Tiende Hoofdstuk.
Reading edition
Op het slot had de tijding van den dood der gravin Stontheim niet veel droefheid veroorzaakt; de jonge barones en Nelly hadden de gestorvene in ’t geheel niet gekend. Nelly had een krans van immortellen gevlochten en die met eene betuiging van deelneming naar Blanka gezonden, daarop hadden de drie dames zich in rouwgewaad gestoken, om aan den uiterlijken vorm te voldoen, hoofdzakelijk ter wille van Blanka, die, volgens het schrijven van Army, voor een langdurig verblijf op Derenberg kon verwacht worden. Army en haar vader zouden haar vergezellen.
En thans was de dag hunner komst daar. In Blanka’s vertrek waren de ramen wijd open gezet, en de frissche herfstlucht vervulde de weelderige en gezellige kamer; de zon scheen helder op de bleekgroene, zijden behangsels, en op de donzige kussens van dezelfde stof; overal prijkten frisch geplukte herfstbloemen in vazen en mandjes, en Nelly onderzocht zorgvuldig, of het verwende kind ook aan iets gebrek zou kunnen hebben. In haar eenvoudig, zwart wollen kleed geleek zij in dit schitterend boudoir bijna een betooverde prinses, die door het toeval of door een goede fee weder in de prachtige omgeving geplaatst was, waarin zij eigenlijk thuis behoorde. Het ovale, rooskleurige gezichtje kwam bekoorlijk uit bij het zwarte kleed, en de blanke handen, die uit de krippen manchetten te voorschijn kwamen, waren haast te klein voor een volwassen meisje.
“Dit is toch een recht lieve kamer, grootmama,” sprak zij, tot de oude dame opziende, die juist op den drempel verscheen.
“Zeker! maar voor u, mio cuore, zou ik blauw veel liever vinden.”
“O, voor mij!” lachte zij; “ik en een kamer met zijden behangsels en kanten gordijnen! Ik zou mij ongelukkig gevoelen in dezen geur en glans.”
“Gij zoudt het wel leeren, mijn kind, u daarin gelukkig te gevoelen.”
Het jonge meisje keek op; dat klonk zoo ernstig.
“Als mijn kleine Nelly heel lief is,” vervolgde de oude dame, het verbaasde meisje naderende, “en haar best doet, haar onbeschaafde manieren af te leggen, dan geef ik haar misschien zulk een prachtig kamertje tot een Kerstgeschenk.”
“Gij, grootmama?” riep de kleine ongeloovig. “O neen, ik zou veel liever een kamertje hebben zooals Liesje, met wit en blauw gebloemd katoen—dat ziet er zoo beelderig uit.”
De oude barones haalde de schouders op en keerde zich om, want hare schoondochter trad binnen.
“Daar wordt mij een groot pak japonstoffen en stalen gezonden; hebt gij dat besteld?” vroeg zij; “ik denk dat het eene vergissing is, want er zijn zijden meubelstoffen bij, en allerhande dingen, die wij onmogelijk kunnen gebruiken.”
“Ik heb dat besteld, Cornelie,” verklaarde de aangesprokene ongeduldig; “laat die zaken op mijne kamer brengen!”
Nelly vloog heen, om het bevel te volvoeren, en de beide vrouwen stonden zwijgend tegenover elkander.
“Maar,” vroeg eindelijk de jongste, “waartoe is dat noodig?”
“Hebt gij u reeds in den spiegel bezien, Cornelie?” was het bitse antwoord; “in die plunje kunt gij u ter nauwernood aan onze lieden vertoonen, nog minder op eene bruiloft.”
Zij lachte.
“Ik heb reeds inkoopen gedaan, mama; voor Nelly een wit kleed, en voor mij een zwart zijden.”
“Slechtste kwaliteit, dunne taf, paardrijders zijde, zooals men dat noemt, ik ken dat,” antwoordde de dame spotachtig. “Genoeg, het blijft er bij; ik koop, wat ik oordeel dat noodig is—”
“Maar, mama!”
“Gij zult zeker vragen, waar komt het geld vandaan? Hoor eens, Cornelie, die firma heeft vroeger duizenden aan mij verdiend en zal ook nu nog wel de gravin Derenberg krediet geven—dat is voorloopig voldoende; laat mij voor het overige zorgen. Of wilt gij misschien, dat het huwelijk uws zoons plaats hebbe in een ledige zaal, waar de gordijnen ternauwernood nog aan de stokken blijven hangen, omdat zij door de mot zijn verteerd, en de overtrekken der meubels vol gaten zijn, zoo groot als die schotel daar? Uwe schoondochter zou geraakt den neus optrekken, denkt gij dat ook niet?”
“O, daaraan dacht ik niet,” antwoordde de bleeke vrouw zacht, en sloot de deur, daar een koele tocht de zijden gordijnen ver naar binnen waaide. “Ik dacht slechts,” voegde zij er terugkeerende bij, terwijl zij tegen den prachtigen salonvleugel leunde, die Blanka voor den zomer had laten komen, omdat zij, volgens haar zeggen, op het oude klavier in de woonkamer niet kon spelen, “ik dacht, omdat wij zoo geheel en famille zijn—”
“Dat is weer een van uw overdreven denkbeelden, Cornelie! Army is geen weggeloopen knaap, die dáár bruiloft viert, waar hij toevallig een meisje aantreft; hij stamt af uit een der edelste geslachten des lands en zijne bruid is onze bloedverwante; daarom zal ik er voor zorgen, dat deze plechtigheid ten minste naar behooren gevierd worde. Uwe manier van denken over zulke zaken zou van een lam een tijger maken, Cornelie!”
De oude dame ging met een hoogrood gelaat hare schoondochter voorbij en trad aan het venster.
“Ik moet u toch dringend verzoeken, Cornelie,” ging zij voort, “uw burgerlijke denkbeelden in vele zaken te laten varen, wanneer Blanka hier is; zij zouden een uitstekend middel zijn om haar het verblijf hier te verbitteren; zij kan die eeuwige kleingeestigheid en zuinigheid, die zelfs de boter voor iedere boterham afweegt, evenmin verdragen als ik, en voor alle dingen moeten wij nu zorgen, haar vast te houden—vast te houden tot elken prijs. Is eenmaal het ‘amen’ na de inzegening uitgesproken, dan zijn al onze bezwaren uit den weg geruimd.”
Een donker rood had de wangen der schoondochter bedekt, en tranen kwamen haar in de oogen. Voor wie spaarde zij? Voor wie zorgde zij? Waarom ging zij zoo slecht gekleed? Opdat die grillige vrouw dáár zoo weinig mogelijk het drukkende der armoede zou gevoelen, en al was het ook maar gedeeltelijk, zóó zou kunnen leven als vroeger; zij zond elken avond Sanna met thee en koudvleesch naar boven terwijl Nelly en zij zich met een eenvoudige boterham tevreden stelden.
“Nu schreit gij waarschijnlijk ook nog, Cornelie,” klonk weder de stem, die het Duitsch zoo hard en hoekig uitsprak, terwijl zij in hare moedertaal de zachtheid zelve scheen, “misericordia! wat zijn die Duitsche vrouwen toch gevoelige schepsels; ik kan mij zelve haast geen meester blijven, als ik dien tranenvloed zie stroomen; wat ik u zooeven zeide, was slechts tot ons aller bestwil—als gij het maar begrijpen wildet!”
Op dit oogenblik kwam Nelly weder binnen. “Het is al vijf uur, mama, en even na zessen kunnen wij hen verwachten; de tafel is beneden reeds gedekt, en Hendrik zal zoo dadelijk hier vuur aanleggen en de vensters sluiten—ik ben zoo nieuwsgierig,” ging zij voort, “wat zij al te vertellen zullen hebben, hoe Blanka de rouw staat en hoe het testament is uitgevallen.” Zij zag bij deze woorden hare moeder aan en bespeurde de tranen in hare oogen. “Schrei niet, mama!” fluisterde zij, “zoo aanstonds komt Army, onze lieve Army.”
“Het testament?” vroeg de grootmoeder, “mon Dieu, Army de helft, zij de helft en onderscheidene legaten aan oude bedienden, hospitaal enz., en misschien ook aan den overste, die wel opgepast zal hebben ook zijn deel te krijgen.”
“Ja, grootmoedertje, maar weet u nog wel, dat Army ons indertijd vertelde, dat Blanka overal gehouden werd voor de eenige erfgename—?”
“Och kom! Dan staat de zaak nog gunstiger—de man heeft altijd de beschikking over het vermogen zijner vrouw; trouwens, ik geloof het niet; tante Stontheim hield te veel van Army.”
“Maar, wanneer nu het testament eens vóór dien tijd gemaakt is?”
“Dan heeft zij zeker een codicil er aan toegevoegd,” antwoordde de oude dame ongeduldig.
“Wist ik slechts precies, wanneer zij kwamen!” zeide Nelly; “de gewone post komt stipt om half acht aan, maar Army schreef, dat zij met extrapost reisden, en dientengevolge aan het station eerst wat rusten, en tusschen zeven en acht uur, tegen het middageten, hier zouden zijn. Geduld, geduld! Zal ik dat nooit leeren? Zie het heerlijke avondrood, nu wordt het gauw donker; ik verlang zoo naar Army.”
Langzamerhand werd slot en park in duisternis gehuld, en aan den hemel schitterden ster aan ster in fonkelenden glans; in de gezellige woonkamer was de lamp nog niet opgestoken, slechts het vuur in den haard wierp een schemerachtig licht in het vertrek. Moeder en dochter waren alleen: want de oude barones had de kamer verlaten. Het jonge meisje daar in de diepe vensternis staarde met groote, peinzende oogen naar het lichtend gewemel daar boven; zij knielde naast den stoel harer moeder en sloeg den arm om haar heen; de diep bewogen vrouw hield haar zakdoek voor het gelaat; haar borst ging op en neer onder een zacht geween.
“Mijn goed moedertje,” bad de kleine met zoete stem, “schrei uw lieve oogen toch niet rood! Wat moet Army denken, als hij komt? Och! grootmama meent het niet zoo kwaad—”
“Och, Nelly, dat is het niet,” antwoordde zacht de weenende vrouw, “maar reeds den ganschen dag vervolgt mij eene onrust, een angst, die niet te beschrijven is.—God geve slechts, dat den jongen niets is overkomen!”
“Maar, mama,” troostte de dochter en drukte haar blond kopje stijf tegen hare borst, “wat zou hem dan overkomen zijn? Hij rijdt op dit oogenblik zeker in den ouden, gelen postwagen en zit tegenover zijne Blanka, in de aangenaamste stemming die hij wenschen kan; de overste vertelt anekdoten, en zij verheugen zich allen in het vooruitzicht van een warm avondmaal, en van uw vriendelijk gezicht, mijn moedertje.”
De barones schrikte opeens. “Wat scheelt u, mama?” vroeg Nelly angstig.
“Ik meende zijn stap te hooren,” antwoordde fluisterend de moeder; “hebt gij niets gehoord, Nelly?”
“Neen, mama; het is immers ook onmogelijk.”
Het werd stil in het ruime vertrek; de fluisterende stemmen zwegen; niets werd gehoord als alleen het knetteren van het vuur in den haard, en nu en dan een bange zucht uit het beangstigde moederhart. Maar dáár—dáár—ja, dat was zijn stap in de gang; “Nelly,” riep de jonge barones met half gesmoorde stem, en het jonge meisje vloog op en naar de deur, die geopend werd—een man trad binnen.
“Army!” jubelde de zuster. “Army!” klonk het ook van de lippen der moeder, “Army, zijt gij het?”
“Ja, mama,” antwoordde hij met doffe stem, als dwong hij zich met moeite om kalm te schijnen.
“Mijn beste jongen,” zeide de moeder teeder, en omhelsde hem. “Army, lieve Army,” vleide Nelly, “maar zeg, waar is Blanka?”
Hij stond bij den haard, nog met mantel en muts, en het flauwe schijnsel van het uitgaande vuur was niet voldoende om zijne gelaatstrekken te onderscheiden.
“Army,” vroeg nu ook zijne moeder, “waar is uwe bruid?”
“Ik heb geene bruid meer.” Zijne stem stokte van smart.
Nelly gaf een gil van schrik, zijne moeder sprak geen woord; dat was het ongeluk, waarvan zij een voorgevoel had gehad—zij drukte alleen zijne hand vast in de hare, als konde zij hem daardoor onttrekken aan een woesten, naren droom.
“Maak mij niet week, mama!” bad hij en drong haar zachtjes naar een dichtbij staanden stoel, “het helpt niets; hoe kon ik mij ook verbeelden—” hij lachte bitter—“dat zij—steek het licht op, Nelly!” sprak hij toen kortaf, “en bereid grootmama voor! Ik heb niet veel tijd; morgen moet ik weder weg.”
Met bevende handen ontstak Nelly de lamp; haar helder licht bescheen Army’s bleeke trekken; hij stond nog op dezelfde plaats en staarde somber voor zich uit.
“Army, mijn lieve Army!” fluisterde zijne zuster, en sloeg snikkend hare armen om hem heen.
Hij streek haar gedachtenloos over het haar.
“Daar is grootmama!” riep zij toen en liep de oude dame tegemoet.
“Army,” vroeg deze, haastig binnentredende, “wat beteekent dat? Ik wilde Sanna niet gelooven, die beweerde, dat zij u in de gang ontmoet had. Waar is Blanka? Waar is de overste? Wat beduidt het, dat gij alleen—?”
“Dat beteekent,” antwoordde hij langzaam, en op elk woord drukkende, “dat mijne bruid mij heden morgen even voor ons vertrek, genadig heeft ontslagen; zij heeft mij niet lief, liet zij mij zeggen, als grond voor haar plotseling besluit, en, die reden is geldig genoeg, bij God!”
Weder lachte hij spotachtig. De oude dame waggelde achteruit, als van den bliksem getroffen.
“Het is niet mogelijk,” stamelde zij doodsbleek.
“Dat zeide ik heden morgen ook, toen de overste mij dit uiteenzette en verklaarde,” voer Army voort, “en ik heb wel honderd keer de hand aan mijn hoofd gebracht, en mij afgevraagd, of ik ook krankzinnig of iets dergelijks geworden was. Maar neen, het is een feit, Blanka van Derenberg is mijne bruid niet meer.”
“Army, was er dan niets voorafgegaan? vroeg zijne moeder, die als verpletterd in haar stoel zat.
“Wat voorafgegaan was?” antwoordde hij op snijdenden toon. “Ja, de opening van het testament. Blanka van Derenberg is eenige erfgename van het groote vermogen—dat is alles. Waarom zou zij een man huwen, dien zij niet bemint? Maar wees gerust, grootmama—” hij naderde de sidderende vrouw, die zich met beide handen aan een stoel vastklemde, “zij heeft toch een edel karakter; zij vermoedt, dat mijne verloving mij onkosten heeft veroorzaakt, en daarom liet zij mij door haar vader berichten, dat zij bereid was al mijne schulden te betalen. Dat was toch één troost voor den afgedankten bruidegom, voor den dommen jongen, die met dwaze liefde aan dit valsche schepsel hing!”
Hij had gedurende het gesprek met een kristallen bokaal gespeeld, dien hij gedurig ronddraaide; nu wierp hij dien op den grond, dat hij kletterend uit elkander sprong en de scherven over den vloer rolden.
“Army!” klonk het angstig van de lippen zijner moeder, terwijl zij hare bevende handen naar den opgewonden jongeling uitstrekte. De oude barones had zich in hare volle lengte opgericht. “Dat zullen wij ons niet laten welgevallen,” sprak zij toornig. “Blanka erft in ieder geval slechts onder voorwaarde, dat gij haar echtgenoot wordt; ik heb nog een brief van tante Stontheim—”
“Denkt gij dan,” vroeg Army, die in een oogwenk voor haar stond, “denkt gij dan, dat ik haar ooit weer zou willen aanzien? Al lag zij voor mij op de knieën, ik zou haar wegstooten, en al moest ik verhongeren, en gij allen met mij, geen cent nam ik van haar aan; eerder een kogel door den kop.—Ja wel, een kogel, dat zou nog het verstandigste zijn; dat heeft immers mijn vader ook geholpen, zooals Blanka mij zeide, toen ik haar nog eenmaal dringend verzocht, met mij hier op Derenberg te wonen; zij was bang—verklaarde zij—in dit sombere nest, waar de laatste eigenaar zich zelf van het leven had beroofd; ha, ha! Allemaal redenen, waar een verstandig mensch niets tegen zeggen kan!” Zijn stem klonk heesch en half krankzinnig; de felste smart sprak uit zijn ontstelde trekken.
“Mama! mama!” riep het meisje op hartverscheurenden toon, “Army is ziek, hij weet niet meer wat hij zegt.”
De bleeke vrouw stond op van haar stoel, naderde haren zoon en greep zijne hand; zij wilde spreken, maar hare lippen bewogen zich zonder geluid voort te brengen; hare oogen zagen hem zoo smartelijk biddend aan, alsof zij zeggen wilden: heb medelijden met mij, heb ik nog niet genoeg geleden in mijn leven? Hij zag ze niet, die smeekende blikken; ongeduldig poogde hij zijn hand uit de hare los te maken: “het is genoeg, mama! Ik denk niet aan sterven; ik zal leven—voor u. Hier is overigens een brief van den overste voor de baronesse van Derenberg,” voegde hij er bij, een brief uit zijn borstzak halende en die op de tafel werpende, “misschien eene verklaring, waarom het zoo het beste is, en zoo al meer.”
Hij streek met beide handen door zijn donker haar, en ging naar het venster; toen verliet hij haastig het vertrek.
Een oogenblik heerschte er stilte binnen. Het fijne papier van den geopenden brief knarste in de handen der oude barones.
“Zie hier, Cornelie!” riep zij, “daar staat het; wat heb ik u zoo even gezegd?” “Een andere grond voor het verzoek mijner dochter aan uwen kleinzoon,” las zij, “om haar de vrijheid terug te geven, is deze, dat de Derenbergsche betrekkingen haar niet bevallen; het waarom? zult gij mij wel besparen; waarom zullen wij elkander hatelijkheden zeggen, nu wij op het punt staan onze betrekking voor het vervolg geheel af te breken—” “Ziet gij,” viel zij zich zelve toornig in de rede, “dat is het gevolg uwer, het gevolg van Nelly’s onhandigheid in den omgang met het verwende meisje. Daar hebt gij nu de resultaten. Army heeft aan u, aan u alleen, het verlies van al zijne vooruitzichten te danken! O, het is vreeselijk, aan zoovele domme denkbeelden, zulke bekrompen gevoelens geketend te zijn—het ongeluk mijns levens!”
De oude dame balde hare handen en zag met de diepste minachting op moeder en dochter neer.
“Mij moogt gij beleedigen, grootmama!”—Nelly ging voor hare moeder staan, als om haar te beschermen—“maar laat mama er buiten! Vergeef mij dat ik het waag, zóó tot u te spreken! Maar ik kan niet anders. Mama was altijd vriendelijk jegens Blanka, vriendelijker dan gij het geweest zijt. Ik heb Blanka trouwens nooit liefgehad, omdat ik gevoelde, dat zij zich alleen met Army verloofde, omdat tante het wenschte. En nu zeg ik: Army mag God op zijne knieën danken, dat alles zoo gegaan is. En daarom bid ik u, grootmama, krenk mama niet door onverdiende verwijten om der wille van dat valsche, gevoellooze schepsel, dat zelfs onzen vader nog in het graf belastert, en hem tot een zelfmoordenaar—Almachtige God!” viel zij zichzelve in de rede, en was reeds naast hare bewustelooze moeder op den vloer geknield, om te trachten de onmachtige op te heffen.
“O, cielo, cielo!” mompelde de oude dame, “welk een leven, welk een afgrijselijk leven!”—
Middernacht had reeds lang geslagen en nog altijd zat Nelly bij het bed harer koortsige moeder. Zij was de eenige die hare zinnen bij elkander gehouden had bij den treurigen omkeer der zaken. Zij had de afgematte, bewustelooze moeder te bed gebracht, en zooveel mogelijk alle toebereidselen weggenomen, die men gemaakt had om den vorigen avond de bruid van den eenigen zoon te ontvangen. Zij was zacht door de gang geslopen en had aan de deur van Army’s kamer geluisterd; de stappen van den rusteloos heen en weer gaande hadden haar geruststellend in de ooren geklonken. En nu zat zij weder te luisteren naar de ademhaling der koortsachtige moeder, en drukte nu en dan een zachten kus op die magere handen, die zij zoo vast op de snel ademende borst gedrukt hield. De grauwe schemering van den aanbrekenden dag werd door de gordijnen zichtbaar en kleurde zich langzamerhand met een mat rooskleurig licht.
Nelly trad aan het venster; daar beneden lag het park; de bladeren der boomen lagen nat en zwaar op den met rijp bedekten grond; de roode toppen der sorbeboomen kwamen helder uit het herfstachtig gele loof te voorschijn, en over het woud zweefde een fijne, witte nevel, die in de toppen der hooge boomen van het park hing als een lichten, doorschijnenden sluier, door de opgaande zon zacht gekleurd. Moede van het nachtwaken, leunde Nelly met het hoofd tegen de ruiten en sloot de oogen—toen zij op eens het geluid van een verschuivenden stoel achter zich hoorde.
“Mama,” riep zij, toen zij hare moeder met koortsachtige haast het eene kleedingstuk na het andere zag aantrekken.
“Ik heb zoo lang geslapen, Nelly, en heb niet eens Army getroost; het is reeds morgen—neen, laat mij, ik moet naar hem toe; hij mag het geloof aan de menschheid niet geheel verliezen; daar is hij nog veel te jong voor. Houd mij niet terug, Nelly; hij zal niet slapen; men slaapt niet gemakkelijk na zulk een leed.”
Zij gunde het jonge meisje ter nauwernood den tijd, dat zij haar een doek omsloeg en ijlde weg. Nelly waagde het niet, haar te volgen; zij sloop naar de zijdeur en luisterde; daar weerklonk plotseling een gil. Haastig vloog zij de gang door. De deur van haars broeders kamer stond open; daar binnen stond hare moeder, zich bevende aan de tafel vasthoudende.
In een oogwenk overzag zij het vertrek—dáár het oude ledikant, de kussens omgewoeld, op de tafel een half geledigde flesch wijn, benevens een glas; boven de sofa het ledige behangsel; het groote portret, dat daar gehangen had, stond met de voorzijde tegen den muur; daar lagen zijne epauletten naast den degen op een stoel—maar Army—waar was Army?
“Hij is weg!” stamelden de bleeke lippen der bevende vrouw; “hij is weg, Nelly—als hij—als hij evenals zijn vader—?”
“Wat dan, mama? wat dan, om Gods wil?”
“Wanneer hij, Nelly, wanneer hij—o, ik—mijn God!” sprak zij buiten zich zelve.
“Vlieg, Nelly, zoek hem!” smeekte zij haastig, “ik kan het niet; zeg hem, dat hij bij mij moet blijven! Eenmaal heb ik het verschrikkelijke beleefd—eenmaal, dat is genoeg; een tweede maal zou ik het niet overkomen.”
“Mama,” vroeg Nelly in doodsangst, “wat bedoelt gij?”
“Gauw, gauw! ga toch, vlieg! Hij mag niet sterven; hij moet leven. Ga, anders brengen zij mij hem hier ook zoo bleek en bloedend—” zij huiverde en wees naar de deur. Het beangste kind had hare moeder begrepen, en als met gieren-klauwen greep de vrees haar hart aan; zij ijlde weg—waar, waar zou zij het eerste zoeken? Onwillekeurig liep zij de trappen af, de toren deur stond aan; haastig vloog zij over het voorplein, de stenen beren langs, de linden-allée op. De wanhopende gebaren harer moeder, de verschrikkelijke toespeling op haar vader, dit alles wekte bij haar een akelig vermoeden op. Zij drukte de handen op hare borst en stond stil. Waar zou Army zijn?
“Army,” riep zij, maar het was als bleef het geluid in haar keel steken. “Army!”—alles was doodstil rondom haar.
Vochtig en nat lagen de verwelkte bladeren aan hare voeten; een paar kleine vogels fladderden in de takken en keken met nieuwsgierige oogen naar het beangste, jonge menschenkind daarbeneden; “Army!” stootte zij nog eenmaal met alle kracht uit, en daarop een lang aangehouden galm—als een gejubel klonk het; zóó hadden zij elkander als kinderen altijd geroepen; dat moest hij hooren.
Geen antwoord werd echter vernomen; slechts een gefluister ging door de oude lindeboomen, als schudden zij ontkennend de hoofden, om te zeggen: hij is hier niet. Aan den dijk misschien, aan den dijk—dacht zij, en toen zij zich nu door het dichte geboomte voortspoedde, greep haar een nooit gevoelde huivering aan in deze stilte, deze eenzaamheid. Hoe, als zij hem vond? Als hij niet meer hooren kon, dat zij hem riep? Als hij bleek en bloedend—? Haar hart kromp ineen, maar toch schreed zij voorwaarts.
Daar lag het kleine donkere water zoo kalm, alsof er storm noch onweer in de wereld was; waterplanten en verwelkte bladeren dreven onbeweeglijk op de gladde oppervlakte, en de steenen bank aan den oever was ledig. Haastig ging zij verder; de omlaag hangende takken sloegen haar in het gezicht en schudden de dauw in hare blonde haren. De rand van haar kleed sleepte zwaar en vochtig achter haar aan; verder, altijd verder! Angstig zag zij rechts en links, en van tijd tot tijd klonk de naam haars broeders door de morgenlucht. Luister—schreden—! Gejaagd vloog zij verder; daar was het traliehek, de ééne deur was geopend; reeds was zij er doorgegaan—het was een arbeider, die, zijne muts afnemende, haar voorbij ging, de onverwachte verschijning verwonderd aanstarende; toen bleef hij staan; zij had een beweging gemaakt, alsof zij iets wilde zeggen; maar daar zij zweeg, vroeg de man:
“Zoekt gij iets, genadige freule?”
“Och neen, neen, ik wilde met mijn broeder eene morgenwandeling doen—hebt gij hem misschien gezien?”
“Den luitenant, meent gij? Ja, dien ben ik tegengekomen, een eindje achter den lompenmolen.”
“Ik dank u!” snikte zij en sloeg den weg naar den molen in; haastig schreed zij voorwaarts. Daar zag zij het woonhuis reeds; daar lag de brug—voorbij, voorbij! Daar in huis sliepen allen nog. Verder maar! Dáár—almachtige God—daar viel een schot; het klonk haar zoo duidelijk, zoo vreeselijk in de ooren; zij sloeg, onwillekeurig een steun zoekende, den arm om den dichtst bijstaanden boom; toen zonk zij ter aarde. Zij zag niet meer, hoe een oude vrouw, zoo schielijk als hare beenen haar dragen konden, over den molenbrug kwam aanloopen; hoe een goed, vriendelijk gezicht, met een witte muts op, zich angstig over haar heenboog; zij hoorde den hulpkreet niet die over de bevende lippen kwam:
“O, hemel! Nelly, onze Nelly! wat is er nu weder gebeurd?”