Negentiende Hoofdstuk.
Reading edition
De laatste dag van het oude jaar, heeft hij niet iets plechtig weemoedigs? Het is het gevoel van scheiden, dat het menschenhart vervult, en een angstig terugdenken en vragen: wat gaf ons het oude jaar, hoeveel ontnam het ons, en wat zal het nieuwe brengen? Vreugde of smart, geluk of zwaar verlies?
Er is een tijd, waarin men zulke vragen nog niet doet, een tijd, in welken men gelooft dat de toekomst met ieder dag schooner moet worden, waarin de tuin onzer droomen trotsche bloesems in overvloed draagt, en men in zalig ongeduld op het opengaan der bloeiknoppen wacht, om zich in een waarlijk fabelachtige bloemenpracht te bedwelmen; maar de tijd snelt heen, knop bij knop valt verdord ter aarde; slechts enkele bloeien eenzaam en beven, dat ook haar de ruwe hand zal vernielen, die hare zusters trof. En die eens zulke bloesems zag vallen, staat met een treurig, vragend hart aan den ingang van een nieuw jaar, vouwt bezorgd de handen, en vraagt onwillekeurig: wat zal de toekomst mij brengen? Zullen de bloesems mijner hoop verwelken of bloeien? Het is treurig, als jonge harten deze vragen reeds moeten doen, wanneer één vorst in de lente al deze zonnige geluk-belovende bloesempracht verstoort.
Het was des namiddags tegen vier uur, toen de onrust Liesje naar het slot dreef; sedert vier dagen was Army reeds weg met haar vader en zij had nog geen tijding van hem ontvangen. En heden was het oudejaar, een dag, die vroeger lieve gasten in huis bracht—maar heden? Vader niet tehuis, moeder zoo stil, tante treurig, oom en tante in de pastorie in diepe droefheid over hun lieveling. En zij?
Zij ging weder de allée door naar het slot; zij wilde vragen, of zijne moeder of Nelly misschien tijding van hem hadden? De brief haars vaders was zoo kort geweest; alles was gebleken veel verwarder te zijn, dan hij gedacht had, schreef hij; wanneer hij terugkwam, was nog onbepaald—geen woord voor haar over Army!
Zij moest heden iets van hem hooren.—Zij zag onder het gaan door de kale takken der boomen en de allée naar het bordes, dat juist te voorschijn kwam. Aan den hemel hingen zware, grauwe wolken, en een onaangename, zoele lucht kwam haar tegemoet; bij de spaarzame verlichting zag het oude slot er recht somber uit; zoo ledig, zoo verlaten, een waar ongeluksnest, zooals tante zeide. Hoevele jaren zijn gekomen en heengevaren over deze oude daken, en hoevele zullen nog komen en gaan, en wat zullen zij brengen? Wat men eens verloren heeft, keert niet weder, en zij, zij had zoo oneindig veel verloren, den ganschen wondervollen lentetijd der liefde; van al de schitterende bloeiknoppen waren alleen de doornen overgebleven, die zich in haar gewond hart gedrukt hadden; geen zoet geluk aan de zijde des geliefden mans, slechts een leven van krachtige zelfverloochening, een smartelijke lach, maar geene liefde voor haar. En daarom ook geen brief.
Wat zou hij haar ook schrijven? Zij herinnerde zich, hare moeder eens gezien te hebben, hoe zij met een gelukkig lachje een pakje oude brieven opende, die in een kistje zorgvuldig bewaard werden. “De brieven uws vaders,” had zij gezegd, toen het jonge meisje haar vroeg, “uit den tijd, toen wij nog bruid en bruidegom waren.” Welk eene zaligheid straalde daarbij uit de oogen harer moeder! Liesje drukte de handen op de borst en ging haastig verder.
Nu trad zij uit de allée en richtte hare schreden naar het voorplein; een wagen stond voor de zijpoort. “Een wagen, hoe komt hier een wagen? Zou Army—? Maar neen, dan zou vader immers ook gekomen zijn.”
Zij schudde het hoofd, toen zij om het rijtuig heen liep; het was een jammerlijke oude kast, klaarblijkelijk een rijtuig uit het dorp.
Zij trad het slot binnen en bleef opeens in de gang staan; het scheen haar toe, alsof zij stemmen en voetstappen hoorde. In de lange gewelfde gang schemerde het reeds, alleen viel op de breede treden een flauw schijnsel door de trapvensters, die met het groote portaal in verbinding stonden; aarzelend ging zij verder.
“Gij hebt het immers niet anders gewild,” hoorde zij de eenigszins barsche stem der oude barones zeggen, “tranen vind ik heusch geheel onnoodig, Cornelie.”
Tegelijkertijd vernam Liesje het ruischen van kleederen en lichte voetstappen; op de bovenste trede verscheen de oude barones, zich half omkeerende naar hare schoondochter en Nelly. Zij was in een oude fluweelen pels gewikkeld en het trotsche gelaat kwam even onbewegelijk als altijd uit de zwarte kanten sjaal, die zij om het hoofd geslagen had, te voorschijn.
“Het is bezorgdheid voor u, mamaatje,” sprak de jonge barones, “in dit weder! En gij zijt de ongemakken van het reizen niet meer gewoon.”
Reizen? Zij ging op reis? Een oogenblik vervulde een gevoel van blijdschap Liesje’s hart.
“De noodzakelijke gevolgen uwer handelwijze, Cornelie,” klonk het terug, “heb intusschen geen zorg! Nog ben ik niet zoo zwak, dat ik—-”
“Het is te haastig opgekomen, mama, te schielijk.”
“Te haastig? Ik heb met ongeduld de oogenblikken geteld; het liefst was ik nog op hetzelfde oogenblik vertrokken.”
“Het valt mij onuitsprekelijk zwaar, u zonder verzoening te zien heengaan.”
“Ik meen, de verzoening het meest gezocht te hebben, men wilde mij echter niet verstaan. Denkt gij, dat het mij licht valt, heen te gaan? In dit oogenblik gevoel ik al het droevige er van, welke ellendige tijden ik hier ook beleefd heb. Maar blijven onder de voorwaarden, die de toekomstige heer van Derenberg mij stelde; blijven om een leven te leiden, zooals hij mij aanbood, om mijne grondbeginselen aan zijn nieuwe, zeker niet aristocratische begrippen ten offer te brengen—dat nooit! Ik ben nog uit de oude school: Noblesse oblige!”
“Zij gaat om mij,” fluisterde Liesje.
“Ik geloof dat Army vertrok, in de zekere hoop, u nog weder te vinden, mama,” smeekte hare schoondochter.
De oude dame lachte luidkeels. “Dio mio!” riep zij. “Hij weet zeer goed, dat hij mij hier niet meer vindt, en het is zoo goed; ik wil hem niet weêr zien. Hij wijst een aanbod af, dat hem een schitterende loopbaan opent—-”
“Ik weet het,” viel hare schoondochter in de rede, “de hertog—”
“Geen woord meer!” gebood de barones; zij ging de trappen af.
“Blijf gerust, mevrouw de barones!” zeide een bevende stem, en Liesje boog zich in de schemering voor haar. “Blijf, het is nog niet te laat; wanneer het zóó gesteld is, dan geef ik Army de vrijheid terug; ik wist immers niet, dat er zich nog een middel tot zijne redding had opgedaan—-” Zij zweeg, en greep onwillekeurig naar de gebeeldhouwde leuning der trap. De donkere gestalte der oude dame voor haar week verschrikt terug; Nelly echter was met één sprong naast haars broeders bruid.
“Wat zegt gij daar, Liesje?” vroeg zij, “wat wilt gij doen?”
“Dat hadt gij vroeger moeten bedenken, mijn kind,” zeide de oude dame bits, “nu kon uw beter doorzicht te laat komen.”
“Ik heb hem willen redden, hem helpen,” antwoordde Liesje bedrukt, “maar nooit wilde ik zijn geluk in den weg staan.—O, het is zeker nog niet te laat, mevrouw de barones!” riep zij smeekend, toen de oude dame, het hoofd op hare trotsche, onnavolgbare wijze in den nek werpend, haar voorbij ging. “Blijf, tot hij komt, genadige vrouw; zeg hem, dat hij geenerlei verplichting jegens mij heeft! Ik zelf maak hem vrij, opdat hij elders het geluk vinde, dat ik hem toch niet geven kan. Hij heeft mij immers niet lief.—O, blijf, blijf!”
