← Table of contents
Liesje van den Lompenmolen

Elfde Hoofdstuk.

Reading edition

In de woonkamer van het slot waren de donkere gordijnen toegeschoven, en dáár, waar vroeger de groote, ouderwetsche sofa geplaatst was, stond nu het ziekbed van Nelly’s moeder; zij was zeer ziek geworden op dien ongelukkigen morgen, toen zij haar zoon zocht en niet vond; het zwakke leven worstelde met den somberen engel, wiens onheilspellende nabijheid men in het vertrek scheen te bespeuren. Als in een cirkel draaide hare verbeelding om dien dag, waarop zij bij het bloedige, verstijfde lichaam haars echtgenoots gestaan had; nu eens was hij het, dien zij aanzag, dan weder was het den zoon, en op hartverscheurenden toon bad zij hem, toch niet te sterven, haar ook niet te verlaten; zij kon zonder hem immers niet leven. Het was thans stil in het ruime vertrek; een slanke meisjesgestalte, die telkens angstig luisterde naar de verwarde woorden der kranke, zweefde met bijna onhoorbare schreden over het oude tapijt, legde met zachte hand de kussens terecht en boog zich onderzoekend over de zieke heen, om naar haar zachte ademhaling te luisteren, als zij ingeslapen scheen. Ja—lompenmolenaars Liesje deed voor de tweede maal dienst als samaritane op het slot Derenberg, en het was nu al de tiende dag, dien zij er doorbracht! Het waren lange, bange dagen en nog bangere nachten geweest; heden was de koorts iets afgenomen, zooals de dokter zei, en de uitgeputte zieke sluimerde nu.

Liesje nam een boek van de tafel en ging aan het venster zitten, dat een weinig licht doorliet; zij leunde met het hoofd tegen haar stoel en sloot de oogen. Hoe vreemd was het toch, dat zij nu weer hier boven in het slot zat, dat zij gedacht had nooit weer te zullen betreden! Tante had haar op een morgen met groot geraas gewekt, en in de huiskamer vond zij Nelly, die doornat van den dauw, bewusteloos op de sofa lag! Hoe was zij geschrikt! Uren waren verstreken, vóór men het arme kind weder tot bewustzijn gebracht had; maar vóór het zoover was gekomen, was de deur der huiskamer in de ouderlijke woning open gedaan en had hij op den drempel gestaan. Zij had een gil gegeven van ontsteltenis en schrik; ja van schrik, want hij, die daar binnentrad met dien diep smartelijken trek om den mond, de oogen zoo wezenloos op haar gericht—dat was de vroegere Army niet meer, de vroolijke levenslustige Army, met de trotsche schoone trekken.

“Is mijne zuster hier niet?” had hij gevraagd, en toen zijn blik op haar viel, zooals zij daar bleek en bewusteloos nederlag, had zijn gelaat een uitdrukking gekregen van het diepste medelijden.

Wat er verder gebeurde? Tante Marie en hij hadden samen gefluisterd; Liesje had echter alleen de woorden verstaan: dat zijne moeder zeer ziek was en hulp noodig had; Sanna was zoo onhandig en grootmama klaagde over migraine; en nu Nelly ook nog, die arme Nelly!

“Ik ga mede,” had Liesje verklaard. En toen was zij met hem zwijgend meegegaan. Geen woord had hij toen tot haar gesproken, en geen enkel woord was tot nu toe over zijne lippen gekomen, hoe dikwijls hij ook zacht de ziekenkamer binnentrad en het bedgordijn opendeed, om zijne moeder te zien. En Liesje wist, waarom hij zoo somber en stil was. De blinkende verlovingsring ontbrak aan zijne hand, en de droombeelden der zieke hadden haar de ongelukkige zaak geheel duidelijk doen kennen. O, dat schoone, valsche schepsel! Hoe haatte Liesje die trouwelooze! Wel had Nelly gelijk gehad, toen zij beweerde: “zij heeft hem niet lief.” Maar hij, och, kon zij hem maar iets vertroostends zeggen!

Zacht werd de deur der ziekenkamer opengedaan, en Nelly trad binnen.

“Wat slaapt zij gerust!” fluisterde zij, een blik op de zieke werpende, en ging op een bankje, aan de voeten harer vriendin zitten. “God zij gedankt! De dokter oordeelt, dat het gevaar voorbij is; ach, Liesje! wat ben ik gelukkig! Ik gevoel mij nu ook weder sterk, en gij zult nu van nacht slapen, gij goedhartig schepsel!”

“Neen, dat zult gij doen, Nelly. Geen tegenspraak!” antwoordde Liesje beslist; “de dokter wil er volstrekt niet van hooren, dat gij waken zult. Gij slaat een doek om en gaat wat in de frissche lucht; uw broeder zal u zeker gaarne vergezellen.”

Nelly schudde treurig het hoofdje. “O ja, hij zal wel meegaan—maar Liesje, gij weet niet hoe akelig het is, zoo alléén met hem te zijn! Hij loopt somber naast mij, en dan begint hij plotseling als in vertwijfeling vroolijk te fluiten. Bij u ben ik het liefste. Wanneer gij en uwe tante er niet waart, en uwe goede moeder niet zoo voor ons gezorgd had, had het hier boven er slecht uitgezien.”

“Maar, Nelly!” fluisterde blozend het jonge meisje en lei haar hand op den mond harer vriendin—-

Terwijl de jonge meisjes zulke woorden in de ziekenkamer wisselden, zat de oude barones peinzend boven in hare kamer. “Eenmaal moet het toch zijn,” sprak zij ten laatste halfluid, “ik moet met hem spreken, wat er nu dan toch gedaan moet worden.” Zij stond op en belde. “Ik verzoek mijn kleinzoon hier te komen,” beval zij Sanna kortaf en onvriendelijk, en ging weder zitten.

Door de roode gordijnen drong slechts een flauw licht naar binnen, want buiten was de lucht betrokken en een scherpe herfstwind begon met kracht de bladeren van de boomen te schudden; in den haard flikkerde een houtvuur en verlichtte de roode kussens en gordijnen; door dien weerschijn was het, alsof de verschoten kleuren weder haar ouden gloed hadden verkregen; somber staarde de barones in de spelende vlammen.

“Binnen!” riep zij, toen een haastig tikken op de deur gehoord werd.

“Ik wilde u juist om een kort onderhoud verzoeken, grootmama,” begon Army, binnentredende met eene buiging en achter den stoel staan blijvende, die de oude hem met de hand aanwees. “Mama wordt beter; ik moet vertrekken.”

“Zoudt gij in dienst kunnen blijven?” vroeg de oude barones onverschillig.

Hij zag somber voor zich.—“Ik weet het niet,” sprak hij toen, “voorloopig hangt dit van de stemming mijner schuldeischers af. Trouwens, zoodra het bericht van mijn verbroken engagement wereldkundig is, zullen zij wel als een troep jachthonden op mij afkomen; de zaak komt bij het regiment; de overste zal mij vragen: ‘betalen of niet?’ Dan komt het slot. Het noodlot zal mij achterhalen, evenals vóór mij reeds zoo menig ander.”

De oude dame had even kalm naar hem geluisterd, alsof hij over een vroolijke partij sprak.

“Hellwig moet raad schaffen,” sprak zij op beslisten toon.

“Hellwig? Ja, als hij geld kon maken! Hij heeft nog onlangs de onmogelijkheid erkend, mij tweehonderd daalder te bezorgen; eene som, die ik den wagenmaker op een bepaalden tijd moest betalen. De man wilde geduld hebben, tot ik—nu, tot ultimo October,” eindigde hij kortaf. “O, zij wilden allen wel wachten; het had geen haast—beware! Ik was immers de neef van tante Stontheim en op het punt, hare nicht te huwen—”

“Hoeveel bedragen uw gezamenlijke schulden?” vroeg zijne grootmoeder.

Hij maakte een afwijzende beweging met de hand. “Wat kan dat schelen? Ze kunnen toch niet betaald worden!”

Een lange stilte ontstond. Army beschouwde schijnbaar zeer aandachtig een Italiaansch landschap in een vergulde lijst. Buiten was de wind hevig opgestoken; hij huilde in den schoorsteen, en joeg de vonken over het oude tapijt tot op het zwarte, wollen kleed der oude dame.

“Army, er is slechts één middel, om u en ons te redden!”

Hij keerde zich langzaam om en zag haar vragend aan.

“Gij zoekt zoo spoedig mogelijk een andere rijke partij.”

“Wat bedoelt gij, grootmama?”

“Er zijn meisjes genoeg, rijke, knappe meisjes, die zich een man koopen, zooals men dat noemt—”

“O, zoo, ik begrijp u,” antwoordde hij los weg.

“Bedenk, Army! het betreft hier niet alleen uwe toekomst, het geldt ons allen.”

“Hebt gij mij nog iets anders mee te deelen?” vroeg hij op een toon, die verstommen deed. “Niets? Dan zult gij mij wel vergunnen afscheid te nemen; ik wilde graag weten hoe het beneden gaat.” Hij boog zich en ging heen.

Bijna werktuigelijk richtte hij zijne schreden naar de ziekenkamer; in het voorvertrek bleef hij staan; het was alsof hij daar binnen hoorde fluisteren; toen ging hij naar het raam en drukte het voorhoofd tegen de ruiten.

Hetgeen zijne grootmoeder hem zooeven gezegd had, was als een bijtend vocht in de versche wonde, hem toegebracht. De hevige pijn dreef hem het bloed naar de wangen, voor zijne oogen zweefde nog steeds een aanlokkelijk beeld, dat hem steeds vervolgde, al deed hij ook duizendmaal zijn best het te verbannen; hij zag haar steeds voor zich, zooals zij er uitzag op dien dag na de opening van het testament, toen het zoo kalm en rustig geworden was in de prachtige villa; alle bezoekers waren vertrokken, de overste was in een andere kamer ingedommeld, en hij bevond zich alleen met haar—voor de eerste maal sedert langen tijd. Hoe schoon was zij in dat donkere, met krip gegarneerde rouwgewaad, die gouden vlechten, met zwarte strikken saamgebonden! Zij lag peinzend in haar stoel, terwijl hij tot haar sprak; hij sprak van zijne liefde, van zijn verlangen haar te bezitten, van het zalig gevoel dat zijn hart vervulde. Of zij wel naar hem geluisterd had? De blik, dien zij op hem vestigde, toen hij hare hand greep, was hem als koud ijzer op het hart gevallen, en had hem met een angstig voorgevoel vervuld; in den loop van het gesprek was zij plotseling opgestaan en achter het deurgordijn verdwenen; het prachtige, goudkleurige haar zag hij nog even, toen het gordijn door den tocht van de opengaande deur omhoog waaide; toen was hij alléén met zijn overvol, bedroefd hart. Zij had hem nooit bemind, liet zij hem zeggen; zij had zich slechts naar den wensch harer tante met hem verloofd! En dáár boven, die gele, verdorde, vliegende bladeren in de lindenlaan, die hadden het gehoord, hoe zij hem trouw zwoer: hoe zij hem duizendmaal verzekerde, dat zij hem liefhad, liever dan alles op de wereld, en nu—nu was alles voorbij. Verkoopen zou hij zich—verkoopen, zooals grootmama hem geraden had!

“Neen, liever nog een kogel—een kogel!”

Hij kreunde en drukte de tanden op elkaar; waar was toch het geluk gebleven, waaraan hij zoo hoogmoedig geloofd had? De oude spreuk schoot hem te binnen: “Wanhoop nimmer, ’t geluk kan iederen dag komen.” Hoe dwaas, waarom had het geluk hem zoo spoedig verlaten?

Daar klonk een zachte tred achter hem; hij keerde zich om—een hoogblozend gelaat zag tot hem op. “Uwe moeder vraagt naar u, luitenant,” sprak halfluid een heldere stem. Hij ging Liesje voorbij naar de ziekenkamer, en zij trad naar het venster, waar hij tot nu toe gestaan had. Buiten viel een fijne regen, die den omtrek in een vochtigen sluier hulde; zij staarde naar het huis harer ouders daar beneden, maar kon het door de dikke lucht niet onderscheiden. “Wat zouden zij daar nu wel doen,—mijn moedertje, mijn vader en tante Marie? Zou mijn vader niet op de jacht zijn? Och neen, hij heeft het zoo druk op het kantoor, sedert de heer Selldorf zoo plotseling vertrokken is.” Weder vloog een donker rood over hare wangen.

In het nevenvertrek was het eerst stil; de deur stond half open; Army lag geknield bij het bed zijner moeder, en nu klonk het: “Mijn lief moedertje, dacht gij dat ik doen zou als de jonker van Streitwitz? Neen, neen, ik heb u immers nog en Nelly.” Zijne stem klonk teeder en vertroostend, en toch was het, alsof met moeite weerhouden tranen de woorden onverstaanbaar maakten. En daarop de zwakke stem zijner moeder; Liesje kon de woorden niet verstaan, maar uit den toon der afgebroken woorden klonk het als een zoet vertroosten, als een blijde dank, dat zij haar zoon in de armen hield, de gansche onovertroffen volheid der moederlijke liefde, die helpen, steunen, raden wilde; zoo kalm, zoo zacht klonk het, alsof het gold een ziek kind in slaap te sussen.

En daar opeens—was het werkelijk mogelijk? Dat klonk als weenen, als met geweld onderdrukt gesnik. Zou Army—? Liesje keerde zich plotseling om en luisterde met verbleekend gelaat—weenen de mannen dan ook? Zij ijlde naar de deur; zij wilde weg; hij mocht niet weten, dat zij gehoord had, hoe hij—Daar kwam hij uit de kamer zijner moeder, ernstig en de lippen op elkander gedrukt; maar de oogen—ja, die waren nog nat van de tranen, die hij geweend had—om zijn verlorene bruid.

Zij stond vlak voor hem, de handen op de borst gevouwen, als wilde zij hem om vergeving vragen, dat zij hem zóó gezien had. Ook hij stond stil; hij zag haar aan en las innig medelijden in haar oogen. Kwam de herinnering weder bij hem boven aan den tijd, toen het kleine meisje den wilden knaap zoo dikwijls troostte, als hij bij hunne kinderspelen zijn geduld verloor en van spijt heete tranen weende?

“Liesje,” sprak hij vriendelijk en dankbaar, en reikte haar de hand.

“Army, lieve Army,” klonk het door snikken half verstikt terug; hij voelde een oogenblik haar kleine hand in de zijne; toen was zij verdwenen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings