Zesde Hoofdstuk.
Reading edition
Den volgenden dag was het ongunstig weder. De hemel was geheel met een donker floers bedekt, en een zachte regen viel op de bloeiende appelboomen en de vlier. Liesje stond des namiddags boven in haar kamertje, en zag met een droevig gelaat naar het slot, welks torens in een grauwen sluier gehuld schenen. Alles was vandaag verkeerd gegaan; iedereen zag donker; haar vader had onaangenaamheden in zijn beroep gehad; tante had zich geërgerd, omdat Doortje de staldeur niet gesloten had, waarachter de hen met hare kiekens verblijf hield, die nu in den regen buiten waren: iets, dat streng verboden was; de kleine diertjes zouden nu allen omkomen, voorspelde zij; de oogen verdraaiden reeds. Doortje was erg beknord en liep met roodgeweende oogen door het huis; en tot overvloed van smart was de jonge heer Selldorf gekomen, die bij haar vader in de zaak zou werkzaam zijn, en had met de familie het middagmaal gehouden.
Gewoonlijk aten de heeren, die bij hem in de leer waren, boven in het huis dat zij bewoonden, want de heer Erving bevond zich het liefst uitsluitend te midden der zijnen; heden had hij echter eene uitzondering gemaakt, omdat hij zeer bevriend was met den vader van den jongen man. De jonge blonde heer, met zijn blauwe das, had tegenover Liesje gezeten en haar gedurig aangekeken, hetgeen volstrekt niet noodig was; er was gesproken over zijn vader, over beroepsaangelegenheden, en over de gezondheid zijner moeder, wat alles recht vervelend was geweest. Daarbij kwam, dat Liesje, voor de eerste maal sedert haar dit werk was opgedragen, vergeten had de duiven te voeren; zij ergerde zich over zich zelve—wat scheelde haar toch? En toen dacht zij er aan, hoe zij gister met haar naaiwerk onder den lindeboom vóór het huis had gezeten, tot het donker werd, en telkens, als er iemand naderde, geschrikt was, en hartkloppingen had gevoeld; hoe het steeds onverschillige menschen geweest waren; ten laatste kwam de oude bedelaarster Marie, en toen was zij in huis gegaan en had geweend. Zij bloosde uit schaamte over zich zelve, toen zij zich herinnerde, dat zij gister avond, wijl zij niet slapen kon, nog eenmaal was opgestaan om het venster te openen en naar den postillon te luisteren, die een lustig deuntje zat te blazen op den bok van het rijtuig, waarmede Army—zoo spoedig weder vertrok.
“Dat het nu ook zulk naar weer is,” sprak zij op eens halfluid, een deeltje van Geibels gedichten van de boekenplank nemende, “anders zou Nelly zeker eindelijk wel eens komen.”
Zij zette zich op de kleine sofa, en bladerde in het boek, zonder de liefelijke zangen, van welke zij anders zooveel hield, met iets meer dan een vluchtigen blik te verwaardigen. Zoo zat zij, totdat in de gang de voetstappen harer tante gehoord werden, en het goedige gezicht met het helderwitte mutsje in de deur zichtbaar werd.
“Zeg eens, Lise, waar om Gods wil zit gij toch?” vroeg zij geheel buiten adem; “eerst ziet gij den ganschen dag zoo zuur als azijn, en nu zit ge hier te lezen, in plaats van uw oude tante beneden wat te helpen. Gij weet wel, het is van daag Donderdag; dan komt de familie uit de pastorie. Doortje is geheel verslagen door de berisping, die zij ontvangen heeft, en Mina pruilt om haar gezelschap te houden; gij hadt mij wel kunnen helpen de duiven klaar te maken, of de aspergies te schillen; dat is niet gemakkelijk, en gij dient het te leeren voor de aanstaande huishouding, want een vlijtige huisvrouw is de rijkdom des mans. Maar wat ziet het er hier toch gezellig uit,” viel zij zich zelve in de rede, terwijl zij het vertrek rondkeek, dat er met zijn witte verf, met wit en blauw gestreept katoen overtrokken meubels en neteldoeksche venstergordijnen, als een echte meisjeskamer uitzag. “Zie eens, hoe uw myrtheboompje in ’t water drijft! Daar schiet mij te binnen, waarom ik hier eigenlijk kwam: hier is een briefje van Nelly. Hendrik bracht het mede;” zij nam het uit haar zak en gaf het Lise, die het openbrak en las.
“Verbeeld u, tante,” riep zij verrast, “zij krijgen bezoek op het slot! Nelly is er bovenmate over verheugd; het is eene nicht, Blanka van Derenberg; en Army komt ook over met verlof en zij hoopt, dat ik haar dan dikwijls zal komen bezoeken.
“Zoo?” vroeg de oude vrouw.
“Ja, Nelly schrijft, zij zou zelve gekomen zijn om het mij te vertellen, maar zij had vandaag geen tijd, dewijl zij helpen moest de kamers in orde te brengen.”
“Zouden zij dat dan nu eerst hebben vernomen?” sprak de oude vrouw.
“Och neen,” zei Lise, “Army is dáárom over geweest, schrijft Nelly.”
“Is Army weer hier geweest?” vroeg tante, en zag verbaasd naar het jonge meisje, dat plotseling hoogrood geworden was; “wanneer dan?”
“Op Nelly’s verjaardag,” klonk het zacht.
“Ei zoo! en daar hebt gij mij niets van verteld, Lise? Gij zegt mij anders toch alles!” en de stem der oude vrouw klonk angstig. “Zeg Lise, waarom hebt gij dat verzwegen?”
“Omdat ik niet altijd hooren wil, als gij zegt dat hij trotsch en voornaam is geworden.”
“En waarom wilt gij dat niet hooren, Lise?”
“Omdat het niet waar is; omdat hij geen tijd heeft gehad om hier te komen—anders had hij het zeker gedaan.”
Zij brak in tranen uit; de bedrogen verwachting van gister kwam haar weder te binnen.
“Maar, Lise, groote goedheid, wat moet dat beteekenen? Hoe dwaas, dat gij om zóó iets schreit! Wat ter wereld kan u Army schelen?”
De oude vrouw sprak knorrig; men kon het haar aanzien, dat haar hart bezwaard was. “Ik denk, dat het u niet aangaat, wat ik van Army zeg. Uwe wegen en de zijne loopen niet naast elkaar, zooals in uwe kindsheid; hij is nu een voornaam heer en gij zijt een volwassen meisje.—Wat moet men daarvan denken, dat gij zoo bitter weent?”
Lise viel de oude vrouw om den hals. “Och, tante, wees niet boos!” snikte zij; “het is recht kinderachtig van mij, maar ik kan het nu eenmaal niet aanhooren, zooals gij over de bewoners van het slot spreekt; wij hebben altijd zoo vriendschappelijk gespeeld, en het is altijd net of gij die schoone herinneringen onbarmhartig wilt uitwisschen, als gij boos zijt op Army en Nelly.”
De oude vrouw schudde het hoofd. “Kind!” zei zij toen, “och, wist gij slechts, wat bitter leed zij daarboven ons berokkend hebben!”
“Kunnen Army en Nelly dat helpen?”
“Neen—maar—”
“Gij zegt immers zelf altijd, dat wij onze vijanden moeten vergeven.”
“Dat is zoo, maar het is onmogelijk een onrecht te vergeten, dat u zoo van nabij treft, als—”
“Och, spreek daar niet van, tante!” bad Liesje vriendelijk en zag haar door hare tranen heen lachend in het gelaat; “ik zal niet weder zoo dwaas weenen; maar hoor! dan bromt gij ook niet meer. Ik ga nu met u naar beneden, en zal u helpen de duiven klaar te maken en ze zóó braden, als vader ze graag lust? En hebt gij reeds radijs uit den tuin gehaald of zal ik het doen?”
Zij vleide en bad zoo lang, tot de oude haar een kus gaf, en toen zij de voorzaal boven doorgingen, waarin groote linnen- en kleerkasten stonden, zag tante onwillekeurig naar een der deuren, en een bange zucht ontglipte haar.
“Dat was Lisette’s kamer,” zeide zij met zekeren nadruk in haar toon. Het jonge meisje knikte en ijlde vlug de trappen af. Zij had immers reeds zoo dikwijls van Lisette gehoord; zij wist, dat het hare oudtante was, en haar naam altijd met eerbied werd uitgesproken; doch omdat men haar niets naders meedeelde, boezemde het haar weinig belang in, dat zij boven gewoond had. Zij schaamde er zich echter over, dat zij zoo kinderachtig geschreid had; wat zou hare tante nu wel gelooven? Misschien wel, dat zij Army—-? Zij kleurde en voleindigde de gedachte niet, maar begon te zingen, terwijl zij naar de woonkamer ging om den predikant en zijne vrouw te begroeten. Tante Marie volgde haar met angstige blikken. “Heer in den hemel!” bad zij, “bewaar ons genadig voor een tweede ongeluk!” Want een ongeluk zou het worden; van daarboven is nog niets goeds gekomen, sedert de oude op het slot leeft. “Heere, bewaar het meisje! Zij weet het zelve nog niet, maar het is waar, wat ik zoo even hoorde—zij heeft dien Army lief. Hoe haar te helpen?—” Peinzend maakte zij het avondeten gereed, en toen eens Liesje’s heldere lach tot in de keuken klonk, schudde zij het hoofd, en aan den avondmaaltijd bespiedde zij van ter zijde het lachende gezichtje, dat niet het minste spoor van tranen vertoonde. Het was ook een vergenoegd gezelschap, dat daar in de koele eetzaal zat om de groote, ronde tafel, met helderwit damast gedekt. De heer des huizes, met zijn vriendelijk gelaat; de predikant, die men het aanzag, dat hij zich verheugde bij den vriend zijner jeugd te zijn, en Rosine, zijn vrouwtje, dat altijd vergenoegd was, hoewel zij te huis een troepje kleine kinderen had, die als orgelpijpen op elkander volgden, en haar dikwijls veel zorgen gaven, als zij meermalen niet wist van waar ze nieuwe kleeren zouden krijgen. Zelfs de Donderdagavonden, wanneer zij in den molen van de zorgen en beslommeringen der week uitrustte, zat zij ternauwernood, of een kinderkousje kwam voor den dag, waaraan zij ijverig breide, en niet zelden legde juffrouw Erving haar lachend een pakje kousen in den schoot, met de woorden: “Ziedaar, lieve, ik heb u wat geholpen; laat nu voor van avond het breien eens rusten, en zing een lied voor ons!” En dan zong zij met haar lieve, zachte stem een eenvoudig lied. Later echter greep zij onwillekeurig weer naar hare breikous en zeide lachend: “laat mij begaan, Mina! Ik kan het niet laten.” De vrouw des huizes was dezen avond bijzonder wel, en voerde een druk huishoudelijk gesprek met Rosine, terwijl Liesje vroolijk met haar vader en den geestelijke schertste; alleen tante was stil, en zelfs de loftuitingen over hare kookkunst waren niet bij machte, haar te doen glimlachen; ze proefde niet eens van den geurigen Rijnwijn, die in de groene glazen zoo heerlijk parelde.
“Weet gij wel, dominé,” vroeg de gastheer, “dat ik nu een zoon van onzen ouden schoolkameraad Selldorf hier heb?”
“Een jongen van Selldorf? Wel, wat zegt gij daar! Hoe is het dien eigenlijk gegaan?”
“Hij heeft een groote scheikundige fabriek in Thüringen.”
“Zoo, en de jongen zal—?”
“De jongen komt zijn neus eens in mijn bedrijf steken, omdat de oude plan heeft eene papierfabriek—eigenlijk lompenmolen—op te zetten. Hij is trouwens gelukkig geweest; hij kwam als boekhouder in de zaak, die nu de zijne is, huwde de eenige dochter zijns patroons en werd een gezeten man. Hij heeft een knappen kop en een door en door degelijk karakter. Gij moet den jongen eens zien; sprekend gelijkt hij op den oude van vroeger; dezelfde oogen, hetzelfde blonde haar. Ik verbeeldde mij dat ik nog jong was, toen ik hem zag.”
“En waar is hij?”
“Boven in de werkkamer. Ik behandel hem geheel als de andere jongelui; vanmiddag heeft hij hier gegeten en daarmede basta.—Gij weet, ik ontvang niet graag vreemden in mijn huiselijken kring.”
De geestelijke knikte. “Ik moet hem toch stellig eens zien. Wat zegt Liesje wel van hem?” vroeg hij schertsend aan het jonge meisje.
“Niemendal, oom!” antwoordde zij.
“Dat is al heel weinig,” lachte hij. “Maar a propos, daar schiet mij te binnen, Liesje, dat Army hier geweest is. Ik zag hem, toen hij aankwam; wat is dat een knappe jongen geworden! Hebt gij hem gezien, kleine?”
Liesje knikte toestemmend, maar werd bloedrood; waarom zag tante haar ook zoo doordringend aan!
“Het hindert mij toch,” voer de leeraar voort, “dat hij het niet de moeite waard acht, eens bij ons te komen; het is niet aardig van hem, dat hij zijn ouden leermeester niet meer wil kennen—dat is een aardje naar de oude barones.”
“Gij zijt niet de eenige, die u daarover te beklagen hebt,” zeide de gastvrouw. “Hier is hij ook niet geweest. Maar Nelly komt wel bij ons.”
“Een allerliefst meisje,” sprak de predikantsvrouw.
“Precies haar grootvader,” riep tante, “dat was een man! Maar wien de Heer lief heeft, dien zendt Hij dikwijls bitter lijden.”
“Hij leefde zeer ongelukkig met zijne vrouw, niet waar?” vroeg Rosine.
“O, waar die komt, treedt het ongeluk ook binnen; zij heeft niet alleen haar eigene familie te gronde gericht, ook anderen heeft zij kommer en zorg berokkend.”
“Ja, zij moet dol hebben huisgehouden,” sprak de geestelijke: “tusschenbeide hoort men er nog over spreken door de dorpelingen.”
“Mijne familie kan daar ook van meepraten, nietwaar, tante?” vroeg de heer des huizes.
“Dat weet de Almachtige!” riep de oude vrouw. “Hoevele tranen heeft deze vrouw doen storten! Maar God heeft ze alle geteld,” snikte zij, terwijl zij haastig opstond en de kamer verliet.
“Het kan geen kwaad,” meende zij, haar kamertje binnentredende, terwijl zij nog eens nadacht over ’t geen haar bekommerde, “het kan geen kwaad, als ik Lise die geschiedenis vertel; het werd haar dan misschien duidelijk, hoe zij daarboven zijn.”
Toen stond zij op, zocht een sleutel, ging zachtjes de trap op en ontsloot de deur van Lisette’s kamer.
Het was een klein vertrek, en in het schemerlicht kon men ternauwernood de eenvoudige meubels onderscheiden. Tusschen de ramen stond eene commode met blinkend koper beslag, daarboven hing een spiegel in een gesneden lijst gevat; een smal ledikant, groen geverfd en met een ruwen slinger van rozen beschilderd; daar vóór een klein tafeltje op drie pooten, terwijl tegenover het bed een klein kruisbeeld hing, onder een bont gekleurde plaat, een meisje voorstellende, met een duif op de hand. Tusschen bed en venster was een linnenkastje van donkerkleurig hout geplaatst, en voor het andere raam stond een klein werktafeltje, met een stoel er voor. Onder den spiegel hing een krans van verwelkte, blauwe bloemen, die sterk afstak bij den frisschen, geurigen bloemruiker in de ouderwetsche vaas op de commode. Telken jare als de vlier bloeide, bracht Marie die hier; de vroegere bewoonster had die bloesems liefgehad. Die tijd van het jaar wekte altijd een smartelijke herinnering in het hart der oude.
Zoo zat zij dezen avond weder in het kamertje der schoone Lisette, en voor haar geest mengden zich het verleden en heden dooreen; het was haar, alsof zij weder het frissche, jonge meisje was, en de slanke gestalte harer vriendin daar vóór het venster stond en met haar schoone oogen smachtend op den zuidelijken slottoren staarde. “Hij komt, Marie; hij komt—ik heb het licht gezien,” had zij toenmaals dikwijls geroepen, waarop zij dan naar beneden gingen, in den tuin, en daar in het donkere priëel van jasmijn had een gelukkig minnend paar gezeten, in alle eer en deugd—-
En toen?
Toen lag zij op dit bed, de schoone gestalte, gebogen onder den last des jammers, met doodsbleeke wangen en de blauwe oogen schitterende van koortshitte.
“Is het niet genoeg, éénmaal zulk lijden te moeten aanzien? O God, bewaar mijn lieveling, mijne Lise!” bad zij, de handen in den schoot gevouwen, met oogen vol tranen.
Op eens vatten een paar kleine handen de hare; een zachte wang legde zich tegen haar gelaat, en toen zij opzag, schouwde zij in een paar diepe, blauwe oogen, en een zachte stem vroeg: “waarom schreit gij, tante, zijt gij nog steeds boos op mij?”
De oude vrouw antwoordde niet terstond; het was haar op dit oogenblik, als zag zij een liefelijke verschijning; daarop vroeg zij: “Wat komt gij hier doen, Lise?”
“Och, tante! ik zocht u beneden in uwe kamer; zij praten binnen zooveel over een baron Frits en mijne oudtante Lisette; nu wilde ik u vragen, mij iets van hen te vertellen, en daarom ben ik hier gekomen.”
“Dan komt gij juist van pas, Lise! Laat hen daar beneden maar praten. Niemand weet het zoo goed als ik; want ik heb het zelf beleefd; wel had ik gewenscht, dat het u nog lang onbekend zou blijven, hoe erg het soms in de wereld toegaat, maar het is beter voor u—kom, ga zitten!”
Het jonge meisje gehoorzaamde, nadat zij schuw de kamer, in welke zij als klein kind slechts ééns een blik had geworpen, had rondgezien, en de oude vrouw, de handen weder vouwende, maakte zich gereed te spreken. Toch bleef zij stom en zag verlegen voor zich. Zou zij het jonge wezen de droevige geschiedenis verhalen en haat en wantrouwen in haar reine ziel storten? Het meisje, dat in stomme verwachting naast haar zat, was immers nog bijna een kind; zij zou Army wel spoedig vergeten—neen, zij mocht deze droevige geschiedenis niet verhalen. En toch—als deze zich nog eens herhaalde, en zij had haar lieveling niet gewaarschuwd!
“Doe eerst het raam open, Lise!” zeide zij: “de lucht is hier drukkend.”
Het meisje opende beide vensters; de regen had opgehouden; van de boomen vielen slechts nog enkele droppels en de frissche lucht, het gevolg van den regen, vervulde het vertrekje.
“Lise,” klonk het halfluid, “Lise, gij—mij dunkt het is beter dat gij niet zoo dikwijls meer naar Nelly gaat—naderhand, meen ik; later, als Army weer te huis is, en de nicht,” voegde zij er vergoelijkend bij, toen Liesje haar verrast aanzag. “Zie, het is niet—ik denk—ik—” zij stamelde en zweeg.
“Daar nu maar niet over, tante; vertel liever van Lisette?” vleide het meisje, bevreesd voor het oude thema.
“Wat ik van Lisette wilde vertellen,” riep de oude vrouw heftig, “dit zeg ik, dat zij het liefste schepsel op Gods geheelen aardbodem was, en dat zij sterven moest, alleen omdat—omdat—-Hoor, Lise, als ooit iemand iets in uwe oudtante te berispen heeft, spreek het tegen; want er heeft nooit reiner hart geleefd, maar er is er ook nooit één geweest, dat zoo schandelijk gebroken werd—”
Zij zweeg een poos.
“Ga niet meer naar het slot, Lise,” voer zij voort; “zie, ik kan u alles niet zeggen wat geschied is; het wil niet over mijne lippen komen; later zult gij alles vernemen; maar geloof mij, het gaat niet goed, de oude barones—de—-”
“Heeft die iets met de geschiedenis van tante Lisette uit te staan?” vroeg het meisje. “Zeg het mij, tante, bid ik u!”
“Ik zeg ja noch neen, Lise,” antwoordde zij; “maar dit zeg ik,” en hare stem klonk ernstig, “wij zijn nog niet aan het einde, en ging het haar nog slechter op de wereld dan tot nu, en al kwam zij als bedelares hier voor ons huis, ik joeg haar weg, want waar zij komt, brengt zij vloek, en ik hoop het haar nog eens in het gezicht te kunnen zeggen, dat zij eene—”
“Tante!” riep Liesje, zoo angstig en luid, dat de oude vrouw verschrikt ophield.
“Het is goed,” mompelde zij. “Ik zal niets meer zeggen. Maar gij moogt niet zoo ongelukkig worden als Lisette. Ik zou het niet kunnen overleven, wanneer—-O, mijn God, kind! ik wilde u niet bedroeven. Ik wilde u slechts waarschuwen, Liesje,” vervolgde zij en trok het snikkende meisje aan hare borst.—“Gij zult uwe vriendin niet verliezen, om alles ter wereld niet; maar zie, als iemand jong is, komen er soms allerlei dwaze gedachten——Liesje, kind,” fluisterde zij angstig, “zeg, gij zijt toch overtuigd, dat ik het goed meen?”
Liesje knikte: “Ja, ik weet, gij meent het goed, tante! maar—-” Zij zweeg, zij was zoo droef te moede, als nooit te voren—-
Beneden in de huiskamer zaten ze ook nog en spraken over oude tijden; over de schoone Lisette en baron Frits; toen stond de kleine predikantsvrouw op, en zong met haar lieve stem een eenvoudig lied:
Bij ’t graf staat een linde en die welft er zich over; De vogels en ’t windeken fluiten door ’t loover, Er zit aan zijn voet—of het feestavond was— Een knaap met zijn liefje, in ’t donzige gras; Het windeken waait er zoo koud en zoo pijnend, De vogels, die zingen zoo zacht en zoo kwijnend, En beide gelieven, zij worden dra stom, Zij weenen, en geen van de twee weet waarom!
“Waar is onze Lise toch,” vroeg zij daarop, “zij moet ook eens wat zingen.”
En Lise zat nog immer boven bij hare tante; en toen zij naar het gezang beneden luisterde, begon zij ook te weenen—zonder zelve te weten waarom. Het was, als dook een nevel voor hare oogen op, waarin twee lachende kindergezichten meer en meer verdwenen; deze werd hoe langer zoo dikker, tot ze een hoogen muur vormde en daarvóór stond de trotsche, schoone burchtvrouw uit de familiezaal daarboven, met de wondervolle zwarte oogen en het blauw zijden gewaad, haar met de handen afwijzende: “Wat wilt gij hier? Gij behoort niet bij ons. Gij zijt lompenmolenaars Lise; keer terug, anders moet gij sterven. Denk aan Lisette, de schoone Lisette en—-”
Haastig sprong zij op en ijlde naar haar kamer, waar zij zich op het bed wierp, en bittere tranen weende om iets, wat haar nu eerst duidelijk was geworden, en waarvan het verlies haar het leven zoo ledig, zoo treurig deed voorkomen.
Marie stond aan hare deur en luisterde naar het bange snikken daar binnen.
“Mijn God,” fluisterde zij, “ik had wel goed gezien; zij heeft hem lief, dien Army; mocht ik haar nog tijdig genoeg gewaarschuwd hebben! Beter nu geschreid, dan later. Arm kind! ja—zulk een eerste liefde maakt immers zoo gelukkig—”
En beneden vertrokken juist de gasten; zij verstond duidelijk de woorden, bij het afscheid gesproken:
“Ja, ja, Bernard, zoo gaat het in de wereld!” sprak de predikant; “het leven baart vreugde en smart—nu, als wij eens als oude luidjes over het verledene spreken, zal het hoop ik niet zoo droevig luiden, als het verhaal van heden avond, en wij kunnen dan zeggen: Ziet kinderen, het is ons beter gegaan dan wij verdienden; wel, Bernard, ik zie u waarlijk al grootpapa, en Lise naast een flinken man op den molen. Nu, God behoede u! tot weerziens met Pinksteren, den tweeden feestdag—den derden komt gij bij ons, nietwaar Rosina! Goeden nacht! Groet Liesje en tante van ons.” Het werd stil in huis, slechts in Liesjes kamer had het bitter weenen nog niet opgehouden, en eerst laat ging de oude vrouw de trappen af naar haar eigen klein vertrek. “Zij slaapt,” mompelde zij, “God geve haar een vroolijk ontwaken, en mettertijd veel liefde en zegen! Zij is immers nog zóó jong, zóó jong, en het leven is zoo zwaar en lang, voor velen, ja—voor de meesten!