De oude dame schudde de kleine bevende handen niet af, welke haar mantel vasthielden; zij stond als betooverd en staarde op het schoone gelaat, dat haar zoo ontsteld aanzag in het schemerachtige, sombere licht van den verdwijnenden winterdag. Hare trekken bleven onveranderd; geen spoor van medelijden met het beangstigde kind blonk in de schoone oogen, geen enkel woord kwam over hare lippen.
Daar klonk een haastige, welbekende voetstap door het portaal, en in het schemerlicht van de gang verscheen een slanke, mannelijke gedaante. Het jonge meisje zag hem met brandend droge oogen tegemoet—kwam hij nog? Zou zij hem hier nog ontmoeten? Moest haar deze ure dan nog zwaarder gemaakt worden? Als wilde zij niets meer zien, om sterk te blijven, sloeg zij de handen voor het gezicht.
“Wat gebeurt hier?” klonk haar zijne stem haastig en opgewonden in ’t oor, “mijne verloofde weent?”
Zijne verloofde! Wat deed dat woord haar onuitsprekelijk zeer—was zij toch maar weg van hier, duizend mijlen ver, om deze kwelling te ontvlieden.
“Zij is verstandiger dan gij,” antwoordde de oude dame, “nog ééns staat gij aan den kruisweg, want zij is bereid terug te treden—”
“Omdat gij het haar aannemelijk gemaakt hebt?” vroeg hij morrend.
“Neen, Army,” kwam zijne moeder er tusschen, “Liesje hoorde toevallig, dat grootmama—”
“Wat hebt gij gehoord, Liesje?” vroeg hij, zijn arm om haar heen slaande en zich tot haar nederbuigende; wat klonk zijne stem opeens teeder!
Zij antwoordde niet, maar de tranen rolden haar nu uit de oogen over de teedere vingers, die nog altijd haar gelaat bedekten. Zij zag niet, hoe angstig hij haar aanschouwde; zij voelde alleen de brandende smart, dat zij hem toch nog moest laten gaan, dat zelfs een leven zonder liefde aan zijne zijde nog een paradijs was bij de ledigheid die haar wachtte, wanneer zij van hem afzag.
“Liesje,” smeekte hij, “kondt gij werkelijk zoo—zoo verstandig zijn, als grootmoeder zooeven beweerde?”
Zij knikte.
“Ja, ja!” snikte zij, al hare zelfbeheersching verzamelende, “ik wist immers niet, dat de hertog u helpen wilde, anders—och, anders was ik nooit hier aangekomen, om—ik geloofde—ik, ik alléén kon u redden.”
“Dat kunt gij ook,” sprak hij zacht, “gij alleen kunt het, anders geen mensch op de gansche wijde wereld.”
Hij nam haar de handen voor het gezicht weg en zag haar in de betraande oogen.
“Liesje, als gij wist, hoe ongerust ik over u geweest ben—”
Zij schudde het hoofd.
“Mij zweefden,” ging hij voort, “onophoudelijk een paar treurige blauwe oogen voor den geest, en een lang verleden, droevige geschiedenis van twee even zulke blauwe oogen, die van kommer en harteleed gestorven zijn; als ik daaraan dacht, greep ontzetting mij aan, en mijn angst, mijn voorgevoel was niet ongegrond, bijna was ik te laat gekomen—nietwaar?”
“Neen, neen Army; het is medelijden van u; gij weet niet, wat gij van u werpt; een schitterend leven, een grootsche loopbaan—laat mij! Nog is het niet te laat,” smeekte zij.
“Dwaas kind! ik weet zeer goed, wàt ik weiger, ik weet echter ook, wat ik daarvoor win—het beste, het edelste, het reinste, wat de wereld bezit.”
Het was stil geworden op de oude, gewelfde trap, stil en donker; beneden reed ratelend een wagen over den straatweg.—De laatste dag des jaars liep ten einde; wat zal het nieuwe brengen?