← Table of contents
Liesje van den Lompenmolen

Achttiende Hoofdstuk.

Reading edition

Den volgenden morgen ging Army naar den molen; zijn aanstaande schoonvader wenschte een onderhoud met hem. Liesje zag hij niet; tante, die uit de keuken kwam, en de kamerdeur voor hem opende, antwoordde op zijne vragen, dat het jonge meisje nog sliep; een weinig rust zou wel noodig zijn en goeddoen, als men den geheelen nacht geweend had.

Een donkere schaduw lag op zijn gelaat, toen hij de kamer zijns schoonvaders binnentrad; hij had verlangd Liesje te zien, na den vorigen avond, en de gedachte, dat zij den ganschen nacht geweend had, lag hem zwaar op het hart. Hij moest eenige oogenblikken wachten. De heer Erving was boven in het kantoor; onwillekeurig sloeg hij zijne blikken in het rond; het was een gezellig vertrek, met donkere tapijten, groene meubels en gordijnen; op een groote schrijftafel stond een portret; het was eene photographie van Liesje uit hare kinderjaren; het lieve gezichtje zag er recht schalksch uit. Hij hield de beeltenis omhoog, om het beter te zien, en had het nog in de hand, toen de heer Erving binnentrad.

Op het gelaat van den statigen man lag eene uitdrukking, die men er anders niet op vond, van zorg en spanning; hij had zeker dien nacht weinig geslapen. “Vergeef mij, dat ik u liet wachten!” begon hij het gesprek en reikte den jonkman zijn hand. “Ga zitten,” vervolgde hij, “en laat ons dadelijk tot onze zaken overgaan!—Ik zal niet veel onnoodige woorden gebruiken,” ging hij voort en schoof een stoel voor zich bij de tafel. “Vooreerst denk ik, reizen wij te zamen naar uw garnizoen, om daar de zaken te regelen; dan dient gij uw ontslag uit den dienst in—Gij kunt het mij niet kwalijk nemen, dat ik dit zoo bepaald verlang! zij is mijn eenig kind”—zijne stem beefde bij deze woorden—“en ik wil haar ten minste in mijne nabijheid, onder mijne bescherming houden.”

Army boog toestemmend, maar het bloed steeg hem gloeiend heet naar de wangen.

“Ik verlang niets onredelijks,” voer de andere voort; “gij weet, dat mijne familie in vroegere jaren van de uwe een aanzienlijk deel der omliggende landerijen gekocht heeft. Nu is Liesje ons eenig kind, en ik heb met mijne vrouw overlegd, dat het het beste zou zijn, dat gij weder werdt, wat uwe voorouders waren, heer van Derenberg. Ik heb heden morgen vroeg reeds aan Hellwig geschreven, hoe de zaken staan, en hem tot eene samenkomst te S. uitgenoodigd, hoofdzakelijk met het doel, om te beproeven, hoeveel wij van de landerijen van uw erfgoed, die bovendien niet in goede handen zijn, weder machtig kunnen worden, om ze dan weder tot één geheel te vereenigen; zooals wij hopen, zal het met het meerendeel gelukken. Van u verwacht ik daarvoor, dat gij u—-” hij hield plotseling op, trad naar de schrijftafel en zocht tusschen zijne papieren.

“Ik heb niet lichtvaardig mijne toestemming gegeven,” wendde hij zich weder tot den jongen man, en zijne stem klonk week en zacht, “want ik vrees, dat mijne dochter vele vernederingen tegemoet gaat; maar zij wilde niet anders.—Ik ken u eigenlijk alleen uit uw jeugd, want als jongeling hebt gij mijn huis niet weer betreden, maar het weinige, dat ik van u weet, is niet van dien aard, om u onvoorwaardelijk mijn vertrouwen te schenken. Gij hebt tot nu toe getrouw de voetstappen uwer grootmoeder gevolgd, die in menschen van mijn stand zeer ondergeschikte wezens ziet; uwe voorouders—ik weet het—dachten anders. Ik heb u thans het liefste gegeven, dat wij, mijne ziekelijke vrouw en ik, op de gansche wereld bezitten, en daarvoor eisch ik, dat gij mijn kind zult beschermen en in eere houden; ik wil niet, dat zij door uwe grootmoeder zóó behandeld zal worden als uwe ongelukkige moeder; deze belofte kan ik van u verlangen, en gij zult mij die nu geven; zoodra ik tranen in het oog mijns kinds zie, stel ik u daarvoor verantwoordelijk. Kunt gij mij beloven alles te doen, om mijn kind voor den hoogmoed dier vrouw te behoeden?”

Hij hield hem de hand toe. Het liefst was Army den man om den hals gevallen; Derenberg zou hem weder toebehooren, zijn schoonste droom verwezenlijkt worden! En toch lag er een drukkende last op zijne blijdschap.

“Het zal Liesje nimmer berouwen, dat zij mij van een donkere toekomst redde,” antwoordde hij, toen zijne hand in die van Erving lag; “ik zal weten haar te beschermen in ieder opzicht—ook voor mijne grootmoeder; ik moet dadelijk naar haar toe.”

Een snelle, onderzoekende blik van Erving gleed over het gelaat van den jongen man vóór hem; hij scheen kalm, alleen zijne oogen fonkelden. “Laat u niet door drift vervoeren!” vermaande de oudere man, en lag de hand op Army’s schouder, “zij is en blijft de moeder uws vaders en den ouderdom moet men eeren. Ik verlang niets anders, dan dat zij mijn kind geen kwaad doet, voor ’t overige mag zij handelen, zooals zij wil. Dus bedaard, Army, hoort gij wel? Zij is een oude vrouw.”

Het was de eerste maal, dat hij den jongen officier bij zijn voornaam aansprak. Diep geroerd zag deze tot hem op; dàt was de man, van wien hij eenmaal in dwazen trots gezegd had, dat hij niet onder zijn dak kon verkeeren, en nu zorgde hij voor hem als een vader! Hem dankte hij nu alles, alles, zijn geheele toekomst.

“Ga nu, Army!” vermaande hij, toen deze zijn hand greep en zwijgend drukte, “en heden namiddag vertrekken wij. Ga—en nog eens—bedaard!”

Hij ging als in een droom; boven aan het einde der allée dook reeds het slot op en het prachtige met wapens getooide bordes. Één oogenblik rustte zijn blik daarop; hij gevoelde zich heden zoo nietig, zoo ellendig. Hij richtte het hoofd op, en een trek van vastberadenheid lag op zijn gelaat, toen hij de trap opging, die naar de kamer zijner grootmoeder voerde. Daar kwam Nelly hem tegemoet loopen; hare oogen schitterden als zonneschijn.

“Hoe maakt het Liesje, Army?” vroeg zij, en sloeg de beide armen om zijn hals. Hij zag haar in het lachende, gelaat.

“Wilt gij mij een genoegen doen, kleine?” vroeg hij, en streek haar de lokken van het voorhoofd. Zij knikte haastig.

“Ga dan naar haar toe—ja? Maar spoedig, aanstonds, en zeg haar dat ik haar laat groeten, en zij niet meer moet weenen; ik laat haar dit dringend verzoeken—hoort gij?” Hij maakte driftig hare handen los en keerde zich om; toen hij een verbaasde, vragende uitdrukking op haar gelaat las, riep hij haar toe: “Ga toch spoedig, en blijf wat bij haar. Ik moet nu met grootmama spreken.”

In de gang sloop Sanna hem voorbij, haar groet was eenigszins snibbig.

“Kan ik grootmama nu spreken?” vroeg hij.

“Ik was reeds tweemaal in uw kamer, heer baron,” antwoordde zij, “mevrouw uwe grootmama wacht met ongeduld.”

Hij ging haar schielijk voorbij en trad binnen. De oude dame zat op hare gewone plaats bij den haard: zij knikte vluchtig met het hoofd en wees op een stoel. “Gij hebt mij lang laten wachten,” sprak zij.

“Ik had een noodzakelijk onderhoud met mijn aanstaanden schoonvader,” antwoordde hij, plaats nemende, “hij was zoo goed, mij de plannen voor onze toekomst mede te doelen.”

“De proef is dus toch gelukt?” vroeg zij, zijn eigene woorden gebruikende. “Nu, in ieder geval hebt gij nog geene ringen gewisseld; er kan dus nog over de zaak gesproken worden.” Hij maakte een ongeduldige beweging. “Gij veroorlooft toch, dat ik nog een paar woorden spreek?” vroeg zij.

Army maakte een lichte buiging en plotseling viel zijn oog op een brief, dien de tengere vingers zijner grootmoeder vasthielden; hij kende dat stevige, roomkleurige papier, en op eens vloog het bloed hem gloeiend heet naar het hart.

“Vooreerst,” begon de oude dame en nam van het nevens haar staand tafeltje een tweeden brief, “is hier een zeer minzaam schrijven van den hertog; hij wenscht uwe omstandigheden te leeren kennen, en belooft mij, in ieder opzicht uwe belangen te zullen bevorderen; dat is eene belofte, waarvan gij den omvang, naar ik hoop, op prijs zult weten te stellen; uwe plaats als officier is verzekerd, uwe carrière buiten allen twijfel.” Zij zag hem uitvorschend aan. “Mijn raad is deze, gij maakt een einde aan die belachelijke comedie daar beneden in den molen en vertrekt dadelijk naar S.”

“Grootmama,” antwoordde hij bedaard, “dat kan u onmogelijk ernst zijn.”

“Dat is het—in waarheid,” verzekerde zij, “gij hebt hals over kop de laagste betrekkingen aangeknoopt, en ik wil u daarvoor andere geven, meer overeenkomstig uwen stand.”

“Meer overeenkomstig mijn stand?” vroeg hij, “dat zal bezwaarlijk zijn; de betrekkingen, die ik aanvaard, zijn de beste die er zijn.”

“Misschien compagnon van mijnheer uw schoonvader—lompenmolenaar numero twee! nietwaar?”

“Ik bid u, grootmama, laat ons van dat onderwerp afstappen! Ik zal nimmer mijn woord terugnemen, zelfs niet, wanneer uw voorstel mij kon verleiden—zoo veel te minder echter, nu ik geen lust gevoel terug te treden.”

“Dan verlaat ik het huis!” riep zij toornig, “nog voordat uwe vrouw er den voet inzet.”

“Dat zou mij spijten, grootmama. Gij kunt met een weinig vriendelijkheid zooveel goed maken; trouwens wanneer gij—”

“Het is toch beter, dat ik ga, meent gij?” vroeg zij. “Goed, Army, dat wil ik ook, ziehier, dit is een uitkomst.”

Zij hield hem het roomkleurige briefje onder de oogen; hij herkende de sierlijke hand zijner trouwelooze bruid; onwillekeurig trad hij terug. “Blanka?” vroeg hij toonloos; “schrijft zij u?”

“Weet gij, wat zij mij schrijft? Zij verzoekt mij, haar op eene reis naar Italië te begeleiden, omdat de overste door dienstplichten verhinderd wordt, mede te gaan. Het liefste zou ik haar dit vod met de vleiendste woorden in het aangezicht smijten, maar onder deze omstandigheden is er geen anderen uitweg; ik neem haar aanbod aan.”

“Gij wilt—gij kunt dat? Kunt gij tot haar gaan, die mij bedrogen heeft, grootmama?” vroeg de jonge man en greep hare hand.

“Mij blijft niets anders over; ik wil met die lieden daar beneden geene gemeenschap hebben; ik wil het niet, en ik doe het niet,” hield zij vol.

“Dan is het zeker beter dat gij gaat,” sprak hij zacht en keerde zich om.

“Dat is dan de dank voor al mijne liefde! Dat is de vervulling aller verwachtingen, die ik op u gebouwd heb!” bracht zij uit. “Incredibile! Als ik mij u voorstel, daar beneden in het kantoor op den stoel uws schoonvaders!” vervolgde zij in één adem, “schrijvende, of de boeken houdende, gij, die het vooruitzicht op een schitterende loopbaan zoo onzinnig verwerpt!”

“Ik had tevreden moeten zijn, zoo mijn schoonvader mij den kantoorstoel had aangewezen, maar hij heeft het beter met mij gemaakt; Liesje brengt als bruidschat onze oude familiegoederen mede, ik zal weder heer op Derenberg wezen.”

Hij had langzaam gesproken en op ieder woord gedrukt.

Zij keerde zich met één ruk om; haar groote oogen zagen hem verbaasd aan, als geloofde zij zijne woorden niet. “Duur genoeg betaald!” bracht zij met moeite uit.

“Hoe zoo?”

“Omdat gij voor uw leven aan eene vrouw geketend zult zijn, die uws gelijken met den nek zal aanzien, en eindelijk, die gij niet liefhebt, niet kunt liefhebben!”

“Wie zegt u dat?” vroeg hij, en een fijn lachje speelde om zijn mond, “zou het laatste zoo onmogelijk zijn? Mij dacht, gij weet het tegendeel uit ondervinding. Denk slechts aan mijn gestorven oudoom Frits en de schoone Lisette!—”

De oude dame antwoordde niet; met een driftig gebaar ging zij weder in den leunstoel zitten, en hare vingers verkreukelden Blanka’s brief; maar haar gelaat was wit geworden, zoo wit, als de strooken harer muts.

“Mijn zwager heeft er nimmer aan gedacht, dat meisje te trouwen,” sprak zij eindelijk, “daarin moet ik hem verdedigen; het was een minnarij, zooals heeren die bij dozijnen plegen te hebben; de bekendheid met deze geschiedenis moest u juist van de onzinnige gedachte terughouden, een meisje uit dat huis tot uwe vrouw te maken!”

“O, toch niet, integendeel! Als iets mij nog in mijn besluit konde versterken, dan zou het dit zijn, dat ik daarmede een gedeelte van hetgeen zinnelooze hoogmoed en onedele wraak eens misdeden, vergoeden zou.”

“Deze duistere toespelingen zijn mij geheel onbegrijpelijk,” viel zij hem in de rede, en stond driftig op; “de broeder uws grootvaders was een mensch, die geene zelfbeheersching bezat, die een los, lichtzinnig leven leidde—hij is gestorven, God weet waar? Hij was een huichelaar, die zijn lichtzinnige gedachten, onder het masker van een rechtschapen, achtenswaardig uiterlijk, voortreffelijk wist te verbergen; het spijt mij, dat gij u eene legende op den mouw hebt laten spellen, waarin deze zedeprekende huzaren-officier met die Lisette de rol van heilige vervult.—Maar juist daarom, wijl reeds eenmaal zulke onpassende betrekkingen aangeknoopt werden tusschen ons en hen daar beneden, betrekkingen die—Gode zij dank!—door een verstandige bemoeiing verbroken werden, juist dáárom, herhaal ik u, zal ik nooit of nimmer het meisje als uwe bruid beschouwen, nooit of nimmer haar mijne hand reiken; en volhardt gij bij uw voornemen—goed, dan ga ik—ik weet nu waarheen—” zij hief Blanka’s brief omhoog; “en hoewel het mij zwaar valt, dezen stap te doen bij haar, die u bedroog, ik verkies dit boven het vooruitzicht met deze persoon in hetzelfde huis te leven.”

Haar lippen beefden, en haar oogen fonkelden van toorn.

“Goed, ga dan, grootmama! Het doet mij leed, dat de zaken zoo loopen. Maar gij zoudt het volste recht hebben te zeggen, dat ik geen man ben, slechts een verwijfde droomer, wien het weinigje ongeluk de armen verlamd heeft—wanneer ik mijn besluit veranderde; als man van eer kan ik het niet; ik wil het niet, omdat ik niet zoo dwaas zijn zal, een gansche gelukkige toekomst van mij te werpen.”

“Gijzelf beveelt mij dus te gaan?” vroeg de oude dame ademloos.

“O neen, grootmama; het liefste zag ik, dat gij in mijn huis uw verder leven vreedzaam doorbracht, maar daar gij mij de keuze laat: gij of zij—zeg ik van ganscher harte: “mijne bruid!””

Hij had luid gesproken, en zijne woorden klonken oprecht gemeend.

“Goed,” antwoordde zij, “ik ga; en wanneer gij ook op uwe knieën voor mij laagt, en gij allen te zamen mij handenwringend smeektet om te blijven, ik zou toch gaan. Het is schandelijk; het is ongehoord—” zij trok met bevende haast aan de scheldkoord en begon onderscheiden laadjes van haar schrijftafel open te trekken: brieven, kistje, kleine doosjes vlogen er verward door elkander uit.

“Mijne reiskoffers,” beval zij der binnentredende Sanna: “pak uw goed ook. Wij vertrekken.”

Op dit oogenblik vloog een klein, blinkend voorwerp over het tapijt en bleef voor Army’s voeten liggen; hij nam het op en beschouwde het—het was een klein gouden hart, bekrast en dof, waarop de letters L. E. waren gegraveerd. Hij staarde er langen tijd op; het was hem onmogelijk een woord te spreken; hij ging naar haar toe, en hield haar het kleine, gouden hartje voor. Zij vestigde haar oogen er op; toen greep zij opeens het blad van de tafel, om zich vast te houden; het rood week uit hare wangen, en een vale bleekheid verspreidde zich over haar gelaat. Geen geluid verbrak de stilte; alleen de kleine beeldjes op de schrijftafel stootten zacht tegen elkander, zóó zwaar leunde de bevende barones er op.

“Ik heb geen recht, u verwijten te doen,” sprak hij ten laatste, en trok de hand, die het kleine voorwerp vasthield, terug. “Gij zijt de moeder mijns vaders, en—het zou ook nutteloos zijn. Maar ik zal dubbele moeite doen, aan mijne bruid te vergoeden, wat gij eens misdaan hebt aan een jong, beminnelijk schepsel; God geve, dat het mij moge gelukken!” Hij keerde zich om en wilde heengaan.

Daar trad Sanna hem in den weg.

“Wat wilt gij van mijne meesteres?” riep zij, “ik heb het gouden amulet den baron Frits ontnomen; ik alleen deed het. Mijne signora is onschuldig. Jaag mij weg, mijnheer, maar ontneem haar niet haar tehuis, de eenige plaats, waar zij haar hoofd kan nederleggen!” De oude meid was op den vloer gegleden en strekte smeekend de handen naar hem uit; in hare koude, grauwe oogen blonk een traan.

“Ik zend uwe gebiedster niet weg,” zeide Army, geroerd door de trouw van het oude, hardvochtige schepsel, “integendeel,—”

“Sta op!” beval de barones toornig, “en doe, wat ik u bevolen heb—geen woord meer. Ik vertrek nog heden!”

“Misericordia!” snikte de oude in haar doodsangst, en greep de plooien van het zwarte kleed harer meesteres; “laat mij medegaan, signora Eleonora! Ik sterf zonder u.”

Hij zag droevig naar de gebiedende gestalte, die daar midden in het vertrek stond, het hoofd trotsch in den nek geworpen; scherp en vijandig blikten de zwarte oogen hem aan, als stond een vreemde bedelaar voor haar, dien zij de deur wilde wijzen. Hij had haar altijd zoo liefgehad, zoo bewonderd, zijne schoone grootmoeder; zelfs thans, nu de nimbus, met welke zijn hart haar eens omgaf, geweken was, zelfs nu zegepraalde deze liefde; hij vergat haar heerschzucht, hare hardheid; hij zag slechts de trotsche, bevelende vrouw, die hem eenmaal met afgodische teederheid opvoedde. “Grootmama!” smeekte hij, en trad eene schrede nader, “laat vergeten zijn, wat eens gebeurd is! Ik geef u de hand er op, niets zal u hier aan het verleden herinneren—”

“Ga!” sprak zij kortaf, en wenkte hem met de hand op hare bevallige manier ten afscheidsgroet; “ga! Ik wil alleen zijn; ik heb nog veel te regelen.”

Hij trad op haar toe. “Vaarwel!” zeide hij, “en zoo gij ooit heimwee gevoelt, kom dan! Gij zult—”

“Adieu!” viel zij hem in de rede, en onttrok hem de hand, die hij aan zijne lippen wilde brengen. “Gij hebt gekozen.” Zij keerde hem den rug toe.

“O, de vloek! de vloek! O, mio dio!” snikte de oude dienstmaagd, die nog altijd handenwringend op den vloer geknield lag.

“Gekken!” hoorde hij zijne grootmoeder zeggen; toen viel de deur tusschen hem en haar in het slot.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings