← Table of contents
Liesje van den Lompenmolen

Zestiende Hoofdstuk.

Reading edition

De volgende dag bracht slecht weder; het dooide, en de sneeuw was in eens verdwenen; de natte, bruine takken strekten zich kaal naar den grauwen hemel uit; daarbij stormde en raasde het in de lucht; de elzeboomen aan den molenbeek bogen en zwaaiden in den wind.

Op den molen heerschte een gedrukte stemming; de meiden in de keuken spraken zacht met elkander, en de koetsier, die zich bij haar gevoegd had, krabde zich een paar maal met een veelzeggend gelaat achter de ooren. Uit de woonkamer drong de stem van den heer des huizes duidelijk tot hier door. De jonge baron was er. Gisteren was hij er ook al eens geweest, en sedert zag Liesje zoo wit als de muur. Er moest iets niet in orde zijn; dat was zonneklaar; ook tante zag zoo zuur als azijn—en dan de meester!

De kamerdeur ging open, en tante klom de trap op, zooals Doortje door een kier van de deur zien kon.

“Let op, Mina, onze juffer heeft het doorgedreven,” fluisterde zij, “tante haalt haar naar beneden; nu—waarom ook niet? Hij is een knap en voornaam heer, en lijden mochten zij elkaar al, toen hij nog als kadet met verlof te huis kwam.”

Peter krabde zich weer achter de ooren.

“Nu,” meende hij, “als ik mijnheer was, ik zei neen, om de oude van het slot.”

“Pst!” waarschuwde Doortje, “waarlijk, zij komt de trap af; nu gaan zij in de kamer. Hoezee! een verlovingsfeest—dat zal een pret geven.”

Het volgende oogenblik stond zij reeds weder bij de keukentafel, met hare borden bezig, want zij hoorde tante komen, die een oogenblik daarna de keuken binnentrad. Het oude gelaat teekende zorg, en aan de oogen was het te zien, dat zij bitter geweend hadden; zoo dachten de meiden ten minste. Zij stond een oogenblik als in gedachten verzonken, toen nam zij haar sleutelbos en ging naar de provisiekamer.

“Glazen, Doortje!” beval zij, toen zij met eenige flesschen wijn terugkwam, “en doe een schoon voorschoot aan, als gij ze binnenbrengt!”

Zij zette de flesschen op de keukentafel, en ging zich de oogen afvegende, weder heen.

“Mijn God!” riep het meisje, toen zij met het ledige blad uit de woonkamer terugkwam, “moet dat eene verloving heeten? Het heele gezelschap zet een gezicht, als bij een begrafenismaal; onze heer bijt zich op de lippen, alsof hij zijne tranen wil wegjagen; de vrouw schreit, alsof Liesje dood was, en de tante ook; mijnheer de baron zit als een stok naast onze juffer; ik zag juist dat hij haar de hand kuste, alsof bij eene verloving niet een flinke kus behoort; en onze Lise ziet er uit—God erbarme zich over haar; als dat een gelukkige bruid moet wezen!”

Ongeveer een half uur later verliet een jong bruidspaar het oude huis; aan het venster stond de oude tante het na te zien, en onder de linde keek het bleeke gezichtje nog eenmaal om naar het venster; er was niets op te bespeuren van het zoete, zalige geluk, dat een jonge, kinderlijke bruid gevoelt; om den mond speelde een smartelijke trek, en de oogen spraken angst en lijden. De bruidegom had haar arm genomen en in den zijnen gelegd; zwijgend vervolgden zij hun weg; bij de oude linde gekomen, beefde de hand van het jonge meisje, en werd haar gelaat voor een oogenblik met een donkeren blos overtogen.

“Zijt gij moede, Liesje? Ik liep te schielijk.”

“O neen, maar ik—ik ben zoo bang voor uwe grootmoeder.”

Hij beet zich op de lippen, maar zweeg; hij verkeerde zelf in een angstige spanning, en kende zijne grootmoeder genoeg om te weten, dat zij tot elke lompheid in staat was. Zij traden nu de linden-allée in; de wind huilde door de hooge boomen en deed de takken krakend tegen elkander slaan; het hooge bordes met zijn oude, zandsteenen beren lag nat en donker voor hen. Onwillekeurig vielen Liesje’s oogen op de poort. “Wat beteekent dat?” vroeg zij op eens op de wapenspreuk wijzende.

“Nunquam retorsum! Nooit achteruit!” antwoordde hij.

“Dat is goed,” sprak zij, diep ademhalend, en versnelde haar tred.

Zoo kwamen zij bij de torendeur; een oogenblik overviel haar een gevoel van zwakheid. “Zal ik het kunnen verdragen, als zij mij beleedigt?” vroeg zij zich zelve af, en een onuitsprekelijke angst voor de trotsche grootmoeder beklemde hare borst; het was haar alsof zij nog moest terugkeeren, nog vluchten—eer het te laat was; zij gevoelde zich zoo hulpeloos, zoo verlaten; want hij, hij had haar immers niet lief.

“Liesje,” riep jubelend een heldere stem, en in tranen uitbarstende, sloeg Nelly de armen om haar hals. “Liesje! zuster Liesje!”

Zij duldde hare kussen; als een heldere zonnestraal vloog het over haar gelaat, en daar boven, op den drempel der gezellige woonkamer, strekten zich een paar armen naar haar uit, en omvatten haar al vaster en vaster, terwijl haar oor woorden van liefde opving.

“Mijn lieve moeder,” fluisterde zij, en boog zich over de tengere hand, “ik zal u altijd een gehoorzame dochter zijn—en voor Army een trouwe echtgenoote.” Het laatste kwam er aarzelend en zacht uit.

“Een oogenblik geduld, Liesje! Ik wil bij grootmama ons bezoek laten melden,” zeide Army.

Zij knikte toestemmend; hij ging, en keerde spoedig zwijgend terug. Haar hart klopte onstuimig; onwillekeurig vouwde zij de handen, terwijl zij beurtelings rood en bleek werd, en op eens stond alles, wat de trotsche oude vrouw haar had aangedaan, in vlammend schrift voor haren geest, en voor hare oogen verscheen een liefelijk beeld—oudtante Lisette en een vroegtijdig graf op het kerkhof daar boven.

“Mevrouw de barones laat zich verontschuldigen; zij heeft hoofdpijn van daag en kan niemand ontvangen.” Met deze woorden deed Sanna het jonge meisje uit haar koortsachtige gedachten opschrikken.

“Dan laat ik verzoeken, mij morgen een uur te bepalen, waarop ik met mijne verloofde een bezoek kan brengen,” klonk het schijnbaar kalm; maar Army’s oogen zagen de oude meid dreigend aan, wier blik met een uitdrukking bijna van haat op de jonge bruid rustte. Deze had zich onwillekeurig hoog opgericht; Nelly greep hare hand en streelde zacht hare wangen.

“Mama,” begon Army en nam op den stoel naast zijne verloofde plaats, “mijn schoonvader laat u om een onderhoud verzoeken, en het zou zeer vriendelijk van u zijn, wanneer gij heden avond met Nelly in den molen kwaamt, ten einde gemeenschappelijk onze—”

“Zeker, Army, zeker! Ik zou heden toch met Nelly gekomen zijn, ingeval het weder het toelaat.”

“Mevrouw de barones kan vooruit geen tijd bepalen, maar verzoekt mijnheer den luitenant, heden avond een oogenblik bij haar te komen,” luidde het antwoord dat de terugkeerende oude dienstmaagd nu bracht.

“Het doet mij leed, Sanna, maar ik ben heden avond, zooals te begrijpen is, niet vrij, daar wij beneden in den molen onze verloving vieren—hoort gij Sanna, in den molen beneden! Het spijt mij voorts, Sanna, dat de barones hoofdpijn heeft, en wij dus hare tegenwoordigheid bij het feest moeten missen; voor het overige bevelen wij, verloofden, ons aan en wenschen beterschap.”

“Si, Signor!” siste de oude en verdween.

Het bleef stil; Army ging in de kamer op en neer; zijne moeder had het jonge meisje naast zich op de sofa getrokken, en hield hare handen stijf vast.

Vreeselijk zwaar had de boodschap Liesje in de ooren geklonken. Het gevoel van haar pijnlijken toestand drukte haar met zijn geheele zwaarte; zij meende te zullen bezwijken, wanneer haar vader vernam, dat de grootmoeder van haar verloofde haar niet eens had willen zien; en dan nog tante! Maar zij had niet anders gewild; zij zou nooit klagen, had zij beloofd. Ja, als hij haar ten minste beminde, dan—

“Ik moet naar huis,” sprak zij opstaande; zij had een gevoel alsof zij stikken zoude.

“Waarom zoo spoedig?” vroeg Army.

“Ik—ik wil te huis bericht brengen, dat mama en Nelly komen,” stamelde zij. Hij nam zijne muts. “Blijf toch hier!” verzocht zij angstig; “ik kan zeer goed alleen gaan; kom dan later met uwe moeder!”

Hij haalde ongeduldig de schouders op. “Adieu, mama, tot weerziens; adieu, Nelly!” riep hij, terwijl Liesje, haar sluier voordoende, met afgewend gelaat haar de hand reikte.

Buiten gierde nog altijd de storm, en weder gingen zij zwijgend naast elkander.

“Gij zijt te dun gekleed,” sprak Army, en deed zijn mantel af om haar dien over de schouders te hangen.

“Neen, ik ben niet koud, wezenlijk ik dank u.” Hij nam den mantel over den arm en wandelde naast haar voort.

“De weg lijkt een moeras,” begon hij na een poos; “wij moeten trouwens haast aan de plek komen, waar de molenbeek buiten hare oevers is getreden—wacht! Daar zijn wij er reeds; ik zal zien of er niet een pad door het bosch te vinden is.”

Zij zag in de schemering zijn slanke gestalte, die zoekende den weg langs ging; toen kwam hij terug.

“Het gaat niet; het water komt aan beide kanten over de schoenen; ik zal u er over dragen.”

“Neen,” riep zij achteruit tredende, “dat nooit.”

“Waarom niet?”

“Omdat ik niet wil, dat gij u om mijnentwille de geringste moeite geeft; mij hinderen natte voeten niet, zeker niet; wij zijn immers dadelijk te huis.”

Hij antwoordde niet, en de duisternis verborg zijn gloeienden blos; zij voelde zich echter eensklaps door sterke armen opgetild en overgedragen.

“Gij moet mij dit ten goede houden,” klonk het haar koel en bitter in de ooren, toen zij weer op vasten grond stond. “Eene dame kan deze plek onmogelijk zonder hulp voorbij komen.”

Het overige van den weg werd zwijgend afgelegd. Toen zij de huisdeur binnentraden, gluurden nieuwsgierige gezichten der meiden uit de keuken, en kwam tante hun te gemoet: “Wat is dat een weer!” sprak zij vriendelijk, en opende hun de deur der woonkamer.

“Goeden avond, tante,” zeide Army en wilde hare hand vatten, maar de oude vrouw trok ze haastig terug.

“Ga gij maar eerst naar binnen, mijnheer de baron!” antwoordde zij koel, “Liesje zal wel volgen; ik heb haar eerst nog wat te zeggen, en gij zult ook nog velerlei met uw schoonvader te bespreken hebben.” Zij trok het jonge meisje aan de hand mede naar haar kamertje.

“Wij krijgen bezoek, tante,” sprak deze; “Peter moet Army’s moeder en Nelly met den wagen halen.”

“Goed, ik zal het zeggen.”

De oude vrouw ging heen, en toen zij weder binnentrad, viel het flikkerende licht der lamp, die zij droeg op een beschreid gelaat, ’t welk te voren door de schemering onzichtbaar was.

“Gij hebt geweend, tante?” vroeg Liesje en boog zich tot haar over.

“Nu ja, kind, dat gaat zoo—laat dat maar! Ik wilde dezen avond een paar woorden tot u spreken, daar het uw verlovingsdag is.” Zij zette de lamp op de tafel en trad op het jonge meisje toe. “Zie, Liesje, ik heb altijd gemeend, dat een dag als deze vroolijker zou zijn, en gij een minder bleeke bruid zoudt wezen. Het is uw eigen wil, kind; gij zegt immers ook, dat gij gelukkig zijt en hebt uw ouders hunne toestemming op de knieën afgesmeekt; maar mij, Liesje, mij kunt gij niet misleiden; ik weet zeer nauwkeurig hoe het er in dat arme kleine hartje uitziet, en dat doet mij zoo jammerlijk zeer; ik zou haast vergaan van harteleed.”

Zij keerde zich om, ging naar de commode, trok het kleedje, dat er over lag, wat terecht, en deed de laden open en dicht, waarbij haar de tranen uit de oogen op de oude handen vielen; Liesje stond nog zwijgend midden in het vertrek.

“Dat gij zoo stil zijt en zoo strak, kind,” zeide de oude en droogde zich de oogen af, “dat kan mij zoo angstig maken; spreek toch mijn hartedief! Dat verlicht altijd.”

“Wat zal ik zeggen, tante? Ik heb niets, waarover ik graag wil spreken,” antwoordde zij.

“Kom eens bij mij, Lise!” smeekte de oude vrouw, “beloof mij één ding! Als hij ooit vergeten mocht, wat gij voor hem deedt, als hij ooit onvriendelijk jegens u is, en ik leef nog, kind, kom dan bij mij! Dan zal ik met hem spreken, en ten tweeden male zal hij het niet weer wagen.”

Zij lachte slechts. “Maak u maar niet bezorgd, tante!”

“En de oude barones, kind, hebt gij haar gesproken?”

“Neen, tante, ik geloof dat zij mij niet wil zien.”

De oude vrouw stond haastig op, en haar goedig gezicht zag er een oogenblik onbeschrijfelijk bitter uit; zij had een hard woord op de lippen, maar een blik op het bleeke meisje vóór haar deed haar zwijgen. “Hemelsche goedheid,” mompelde zij slechts, “en dat alles zonder liefde!” en weder vulden tranen hare oogen.

Buiten reed juist de wagen dreunend over de brug, om de dames van het slot te halen; tegelijkertijd werd ook de huisdeur opengedaan, en vernam men een luid gesprek en daarop Doortjes beklagenden uitroep:

“Och lieve Hemel!”

“Dat is de oude Thomas uit de pastorie,” zeide tante en opende de deur. Het was zoo; daar stond de oude, kromme man, met de van regen druipende muts in de hand, en Doortje riep tante toe:

“Ach, hoor eens aan, Kareltje van Dominé is gestorven, zoo even; wat spijt mij dat!”

“Karel?” vroeg Liesje en stond eensklaps nevens den ouden man; “Karel?”

“Ja, juffer, om zes uur is hij ingeslapen; ach, juffer Lise, die arme moeder en vader! Het was zulk een prachtige jongen; God, wat is dat een droefheid, daar beneden! Gij kunt het u niet voorstellen!”

Het jonge meisje stond nog met hoed en mantel om. Zonder zich te bedenken, ging zij naar de voordeur.

“Waar wilt gij heen, kind? In dit weder?”

“Ik wil naar oom, naar de pastorie; tante—laat mij, bid ik u!”

En reeds stond zij weder buiten en kampte tegen den wind, om vooruit te komen. De kreten der oude vrouw stierven weg in den storm, en over haar heen bogen zich de takken der elzeboomen aan den ruischenden molenbeek in wilden strijd. Daar kwam haar een wagen te gemoet; zij ging ter zijde om hem voorbij te laten, en zette toen schielijker haar weg voort. Het scheen haar eene weldaad toe, dit stormachtige weder; het was immers eene kwelling naast hem in een dichte kamer te zitten; oogenschijnlijk was het een beeld van zoet geluk, en inderdaad was er geen schaduw van te vinden; hij had haar niet lief; hij had haar alleen om den wille van haar geld begeerd. Het gevoel van blijde opoffering, waarmede zij hem hare hand had aangeboden, maakte plaats voor het vernederende van ’t geen zij geleden had; en hij zelf, die het offer aannam, wat deed hij om die vernedering te verzachten? Was het dan zoo moeilijk, haar goede kameraad te zijn?

Hoe wild schudde de oude linde hare takken, en hoe jaagden de wolken aan den donkeren hemel! En daar beneden in het dorp, in de pastorie, dáár werden tranen geweend, bittere, heete tranen—door wie maar weenen kon!

Maar zij wilde niet, zij wilde immers niet, dat de menschen haar medelijdend zouden aanzien, vader en moeder, tante, zelfs Doortje en Mina—neen, dat was vreeselijk, dat kon zij niet verdragen.

Klonken daar geen haastige schreden achter haar? Ja, en dan de roep “Liesje! Liesje!” Zij stond stil, dat was zijne stem; o, als zij hem nu eens te gemoet kon gaan en zich aan zijn arm vastklemmen kon; als hij nu eens zeide: “Ik maakte mij bezorgd over u, daarom kom ik,” maar neen, vader heeft hem zeker mij achterna gezonden, of misschien zou hij ieder ander gevolgd zijn; hij moest immers in zulk een storm geene dame alleen hebben laten gaan.

“Maar Liesje, ik bid u,” klonk nu zijne stem, “hoe kunt gij in zulk weêr uitgaan! Uwe ouders zijn half dood van angst over u; hier is een doek van tante voor u, en wacht even, de wagen moet aanstonds hier zijn; ik heb gezegd, dat hij oogenblikkelijk zou worden nagezonden. Gij zijt toch nog altijd de kleine goedhartige Lise, wier goed hart in lichte laaie staat bij het ongeluk van vreemden!” vervolgde hij, haar den doek omslaande.

Zij lachte bitter. “De pastoriebewoners zijn geene vreemden voor mij; zij behooren als ’t ware tot onze familie.”

Hij antwoordde niets op dit bitse gezegde; juist kwam ook de wagen en hield bij hen stil. “Mag ik met u gaan?” vroeg hij, haar bij het instijgen helpende, “of wilt gij liever alleen rijden?”

Zij wilde het laatste toestemmend beantwoorden, toen haar blik op hem viel; hij was slechts in zijn rok, zonder overjas.

“Ik wil niet, dat gij om mijnentwille kou vat,” zeide zij zacht, “ik bid u, ga zitten!”

Na een korten rit hield de wagen stil; Liesje steeg alleen uit en trad de pastorie binnen; het was donker in de gang en stil; zij bereikte tastend de deur der woonkamer en klopte aan. Bijna huiveringwekkend luid klonk het, maar geen vriendelijk “binnen” liet zich hooren. Een onverklaarbare angst overviel haar hier in het huis des doods; maar moedig tastte zij verder. Daar was de trap, en hierboven, rechts, het studeerkamertje; zacht klopte zij aan; weder geen antwoord, maar door eene reet scheen licht—zij opende de deur en zag naar binnen; daar zat oom de predikant bij de tafel, het gezicht in de handen verborgen, en vóór hem lag de opengeslagen bijbel.

“Oom! oom!” riep zij snikkend en legde het hoofd op zijn schouder.

“Lise, gij goed kind! Ja, een zware bezoeking is over ons gekomen,” sprak hij ernstig, en streek haar over de natte, bruine vlechten; “en zijt gij in dat weer hier gekomen? Wat zijt gij altijd medelijdend! Nietwaar—onze Karel, Liesje! onze lieve, flinke jongen—o, het valt zwaar, niet tegen God te morren. Mijn arme Rosine! Hij was immers haar trots.”

“Ach oom, oom!” snikte zij diep bedroefd; “waarom is het leven toch zoo treurig, zoo moeilijk!”

“Gij hadt hier niet heen moeten komen, goed kind,” werd haar toegefluisterd, en de kleine vrouw met vochtige, roodgeweende oogen, die binnengekomen was, hief haar hoofd op en kuste haar. “Het maakt u van streek, en gij zoudt ziek kunnen worden.”

“Mag ik Karel niet nog eens zien? ik bid u tante!” vroeg zij nog altijd snikkend.

In de kamer daarnaast lag een bleeke knaap op het sneeuwwitte kussen; zij trad zacht naderbij en staarde op de lieve, welbekende trekken—hoe dikwijls had die mond “tante Liesje” tegen haar gezegd, hoe vaak hadden die groote oogen haar lachend aangezien, en nu zoo stil, zoo stom! De kleine vrouw drukte het gelaat weer in de kussens van het bedje, en de vader stond aan de andere zijde en staarde op dat, wat hem was overgebleven van zijne droomen der toekomst. Liesje’s tranen echter hielden op te vloeien; er straalde zulk een wondervolle vrede van het kinderaangezichtje daar voor haar—hoe schoon moest het zijn, zoo zacht te slapen, met zulk een gelukkig lachje, zonder de smart des levens te hebben ondervonden!

“Ween niet, tante! Hij slaapt zoo rustig! hij ziet er zoo gelukkig uit.” Toen keerde zij zich om en ging langzaam heen.

In het kamertje bleef zij staan. “Oom,” sprak zij zacht en legde de kleine hand op zijn arm, “ik heb een vraag op het hart, die ik niet langer onderdrukken kan.”

“O, spreek, mijn Liesje. Heb ik gelijk, als ik meen dat het u en Army betreft?”

“Ja, oom; o, gij hebt ervan gehoord? Ik kan niet heengaan, zonder dat gij mij gezegd hebt, hoe ik handelen moet.” Zij ging op de kleine sofa zitten. “Mijn vader weigerde zijne toestemming,” vervolgde zij, “en tante zeide, dat mijne vereeniging met Army een ongeluk was voor mij, oom, omdat hij niet aan mij, maar alleen aan mijn geld dacht; vader deed een beroep op mijn meisjestrots.—Eerst voegde ik mij naar zijn wil; het was zulk een verschrikkelijk gevoel dat te ondervinden, ik wilde ook sterk zijn, oom, maar toen—toen kwam zijne moeder en jammerde, hij wilde weg naar Amerika, en toen, oom, voelde ik mij naar hem toegedreven, en ik bad hem, niet weg te gaan; ik was half waanzinnig van angst en smart. Hij moest mij beschouwen als een goede kameraad, heb ik tegen hem gezegd. En toen heeft mijn vader ingewilligd, omdat ik hem zoo vurig smeekte; op mijne knieën heb ik gelegen—ik zou immers gestorven zijn, als Army naar Amerika had moeten gaan, zonder dat ik alles beproefd had om hem te redden; Army weet niet eens welk een strijd het gekost heeft. En nu valt het mij zoo onuitsprekelijk zwaar, als ik naast hem sta; bij elke schrede aan zijne zijde doet mij het hart zoo zeer, en nu komt mijn trots er tegen op, dat ik wel is waar zijne verloofde ben, maar niet zijn beminde. Ach, oom, ik ben zoo ongelukkig!”

Zij barstte in tranen uit en verborg haar hoofd in het canapékussen.

“Kindlief,” sprak de geestelijke, en streek haar zacht over het rijke, volle haar, terwijl hij zich naast haar zette en hare hand greep; “mij schiet een oude spreuk te binnen uit het album mijner Rosine; haar oude grootmoeder schreef die er in, toen zij als jong meisje het ouderlijk huis verliet, om in den vreemde als onderwijzeres in haar levensonderhoud te voorzien. Wanneer gij eens in tweestrijd zijt met uw gevoel, mijn geliefd kind, en beleediging of gekrenkte ijdelheid strijden met den lust tot vergeven, tot liefhebben, laat dan de liefde zegepralen, zelfs al laadt gij den schijn van vernedering op u! Het heerlijkste, het schoonste, wat eene vrouw vermag te doen, is te beminnen, altijd te beminnen, al wordt haar ook ongelijk aangedaan. Heb geduld, kind,” vervolgde hij, toen het meisje hem met oogen vol tranen aanzag, “hij heeft eerst onlangs een bittere teleurstelling ondervonden, en de bewustheid, dat hij een stap doet, die in geen enkel opzicht in zijn voordeel kan worden uitgelegd, zal pijnlijk genoeg voor hem wezen. Hij zal dat overwinnen, en u dankbaar zijn, dat gij hem van schande en gebrek gered hebt en op zekeren dag bespeurt gij een vonkje liefde voor u in zijn hart, dat, door ootmoed en toegevendheid, met onvermoeide voorkomendheid gekoesterd en aangekweekt, eens tot een heldere vlam opflikkert. Maar wacht u er voor, dat gij de zwakke vonk niet uitdooft door uwe fijngevoeligheid; behandel hem als een ziek kind!”

Liesje was opgestaan. “Ik dank u oom!” sprak zij zacht, “en, nietwaar? gij zult mijne ouders en tante geruststellen, dat ik nog gelukkig zal worden? Ik wil vriendelijk en voorkomend jegens Army zijn, en zal mijne gevoeligheid bestrijden. Ach, als vader slechts niet boos op mij en Army wilde zijn! Hij is zoo somber en droefgeestig.”

“Het valt hem moeilijk, niet bezorgd te zijn, mijn kind; gij zijt zijn eenigste dochter, en gij komt in zulke verwarde omstandigheden, in een gansch anderen kring. Maak er hem geen verwijt van, dat zijn voorhoofd zich rimpelt, en evenzoomin uwe tante! De oude vrouw heeft u zoo lief. Zij zullen weder vroolijk zien, wanneer zij u tevreden weten aan Army’s zijde, en dat ligt in uwe macht—gij bemint hem, en gij weet: de liefde duldt alles, zij verdraagt alles, zij hoopt alles.”

“Dat is het rechte woord, oom,” sprak zij met verhelderden blik en reikte hem de hand; “ik zal het tot waarheid maken. Vaarwel, oom! Ik kom morgen terug en—-ach, lieve oom! Karel is veel smart bespaard!”

Buiten bij de wagentrede stond Army; hij hielp haar instijgen en nam nevens haar plaats. Weder reden zij zwijgend door den nacht naar buiten.

“Army,” zeide zij eensklaps en legde hare hand op zijn schouder, “ik was wel ontstemd en onvriendelijk? Vergeef het mij—ik kom zoo even uit een sterfhuis—”

Hij nam hare hand in de zijne en keerde zich naar haar toe.

“Ik heb een verzoek aan u,” ging zij voort, eer hij kon antwoorden. “Gij weet, mijn vader gaf met een bezwaard gemoed zijne toestemming tot onze verbintenis. Vergeef hem Army! Ik ben immers zijn eenig kind—help mij de wolken van zijn voorhoofd verdrijven! Houdt u slechts een weinig, alsof gij mij liefhebt, en laat hem gelooven, dat gij gelukkig zijt! Ik zal het ook doen—ik ben het immers ook,” voegde zij er zacht bij.

Hij zweeg.

“Wilt gij dat doen, Army?” vroeg zij aarzelend.

Reeds rolde de wagen over de molenbrug en het fabrieksgebouw voorbij; hij reed om de kale linde tot voor de huisdeur. Army hield het hoofd afgewend en zag naar buiten. Doortje kwam juist met de lantaarn uit de deur, en liet de wagentrede neer; hij sprong er uit en bood Liesje de hand om uit te stijgen; een trek van diepe ontroering lag op zijn gezicht. Hij zou zich houden, alsof hij haar liefhad! En als hij nu tot haar zei: “mijn hart klopt in waarheid warm voor u, voor u, beminnenswaardige, met het reinste gemoed; ik voel een adem des vredes in uwe nabijheid, die mij de wonden van een onzaligen hartstocht zacht verkoelt,”—zou zij dat gelooven? Dat was immers het ellendigste—hij had haar vertrouwen verloren—

Hij zag naar haar op—hij wilde haar antwoorden; maar wat? Ja, dat wist hij op dit oogenblik niet te zeggen, en reeds boog zich bij het schommelende licht der lantaarn een bekoorlijk hoofd uit den wagen; de kleine pelsmuts zat eenigszins scheef op de zware, bruine vlechten; het fijne gezicht was nog rood van het weenen, toch lag er een zacht beschaamd lachje om den bloeienden mond, dat twee bekoorlijke kuiltjes nog dieper groefde; de oogen echter staarden, als om antwoord smeekend, in de zijne en deden hem getroffen achteruit wijken. Waar had hij ooit zulke oogen gezien? Zij zagen hem zoo smartvol aan, als zochten zij een verloren geluk.—Bijna ontstuimig trok hij haar tot zich, en blikte diep in de droeve sterren, die steeds schitterender werden—

De wagen was weggereden, en Doortje liep haastig uit den storm naar binnen. Het was duister om die beide jonge lieden daar buiten; weder wilde hij spreken, en weder sloten zich zijne lippen. “Zij zou u toch niet gelooven,” sprak hij bij zich zelven.

En zij waagde het niet, het hem nog eens te vragen, toen hij hare handen langzaam losliet. “Hij wil niet liegen,” dacht zij en trad over den ouden drempel; “hij wil niets beloven, wat hij niet kan volbrengen—hij bemint mij immers niet.” En het licht in de stralende oogen verdoofde weder, en zij drukte de beide handen op het hart. “Ach hij bemint mij immers niet!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings