Twintigste Hoofdstuk.
Reading edition
De aarde stond in volle lentepracht. Het eerste jonge groen tooide boom en struik; in Ervings tuin bloeiden narcissen en vlier; de goudenregen boog zich over de haag, en de met roode bloemen prijkende takken van den hagedoorn hingen zwaar neder onder al hare bloemenpracht. In het park echter wiegde de zoele wind de jonge bladeren der lindeboomen, en kuste ieder grassprietje op de smaragdgroene weilanden, als wilde hij haar vertellen van nieuwen lust en nieuw leven. En nieuwe lust en nieuw leven verkondigde ook de waterstraal, die uit het oude zandsteenen bekken kristalhelder omhoog steeg, om ruischend en fonkelend weder neer te vallen. Evenals in lang verleden tijd, stond het portaal, met zijne massieve zware vleugeldeuren, wijd open, als wist het, dat spoedig, binnen weinige weken, de gelukkige slotheer zijn jonge schoone vrouw over den ouden drempel van zijn voorvaderlijk huis zou leiden; van de trappen van het bordes was het groene mostapijt verdwenen, en de beide oude beren zagen verwonderlijk trotsch uit onder een paar groote eiken kransen, die een schalksche hand hun op de eerwaardige hoofden gezet had.
De lange reeks van vensters op het slot waren geopend; slechts voor enkele hingen zware gordijnen; deze vertrekken hadden geen behoefte aan de voorjaarszon, want hun bewoonster ontbrak; zij was weg, werkelijk weg. Geen spier in haar trotsch gelaat had getrild, toen zij op dien oudejaarsavond in het ellendige rijtuig steeg, dat haar wegvoerde van de plaats, die jaren lang haar tehuis was geweest. Koud en vluchtig hadden hare lippen op het voorhoofd van hare schoon- en kleindochter gerust; zij wist wel, dat daar boven in de schemering haar kleinzoon zich een geluk had verzekerd, bij welks glans al het andere verbleekte, en dat hare oogen verblindde—aldus besloot deze eenmaal zoo bewonderde ster hare rol, en toen zij het oude bordes voorbij reed, balde zij de fijne handen, terwijl Sanna zich snikkend uit den wagen boog—voorbij, voorbij! Wat zal háár het komende jaar brengen?
En nu werd de jonge heer iederen dag terug verwacht. Hij was tot aan de overname van het landgoed op de bezittingen van een vriend geweest, om zonder tijdverlies zich met zijn werkkring bekend te maken. Daar boven in het kleine torenkamertje stond Nelly met den ouden Hendrik; de beide ronde vensters waren eveneens geopend; zij zag met een glimlach van geluk naar buiten over het park, en hare blikken bleven op de in ’t zonnelicht fonkelende ramen van den papiermolen rustten, die als onder bloesems begraven lag.
“Zie, Hendrik,” riep zij, “nu weet ik ook, waarom mijn broeder schreef, dat wij juist deze kamer voor hem gereed moesten maken.”
“O ja, hier is een prachtig uitzicht,” zeide de oude, met een beteekenisvol lachje op het gerimpelde gelaat; mijnheer de baron zal dit vertrek niet weer willen verlaten, wanneer hij er eens in woont.”
“Het is hier ook zoo wonderschoon!” riep Nelly, het kleine, ronde vertrek beschouwende; “hoe gezellig! en dan het uitzicht!”
Hendrik schoof een paar ouderwetsche stoelen, die bij een klein sofatafeltje stonden, voor de honderste maal te recht; “en nu nog de eikenkransen buiten om de deur, genadige freule! Dan kan hij komen; dan is alles gereed, buiten en binnen; ik had toch niet gedacht, dat ik dat nog beleven zou,” eindigde hij en schudde vroolijk het grijze hoofd; “het gaat wonderlijk op de wereld, genadige freule! ja wonderlijk.”
Op den molen ging alles uiterlijk den ouden gang, alleen ontbrak sedert vele weken de huisvrouw; zij was met de zieke Bertha van den meesterknecht naar Italië vertrokken, maar zou spoedig terugkeeren, zooals het bericht luidde, gezond en sterk.
Tante echter maakte zich bezorgd over haar lieveling; zij was naar hare meening een te stille bruid. Halve dagen lang, kon het meisje peinzend en droomend voor zich heen zien; het liefste zat zij alléén in haar kamertje en liet tante zich aftobben met de zware rollen linnen, die zij om te knippen en te naaien uit de oude kasten te voorschijn haalde. “Het is haar alles onverschillig,” mompelde zij bedroefd, toen hare oogen over deze belangrijke schatten van iedere huishouding gleden. “Zij stelt geen belang in haar uitzet; het arme kind, zij mist zooveel; zij weet immers niet hoe het is, als iemand zijn schat zoo hartelijk liefheeft.” Iederen avond echter, sedert dien oudejaarsdag, vouwden zich de oude handen tot een dankgebed, dat de oude barones weg was.
Weder daalde een geurige, door de maan beschenen Mei-avond op de aarde neder, en weder zat de oude vrouw aan het venster van het kamertje, de handen gevouwen, en peinsde. Buiten ruischte weder het water op de bekende melodie; de oude klok sprak daartusschen haar eentonig tiktak en uit den hof klonk het gezang der dienstmeiden.
“Waar is Liesje toch!” vroeg zij bij zich zelve. “Of hij ook geschreven heeft, wanneer hij komt?” Zij stond op en dribbelde uit de kamer; de stralen der maan dansten over het goede, oude gezicht en de sneeuwwitte muts. “Liesje! riep zij in de woonkamer—geen antwoord; zij keerde terug door de donkere gang, de trappen op. “Zij zal toch niet schreien?” dacht zij,—zij zag in het gezellige meisjeskamertje rond, nergens een spoor van de gezochte. Hoofdschuddend keerde zij zich om en richtte onwillekeurig hare schreden naar een andere deur; zacht opende zij deze; het maanlicht vervulde de kleine ruimte met een wit helder schijnsel, en in dit zilveren licht stond onbeweeglijk de liefelijke gestalte van het meisje, en zag door het venster naar buiten. Als vastgenageld bleef de oude vrouw staan, en staarde de zoo goed bekende verschijning aan: was het dan weder de tijd harer jeugd? Was het Lisette die daar stond?
“Hij komt,” jubelde een zachte stem, “hij komt. Ik heb het licht gezien.” En vlug was Liesje de oude vrouw voorbijgeslopen, en toen als een liefelijke fee verdwenen.
Waarlijk, daarboven flikkerde een licht in het torenkamertje; de oude vrouw hield zich vast aan het tafeltje bij het raam en tuurde naar de overzijde; de droom harer jeugd was weer ontwaakt; “Almachtige God!” zeide zij zacht en sloeg de handen in elkander, “droom ik dan, droom ik?”
En toen moest zij naar beneden. Met aarzelende schreden verliet zij het huis; de tuin lag in het heldere maanlicht, een bedwelmende bloemengeur woei haar tegen; evenals in den lang, lang verleden tijd harer jeugd wandelde zij verder; de nachtegalen sloegen zoo vertrouwelijk, en van de overzijde van den weg klonk in bevende klanken het eentonig gezang der kikvorschen. Nu kwam zij aan het grindpad voor het priëel—waarlijk, daar binnen werd gefluisterd; zacht sloop zij naderbij, en boog de takken terug—daar zaten zij naast elkander op de bank; zij had den arm om zijn hals geslagen, terwijl zij haar gelaat aan zijne borst verborg, en hij kuste telkens en telkens. Nu hief zij het hoofd op, en in het heldere maanlicht, dat haar bestraalde, zag de oude vrouw een paar groote, blauwe oogen, die met de uitdrukking van het reinste geluk aan zijn gelaat hingen dat zich over haar heen boog.
Behoedzaam liet zij de takken vallen en trad terug—zij had genoeg gezien. Zacht, zeer zacht ging zij het pad weder langs, en wischte nu en dan de oogen af met haar voorschoot. Onder de lindeboomen voor de huisdeur was het donker; zij zette zich op de zandsteenen bank neder en zag naar den tuin met gevouwen handen; en hare lippen prevelden een vurige dankzegging; wat zij nauwelijks had durven hopen, was waarheid geworden.
Van de overzijde des waters klonk een heldere meisjesstem tusschen al de melodieën der lente door; een licht gewaad blonk in het maanlicht; al nader en nader kwam het gezang, en duidelijk klonk ieder woord in de ooren der oude vrouw:
“Stil naakt de liefde—als Lente doet, Wen zij ’t gebied herovert,— Terwijl zij rozen, vol van gloed, Aan dorre twijgen toovert.
Zij wekt de schoonste melodij In ’t hart, dat nog zoo even Geen enk’le roos, geen schoone Mei Meer had gehoopt in ’t leven.
“Liesje! Army!” riep zij luide in den tuin, toen zij onder de lindeboomen stond, “waar zijt gij?”
Geen antwoord—alleen de nachtegalen vervolgden hun gezang.
“Laat hen, Nelly,” sprak een oude stem naast haar, en eene hand trok haar op de bank neder, “laat hen de lente genieten! Er waren reeds zoovele stormen, vóór hunne rozen konden bloeien.”
En het maanlicht trilde op de toppen der boomen; het water ruischte, en “God beware hun de rozen en de lente!” fluisterde de mond der oude vrouw, “de rozen en de lente!”
J. F. VAN DRUTEN te SNEEK, geeft mede uit:
Wilhelmina Heimburg, UIT HET LEVEN MIJNER OUDE VRIENDIN, uit het Hoogduitsch door Mevrouw Brugsma-Haenenberger. Een deel in gr. 8vo, ƒ 2,80.
Wilhelmina Heimburg, HAAR EENIGE BROEDER, uit het Hoogduitsch door Mevrouw Brugsma-Haenenberger. Een deel in gr. 8vo., ƒ 3,00.
Wilhelmina Heimburg, WOUDBLOEMEN, uit het Hoogduitsch door Mevrouw Brugsma-Haenenberger. Een deel in gr. 8vo, ƒ 3,00.
Wilhelmina Heimburg, VOORHEEN. Een viertal novellen, met kort Levensbericht en Portret van de Schrijfster, uit het Hoogduitsch door Mevrouw Brugsma-Haenenberger. Een deel in gr. 8vo ƒ 2,75.
Wilhelmina Heimburg, EEN ARM MEISJE, uit het Hoogduitsch door Mevrouw Brugsma-Haenenberger. Een deel in gr. 8vo, ƒ 2,80.
’t Is een eenvoudige geschiedenis, maar de kennisneming ten volle waardig en voor onze huiselijke leeskringen een welkome aanwinst.
Hier geene onmogelijke of buitensporige karakters of verdachte toestanden, maar menschen en omstandigheden, zooals men ze in ’t leven veelvuldig aantreft en in wier deugden en zwakheden we ons zelven en onze vrienden herkennen en uit wier geschiedenis we levenswijsheid kunnen leeren, terwijl de lezing ons een aangename verpoozing schenkt.
.... Hoe dit alles ten einde loopt en onze heldin ten slotte het geluk vindt, dat ze zoozeer waardig is, mogen we den aanstaanden lezer niet verraden. Dat mocht te kort doen aan het genoegen, dat we hem of haar bij de lezing met volle vrijmoedigheid durven voorspellen.
Tijdspiegel.
Dit werk kunnen wij voor leesgezelschappen niet genoeg aanbevelen; ieder zal met voorliefde dit werk van Wilhelmina Heimburg ter lezing vragen. De spanning wijkt onder het lezen geen oogenblik, zonder dat daartoe eenig kunstmiddel behoeft dienst te doen. De schrijfster weet zóó aardig te vertellen, dat de roman in den smaak moet vallen bij elken minnaar van romanliteratuur.
Rotterd. Nieuwsblad.
Het werk is ten eenemale vrij van gezochtheid, terwijl het zich ook door kiesheid van vorm en uitdrukking gunstig onderscheidt.
Leeswijzer.
Wilhelmina Heimburg is eene der liefelijkste schrijfsters van onzen tijd, en de wijze, waarop zij het vrouwenkarakter weet te schilderen, geeft een bijzondere waarde aan hare verhalen.
Kerkel. Courant.
Wilhelmina Heimburg wordt een geduchte concurrente voor Marlitt, Werner en andere populaire Duitsche schrijfsters. Wij voorspellen aan “Een arm meisje”, vele lezers en vooral lezeressen. De schrijfster gebruikt geen nieuwe motieven, maar schrijft goed en met gevoel.
Vaderland.
“Wilhelmina Heimburg heeft de gave zóó te vertellen, dat men alles om zich heen vergeet. .... Zonder kunstmiddelen weet zij de belangstelling te wekken en gaande te houden; de toestanden waarin zij den lezer verplaatst, zijn altijd waar en natuurlijk.”
Portefeuille.
Josephine Bouberg Wilson-Giese, DE KRING DER VAN DUIJVESTEINS. 2 deelen in gr. 8vo, ƒ 5,80.
Fayr Madoc, DOKTER TRIAMOND. 2 deelen in gr. 8vo, ƒ 5,20.
Felix Dahn, DE KRUISVAARDERS. Eene vertelling uit de 13de eeuw, uit het Hoogduitsch door J. Van Loenen Martinet. 2 deelen in gr. 8vo ƒ 4,90.
Aanbeveling behoeft het boek niet. De naam van schrijver en vertaler doen reeds iets goeds verwachten, en die verwachting wordt niet beschaamd. Ook hier zal men, de gemakkelijke dialoog, de kernachtige karakter-beschrijving, de sobere, schoone zinsbouw en de dichterlijke vlucht, waaraan Dahn zijne lezers gewend heeft, terugvinden.
Ind. Mercuur.
De vertelling—waarom niet roman—speelt in de vijfde kruistocht, ondernomen door Frederik II met de hulp der ridders van de Duitsche Orde. Freytag koos ook dat tijdvak in een deel zijner Voorouders. Felix Dahn verplaatst ons, met zijn groot talent, in het Heilige Land en in Tyrol en voert daar personen ten tooneele, die ware portretten vormen uit den zonderling bewogen tijd. Wij hebben met genot kennis gemaakt met dit aantrekkelijke en onderhoudende boek.
Kerkel. Courant.
George Taylor, CLYTIA. Historische Roman uit de 16e eeuw, uit het Hoogduitsch door J. Van Loenen Martinet. Twee deelen, post 8vo, ƒ 4,50. Geb. in twee prachtbanden ƒ 5,80.
“Een der degelijkste, krachtigste, in meer dan één opzicht keurigste romans van den jongsten tijd, is het door den heer J. Van Loenen Martinet in het Nederl. vertaalde werk “Clytia” van George Taylor (Prof. D. Hausrath te Heidelberg). Ieder ontwikkeld lezer zal erkennen hier te doen te hebben met een rijken inhoud, die beheerscht wordt door een ernstigen geest, een gelukkigen tact van groepeeren en een aangename manier van vertellen.”
Hoofdartikel Zondagsbl. N. v. d. D.