Veertiende Hoofdstuk.
Reading edition
De predikant was vertrokken zonder het meisje te hebben weergezien; men had haar geroepen, maar geen antwoord ontvangen.
Tante zocht haar Lise overal. In de woonkamer was zij niet, ook niet in de kamer waar de Kerstboom stond, en nu opende zij voorzichtig de deur van Liesjes kamertje; het was er donker, maar bij het raam stond een slanke gedaante, die onbeweeglijk naar buiten staarde.
“Lise!” riep de oude vrouw zacht.
“Tante!” klonk het met een onderdrukte stem.
“Zeg, kind, wat scheelt u toch? Gij hebt toch geen hoofdpijn, gij zijt toch niet ziek?”
Als eenig antwoord werden twee meisjesarmen om haar heen geslagen; een gloeiend gelaat verborg zich aan haren hals en deed niets anders hooren dan een onderdrukt snikken.
“Kind, Liesje, wat scheelt er aan?” vroeg de oude vrouw verschrikt, “heeft iemand u kwaad gedaan?”
Zij schudde het hoofd.
“Wat is het dan, mijn hartediefje?” en zij trok de wederstrevende naar de sofa, en ging naast haar zitten.
“Och tante, liefste, beste tante—”
“Wat dan, mijn liefje? Nu? Gij lacht immers al weer, dwaas ding? Wat moet dat beteekenen?”
“Och, ik zou kunnen lachen en schreien en—ik weet niet wat al,” fluisterde zij; “doe de oogen toe, tante! ik wil u zeggen waarom—och, ik ben zoo bang voor u—”
“Bang voor mij? Ja, dat begrijp ik; daar zijt gij juist de rechte voor; nu—wat hebt gij gedaan?”
“Ik—ik—ben verloofd tante,” stamelde zij; “hebt gij dat niet duidelijk genoeg aan mij kunnen zien?”
“Verloofd? Kind!”
“Ik ben zoo gelukkig, o zoo gelukkig—Army—”
“Army!” zeide de oude vrouw verbaasd en klappertandde van schrik. “Army? gij zijne verloofde?” herhaalde zij dof, “het is dus zoo!”
“Tante hebt gij geen vriendelijk woord voor mij? Wij hebben elkander zoo lief, o zoo lief!”
“Lief? Heeft hij u lief?”
“Maar tante, hoe kunt gij zoo iets vragen? Zou hij mij dan tot zijne bruid willen maken?”
“Barmhartige Hemel!” kreet het in de ziel der oude vrouw; “dat arme, dwaze kind! Zij waant zich bemind, en hij—hij wil alleen haar geld, om zich te redden.” En in stillen angst drukte zij Liesjes brandend heete hand in hare ijskoude; was het niet eveneens, als toen Lisette haar hare eerste liefde toevertrouwde?
“Bedenk eens, tante, ik kan zijn leven weder opvroolijken; om mijnentwille zal hij het weer leeren liefhebben! Is dat niet heerlijk? En ik zou dat kunnen, tante; zou dat werkelijk waar zijn? O, tante! daar buiten, onder den ouden, besneeuwden lindeboom, waar ik voor drie jaar afscheid van hem nam, daar heeft hij mij gevraagd. En—nietwaar, gij zult het vader en moeder zeggen? Ik bestierf het van—ja van schaamte, als ik hun bekennen moest, dat ik een vreemden man liefheb; ik kan het niet—toe, doe gij het toch! Ik had het u nooit durven zeggen; als het hier niet zoo donker geweest was—tante, spreek toch, en geef mij een enkelen kus—”
“Lisette—Lisette—waart gij het dan niet, die daareven fluisterde? Is dit het geluk, dat ik elken morgen en avond voor dat kind van God heb afgebeden? Heeft zij niet iets duizendmaal beters verdiend, dan dit lot?” Eenige oogenblikken zat zij, stom van smart. “Liesje,” sprak zij eindelijk somber, “gij weet niet, wat gij gedaan hebt; gij weet niet, wat u wacht, als deze onzalige—wees niet boos, maar ik moet zoo spreken—als deze onzalige verloving tot stand komt. Gij kent de oude barones niet, zooals ik haar ken; zij is erger dan een duivel. Zij zal u ongelukkig maken, evenals mijn arme Lisette, wier dood zij op haar geweten heeft; en ik zou mij zelf beschuldigen, zoo ik u niet gewaarschuwd had, nu het nog tijd is, en niemand van uwe liefde weet, dan gij beiden en ik. Houd u stil!” vermaande zij, toen Lise poogde haar in de rede te vallen—“doe het, ter wille van uw oude tante en van u zelve! Wat ik u vertellen wil, smaakt bitter, maar het is een geneesmiddel, en God geve, dat gij het inneemt en het u geneze!—Het is Lisettes geschiedenis, die ik u moet vertellen.—Gij weet nog wel, dat ik het van ’t voorjaar wilde doen, omdat ik uwe liefde zag aankomen, maar het wilde mij toen niet over de lippen—had ik het maar gedaan!”
Het jonge meisje zette zich zwijgend aan hare voeten neder; geen woord liet vermoeden, welk eene huivering haar jeugdig hart doortrilde, alsof plotseling een ijskoude wind de lachende lente had ontbladerd.
“Baron Frits dan,” begon de oude vrouw met doffe stem, “de broeder van Army’s en Nelly’s grootvader, was Lisettes verloofde; zij hadden elkander in stilte het jawoord gegeven, niemand buiten mij wist er iets van. Baron Frits wilde eerst na zijne meerderjarigheid aanzoek doen bij Lisettes ouders, en met zijn broeder spreken; dan zouden zij een landgoed koopen. Het was een schoon en gelukkig paar, Lise; en zij hadden elkander zoo innig lief, dat het een lust was hen samen te zien daar beneden, in het oude zomerhuisje aan het water. Baron Frits lag als huzaren-officier in een naburig stadje in garnizoen; hij kwam dikwijls over en tegen den tijd, dat hij komen moest, stond Lisette boven in haar kamertje aan het raam, en zag naar den toren aan den overkant, en dan brandde daar al spoedig een licht ten teeken dat hij kwam. Dan juichte zij van blijdschap, sloeg de handen samen en ging hem een eind in het bosch tegemoet. En vervolgens—’t was een zomeravond—deed de schoone vrouw van zijn broeder, Nelly’s grootmoeder, hare intrede in het oude slot. Lisette en ik waren heengegaan om haar te zien; het geheele slot was verlicht en de dienstboden wachtten met groote fakkels onder aan den voet van het bordes; ook baron Frits stond daar met zijn oude moeder, toen het jonge paar aankwam. Nu, dat moet gezegd worden: schoon was de jonge vrouw; maar trots sprak uit haar houding, uit het bleeke gelaat, en blonk uit de groote, zwarte oogen. Lisette was doodsbleek geworden, toen zij haar aanzag.
“Die wordt nooit mijne vriendin, Marie,” sprak zij tot mij.
En zij sprak waarheid. God weet, waar de jonge vrouw vernomen had, dat baron Frits Lisette liefhad, en wie haar het duivelsche plan heeft ingeblazen, die twee van elkander te scheiden. Ik weet alleen dit, dat het haar gelukte. En hoe—ja, hoe is het haar gelukt!
Het was herfst en in den jachttijd; het slot was vol gasten; men kon duidelijk het jachtgeschreeuw door de bosschen hooren weergalmen; telken avond waren de vensters van het slot helder verlicht; daar boven begon het wilde leven, dat de burchtvrouw zoo beminde en waardoor zij de geheele familie tot den bedelstaf bracht. Baron Frits nam afscheid van Lisette; hij zou in langen tijd niet wederkomen en zij gaf hem een klein gouden hartje, dat zij altijd op hare borst droeg; ik hoor haar nog zeggen: “dáár, mijn schat! doe mijn haarlok er in en denk aan mij!” Zie Liesje, dit gouden hart was Lisettes dood. Maar luister verder! Baron Frits vertrok en er verliepen veertien dagen; schrijven konden de beide gelieven elkander niet, want dan was alles aan het licht gekomen; in dien tijd deed men ook niet zooveel aan het schrijven als tegenwoordig; zij dachten echter des te meer aan elkaar; dat zou nu wel eens omgekeerd het geval kunnen zijn. Nu dan, Frits was vertrokken en Lisette stond elken avond uit gewoonte aan het venster naar het torenkamertje te zien, want dáár logeerde Frits altijd, als hij tehuis was. Maar het bleef elken avond duister; het kon immers ook niet anders, want hij kon niet dan na verloop van vier weken terugkomen, en daarvan waren nog slechts veertien dagen verloopen. Daar op een avond, terwijl ik met mijn breikous wat bij haar zit te praten, vliegt zij in eens op mij toe en roept: “Daar is hij; er is licht in den toren;” en waarlijk, het boogvenster aan den overkant was verlicht. Zij sloeg niet eens een doek om, toen zij naar buiten vloog. Na eenigen tijd keerde zij terug. “Hij kwam niet,” zei zij, “wat zou dat beduiden?” Ik schudde het hoofd. “Nu, wacht Lisette! Ik zal het Christiaan morgen vragen.” Maar wie niet kwam, was Christiaan, en des middags bracht een jongen mij de boodschap, dat ik niet op hem moest wachten, want dat hij voor zijn heer op reis was gegaan, om een nieuw paard voor mevrouw de barones te halen.
Lisette verkeerde in een onbeschrijfelijke onrust. Zoodra het begon te schemeren, stond zij aan het venster, en weder zag men het licht daarboven. Nogmaals ging zij naar buiten, en kwam bleek terug; weenend wierp zij zich op de sofa. God weet, zij had zeker al een voorgevoel van wat haar wachtte, want zij wilde naar geen troost luisteren. “Hij is tehuis en komt niet, hij bemint mij niet meer,” snikte zij, “o, ik sterf, als dat waar is.”
Op den derden avond dezelfde geschiedenis; Lisette zag zoo wit als de muur. Daarna bleef het donker in het torenkamertje.—Ongeveer vier dagen later zaten wij, Lisette en ik, voor de huisdeur ons te koesteren in de middagzon en plukten lijsters; zij zag de veertjes na, die in de lucht opvlogen, en zuchtte telkens. Daar kwam een meisje aan langs het molenpad; eerst herkenden wij haar niet, want haar nieuwe roode rok met zwarte streepen verblindde ons de oogen; eindelijk zei Lisette: “dat is immers de wilde Francis, wat moet die hier?” Ja, zij was het, en zij kwam regelrecht naar ons toehuppelen op haar sierlijke voetjes, die in kleine, lage schoenen met kruisbanden en sneeuwwitte kousen staken. Zij droeg een zwart jakje, en twee lange, zwarte vlechten hingen haar op den rug; het kind met de vlammende oogen en den kleinen neus, zag met geveinsde vriendelijkheid Lisette aan. Nu moet gij weten, Lise, dat Francis met ons tegelijk was aangenomen; een wilder kind was er niet. Zigeuners hadden haar eens op het kerkhof laten liggen, toen zij pas acht dagen oud was; zij werd in het armenhuis groot gebracht. Zij was altijd een lui, lichtzinnig schepsel, tot ergernis van het geheele dorp; zij viel echter in den smaak der barones, toen zij eens met een korfje aardbeien op het slot kwam. “Zij herinnerde haar aan haar vaderland,” meende de barones; zoo kwam Francis in dienst bij de genadige vrouw, en ging sedert zoo opgeschikt gekleed, alsof zij alleen in de wereld was om zich op te drillen.
Wij hoorden echter al spoedig, dat zij nog altijd de wilde Francis was; er kwamen veel vreemde heeren op het slot en schoon was Francis, veel te schoon; zeker had zij wel een braven man gevonden, die haar in alle eer en deugd had mogen kussen, maar zij was bovenmate lichtzinnig en—Goddank! tucht en eerbaarheid worden bij ons nog in waarde gehouden.
Zij naderde ons; in de kleine ooren hingen groote, gouden ringen; ook had zij een ring aan de hand, waarmede zij zoo in ’t oogloopend over haar sneeuwwitte voorschoot streek.
“Goeden dag!” riep zij ons tegen, waarop Lisette antwoordde: “goeden dag! wat hebt gij ons te vertellen, Francis?”
“Wel, ik zag de juffer hier zitten en wilde eens zien hoe het u ging. Gij behoeft u voor mij niet te schamen; wij zijn immers te zamen als lidmaten bevestigd—of zijt gij misschien trotsch geworden?”
“Neen,” antwoordde Lisette, “ik ben niet trotsch, maar gij komt hier nooit zonder bedoeling—zeg mij dus wat gij wilt!”
“Niets, mijn beste!” zeide zij en toonde zich beleedigd; “gij behoeft u voor mij niet te schamen; bedelen doe ik niet meer; ik heb alles in overvloed;” zij lachte daarbij zoo, dat haar witte tanden te zien kwamen, en draaide in de rondte, dat de roode rok en de vlechten omhoog vlogen. “Gij ziet zoo bleek,” zeide zij opeens en zag Lisette strak aan, “hebt gij verdriet van uw liefste, zeg?”
Lisette werd bloedrood. “Wat gaat het u aan, hoe ik er uitzie?” antwoordde zij kortaf en stond zóó snel op, dat de fijne veeren uit haar voorschoot in de rondte stoven. Eensklaps zag ik, dat hare oogen op iets staarden; dat zij doodsbleek met de hand naar haar hart voelde en op de bank nederviel; en toen mijne blikken de hare volgden, toen vielen zij op een klein gouden hart, dat uit Francis’ halsdoek te voorschijn kwam.
“Almachtige God!” riep Lisette, en stond met één sprong naast Francis; zij greep haar bij den schouder en vroeg met eene stem, die mij door merg en been ging—zoo veel zielsangst lag er in—“waar hebt gij dat hart van daan, Francis?”
Liesje hing in gespannen verwachting, bijna ademloos, aan de lippen der verhaalster.
“Een oogenblik van stilte volgde,” ging tante na een korte pauze voort; “gij hadt het moeten hooren. Lise, hoe angstig Lisette herhaalde:
“Waar hebt gij dat gouden hart van daan, Francis?” Het was alsof zij Francis de woorden uit de keel wilde halen; deze zag haar, het hoofd in den nek, met fonkelende oogen aan; zij stond met de armen over elkander geslagen, ter wijl een spotachtige lach om haar mond zweefde.
“Wat kan u dat schelen?” vroeg zij, en wilde zich losrukken.
“Wat mij dat schelen kan? Heilige God, zij vraagt dat nog! Marie, help mij toch!” riep Lisette, “ik moet het weer hebben; het is het mijne immers—neen, het zijne, ik heb het hem immers gegeven.”
Ik naderde, stijf van schrik. “Geef dat ding hier, Francis,” zeide ik. “Zeg, hebt gij het gevonden?”
“Wat meent gij wel?” riep zij, en schudde Liesjes hand af, die zwaar op haar schouder lag; “het verwondert mij, dat gij niet zegt, dat ik het gestolen heb. Het is mijn eigendom; ik laat het mij slechts ontnemen door hem, die het mij gegeven heeft; en nu, raak mij niet aan! Het is u zeker nog niet ontgaan, dat ik krabben kan.” Zij trad terug en balde hare vuisten; toen draaide zij zich om en wilde heengaan.
“Halt!” riep Lisette, en vatte haar weder bij den arm, “ik vraag u, in ’s Hemels naam: Wie gaf u dat hart?” Zij stond recht op voor het meisje en hield haar als bezwerend de hand voor—zij sidderde heftig. Dat oogenblik vergeet ik nooit, Lise. Ik wilde naar haar toe om haar te steunen, maar ik moest staan blijven om haar aan te zien, zóó schoon was zij; door de ontbladerde takken van den lindeboom viel een zonnestraal op haar bruine lokken en omgaf haar hoofd als met den stralenkrans eener heilige; als een heiligen-beeld stond zij daar; als een engel voor eene verlorene.
Francis was doodsbleek geworden, toen zij de oogen van Lisette ontmoette; op eens rukte zij zich los en vroeg: “Waarom wilt gij dat weten? Heb ik u ooit gevraagd, wie u dien gouden ring gaf, dien gij daar straks in den tuin zoo vurig gekust hebt? Ja, ja, ik heb het wel gezien,” lachte zij, “kan ik ook niet in ’t geheim een liefste hebben? Denkt gij, omdat gij de schoone Lisette van den lompenmolenaar zijt, dat niemand zin heeft aan de wilde Francis? Vaarwel, Lisette, en sta niet zoo verwonderd te kijken! Ik zeg niets meer, hoor!”—Zij lachte spotachtig, en vloog zoo hard het pad langs, dat we bijna niets zagen dan haar roode rok. Lisette stond bleek en stijf haar na te staren en toen ik haar naderde en troosten wilde, stiet zij mij driftig terug en ijlde naar haar kamer. Ik wist niet wat te doen, kind; of ik haar volgen zou of niet; het hart klopte mij, of het barsten moest en terwijl ik daar nog stond, kwam Lisettes moeder, die mij eene boodschap opdroeg, en knorde omdat de veeren zoo verspreid over den grond lagen. Ik deed wat zij mij beval, maar de tranen kwamen mij telkens in de oogen om de arme Lisette en haar verdriet—wie zou dat gedacht hebben? Zou het werkelijk waar zijn, dat hij het aandenken van zijne liefste aan die lichtvaardige deerne geschonken had? Maar, hoe zou zij er anders aan komen? En daarbij, het licht had drie avonden achter elkander gebrand in de torenkamer! Och Heer! dacht ik, wat zal er nu gebeuren? Zoodra ik kon, liep ik naar boven naar Lisette; zij stond aan het raam en keek naar de overzijde, naar het slot; en toen ik mijn arm om haar heen wilde slaan, sprak zij heel zacht: “Het is genoeg, Marietje! Waarmede zoudt gij mij ook kunnen troosten? Ga maar naar beneden, ga maar! ik zal mij wel alleen redden.”
Ik ging hoofdschuddend weg; ik kon door mijn tranen niet spreken, maar juist toen ik de deur wilde dicht doen, gaf zij een vreeselijken gil, zoodat ik verschrikt terug liep; al hare leden beefden als van hevige kramp; toen zonk zij ineen op den vloer. Ik wilde haar optillen, maar zij lag zwaar als een doode in mijne armen; en daar kwam haar moeder ook reeds de trappen op, en—
Wat er volgde, kind, hoe zal ik het u schetsen? Het is mij zelf nog als een sombere, nare droom. Lisette was zwaar ziek geworden; de dokter gaf alle hoop op; dag en nacht zat ik aan haar bed te luisteren naar de angstige fantasieën, waarin zij zich zoo gemoedelijk met den geliefde onderhield, dat mij het hart bijna brak van smart en weemoed; hare moeder vernam eerst door het koortsachtige ijlen het geluk en de smart van haar kind—ik moest haar alles vertellen. Zij wierp een langen, bekommerden blik op het liefelijke wezen, dat zoo ruw uit haar hemel werd gesleurd; haar vader vloekte den meineedige, maar haar broeder zeide:
“Daar steekt een duivelsch schelmstuk achter; ik ken Frits; er is geen valsch haar aan hem.”
“Och kind, wat is hier in dat kleine kamertje al gebeden en geweend in die dagen! Wij hebben ons de handen stuk gewrongen om dat jonge leven; maar de lieve God laat zich door geen menschen zijn tijd bepalen; en op den negenden dag, juist toen het avondrood gloeiend wegstierf, viel het schijnsel op een bleek gelaat en de blauwe oogen waren voor altijd gesloten.—Zij lag daar zoo vreedzaam, zoo stil, zoo geheel bevrijd van alle harteleed; maar ik heb daarboven gejammerd van overgroote smart en droefheid—”
De oude vrouw zweeg en droogde hare oogen af. Liesje had het hoofd in den schoot harer tante verborgen, ook zij snikte zacht.
“Dienzelfden avond,” vervolgde Marie eindelijk, “dat Lisette gestorven was, liep ik in den tuin, juist toen in het dorp de doodsklok voor haar luidde; want ik had nergens rust noch duur; en terwijl ik daar zoo stond, flikkerde op eens een licht in den toren. Ik verschrikte; eensklaps vloeiden mijne tranen opnieuw, want zij, die daar nu zoo stil ter neder lag, kon het niet meer zien—ik leunde tegen den muur en weende bitter. Van binnen in de woonkamer hoorde ik den molenaar rusteloos heen en weer loopen—daartusschen het bange snikken der moeder en de troostende woorden des zoons; dan was alles weer doodstil. Ieder geluid zweeg; de molenraderen stonden reeds den geheelen dag stil, en knechten en meiden liepen en fluisterden zoo zacht, alsof zij bang waren Lisettes rust te storen.
Op eens hoorde ik iemand van boven afkomen, een vaste mannelijke tred—mijn Christiaan, dacht ik; maar op hetzelfde oogenblik begon op het molenpad een flinke stem een zacht lied te zingen—het ging mij door merg en been—Heer in den hemel! dat was de stem van baron Frits! En vóór ik er om dacht, want ik stond versteend van schrik, was hij reeds in huis gegaan, en toen ik hem naliep, had hij de kamerdeur reeds geopend en stond tegenover den molenaar; zijn gelukkig gezicht en zijn fonkelende oogen zochten in alle hoeken naar Lisette.
De vrouw viel met een gil op haar stoel achterover, toen zij hem gewaar werd; de molenaar echter wierp zich op hem, en met den uitroep: “Vervloekte schurk, komt gij mij nog in mijne droefheid bespotten?” trok hij hem de kamer binnen.
De molenaar was een driftig man; maar Lisettes broeder kwam tusschenbeiden en sprak:
“Vraag hem eerst, of hij schuldig is, vader!”
De oude man ging voor hem staan en riep:
“Lisette! gij zoekt zeker Lisette, mijnheer de baron? Boven ligt zij; ga daar heen en zie haar aan!”
Toen, door smart overstelpt, bedekte hij zijn gelaat met de handen.
“Kom Frits!” sprak onze jongeheer, en voerde den verschrikte in de andere kamer, “kom mede! Ik zal u alles vertellen; al de droefheid die over ons gekomen is.” Hij sloot de deur, en ik bleef alleen bij de treurende ouders.
In de andere kamer hoorde men niets, dan een smartelijk gekreun—dat was alles; in eindeloozen angst gingen de minuten voorbij. Ik zat voor het raam en keek in het donker; op eens ontstelde ik vreeselijk, want daar buiten vertoonde zich dicht tegen de ruiten een gezicht, dat met twee groote, donkere oogen, waaruit angst en ontzetting spraken, naar binnen keek; toen wenkte mij een hand en het gezicht was verdwenen. Ik had het herkend—het was de wilde Francis.
“God behoede ons!” dacht ik, “wat wil die nu weer?” Ik ging echter zacht naar buiten; daar stond zij en klemde zich met beide handen vast aan de posten der huisdeur; het flauwe licht viel door het venster der woonkamer op een door angst verwrongen gelaat, terwijl het loshangende zwarte haar het verschrikkelijke harer verschijning nog vermeerderde. Zij beefde zóó, dat zij haast niet staan kon blijven, en toen ik haar vragend en verwonderd aanzag, bewogen zich hare bleeke lippen, zonder eenig geluid te geven.
“Lisette—” vroeg zij toen, met doffe stem, “is het waar, wat de menschen zeggen, dat er straks voor haar geluid is?”
“Zij ligt boven, in den eeuwigen slaap,” antwoordde ik.
“Heilige God!” gilde het meisje, “is het waar, is het werkelijk waar?”
Op dit oogenblik kwam baron Frits door de zijdeur; onze jongeheer, die het licht droeg, volgde hem. Hij was bleek als de dood; zijne oogen gloeiden hem in het hoofd; hij was blijkbaar voornemens naar boven te gaan, waar de doode lag. Zijn blik viel op de ter aarde gebogen gestalte, en haar herkennende bleef hij staan.
“Háár zou ik het aandenken mijner bruid gegeven hebben?” sprak hij schrikbarend kalm, terwijl zijne oogen diepe verachting uitdrukten; “gelooft gij dat, Frederik? Spreek, schepsel,” vervolgde hij met bevende stem. “Gij hebt het gouden hart gestolen, dat ik even voor mijn vertrek vermiste!”
Het meisje hief de handen tot hem op. “Neen, o neen, heer baron—”
“Wilt gij bekennen, nietswaardige deerne!” riep hij en hief zijn rijzweep, die hij in de hand hield, op, om haar te slaan.
“Sla toe, heer,” riep zij, “ik verdien het, maar bij den eeuwigen God! ik heb het niet gestolen! Men heeft het mij gegeven, zoo waar als ik hier lig; ik zou het nooit voor de grap om gedaan hebben, had ik geweten, waar het op uit loopen zou.”
Baron Frits liet den opgeheven arm zinken. “Weg met u!” en hij wees haar de deur; “gij moogt wel het allerminste de rust hier in het klaaghuis storen; ik zal u vinden.”
Zij stond op. “Erbarming, heer!” smeekte zij, “vergeef mij; ik ben een dom, ijdel ding, maar slecht ben ik niet—och! mijnheer de baron, ik zou gaarne willen sterven, als ik Lisette weder in het leven kon terugroepen.”
Zij zag er zoo jammerlijk, zoo terneergeslagen uit, zooals zij voor hem stond, met de roodgeweende, donkere oogen en gevouwen handen, dat onze jongeheer baron Frits verzocht: “vraag haar, wie haar gelastte, het kleine hart voor de grap om te hangen! Misschien zegt zij het.”
“Wie heeft u bevolen, het gouden hart om te hangen?” herhaalde de baron werktuigelijk, en in zijne oogen blonk het op eens als een voorgevoel van iets vreeselijks.
“Zeg het, Francis,” sprak onze jongeheer haar zacht toe, “als gij wilt, dat wij gelooven zullen, dat gij werkelijk niets kwaads in den zin had, toen gij—”
“Neen, waarachtig!” kreet zij, “ik heb niets kwaads bedoeld; ik wilde alleen maar Lisette eens ergeren, omdat zij altijd zoo trotsch jegens mij was; ik kon haar geen kwaad er mede doen, en daarom was ik aanstonds bereid, toen zij mij zeide, ik moest—Neen, ik verraad het niet; ik durf het niet doen—”
Haar gansche lichaam beefde.
“Ga!” zeide baron Frits plotseling, “nu wil ik het niet meer weten; er is een schurkenstreek uitgevoerd, een duivelachtigen schurkenstreek.”
Hij wees naar buiten, en het meisje ging snikkend heen in den donkeren nacht; ik trad voor de deur, om haar na te zien, ik kon nog even hare gestalte op den weg onderscheiden; toen verdween zij in de duisternis. Het was een sombere nacht geworden, het huilde en gierde door de lucht de hemel was betrokken, geen enkele ster was er meer te zien en de takken der oude linden kraakten en bogen onder de harde windvlagen; het was recht huiveringwekkend daarbuiten, en toch bleef ik staan. Als er zoo plotseling een storm opkomt—zegt men bij ons te lande—dan heeft een radeloos menschenkind zich zelven het leven benomen en men bidt voor de arme ziel, hoewel men niet weet, wie het is; ik vouwde ook mijne handen tot een gebed, toen het mij als lood op ’t hart viel. Heer in den hemel! als Francis eens—? Op het eerste oogenblik wilde ik haar achterna; toen bleef ik staan—waar zou ik haar zoeken?
Binnen in de kamer was de molenaar zijne rustelooze wandeling weder begonnen; daar tusschen klonk weder het snikken der moeder en de troostende woorden van den zoon, maar waar was baron Frits? Nog altijd bij het bed der doode? Boven in het dorp sloeg het tien uur; ik hoorde schreden de trappen afkomen, langzaam en slepend, als van een oud man. Ik zag in de gang—daar stond hij tegen de trapleuning; doodsbleek en nauwelijks herkenbaar was het schoone, levenslustige gelaat. Hij zag nog eens naar boven en wendde zijne schreden toen naar de deur der woonkamer; toen hij er vóór stond, kromp hij ineen, keerde zich haastig om en ging mij voorbij, zonder mij te zien; hij ging naar buiten in den duisteren nacht, als een arm, geheel verslagen man. Het was de laatste maal dat ik hem zag; hij moet daarna een woest, dolzinnig leven geleid hebben—hoe zou hij daar ginder bij die menschen hebben kunnen treuren! Op Derenberg is hij nooit meer geweest; nu zal hij wel lang dood zijn. Moge God hem een zachte rust schenken!
De wilde Francis was ook verdwenen; niemand wist waar zij gebleven was. Op het slot en in het dorp zeiden zij, de jonge baron was met haar weggeloopen, en toen heb ik nog eenmaal getwijfeld aan zijne trouw. Maar toen Lisette begraven was, ging ik tegen den avond met mijn Christiaan naar het kerkhof, en toen ik bij het versche graf stond te weenen en al de kransen terecht schikte, die de menschen er opgelegd hadden, sprak Christiaan: “Zie Marie, het is alsof daar een brief ligt;” en jawel, er was een steentje opgelegd, om het wegwaaien te voorkomen; toen ik hem opende, stond er met groote, ongeregelde letters:
“Het is niet waar, wat zij zeggen; hij heeft mij zelfs nooit aangezien; ik weet niet waar hij is, en hij niet waar ik ben. Mij ziet niemand uwer ooit weer—denk niet te slecht over mij! Het gouden hart had ik omgehangen, dewijl mijne meesteres het mij bevolen had; zij zeide mij, dat het slechts eene grap met Lisette was. Sanna was er bij—gij kunt het haar navragen. God moge het mij vergeven; ik heb zoo iets kwaads nooit willen doen.
Franciska.”
Zoo heeft zij daar boven gehandeld, om te voorkomen dat Lisette van den lompenmolenaar in haar trotsche familie zou komen, en—kind—” de oude vrouw liefkoosde het aan hare voeten gezeten meisje—“gij, onze eenigste—doe u en ons dat niet aan! Geef haar geene gelegenheid om weder zulk een duivelswerk uit te voeren! Zij zal het doen—reken daar zeker op!—Zij haat ons hier in den molen, omdat, sedert Lisette’s dood, haar kwaad geweten haar kwelt. Zie, mijn arm hartediefje, hoe bitter het mij om u spijt, ik kan u maar één raad geven: vergeet, wat gij heden hebt ondervonden!”
“Ik kan het niet, tante,” viel haar het jonge meisje droevig maar vastberaden in de rede; zij rees eensklaps op en stond in fiere houding voor de oude vrouw. “De geschiedenis van tante Lisette is treurig. Maar ik heb Army de belofte gedaan, dat ik hem redden zal, en die moet ik houden. En als ik hem de geschiedenis van tante Lisette verteld zal hebben, dan is hij gewaarschuwd. Heb medelijden, tante, en tracht mij niet tegen te houden!” voegde zij er bij, opnieuw voor haar op de knieën vallende,—“wij hebben elkander zoo lief, zoo innig lief—help ons, om gelukkig te worden! Zeg het vader en moeder, en spreek met hen—niet waar, gij doet het, liefste, beste tante, niet waar?” En de vochtige oogen van het ontroerde meisje zagen smeekend tot haar op, en zij voelde, dat twee teedere handen de hare grepen en angstig vasthielden.
“Mijn God!” weerklonk het in het hart der oude vrouw, “het heeft niets geholpen; het is de oude liefde, die nooit wijs wordt dan door eigen schade. En hij heeft haar toch niet lief; het is niet waar; had ik den moed maar haar dat te zeggen!—en Frederik zal het nooit toestaan—”
“Wilt gij met mijne ouders spreken, tante?” fluisterde zij weemoedig en liefkoozend.
“Ja, mijn hartedief! Ik zie het wel, er is niets aan te doen—maar ga nu rustig slapen! Morgen, morgen—”
“Neen, van avond, nu nog! Morgen komt hij immers,” smeekte zij; “vader kan van nacht overleggen wat hij hem zeggen zal—ik bid u, tante!”
“Gij hebt gelijk mijn kind; het is beter dadelijk,” stemde de oude vrouw toe; “laat mij opstaan! Ik ga naar beneden, slaap gij echter gerust! Morgen ochtend verneemt gij tijdig genoeg wat zij zeggen, mijn lieveling!”
“Hoe zou ik kunnen slapen, tante!” riep zij opstaande en legde de kleine, bevende hand op den schouder der oude vrouw.
Deze antwoordde niet, maar ging haastig de deur uit. Liesje volgde haar door de donkere voorkamer en boog zich over de trapleuning; daar ging zij de breede wenteltrap af, maar hoe langzaam liep zij! De oude voeten konden anders zoo vlug trippelen; nu kwamen zij haast niet van steê; langzaam—stap voor stap ging het; de trappen kraakten onder haar zware voetstappen en hare handen hielden zich zoo stijf aan de leuning vast—nu verdween zij uit het gezicht, en Liesje hoorde haar slepende schreden in de gang, en nu—dat was de deur der huiskamer; nu stond zij voor vader en moeder.
“Zou men hen hier boven kunnen verstaan? Wat zouden zij zeggen?”
Ademloos stond zij over de leuning van de trap gebogen; geen geluid drong tot haar door—alleen hoorde zij een paar maal Doortje’s stem, die zacht een liedje zong, en het rinkelen van borden, lepels en vorken in de keuken; toen was het weder stil.
“Maar hoor—dat was vader; zou hij boos zijn? Hij sprak zoo luid; en dat was tante.” Liesjes’s hart begon geweldig te kloppen. “Hoe te doen, indien vader eens niet wil toegeven? Maar dat is onmogelijk, zuiver onmogelijk; zij bemint Army immers.”
Welk een verward gepraat is dat nu daar beneden—nu hoort zij tante’s stem, die zoo bedarend klinkt, en nu weder haar vader—duidelijk drong het tot haar door:
“Neen, neen, duizend maal neen, zeg ik, en al ligt gij allen voor mij op de knieën, ik weet zelf, wat mij te doen staat.”
Een oogenblik staarden de groote, blauwe oogen als wezenloos in de ledige ruimte; toen vloog zij de trappen af, en stond onverwacht midden in de kamer; een gloeiend rood en een doodelijk bleek wisselden elkander op haar gelaat af. “Vader!” smeekte zij.
Hij bleef staan en zag haar aan; op zijn breed, blank voorhoofd vertoonde zich een kleine, blauwe ader; zij kende het wel, dat teeken der hoogste opgewondenheid bij hem; zijne oogen vestigden zich als bliksemstralen op haar. Tante zag diep neerslachtig, toen zij naar het meisje ging: “Kom, Lise, ga naar boven!”
“Neen, tante, laat mij! Ik wil weten, wat mijn vader zegt.”
“Wat uw vader zegt?” beet hij haar nu in het oor; “die zegt, dat gij een dwaas, dom ding zijt, die te veel haar zin en vrijheid gehad heeft; maar het verzuimde zal worden ingehaald—dat verzeker ik u!”
“Dat wil zeggen, dat ik niet Army’s verloofde zal worden, vader?” Zij ging vlak voor hem staan en zag hem strak aan.
“Neen, mijn kind, om uw eigen bestwil niet. Ik wil niet, dat mijne dochter het slachtoffer eener speculatie worde.”
“Speculatie?” vroeg Liesje doodsbleek, “ik weet niet, wat gij daarmede meent, vader! Gij gelooft misschien, dat Army mij niet bemint; het is mogelijk; maar al heeft hij mij ook niet zóó lief, als ik hem, dat mag bij mij niet in aanmerking komen; ik weet, dat het leven eerst dan weer waarde voor hem krijgen zal, wanneer hij—”
“Zijne schulden betaald heeft, mijn kind.”
“Tante!” wendde Liesje zich opgewonden tot de oude vrouw, “tante, gelooft gij dat van Army? Toe, spreek dan toch; een enkel woord slechts!” Zij sprak met zooveel overtuiging, dat de oude vrouw de tranen in de oogen schoten.
“Kom, kom, mijn Liesje!” fluisterde zij; “vader is boos en opgewonden; morgen zal hij kalmer zijn.”
“Neen, neen, tante, gij moet het mijn vader zeggen, hoe gij er over denkt; hij hecht zooveel aan uw oordeel.”
De oude vrouw stond verlegen; de tranen rolden haar over de gerimpelde wangen, en hare handen grepen naar haar voorschoot.
“Gelooft gij het ook, tante—?” kreet zij, zonder dat nog een traan haar oog bevochtigde.
“Vader, ik weet, dat het niet zoo is; het is niet mogelijk neen, het is niet mogelijk—!”
“Ik begrijp uwe smart, Liesje,” sprak hij kalmer; “maar hoe kunt gij zoo dwaas zijn aan een plotseling ontstane genegenheid te gelooven? Gij zijt anders zoo’n verstandig meisje; zie, hij kent u reeds lang, en toch stelde hij eene vreemde boven u; hij heeft er nooit aan gedacht u te beminnen, of u te trouwen; het waren kinderspelen, die u eens tot elkander brachten, anders niets; en nu, nu hij geen raad meer weet, herinnert hij zich het kleine meisje, dat immers rijk is, en vraagt hij hare hand, om zich te redden, en zij is zoo dwaas, dit voor liefde te houden. Moet ik mij beroepen op uw gevoel van eigenwaarde, Liesje?”
Zij antwoordde niet, maar zag haar vader bijna vertoornd aan.
“Nelly’s moeder is ook het slachtoffer van zulke berekening, mijn kind! Hebt gij haar ooit beschouwd als iemand, die te benijden is? Moet het voor haar niet een vernederend gevoel geweest zijn, te weten, dat haar echtgenoot haar slechts als toegift bij haar vermogen beschouwde? Omdat hij zijne vrouw niet beminde, leidde hij zulk een wild, teugelloos leven, en toen haar geld verteerd was, schoot hij zich dood. Is dat niet vreeselijk? Lise, mijn kind, zoudt gij willen, dat ik u zoo te gronde liet gaan?”
Liesje liet de gevouwen handen hangen; zij tastten naar de tafel, bij welke zij stond; haar bleeke lippen bewogen zich tot spreken, maar zij konden geen geluid voortbrengen. De kopjes op de tafel rinkelden duidelijk, zoo beefden hare handen.
“Lise, om Godswil!” riep tante, en omvatte haar met hare armen.
“Ik dank u, vader,” sprak Liesje op doffen toon, zich losmakende, “ik—ik zal u gehoorzamen.” Zij keerde zich om en ging langzaam naar de deur; alles draaide voor hare oogen; zij hoorde nog de stem van tante—toen viel de deur achter haar dicht. Zij wankelde de trap op, maar moest zich aan de leuning vasthouden; eindelijk, eindelijk was zij boven, op haar kamertje en viel op de sofa neer.
Haar vader kwam boven, streelde haar de wangen en noemde haar zijn goed, verstandig kind, dat nog eenmaal heel gelukkig zou worden. Tante ging naast haar zitten en sprak nu en dan een woord om haar te troosten. Liesje hoorde het alles aan, alsof het klanken uit de verte waren; alleen dit ééne weerklonk luid en duidelijk in hare ziel: “hij bemint mij niet; hij wil niet mij, maar mijn geld—uit nood.” Was het dan werkelijk pas een paar uren geleden, dat zij onder den ouden lindeboom het hoofd aan zijne borst gelegd en geluisterd had naar de woorden, die hij haar toefluisterde? Was het niet reeds eene eeuwigheid geleden en lag er tusschen het nu en toen niet een geheele zee van lijden en wee?
Zij steunde luid en drukte de handen op het hart. Ach, haar kortstondige zaligheid, haar zoete liefdedroom—voorbij, voorbij voor eeuwig! Hare wangen gloeiden, toen zij er aan dacht, hoe zij hem zoo vertrouwelijk bekend had, dat zij hem beminde; het was hem immers onverschillig, dit moest het hem zijn; hij vroeg niet om hare liefde, hij vroeg alleen haar geld. Waar zou zij zich voor aller gezicht verbergen? Zij sloot de oogen en dacht aan het oogenblik, dat hij komen en haar vader hem afwijzen zou. Dat schoone, trotsche gelaat, hoe zou het er dan wel uitzien? “En dan zal hij gaan,” dacht zij. In den geest zag zij hem uit haars vaders kamer komen en door de gang gaan, de hooge gestalte trotsch opgeheven; hij zal zich niet omkeeren en naar hare vensters zien; hij zal gaan—gaan om elkander nimmer weder te zien. Nimmer wederzien—een bitter, hard woord, een woord dat onuitsprekelijke smart in zich sluit!
“Och, tante,” steunde zij in haar ellende, en de oude vrouw boog zich tot haar.
“Schrei maar goed uit, mijn hartediefje! dat zal u verlichten.”
“Och, was het maar eerst voorbij!” fluisterde zij.
“Ook de moeilijkste uren gaan voorbij, als men maar bidden kan.”
“Ik kan niet bidden, tante, ik kan niet—-”
De nacht ging voorbij, en de dag brak aan, waarop hij met haar vader wilde spreken. Op Liesje’s gelaat lag een bijna onnatuurlijke kalmte; alleen hare oogen gloeiden koortsachtig; zij nam al haar kleine huishoudelijke plichten waar, ging toen naar hare kamer en nam een boek; tante Marie kwam boven en begon vriendelijk met haar te praten over onverschillige zaken; zij luisterde er naar en antwoordde er op; toen ging de oude vrouw weder aan hare bezigheden. Onmerkbaar gingen de wijzers der klok vooruit; nu stonden zij op elf uur—plotseling bedekte een donker rood hare wangen; zij had zijn stap in den gang herkend, en hoorde nu haars vaders stem. Zij maakte eene beweging, als wilde zij naar de deur ijlen, maar zij sloeg de oogen weder op haar boek; de bladeren trilden onder hare hand; zij legde het boek op de tafel en boog er zich over heen.
Werktuigelijk las zij zacht:
O! laat mij, vóór gij henen gaat Op ’t duist’re pad van ’t leven, Vóór gij deez’ droeve plek verlaat, Nog eens mijn dank u geven!
Moog’ nooit, in slapeloozen nacht. ’t Verleden u bekoren! De toekomst, die u tegenlacht, Is reddeloos verloren!
“Is reddeloos verloren,” herhaalde zij bijna luid.
“En hoeveel tijd ons hier ook wordt gegeven, Nooit zullen gij en ik dien samen meer doorleven.”
“Nooit meer!” Het boek viel op den vloer. Was het niet verkeerd van haar, hem het leven door te laten gaan zonder haar steun? Zij had hem kunnen redden van armoede en schande; het was toch Army, haar oude speelkameraad; nog is het niet te laat, alles kan nog te recht komen!
Zij verliet de kamer; bij de trap bleef zij staan.
“Ach neen,” sprak zij—“ik vergat het immers; hij heeft mij niet lief.” Weder moest zij haar eergevoel wakker schudden, dat door liefde-tonen in slaap gesust was. Wat bleef hij lang bij haar vader! Hoor, daar ging de deur—was dat Army? Zij boog zich over de leuning; hij ging juist naar de voordeur—zij zag zijn donkere lokken onder de muts te voorschijn komen; wat ging hij rechtop! Haar hart klopte geweldig; de herinnering aan gisteren overweldigde haar in al haar gloed en zaligheid; en nu, nu had hij de deurkruk in de hand; wanneer de deur zich achter hem sloot, dan was alles voorbij—voor altijd—reddeloos verloren. “Army!” riep zij op eens en vloog de trappen af; maar daar sloeg juist de zware eikenhouten deur dreunend dicht, zoodat het geluid door de hooge gang klonk. “Army!” herhaalde zij nog eenmaal zacht en strekte de armen uit; heete tranen ontrolden aan hare oogen en langzaam ging zij weder naar haar kamertje. Reddeloos verloren! Hoe ledig, hoe naamloos ledig was de wereld haar geworden!