “zij is slechts wat nukkig; alles zal nog wel terecht komen.”

“Neen, neen, mama! O, toen ik haar aanzag, schoot mij de oude kroniek te binnen, en het vers over het roode haar. Och! dat zij weer wegging, van avond nog, en maar nooit, nooit weerkwam!”

Liefkoozend poogde de moeder het opgewonden meisje tot bedaren te brengen; haar hart was zelf zoo vol angst! De bleeke vrouw boog het hoofd en hare oogen vulden zich met tranen. Nelly sliep onder de troostredenen harer moeder in. Het was een onrustige, koortsachtige slaap, maar toch liet de bezorgde, bleeke vrouw haar dochtertje alleen. Zij had immers nog een kind, haar Army. Voorzichtig zag zij om den hoek van de deur; de oude dame en de schoone verloofde waren verdwenen; maar dáár, in de diepe vensternis, stond hij nog, haar lieveling, en staarde naar buiten. Zij naderde hem, en de hand op zijn schouder leggende, sprak zij zacht: “Army!” Hij keerde zich om en zag haar vragend aan. Zij zweeg, maar hare oogen bleven met een angstig onderzoekenden blik op het schoone, trotsche gelaat gevestigd.

“Wees gerust, mama!” zeide hij haastig, hoewel met eenigszins onvaste stem, “zij is een bedorven kind, een zeer bedorven kind, maar zij heeft mij lief—zeker, ik weet het; zij zal zich veranderen; het spijt haar immers al, dat zij zoo driftig werd.”

De moeder onderdrukte met geweld hare tranen en streek zacht over zijn voorhoofd. “Goeden nacht, Army,” fluisterde zij.

“Goeden nacht, mama,” antwoordde hij, haar teeder kussende, “wees voor mij niet bezorgd.”

Sedert waren veertien dagen verstreken. Storm en regen hadden al de frissche bloesems van boomen en heesters geschud en ze als versche sneeuw over den grond gestrooid, maar in plaats daarvan bloeiden in den tuin des molenaars de rozen allerprachtigst en de lindeboom in het slotpark stond in vollen bloei. Zeer dikwijls was Liesje in den laatsten tijd dien weg gegaan, welken zij gemeend had niet zoo spoedig weer te zullen betreden. Maar Nelly was erg ziek geweest, en de oude Hendrik had op haar verlangen hare vriendin bij haar ziekbed moeten halen. Uren aaneen had Liesje daar gezeten, in het hooge schemerachtige vertrek, en de kleine, van koorts gloeiende hand in de hare gehouden.

De boodschap, die Lise op het slot riep, was juist gekomen midden in het gewoel, waarover tante Marie gesproken had. De predikant met vrouw en kinderen, alsook de houtvester, waren op hun tijd verschenen, en Liesje had al hare vermogens moeten inspannen, om evenals vroeger de kinderen bezig te houden, waarbij zij gelukkig in den heer Selldorf een goeden steun vond. Op eens was Hendrik binnengekomen met zijne boodschap, en Lise had zich slechts even opgehouden om de toestemming harer ouders te vragen, die zij natuurlijk aanstonds verkreeg, hoe ongaarne men haar juist heden ook miste in den blijden kring. “Tante Liesje, kom gauw weer; dag tante Liesje!” hadden de vroolijke kinderstemmen haar nageroepen, terwijl achter de gordijnen een blonde, jonge man had gestaan, en twee trouwe, heldere oogen de slanke gedaante nastaarden, die juist in het bosch verdween, terwijl een mismoedige trek op zijn gelaat zichtbaar werd. Wat was er van dien zoo vurig verlangden Tweeden Pinksterdag geworden! In plaats van eene partij in het bosch—regen; in stede van vriendelijke blikken uit blauwe oogen—de plagerijen der wilde jongens, door wie Selldorf reeds tot oom was gepromoveerd. Op het slot was in die veertien dagen veel gebeurd.

Army had van een kort bezoek bij tante Stontheim, hare toestemming en een keurig equipage voor zijne verloofde meegebracht en in een vriendelijk schrijven had Blanka’s vader de jongelieden zijn zegen gegeven. Zij was weder de beminnelijkheid zelve en had uit eigen beweging verklaard, dat het haar leed deed, zoo heftig te zijn geweest op den avond harer verloving, maar een onweder maakte haar altijd erg zenuwachtig; Army was overgelukkig, ten minste zoo scheen het Liesje toe. Hij bezocht de donkere ziekenkamer dikwijls, om naar zijne zuster te zien en zijn gelaat straalde altijd, als hij zich over haar heenboog en een groet bracht van zijne bruid. De laatste was slechts ééns aan het ziekbed verschenen; maar hare vluchtige vragen, hoe of het ging en of Nelly haast weer kon opstaan, gevoegd bij de drukke verhalen van al hare uitstapjes en plannen bij haar huwelijk, maakten het jonge meisje zóó zenuwachtig, dat zij bij haar vertrek in tranen uitbarstte.

“Laat haar toch niet weerkomen,” klaagde zij, “ik word zoo angstig in haar nabijheid, en hare parfumerieën geven mij hoofdpijn.” Van Lise had Blanka geen notitie genomen, hoewel zij bij het bed stond. Grootmama kwam nooit in de ziekenkamer, zoolang zij wist dat Liesje er was; en Sanna mompelde zoo iets van eigenzinnigheid, en dat zij even goed eene zieke kon verplegen als dat nietige ding, daar uit den molen; “dat was weer zoo’n idée van de jonge barones.”

Eindelijk was de ziekte geweken; de donkere gordijnen in de ziekenkamer waren opgehaald, de ramen geopend en Nelly lag op de sofa met welgevallen de frissche boschlucht in te ademen, die het vertrek binnendrong, terwijl Liesje naast haar zat en met haar praatte. Zij waren alleen. Blanka’s vader was gekomen om, zooals Nelly fluisterde, met grootmama en Army te spreken op last van tante Stontheim. “Ik ben heel blij,” voegde zij er bij, “dat ik weg mocht blijven, want van het oogenblik af dat de brief kwam, die ooms komst meldde, ziet grootmama boos. Maar zeg eens, Liesje, wat ziet gij bleek! gij hebt u zeker te veel overspannen, door mij op te passen.”

Het jonge meisje ontkende blozend. Stemmen en paardengetrappel werden buiten hoorbaar, “O! daar komen zij van hun rit terug,” sprak Nelly; “kom, dat moeten wij zien.”

Zij stond langzaam op en trad aan het venster. Op het voorplein was de geheele familie vergaderd; Blanka zat nog te paard in haar zwart rijkleed, het kleine hoedje met de lange zwarte veder op het weelderige haar, dat op het achterhoofd was vastgestoken, inplaats van, zooals gewoonlijk, in lange krullen op den rug te hangen. Army was reeds van zijn paard gesprongen, gereed haar bij het afstijgen te helpen, en zag opmerkzaam naar haar vader, die langzaam tusschen de beide baronessen naderde. Het was een klein, gezet heer, die zeer ijverig eene meening scheen te verdedigen; hij gesticuleerde ten minste hevig.

Nelly’s moeder zag naar het venster, waar de beide meisjes stonden. Zij knikte haar vriendelijk toe, en de oogen der haar vergezellenden volgden dien groet. De oude barones zag onverschillig voor zich, terwijl de overste staan bleef, zijn hoed afnam en glimlachte. Toen hoorden zij, hoe hij naar Liesje vroeg; het antwoord konden zij niet verstaan.

Ondertusschen was Blanka afgestegen en had Liesje hare vriendin weder naar de sofa gebracht; spoedig daarop verkondigde een luid gesprek, dat het gezelschap de kamer daarnaast binnentrad. Liesje nam haar boek weer op en wilde hare lectuur weder beginnen, toen stoelen werden bijgeschoven en zij plotseling den ouden heer duidelijk hoorden zeggen:

“Het spijt mij, genadige vrouw, dat de zaak zoo weinig in uw smaak schijnt te vallen, intusschen—”

“Schijnt zij het des te meer in den uwen te doen, heer overste,” viel de oude barones hem in de rede.

“Pardon, ik kom slechts als afgevaardigde der barones Stontheim, en heb reeds eenmaal verzekerd, dat ik mij volstrekt niet in de regeling der zaak wil mengen; echter wil ik niet ontkennen, dat het mij zoo het verstandigste voorkomt;” zijne stem verried eenige geraaktheid.

“Meeningen, lieve Derenberg!”

“Gij zult toch zelve toegeven, dat Army nog te jong, te onervaren is, om de verwarring—vergeef mij het woord, barones—te ontknoopen, in welke trouwens alle Derenbergsche zaken verkeeren. Er behoort een ervaren landhuishoudkundige toe, om de verwaarloosde goederen weder in orde te brengen, verondersteld, dat wij ze terug kunnen bekomen; het bosch bij voorbeeld,—gravin Stontheim sprak er met den justitieraad Hellwig over—het bosch is zoo goed als verloren; de tegenwoordige bezitter—hoe heet hij ook? gij zult hem wel kennen, een fabrikant hier in de buurt—zal onder geen beding het weder willen afstaan; het bosch is derhalve voor immer verloren en wat beteekent zulk eene bezitting zonder bosschen?”

“Erving zou het niet weer willen verkoopen?” viel de oude dame in: “ha, ha, dan kent gij hem niet; het komt er bij zulke lieden slechts op aan, hoeveel men biedt; voor een kleine winst verkoopt zulk volk zijne zaligheid. Neen, neen, beste overste, dat is een belachelijk denkbeeld, dat ik van u niet verwacht had. Ik wil om alles met u wedden: bied hem zoo en zooveel meer, en het bosch is ’t uwe.”

“Gij zoudt de weddingschap verliezen, genadige vrouw, want Hellwig heeft er, op last van vrouwe van Stontheim, naar vernomen en een bepaalde weigering ontvangen. Voor het overige—”

De oude dame viel hem luid lachende in de rede.

“Gij zoudt toch wel gelijk kunnen hebben, Derenberg,” sprak zij, “want deze parvenu haat, evenals al zijns gelijken, den adel, en ons in het bijzonder. Plebaglio!” voegde zij er verachtelijk bij in hare moedertaal.

“Voor het overige,” zeide de overste met verheffing van stem—“pardon, barones,” vervolgde hij beleefd, toen zij zweeg, “ik stel er volstrekt geen belang in te weten, op welken voet gij met dien man staat; dat verandert niets aan de zaak; ik wilde er slechts bijvoegen, dat, wat de goederen betreft, die deerlijk in de war zijn. Het is verschrikkelijk—joden, makelaars, koopbrieven, eerste, tweede, derde en vierde hypotheek—en wat niet al meer; kort en goed, gravin Stontheim verkiest niet zich er mede te bemoeien, omdat de zaak slechts met enorme opofferingen te schikken is; zij wenscht, zooals ik van morgen vroeg reeds de eer had u mee te deelen, dat Army, ook nog na zijn bruiloft, die tegen den herfst bepaald is, in dienst zal blijven; zij zal het jonge paar ruim van middelen voorzien, en is voornemens, wanneer Army later zin in de landhuishoudkunde heeft, hun een landgoed te koopen, dat geheel onbezwaard is. Het slot Derenberg is nog altijd een prachtig zomerverblijf voor het jonge paar, en het voorvaderlijke slot blijft Army’s eigendom. Nietwaar, Army, gij wilt nog wel een tijdlang den bonten rok dragen?”

“Zeker, ik moet mij onderwerpen, oom!” sprak de jonge man, “maar ik beken dat het mij zwaar valt, er van af te zien op Derenberg te wonen—het was altijd mijn lievelings-idée.”

“Maar de mijne niet,” viel Blanka haastig in; “ik ben het volkomen met tante Stontheim eens, dat heb ik vroeger ook al verklaard.”

“Gij weet niet, Blanka,” hernam Army, en zijne stem beefde; “gij weet niet, welk eene bekoorlijkheid zulk een erfgoed heeft! Gij kunt het niet weten, want gij hebt nooit het trotsche gevoel gekend, den voet op eigen grond te zetten. U hebben geen oude muren, geen ledige vertrekken, geen eeuwenoude boomen verhaald van lang verloopen tijden, toen onze voorouders hier leefden en werkten. Het was mijn liefste droom hier te wonen, waar een lange reeks van voorvaderen leefden en stierven, en het zal mij zeer smartelijk vallen, dien droom niet vervuld te zien; geloof mij.”

“Om ’s hemels wil!” riep de jonge dame uit, “nu wordt hij waarlijk sentimenteel! Mij komt de kleinste villa aan den meest bezochten wandelweg onzer residentie duizendmaal aanlokkelijker voor, dan dit vervelend, verlaten—”

“Stil, kinderen!” viel de overste sussend in, “laat ieder zijn gevoelen voor zich houden! Gij, Blanka, hangt even goed van tante Stontheim af, als Army! Wat zij verkiest, geschiedt; daar is niet aan te veranderen, en mij dunkt, wij moesten de zaak laten rusten en er niet over twisten.”

“Zeer verstandig aangemerkt, overste,” mengde zich nu de oude dame in het gesprek; “maar, hoe zwaar zulk een afhankelijkheid te dragen valt, kan alleen hij gevoelen, die gewoon is geweest vrij te gebieden. Gij gevoelt dat niet; gij hebt nooit op eigen grond gestaan; gij zijt, om zoo te spreken, in afhankelijkheid groot geworden, en dan valt het gemakkelijk anderen ondergeschiktheid te prediken. Ik vind het vreemd van tante Stontheim; zij heeft de middelen en wil niet helpen; Army moet officier blijven om de bespottelijke reden, dat hij te jong is; alsof geen oudere krachten hem radend en helpend ter zijde stonden?”

“Gij misschien, genadige vrouw?” sprak de overste lachend. “Voorwaar niet kwaad bedacht! finantiëele talenten kan men u niet betwisten—dat gij ongelukkig zijt geweest in uwe speculaties—wie kan dat helpen?”

“Gij zijt nog even ondeugend, als vroeger, overste! toen ik het geluk had u hier eenige malen te ontmoeten; in dit geval echter zijn uwe verwijten ongegrond, want het was werkelijk het ongeluk, dat ons vervolgde.”

“Onverdiend ongeluk!” verbeterde de overste spotachtig.

“Oom, ik bid u, zwijg daarvan! Het maakt mama zenuwachtig,” bad Army.

“En, mijn jongen,” vervolgde deze onbevangen en met nadruk, “het is juist om nog eens zulk een onverdiend ongeluk te vermijden, dat gravin Stontheim hoofdzakelijk wenscht, dat gij niet hier—versta mij wel: niet hier—de eerste jaren van uw huwelijk zult doorleven. Vergeef mij, dat ik zoo duidelijk moest spreken! Ik had het gaarne vermeden—”

“Ik begrijp u,” zeide de oude dame koel; “gravin Stontheim heeft nog het ongelukkige idée, dat ik de oorzaak ben van den ondergang der familie; zij heeft mij dit meer dan eens grof en onverbloemd verweten, als wij in nood en kommer verkeerden; iemand moest toch de schuld dragen,” vervolgde zij, met een bitteren lach: “en daar men mij van den beginne af als een indringster beschouwde en de vreemde, de Italiaansche, niet uitstaan kon, was het gemakkelijk haar ook die schuld te verwijten. Va, bene! Gij vertelt mij niets nieuws overste; het spijt mij, dat iemand zoo—zoo—” zij hield op; blijkbaar zweefde haar een scherpe uitdrukking op de lippen.

De overste zweeg.

“Oom,” vroeg Army driftig, “wat beduidt dat? Tante kan toch onmogelijk meenen, dat grootmama—”

“Zwijg,” riep de oude dame, en tegelijk hoorde men haar stoel over den vloer rollen.

Liesje en Nelly zaten bijna ademloos hand in hand naast elkaar. Toen de eerste haar vaders naam hoorde noemen, was zij opgesprongen, en had rondgezien, of er geen andere uitweg was dan door het vertrek, waarin men zoo hatelijk zijn goeden naam bevlekte.

“Waar kan ik heen?” fluisterde zij hare vriendin toe.

“Blijf hier, Liesje,” smeekte Nelly en trok haar tot zich; “zij weten niet, dat wij hier alles kunnen verstaan; och, schrei toch niet zoo! O, dat ik gezond ware, en een man als Army; ik zou antwoorden, als zij u beschimpten!”

Daar binnen hoorde men de oude dame op en neder loopen en telkens, als zij de deur naderde, zag Liesje angstig de kamer rond, of zij ook eene plek vond om zich te verschuilen.

Op eens vernamen zij Blanka’s stem, vriendelijk en welluidend als immer.

“Grootmoedertje,” vleide zij, “ik heb een verzoek aan u; ik had het Army opgedragen, maar hij heeft het zeker vergeten, die ondeugd. Ja, ja, zie mij maar niet zoo verwonderd aan, gij—” ging zij schalksch voort, “nietwaar, grootmama? dat heeft uw bruidegom zeker nooit gedaan; die las zeker al uwe wenschen in uwe oogen.”

De laatste woorden waren duidelijker dan het begin van haar verzoek; blijkbaar stond zij naast de oude dame bij de deur.

“Nu slaat zij hare armen om grootmama’s hals, net als een katje,” fluisterde Nelly; “o, gij weet niet, hoe zij kan vleien.”

“Nu?” klonk de stem der oude barones.

“Ik had Army verzocht u te vragen, mij toe te staan in het torenkamertje te wonen, dat aan mijn kamer grenst; o, ik bid u, grootmamaatje, amatissima mia!”

“Het was zeer verstandig van Army, dat hij het mij niet vroeg; ik had het hem reeds eenmaal geweigerd en kan het ook u niet toestaan.”

“Waarom niet?” vroeg Blanka verwonderd.

“Gij zult mij wel toestaan, dat ik de reden voor mij zelve houd.”

“Vraag niet verder, Blanka,” liet zich de overste hooren; “oude kasteelen hebben hunne geheimen, en daaronder zijn er, die men liefst laat rusten.”

De deur werd heftig opengerukt en de oude dame stond onverwacht voor de beide meisjes.

Lise was opgesprongen, zij deed geen moeite meer te ontvlieden, maar bleef onbewegelijk staan.

De ondergaande zon wierp hare stralen door het venster en overgoot het meisje, als het ware, met een rooskleurig licht. De oude barones week terug, alsof zij een spook zag, en stak verschrikt de handen uit.

“Dio mio! Het is ongehoord,” riep zij stampvoetend uit. “Zijt gij dan altijd hier om mij een schrik aan te jagen?”

“Het doet mij leed, barones, dat ik altijd het ongeluk heb—”

“Wel, dat is vreemd, voor zulk een liefelijke verschijning te verschrikken!” sprak de overste, een blik van bewondering op het jonge meisje werpende. “Mag ik u verzoeken, genadige vrouw, mij aan de jonge dame voor te stellen?”

De aangesprokene trok de schouders op, terwijl zij den ouden heer meewarig aanzag en trad naar het venster.

“Nu, dan zal ik mijzelf moeten voorstellen; overste Derenberg!” zeide hij vriendelijk.

“Dit is mijne vriendin, oom, Liesje Erving,” voleindigde Nelly de voorstelling.

Het jonge meisje maakte een lichte buiging.

“Erving?” herhaalde de oude heer vragend.

“De dochter van den tegenwoordigen bezitter der Derenbergsche bosschen, oom,” bevestigde Nelly, hare oogen op zijn ietwat blozend gelaat vestigende.

“Ah zoo,” antwoordde hij. “Daarom kwam mij den naam ook al zoo bekend voor; uw vader is waarschijnlijk een liefhebber van het edele jachtvermaak?”

“Ja, heer overste, en buitendien verbruikt hij veel hout in zijne papierfabriek.”

“Uw vader bezit dus eene papierfabriek? Maar hout—ik meende dat het beste papier uitsluitend van lompen vervaardigd werd?”

Om Liesjes mond speelde een schalksche glimlach.

“Zeker, overste. Daarom heet onze fabriek in den ganschen omtrek de lompenmolen, mijn vader de lompenmolenaar en ik lompemolenaars Liesje.”

“Lompemolenaars Liesje?” herhaalde de overste lachende, en zag haar vroolijk aan. “Dat is toch een naam, die mij voor u minder gepast voorkomt.”

“Ik draag hem toch gaarne,” zeide zij, “ieder kind noemt mij zoo; altijd hebben de dochters uit ons huis dezen bijnaam gehad; ’t zij lompenmolenaars Grietje, of Mina, of Lisette—”

Zij ontstelde, toen zij dezen naam zoo onnadenkend uitsprak, en zag beschroomd naar de oude dame, die nog altijd aan het raam stond, en zich nu ook opeens omkeerde, als had haar een adder gebeten.

“Lisette?” herhaalde zij. “Op dien naam behoeft gij u niet zoo trotsch te beroemen; die Lisette was een lichtzinnig schepsel, dat hare ouders veel verdriet heeft aangedaan—”

“De nagedachtenis van tante Lisette is mij heilig,” antwoordde het jonge meisje, uiterlijk kalm; “zij was niet lichtzinnig; zij was slechts zeer ongelukkig, maar, zooals men mij verzekerd heeft, niet door eigen schuld, barones.”

Hare lippen beefden van aandoening bij het uiten dezer woorden, en in hare stem was het kloppen van haar hart hoorbaar.

“Wat is dat voor eene Lisette? Wie was zij?” vroeg Blanka levendig, die juist binnentrad. “Wie beleedigt haar, en wat heeft zij toch misdaan?” Zij stond nu tusschen Liesje en de grootmoeder, en zag beiden beurtelings aan.

“Wees niet zoo vreeselijk nieuwsgierig, mijn kind!” vermaande de overste, “ik zeide u immers reeds, dat oude sloten hunne geheimen hebben, en—”

“Wie zegt u dan, overste, dat het slot iets met deze zaak te maken heeft?” De oude dame was doodsbleek geworden.

“Nu ja,” antwoordde hij bedachtzaam, en zag haar scherp aan, “ik combineer gaarne—”

“Het is zeer jammer, overste, dat gij geen romanschrijver geworden zijt. Gij hebt uwe carrière gemist.”

“Vaarwel, Nelly,” fluisterde Liesje, terwijl zij haar een kus op de wang drukte; zij boog voor de aanwezenden en verliet het vertrek; zij vloog letterlijk de gang door en het voorplein over. In de linden-allée stond zij plotseling voor—Army.

“Juffer Erving—” zij zag naar hem op; zijn gelaat stond ernstig.

“Juffer Erving—” herhaalde hij, “hebt gij gehoord, wat in onze huiskamer gesproken werd?”

“Ja,” antwoordde zij bedaard.

“Het is juist niet zeer—hoe zal ik het noemen?—zeer bescheiden, te luisteren, wanneer er familie-aangelegenheden besproken worden—”

“Ik heb niet geluisterd, heer baron!” riep zij trotsch, “was er een andere uitgang aan de kamer geweest, ik zou die gaarne verlaten hebben, voor altijd gaarne, maar—”

“Gij hadt door de huiskamer kunnen gaan—”

“Neen, uwe moeder zelve heeft mij verzocht uwe grootmama uit den weg te blijven, want zij kan mij niet uitstaan; ik ben immers de dochter uit een huis, waarmede men niet fatsoenlijk verkeeren kan, heer luitenant—dat weet gij toch; ik was dus wel gedwongen te blijven; het liefst was ik uit het raam gesprongen.” Bij deze woorden kwam een bittere trek om haar kleinen mond.

“Nu, hoe het ook zij, ik bid u, niet over het gehoorde te spreken. ’t Is geen gemakkelijke taak, te voldoen aan het verzoek om deze openbaringen niet verder te verspreiden—ik geloof het gaarne—onze familie bood reeds van vroeger altijd stof genoeg tot praatjes in den omtrek; maar ik vertrouw, dat gij u dat offer van geheimhouding wel getroosten wilt, als ik u er aan herinner, dat wij vroeger trouwe vrienden waren—nietwaar, Liesje?”

Hij stak haar de hand toe, maar het meisje trad eene schrede terug en kruiste de armen op de borst.

“Eene belofte zal wel niet noodig zijn,” antwoordde zij somber; “ik zou toch gezwegen hebben, want uwe gesprekken beleedigden gedeeltelijk mijn vader—mijn vader, in wiens huis gij zoo gaarne kwaamt, ook in dien tijd, dat wij nog ‘trouwe vrienden’ waren, zooals gij zegt.”

Hij deed ontsteld een stap achterwaarts.

“Wat? Ik heb geen woord over uw vader gesproken.”

“Maar aangehoord, dat men hem een parvenu noemde—dat men hem beschuldigde den adel en de familie Derenberg in het bijzonder te haten en dat hij op wraak zon—en het kalm aanhooren van lasteringen, terwijl men van de onwaarheid ten volle overtuigd is, staat gelijk met eene bevestiging daarvan. Uw gevoel van recht schijnt onder zekere omstandigheden te kort te schieten, heer luitenant!”

Een gevoel van bitterheid, vermengd met diepe smart van hopelooze liefde, vervulde haar. Eerst toen zij, met een koele buiging hem den rug toekeerende, zonder om te zien haastig een eind weg was, vulden hare oogen zich met tranen. Zij zag het niet hoe hij haar nog lang nastaarde, en eerst, toen zij verdwenen was, met een somber gelaat langzaam naar het slot ging.

Toen Army binnentrad, scheen er eenige rust na den storm gekomen te zijn; allen zwegen ten minste. De overste had een sigaar opgestoken en lag oogenschijnlijk zeer tevreden in een der ouderwetsche leunstoelen, terwijl de oude barones recht als een kaars op de sofa zat, en zenuwachtig haar dunne witte vingers bewoog. Blanka stond voor het raam en staarde naar buiten in het park; de lange sleep van haar donkerblauw rijkleed lag onbewegelijk achter haar over den vloer, en zij verroerde zich zelfs niet, toen haar verloofde naast haar kwam staan. Hij verstond de knorrige vraag der oude dame niet, die hem toeriep, waar zijne moeder was en of zij ook haast kwam. Hij zag alleen het bekoorlijke wezen naast hem, dat er in haar rijkleed nog sierlijker en kinderlijker uitzag dan anders; hij nam zacht een harer goudkleurige vlechten, die los op den rug hingen, en drukte zijne lippen er op. De jonge dame schudde, zonder om te zien, heftig het hoofd, en trok met haar kleine handen het haar over den schouder.

“Blanka,” zeide hij verwijtend, en boog zich voorover om haar in het gelaat te zien. Zij wendde het hoofd af en staarde schijnbaar met belangstelling naar buiten.

“Heb ik u beleedigd, Blanka?” vroeg hij zacht. “Zijt gij boos op mij?”

Zij hield haar beide handen voor de ooren.

“Neen, neen, om Godswil, neen!” riep zij hartstochtelijk, zich opeens omkeerend; “ik bid u, Armand, vraag toch zulke bespottelijke dingen niet! Gij ziet immers, dat ik op ’t oogenblik geen lust heb, uw verliefd gefluister en uwe liefkoozingen aan te hooren; ieder ander zou het dadelijk begrepen hebben, en gij vraagt, of ik boos ben en al zulken onzin meer.” Zij trapte kregel met den voet.

Army’s gezicht werd donkerrood. “Vergeef mij,” sprak hij en ging naar de pianino. Hij opende die en sloeg een paar accoorden aan.

“Ik bid u, speel niet!” riep Blanka, en hield weder de handen voor de ooren.

Hij stond op. “Speel gij dan iets!” vroeg hij, “ik zou zoo gaarne wat muziek hooren; dat heeft voor mij altijd iets kalmeerends, iets verzoenends.”

“Ja, speel wat, mijn lieve!” sprak nu ook de overste, die van de gansche woordenwisseling slechts het laatste gehoord had, en wien het aangenaam zou zijn, hierdoor de pijnlijke spanning tusschen hem en de oude dame te kunnen verbergen.

“Op dat instrument dáár?” vroeg zij. “Neen, dáárop kan ik niet spelen; ik mag die rammelende tonen zelfs niet gaarne hooren. Buitendien ben ik ook te vermoeid van den verren rit,” voegde zij er bij.

Een oogenblik zag Army toornig; toen ging hij naar het oude, versmaadde instrument, sloot het en naderde weder zijne verloofde; zij had haar kleine rijzweep in de hand genomen en speelde met den zilveren knop, terwijl de oude dame opstond en het vertrek verliet.

“Ik wil gelooven, dat gij werkelijk vermoeid zijn, anders was het meer dan een bloote luim, dat gij op mijn verzoek weigerdet te spelen,” merkte hij met gedwongen houding aan.

“Geloof het, mijn lieve jongen; geloof het,” sprak lachend de oude heer en sloeg hem op den schouder; “men komt zóó het verste; ik merk wel, gij zult het best met haar vinden.”

Army beet zich op de lippen.

“Mag ik u naar uwe kamer brengen?” vroeg hij aan zijne verloofde, “als gij wat uitgerust zijt, hoor ik na het eten misschien nog wel iets van u, nietwaar?”

“Ik geloof het niet,” antwoordde zij; “want ik heb hoofdpijn en zal heden mijne kamer houden.”

De overste lachte. “Nu, goeden nacht dan, en goede beterschap,” en daarmede ging hij, nog lachend, terwijl hij zijn neef toeknikte, uit de kamer.

Blanka nam de sleep van haar rijkleed over den arm en volgde hem; zij ging zonder een woord te spreken Army voorbij.

“Blanka,” vroeg hij zacht en versperde haar den weg, “wilt gij mij niet goeden nacht zeggen?”

“Gij behandelt mij als een ondeugend kind,” riep zij driftig: “het verwondert mij, dat gij nog niet eischt, dat ik u om vergeving zal vragen; het kan u niet schelen of ik hoofdpijn heb of niet.”

“Het een zoo min als het ander. Ik verlang noch een verzoek om vergeving, noch weiger ik u mijne deelneming in uw hoofdpijn; maar mij is het onmogelijk, zoo zonder ‘goeden nacht’ van u te gaan. Nietwaar, Blanka? dat is ook niet aangenaam. Wanneer twee menschen elkander zoo liefhebben als wij, dan is het verlangen naar eene opheldering, naar een goed begrijpen van elkaar zoo natuurlijk.”

Hij was haar bij deze woorden genaderd en wilde haar tot zich trekken, maar zij ontweek hem met een ongeduldige beweging en vertrok haar mond een oogenblik tot een spotachtigen lach.

“Indien gij mij werkelijk liefhadt, zoudt gij mij zulke dwaze zedepreeken niet houden, daar gij immers weet dat ik vermoeid ben. Het is verschrikkelijk,” vervolgde zij, “welke opvatting gij schijnt te hebben van onze onderlinge verhouding; die eeuwige stijve manieren; dat voegen van den een naar den ander, zonder een eigene meening te durven uiten; dat opgaan in elkander—het is een knellende, ontzettende keten, maar geen geluk! Ik wil vrij zijn—hoort gij? vrij zijn!” herhaalde zij nog eens, en dreunend viel de zware deur achter haar dicht.

Hij stond als versteend en staarde op de deur door welke zij verdwenen was.

Het was stil geworden in de groote kamer; het avondrood wierp zijn gloeiend schijnsel door de vensters en vervulde het vertrek met een rooskleurige schemering. Langzamerhand verbleekte de purperen gloed en daalde de grauwe sluier van den avond op de aarde neder. De jonge man trad naar het venster en staarde onafgewend naar buiten, de lippen wrevelig op elkander gedrukt; plotseling kromp hij ineen; klanken van boven troffen zijn oor. Haastig opende hij het venster en nu vernam hij duidelijk de heerlijke tonen eener wals uit den Faust, zoo maatvast en opwekkend gespeeld, als zij alleen het kon; als parelsnoeren rolden de passages over de piano en daartusschendoor verhief zich, met meesterlijke kracht, de melodie.

“Zij speelt,” mompelde hij, en zijn gebalde vuist viel toornig op de harde vensterbank. “Is zij zonder luim of nuk, ’t is voorwaar een groot geluk,” lachte hij bitter; toen verliet hij de kamer.

Buiten omgaf hem een zachte, zoele avondlucht. Hij richtte zijne schreden onwillekeurig langs de slotgracht, waaruit de vlier zijn uitgebloeide takken naar boven stak, en bleef toen onder haar venster staan. Dicht bij hem verhief zich de oude toren, en de witte klimrozen, wier ranken er tegen opklommen, blonken hem helder toe in de duisternis—daarboven was het spel opgehouden. Maar neen, daar begon het opnieuw—een sombere, zwaarmoedige melodie; hij kende den tekst:

“Daar staat ook een mensch en ziet naar boven. En wringt zich de handen in bittere smart,”

Hoe meesterlijk werd dat voorgedragen! Plotseling verstomde de muziek met een schrillen wanklank. Army haalde ruimer adem. Hij, die zoo trouw en vurig beminde, poogde te vergeefs het gemoed zijner bruid te ontraadselen; met geweld drong zich heden avond de bange vraag bij hem op: als zij u eens niet liefhad? “Liever sterven, dan van haar afstand doen!” mompelde hij, zijn weg vervolgende, en dacht onwillekeurig aan de schoone Agnese Mathilde en den jonker van Streitwitz, die hier in den tuin begraven moest liggen. Ontstemd trad hij de naaste laan in. De verloopen namiddag met al zijn onaangename ondervindingen kwamen hem weder voor den geest; tegenstrijdige gevoelens maakten zich van hem meester; de herinnering aan het gesprek van oom met grootmama, en de vele hatelijke toespelingen op het verledene; Blanka’s halsstarrige weigering om hier te wonen en dan de bestraffende woorden, hem door Liesje daar in de allée toegevoegd, toen hij haar verzocht, het gehoorde niet te verraden! Zij hadden hem diep beschaamd, die eenvoudige woorden en die smartelijk verwijtende blik; hij had den braven man daar in den molen laten belasteren, zonder een woord ter zijner verdediging te zeggen—uit gedachteloosheid; in gespannen oplettendheid was hij den woordenstrijd gevolgd, die zijn lievelingswensch zoo ruw verijdelde, den wensch, met Blanka in het voorvaderlijke slot te wonen. Maar Liesje moest wel meenen, dat hij juist zoo dacht als—“o neen, neen, zeker niet; haar vader is een eerlijke, brave man.” Dat was bij slot van rekening dan ook vrij onverschillig—neen, het laatst gebeurde, dat had den angel het diepst in zijn borst gedrukt. De bittere woorden zijner bruid klonken hem weder in de ooren: “Welke opvatting hebt gij toch wel van onze wederzijdsche verhouding?” en dan: “een keten is het, een drukkende keten, maar geen geluk.”

“Een keten!” herhaalde hij halfluid, terwijl hij staan bleef; snel voegde hij er echter bij:

“Bah! Meisjesgrillen, anders niets! Zij is ook te schoon, te trotsch—zij heeft een te eigenaardig karakter, om zich binnen de enge grenzen te beperken, die om eene vrouw getrokken zijn.” Hij had dat moeten bedenken, meende hij; hij moest niet altijd en altijd weder trachten, haar tot zijne denkbeelden over te halen, dat was vernederend voor haar; zij had gelijk ontstemd te zijn, zijne schoone, trotsche verloofde. En zij had hem immers lief; dat had zij hem zoo dikwijls op zijn dringende vragen verzekerd. In den herfst, had oom Derenberg gezegd, in den herfst zou zij de zijne, onherroepelijk de zijne worden. En moest voor dit zalig vooruitzicht niet alle tegenwoordig leed wijken?

De nachtwind was opgestoken; boven het hoofd van den jongen man boog hij de takken te zamen tot een zacht geruisch, en krulde de oppervlakte van den donkeren vijver aan Army’s voeten; hij voerde alle droevige gedachten naar de verste verte en bracht verzoenende liefde en zoet verlangen door den stillen, zoelen zomernacht. “In den herfst,” sprak Army nog eens zacht, “in den herfst, dan komt het geluk!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings