Negende Hoofdstuk.
Reading edition
De zomer was voorbij gegaan en de herfst begon het loof der bosschen bont te kleuren; een kristalheldere blauwe hemel welfde zich over de aarde; in de lindenbaan van het slotpark lagen de eerste verdorde bladeren op den grond, en in Ervings tuin bloeiden de asters en dahlia’s in bonte kleurenpracht. Over de wijnstokken waren netten gespannen, om de snoeplustige musschen te weren; uit het loof der ooftboomen keken de rijpe, goudgele vruchten met roodgekleurde wangen naar buiten, slechts wachtende om geplukt te worden.
In den molen was alles zijn gewonen gang gegaan; hoe spoedig was die zomer voorbij, en nu verheugde men zich weder in het vooruitzicht van de lange winteravonden bij de warme kachel. De lieden in den molen verheugden zich trouwens ook nog op iets anders: zij wisten immers allen, zoowel de arbeiders in de fabriek, als Mina en Doortje in de keuken en Peter in den stal, dat er spoedig eene bruid in huis zou komen; voor hen, die oogen hadden om te zien, was het zonneklaar, dat de heer Selldorf en “onze Lise” een paar zouden worden. De flinke, blonde man blonk immers de liefde zoo duidelijk uit de eerlijke, heldere oogen, en met niemand ging de heer des huizes zoo vertrouwelijk en hartelijk om, en geen zijner collega’s ontving zulke vriendelijke blikken van Liesjes moeder, als hij. Zelfs tante knikte hem steeds zoo welwillend toe, en als er beneden in de keuken over hem gesproken werd, zeide zij altijd: “een flink mensch, die Selldorf!”
Alleen Liesje scheen van dat alles niets te merken; wel was zij altijd vriendelijk en aardig jegens den leerling haars vaders en zette de groote struiken vergeet-mij-niet, die hij haar nu en dan medebracht, dadelijk in schoon water, maar overigens kon niemand iets van de liefde bespeuren, welke men volstrekt wilde dat zij hem zou toedragen, welke moeite Mina en Doortje zich daartoe ook gaven.
“Zij houdt zich maar zoo,” meende de laatste, “dat is zoo de mode bij de voorname lui, maar van binnen is het anders gesteld, nietwaar, tante?”
“Die veel praten, liegen veel!” had deze geantwoord; “bekommer u niet om Lise, maar blijf bij uw potten en pannen! Bruiloft zullen wij wel eenmaal in huis vieren. Wie echter de bruidegom zijn zal, weet God alleen; wij kunnen niet in de toekomst zien, en daarom, houdt uw mond over zaken, die u niet aangaan. Maar gij denkt nergens anders over, dan over vrijers en trouwen. Lise weet zeer goed:
“Bij vrijen, als bij paarden koopen, Meisje, doe uw oogen open!”
De oude had hierbij ernstig met het hoofd geknikt.
Maar, hoeveel ingang hare woorden anders ook vonden, nu gingen zij het eene oor in, en het andere uit; zij wisten het immers veel te goed, dat de heer Selldorf zin aan de juffer had; de tijd zou het leeren, wie gelijk had.
Ondertusschen bracht tante met haar gewonen ijver den wintervoorraad in kelder en provisiekamer en Liesje moest overal bij zijn en aan alles helpen, “want zie, mijn liefje, het is voor de aanstaande huishouding,” zeide de oude vrouw.
Dezen middag werd er aan de oude noteboomen geweldig geschud en getrokken, bladeren en vruchten vielen op den grond, waarover een groot laken gespreid lag; Peter en Christoffel sloegen met lange stokken onbarmhartig in de takken, en drie of vier kinderen kropen en tuimelden over elkander in de drukte van het oprapen.
Liesje, die Nelly bij zich had, had juist de plaats en de kinderen verlaten en nu stonden de jonge meisjes in het zomerhuisje voor het huis, bij de steenen tafel, waarover de oude vrouw een helder wit tafellaken legde, en wachtten zwijgend, tot zij het koffieblad van de bank en op de tafel gezet had.
“Nietwaar, tante, gij drinkt hier buiten bij ons koffie?” vroeg Liesje.
“Dat kan ik wel doen; in de huiskamer is ook bezoek,” antwoordde zij; en naast Nelly plaats nemende, verzocht zij Liesje een kopje voor haar te halen. “Zoo vlijtig?” vroeg zij, toen het meisje naast haar uit een korfje een handwerk te voorschijn haalde en ijverig begon te werken.
“Een huwelijksgeschenk voor Army!” antwoordde zij vriendelijk.
“Lieve God, hij is toch nog erg jong,” sprak de oude vrouw, terwijl zij het gevulde kopje dankend van Liesje aannam. “Het heugt mij nog als gister, dat hij over de brug kwam aanloopen in zijn zwart kieltje.”
Nelly knikte; Liesje echter zag onwillekeurig naar de brug, waaronder het water helder en haastig heenliep.
“Wie is daar binnen bij vader?” vroeg zij met een bedrukte stem, alsof zij het gesprek op iets anders wilde brengen; tegelijkertijd lachte zij hare moeder tegen, wier gelaat een oogenblik aan het venster zichtbaar werd.
“Een vreemd heer,—ik ken hem niet,” antwoordde tante; daarop zette zij plotseling haar kopje neer, schoof haar bril iets lager en zag daarover heen naar den weg aan de overzij van het water. “Heilige God,” zeide zij, “was dat Sanna niet, Nelly, die daar onder de boomen liep? Zij is nu achter die elze- en wilgeboomen—ik heb haar in langen tijd niet gezien, maar het scheen mij haar gang toe. Ziet gij, waarlijk zij is het,” en zij wees op de groote vrouw, die met het, donker gewaad en wit voorschoot over de brug kwam.
“Sanna!” riep Nelly, en sprong op, “mijn God, wat is er toch gebeurd?”
“Mevrouw de barones laat vragen,” klonk het met een vreemd accent uit den mond der oude dienstbode, “of de freule niet dadelijk bij haar wil komen.”
“Om Godswil, Sanna, wat is er voorgevallen?” vroeg het jonge meisje haastig, haar werk opbergende. “Moet ik bij mama komen of bij grootmama?”
“Natuurlijk bij grootmama,” antwoordde de oude, zonder Liesje of hare tante, die Nelly hielpen haar borduurwol in te pakken, met een blik te verwaardigen. “Uwe grootmoeder is zeer boos, dat gij niet te huis waart, zóó boos, dat ik maar aanstonds hier heen ben geloopen, omdat mevrouw uwe moeder meende, dat gij wel weder naar den molen gegaan zoudt zijn, en Hendrik had geen tijd; hij moest brieven naar de post brengen.”
“Zeg het toch, Sanna!” bad Nelly, en zag de magere vrouw angstig aan, “is er iemand ziek, of zijn er slechte tijdingen gekomen?”
“De oude barones heeft een brief met een doodbericht ontvangen,” antwoordde de oude en zag tante, die opgestaan was, met donkere blikken aan.
“Om Godswil!” riep Nelly en zag Sanna ontsteld aan; “het is Army toch niet? Sanna, lieve Sanna, gij weet het wel—zeg het toch! Ik bid u,” en zij liep naar haar toe en vatte smeekend hare beide handen.
Liesje ging echter op de steenen bank zitten; het was haar, alsof hare beenen haar niet langer wilden dragen; als onbewust, staarde zij met wijd geopende oogen op de groep.
“Ik weet het niet,” antwoordde schouderophalend de oude dienstbode, terwijl Nelly haar gelaat met de handen bedekte en nogmaals snikkend uitriep:
“Army! Almachtige God, zoo het Army eens ware!”
“Wees gerust, Nelly,” troostte tante haar nu, en sloot het weenende meisje in hare armen. “Uw broeder is het niet; dan zoude zij daar niet zoo rustig staan—ga gauw naar huis en wees getroost! Hij is het niet.”
“Och, tante!” snikte zij, “ik kan van angst niet op mijn beenen staan.”
“Schrei niet, genadige freule!” zeide nu ook de oude Sanna, sterk op de benaming “genadige freule” drukkende; “gravin Stontheim is overleden, maar de barones had mij verboden er hier in den molen over te spreken, daar zij alle gebabbel wil vermijden, en hier—” zij hield het overige voor zich, en wierp een uitdagenden blik op de tante, die nog altijd naast het weenende meisje stond.
“Nu,” merkte deze aan, “gij moogt het wel voor u houden, juffer Sanna; wat raakt het mij, of die tante dood is of niet. Maar daarom behoeft gij het arme kind niet zulk een schrik aan te jagen met uw doodsbericht, het was vroeg genoeg als zij het te huis vernam.”
“Ik heb met u niets te maken; ik doe slechts wat mijne meesteres mij beveelt,” antwoordde de oude dienstbode minachtend.
“O ja! dat weet ik nog van vroeger,” sprak tante, wie eensklaps het bloed naar de wangen vloog; zij zag hare vijandin doordringend aan.
“Ik ga een eind met uw mede, Nelly,” riep Liesje, als uit een droom ontwakende, en volgde haar vriendin, terwijl Sanna, als aan den grond genageld, staan bleef.
“Wat bedoelt gij toch?” vroeg zij, en zag tante met een blik aan, vol onverzoenlijken haat. Uit de houding van deze beide vrouwen was het duidelijk te zien, dat hier een oude, lang onderdrukte veete weder ontbrandde.
“Wat ik bedoel?” vroeg de oude tante, terwijl zij hare eerlijke oogen op de groote, donkere gestalte vestigde en eenige schreden nader trad, “wat ik bedoel? Ei, juffer Sanna, dat behoeft gij niet te vragen; ik zie het aan uw gelaat, dat gij het wel weet—het heeft u toch zeker dikwijls genoeg aan uw hoofdkussen getrokken en geplukt en u verhinderd te slapen in lange benauwde nachten, en heeft als een berg, die niet te verschuiven was, op uwe borst gelegen, al hebt gij ook honderd maal uw rozenkrans afgebeden en alle heiligen aangeroepen—dat was het geweten, juffer Sanna, en een kwaad geweten heeft wolfstanden; die bijten scherp en diep—”
“O misericordia!” riep Sanna en sloeg hare handen met een hartstochtelijk, toornig gebaar in elkander: “dat heb ik er nu voor, dat ik zelve hierheen ben geloopen; mevrouw de barones had wel gelijk, dat zij mij steeds verbood, mij met het plebaglio, het miserabile, in te laten.”
“Wat uwe barones zegt, is mij totaal onverschillig,” verklaarde tante, “en uwe Italiaansche scheldnamen kunt gij wel sparen; die versta ik niet; maar één ding moet ik u toch nog zeggen, juffer Sanna, nu het toeval ons te zamen brengt—ik heb er lang naar verlangd, het te kunnen doen; gij en uwe barones hebt eene zonde op uw geweten, die ten hemel schreit. Misschien meent gij, dat niemand er van weet; wellicht weet gij, dat er eene is die de oorzaak kent en weet, waardoor een jong, bloeiend leven in ’t graf moest nederdalen; ik zeg u echter, en gij kunt het aan uwe barones daar boven overbrengen: God is een tijd lankmoedig, maar niet eeuwig; Hij laat zich niet bespotten, en ik—ik, de oude tante uit den papiermolen—ik bid nog iederen avond den lieven God, dat hij mij den dag laat beleven, waarop ik uw trotsche meesteres in het gezicht kan zeggen, dat zij eene—”
“Cielo!” krijschte de Italiaansche en sloeg met de handen in de lucht, “het mensch is krankzinnig! Het verwondert mij, dat gij nog niet zegt, dat wij het hoogmoedige ding vermoord hebben.”
“Dat zou ik met het volste recht kunnen beweren,” hield de oude vol, “en als er geen hoogmoediger menschen waren dan zij, dan zou het beter wezen in de wereld.”
“Dat zou ik mij hier laten zeggen?” riep Sanna, rood van toorn, “wilt gij misschien ook beweren, dat wij haar vergeven of gewurgd hebben? Het was juffer Lisette’s eigen schuld, dat zij stierf; wat behoefde zij zich in te beelden, dat de baron haar zou trouwen! Waarom knoopte zij een vrijerij aan boven haar stand! Zulk een heer heeft honderd oogen en ziet meer dan één mooi meisje.”
“Wat?” riep nu de oude vrouw, en zette haastig het koffieblad, dat zij juist had opgenomen, weder neer—“wilt gij den baron Fritz nu ook nog belasteren? Die was beter dan de heele kliek daar boven bij elkaar”—zij wees naar het slot—“en zoo hij een lichtzinnig mensch is geworden, is dat ook uwe schuld. En wat het inbeelden betreft, onze zalig Lisette heeft zich niets ingebeeld; zij is de brave bruid van baron Fritz geweest, en zou, zoo waar als ik hier sta, zijne vrouw geworden zijn, hadden niet valsche, slechte menschen, erger dan roovers en moordenaars, hen van elkaar gerukt.”
Sanna lachte onbeschoft en spottend.
“Gelooft gij dat waarlijk? En ik zeg u: zoo zeker als zij lompenmolenaars Lisette was, zoo zeker is dáár boven geen plaats voor dergelijken.”
“Hoogmoed steekt altijd den staart buiten ’t nest,” antwoordde tante Marie minachtend; “ons geslacht is Goddank te braaf en te goed en past niet in zulk een zondige huishouding, als het toen daar boven was. De Derenbergs waren altijd lieden van goed allooi; die zat de adel niet alleen in het bloed, maar ook in het gemoed, en zoo was het goed, totdat—nu, gij weet, wat ik meen—in het graf zouden zij zich hebben omgekeerd, allen in den ouden grafkelder, zoo zij geweten hadden, hoe ver het nog komen zou met hunne trotsche naneven.”
“Tante! tante!” riep de vrouw des huizes met angstige stem uit het venster.
“Aanstonds, Mientje!” antwoordde zij en nam het koffieblad op; “ik kom al. Gij weet, wij oudjes praten gaarne over den ouden tijd, vooral als men elkander in zulk een langen tijd niet gezien heeft, als juffer Sanna en ik,” en dit zeggende ging zij in huis, zonder verder om te zien.
“Maar tante, om Godswil!” sprak Ervings vrouw verwijtend, toen de oude vrouw met een rood gelaat binnen kwam: “wat praat gij toch! Ik werd wezenlijk angstig, zoo boos zag die groote, sombere vrouw er uit—”
“Ik niet, Mientje, ik niet,” antwoordde de oude vrouw zegepralend, “het deed mij goed, dat ik eens uitspreken kon. Jarenlang heb ik daarop gewacht; soms vreesde ik al, dat ik sterven zou, zonder haar in het gezicht te hebben gezegd, welke groote zonden zij gedaan hebben, en nu vandaag—o, ik ben nog veel te zachtmoedig geweest, maar had ik het valsche wijf niet onder Gods vrijen hemel, maar op mijne kamer gehad, dan zoudt gij iets anders gehoord hebben, Mina—”
“Tante! tante! Mij is de wraak! Wat zoude onze dominé zeggen, als hij u nu hoorde!”
“Ik wil mij niet wreken,” sprak de oude vrouw zacht, “want op alle wraak volgt berouw! Maar geloof mij, toen ik haar daar zoo voor mij zag staan, die vrouw, die mede aan het ongeluk schuld heeft, toen was het mij, alsof iemand mij kokende olie in het hart goot—” Zij hield op, want Liesje trad binnen.
“De gravin Stontheim is werkelijk overleden,” verhaalde zij. “Nelly’s moeder zeide het, toen zij ons in het park tegenkwam. Army heeft geschreven, dat zij reeds morgen wordt begraven, en daarna wil hij zijne bruid weder hierheen brengen; de bruiloft zal niet uitgesteld worden, alles blijft bij het oude. Zeg eens, tante, was Sanna, die ik pas bij den boschweg tegenkwam, tot nu toe bij u?”
“Tot nu toe, mijn schatje; wij hebben nog een vroolijk praatje met elkander gehad.”
Het jonge meisje zag haar vragend aan en zette zich toen aan het raam. De beide anderen verlieten de kamer. Het was zoo stil rondom dat jonge meisje met een stille, hopelooze liefde in het hart. Van de hooge lindeboomen vielen langzaam de gele bladeren op den grond, beelden van voorbijgegaan lentegeluk; een paar kleine vogeltjes vlogen tjilpend van tak tot tak.
“Als hij gestorven was?” sprak zij halfluid. “Maar neen—neen—het is beter zoo; lieve God, laat hem gelukkig worden—om der wille zijner moeder en zuster!”
Een paar dagen waren voorbijgegaan. Liesje had hare tante vlijtig in het huishouden geholpen, en meer dan in den laatsten tijd had haar heldere lach weder geklonken. “Lach maar, mijn liefje!” had de oude vrouw eenmaal in hare vreugde daarover gezegd, “God heeft den blijmoedigen mensch lief.” Zij wordt weder vroolijk, zij heeft het overwonnen dacht zij; het kind was ook nog zoo jong en het leven dat voor haar lag, beloofde nog zooveel geluk. En onwillekeurig kwam haar de jonge, blonde man voor den geest, die zoo bescheiden was en toch door zijn degelijkheid meer en meer in den molen geliefd werd. “Het zou een uitgelezen paar zijn,” sprak zij bij zichzelve.
Dezen morgen had zij hem nog langen tijd nagezien, toen hij reeds vroeg met Erving, het geweer over den schouder, op de jacht gegaan was; zij had daarbij zeer goed bemerkt, hoe hij een verstolen blik wierp naar de vensters, waarachter Liesje nog rustig sliep, en gedacht: “Als zij hem nu zoo reus zag, knapper kan toch niemand er uitzien.”
Maar Liesje had later niet geluisterd, toen zij hem prees, en was telkens lachend over iets anders begonnen te spreken. Zoo was het middag geworden; de soep dampte reeds op de tafel in de eetkamer, toen Lise naar buiten ijlde, haar vader tegemoet, zonder te bedenken, wie hem vergezelde.
“Goeden morgen, vadertje!” riep zij vroolijk, “wat brengt gij mede?” Nu eerst werd zij gewaar, dat de heer Selldorf achter hem stond, die den groenen jagershoed afgenomen en haar vader de hand gegeven had, terwijl hij hem smeekend aanzag. “Tot heden avond dan, beste Selldorf,” hoorde zij haar vader zeggen; nog een handdruk, en de jonge man was verdwenen, zonder haar te hebben aangezien. De statige vader groette zijne dochter ter loops en wierp zijn weitasch af. “Waar is uwe moeder? Ik moet haar spreken,” zeide hij haastig.
“Maar Frederik, de soep!” klonk tantes stem uit de keuken.
“Ja zoo—nu, dan later!” sprak hij. Onder het eten streek hij echter dikwijls met de hand over het gelaat; dan lachte hij, maar werd op eens weder ernstig. Eens zag hij Liesje stijf en zóó treurig aan, dat zij de lepel weglegde en vroeg:
“Vader, wat is u overkomen?” en “Erving, is u iets onaangenaams bejegend?” vroeg ook zijne vrouw.
“Wel beware, neen!” antwoordde hij vroolijk, alsof er niets bij hem gaande was.
Dadelijk toen de maaltijd geëindigd was, volgde hij zijne vrouw in de huiskamer. Liesje wandelde in den tuin op en neer en zag tusschenbeide angstig naar de ramen der woonkamer; eindelijk ging zij weder in huis, maar daar ging ook juist tante de kamer binnen en wenkte haar, buiten te blijven.
Vol bange voorgevoelens zette zij zich op de steenen bank onder het raam. Daar binnen werd druk gesproken, en eindelijk hoorde zij tante zeggen: “Neen Frederik, dit moet gij mij beloven, als zij niet wil, overreed haar dan niet, want gedwongen trouw geeft eeuwige rouw!”
“Dat spreekt van zelf,” antwoordde haar vader, “maar men kan haar toch al het voor en tegen onder het oog brengen.”
Het jonge meisje daar op de oude steenen bank was plotseling doodsbleek geworden. Op eenmaal was het haar helder geworden, wat daar binnen werd besproken; had zij dan in een droom geleefd? Hare ouders, haar lieve, goede vader—konden die het van zich verkrijgen, haar te laten heengaan? Zij zou den ouden geliefden molen verlaten moeten met een vreemden man? Weg van hare moeder, van hare tante, en alles wat haar lief was? Zij zou niet meer in haar kamertje weenen, niet meer dagelijks de torens van het oude slot zien? Zij drukte de handen op hare borst, en had een gevoel, alsof haar hart ophield te kloppen bij deze gedachten.
“Liesje, kom eens binnen!” klonk nu haars vaders stem. Werktuigelijk stond zij op en volgde deze aanmaning. Daar stond zij nu in de woonkamer; op de sofa zat hare moeder, bij het venster tante, en beiden zagen haar zoo vreemd—zoo teeder aan; ja, het scheen alsof hare moeder geweend had.
De oude vrouw aan het venster ging naar buiten, zij wilde zich niet mengen in hetgeen de ouders met hun kind hadden te bespreken; zij ging stil naar haar kamertje en nam den bijbel van de commode; daarop ging zij in den leuningstoel zitten en vouwde de handen op het boek. “God alleen weet wat goed is,” fluisterde zij; “moge Hij haar hart leiden, zoo zal alles ten beste uitkomen.” Buiten schenen de zonnestralen op de bonte asters, en lange, witte draden weefden als ’t ware een zilveren sluier om de half ontbladerde besseboomen. “Als het weder voorjaar wordt, hoe zal dan alles hier in huis zijn?” Zij dacht aan haar lieveling, die daar zoo onverwacht de gewichtigste beslissing in haar leven moest nemen. Hoe zou Liesje de tijding ontvangen? Zou zij werkelijk niet bemerkt hebben, hoe lief zij den jongen man was geworden? En zou zij hem niet een klein weinigje—“Och neen!” De oude vrouw schudde het hoofd; zij wist, hoe het in het jonge hart gesteld was.—“Neen, zij bemint hem niet, en als zij hem nu toch eens het jawoord gaf, wanneer zij zich geweld aandeed, omdat hare ouders het wenschten—zou zij dan gelukkig worden? Och, gedwongen liefde en geverfde wangen duren niet lang. Het arme kind!” sprak zij bij zich zelve. “Als zij haar maar niet zoeken over te halen! Mientje zal het niet doen, maar Frederik, die is geheel door den jongen betooverd!”
Zij opende het oude boek en staarde op de geel geworden bladen, maar zij kon niet lezen: de letters dansten haar voor de oogen en hare handen beefden—daar was zij aan de deur—zal nu het gezicht van een vroolijke, jonge bruid, met een donkeren gloed overgoten, naar binnen zien? De oude vrouw hield haar adem in; de deur werd langzaam geopend en het jonge meisje stond op den drempel; was zij dan gegroeid sedert zooeven? Zij trad rustig de kamer binnen: op het bleeke gelaat stond diepe ernst te lezen.
“Tante,” sprak zij zacht, “ik heb neen gezegd.”
Tante antwoordde niet; zij knikte slechts toestemmend met het hoofd. “Zijt gij hem niet genegen, mijn kind?” vroeg zij toen. “Zie, wat uw hart gevoelt, dat weet gij zelve het beste.”
“Ik kan niemand liefhebben, tante,” klonk het dicht aan het oor der oude vrouw; twee zachte armen omvatten haar hals en een bleek gelaat verborg zich aan hare borst. Zoo lag zij op de knieën naast de oude, en deze streek met de hand liefkoozend over de bruine vlechten.
“God zegene u, mijne Lise!” fluisterde zij, “gij hebt goed gehandeld.”
In de huiskamer liep Erving driftig heen en weer. Zijne vrouw had roodgeschreide oogen en bad:
“Als zij hem toch niet liefheeft, Erving?”
“Mina, men kan met eene vrouw niet verstandig over zoo iets spreken,” zeide hij, voor haar staan blijvende. “Zie den jongen aan! Hij is knap en verdient achting; hij bemint haar en is van een goede familie; zijn vader schrijft mij, dat zij het meisje op de handen zullen dragen—is dat niet alles, wat zij verlangen kan? Maar daar steekt iets anders achter, dat laat ik mij niet uit het hoofd praten.”
“Maar ik vraag u, Erving, wat zou dat dan kunnen zijn?”
“En dan, ik herkende het meisje niet meer; zij die altijd zoo gedwee en volgzaam was, stond daar, doodsbleek, en zei niets anders dan ‘neen’ en nog eens ‘neen!’ God help mij, wie had dat gedacht?”
“Zij is immers uwe dochter, vaderlief,” zeide zijn vrouw, opstaande en naar hem toe komende. “Gij weet wel,” voer zij voort, terwijl zij poogde te glimlachen, “dat uw vader gewild had, dat gij Agnes zoudt trouwen, en toen hebt gij evengoed ‘neen’ gezegd en niets meer.”
“Nu, dat was toch heel iets anders, ik kende u toen en beminde u reeds, maar zij—zij komt immers pas in de wereld kijken. God weet het, zoo zwaar is mij nog niets gevallen, als den jongen van avond zulk een antwoord te geven.” Hij bleef aan het venster staan en zag verdrietig door de ruiten. Hij keerde zich ook niet om, toen de deur zachtjes openging en tante binnentrad.
Zij bleef even staan. “Nu, nu, Mientje,” sprak zij toen, “gij weent—er is immers niemand gestorven, en zulk een haast heeft het vrijen ook niet! Er zijn niet een hand vol, maar een land vol mannen—de rechte zal wel komen—”
De molenaar aan het venster maakte een heftige beweging, als wilde hij een scherp antwoord geven; hij zeide echter kalm: “gij spreekt, naar gij verstand hebt, tante!”
“Wel, ik zou meenen, dat ik in die dingen toch niet zoo dom ben; ook heb ik wat meer ondervonden dan gij. Lise is zeventien jaar geworden—nauwelijks zijn de kinderschoenen uitgetrokken; er zullen nog wel honderd vrijers naar den molen komen; waarom zou zij nu den eersten den besten nemen? Selldorf is een flinke jongen, ja! maar de smaken zijn verschillend, en liefde zonder wederliefde, is als een vraag zonder antwoord, en maakt ongelukkig. En daarom, Frederik, laat het zóó goed zijn en zie haar niet donker aan; zij is immers uw éénigste, waarom wilt gij haar dan dwingen! Al uw boosheid helpt u niets, en uw macht kunt ge in deze zaak niet doen gelden; daarom, wees tevreden, en verheug u, dat gij uw kind nog behoudt! Heeft zij eens een man, dan behoort zij u niet meer toe.
“Stil maar, al genoeg!” antwoordde hij ongeduldig en ving zijne wandeling door de kamer weder aan.
De oude vrouw sprak geen woord meer; zij wist, dat haar doel bereikt, was; zij nam dan ook haar breiwerk en ging op haar gewone plaats zitten.
“Hebt gij haar dan gesproken?” vroeg de moeder na een lang stilzwijgen.
“Natuurlijk! Zij kwam bij mij en vertelde mij, hou het er mee gesteld was, en ten laatste heeft zij mij schreiende gebeden, haar toch te helpen, dat haar vader weder vriendelijk jegens haar werd.”
“Waar is zij dan?” vroeg hij.
“Zij is naar haar kamertje gegaan.”
“Zoo,” antwoordde hij en liep weer op en neer, tot hij eindelijk de deur opende en het vertrek verliet.
“Ik weet al, waar hij heengaat,” sprak de oude vrouw lachende. “Hij was zeker heel boos?”
“Het ging nog al, tante, maar ik had hem nooit boos gezien—daardoor was ik er zoo bang voor.”
“Neen, maar zie nu eens, Mina,” sprak zij en wees naar den tuin; daar liep de molenaar langzaam het pad langs, de arm om zijne dochter geslagen, en zij met haar hoofdje tegen zijn schouder geleund en tot hem opziende; hij sprak met haar en zij lachte hem toe.
“Mijn beste man! mijn lieve kind!” sprak zacht de vrouw aan het venster.