← Table of contents
Liesje van den Lompenmolen

Vijftiende Hoofdstuk.

Reading edition

De oude barones verbeidde in haar kamer ongeduldig de komst van haar kleinzoon. Reeds driemaal had Sanna bij de dames beneden naar hem gevraagd, en telkens was zij met het bericht bij hare meesteres teruggekeerd, dat de luitenant nog niet van zijne wandeling terug was.

“God sta mij bij!” klaagde de oude dame, “wat zal er van hem, wat van ons worden? Daar gaat hij in alle kalmte wandelen, zonder er aan te denken, hoe hij den val van het huis Derenberg kan verhinderen; van mij heeft hij waarachtig geen droppel bloed in de aderen—orribille!”

Zij zag naar buiten, naar het park, dat daar in doodsche, kille winterpracht voor haar lag; de middagzon glinsterde op den ijzel der boomen en op den besneeuwden grond. Een doodsche stilte en eenzaamheid heerschten in het rond. Wijd en zijd geen levend wezen! Hoogstens een paar hongerige vogels op de kale stammen! En zoo eenzaam en verlaten was het nu sinds jaren reeds om dit oude slot. Onwillekeurig huiverde zij. “Waarom?” vroeg zij zich zelve af; zij was er immers aan gewoon, zoo vergeten te leven. Maar zij had in den laatsten tijd zoo veel aan vroegere zorgelooze dagen gedacht; en nu zou zij dit zelfde eentonige, wellicht nog ellendiger leven moeten blijven leiden, indien de hertog van R. haar wensch niet vervulde! Neen, neen, dat was immers onmogelijk.

“Als hij niet—” zij balde de kleine vuist. “O die slang, die Blanka!” fluisterde zij somber. Hare trekken helderden ook niet op, toen op dit oogenblik het roode deurgordijn openging en Army binnentrad.

“Zijt gij waarlijk reeds terug van uwe wandeling?” vroeg zij spottend.

“Ik was niet gaan wandelen,” antwoordde hij schijnbaar kalm; maar de oude dame had zijn bitteren toon opgemerkt en zag hem uitvorschend aan.

“Niet? Waar waart gij dan? ik heb reeds drie- of viermaal naar u laten vragen. Een onderhoud met mij was van vrij wat grooter noodzakelijkheid dan dat, wat gij van plan waart. Maar het is nu eenmaal niet anders; gij hebt het karakter uwer moeder; gij zijt ten uiterste onverschillig.”

“Integendeel, grootmama—ik heb juist beproefd een uwer raadgevingen op te volgen; maar de proef mislukte totaal.” Hij streek zich met den zakdoek over het verhitte gelaat, en wierp zijne muts op de tafel.

“Wat?” vroeg zij, “ik begrijp u niet—een mijner raadgevingen?”

“Zeker, ik wilde—ik heb zooeven gepoogd een rijk huwelijk te doen, maar zooals ik zeg—”

De barones deed een stap achteruit en staarde hem aan.

“Gij zijt verbaasd, grootmama, dat is natuurlijk—ik verwonderde mij nog van morgen vroeg, dat gij zelve niet op de gedachte gekomen waart; nu merk ik trouwens, dat gij aan niets minder kondt denken, dan aan een huwelijk tusschen mij en Liesje Erving.”

“Ik geloof, dat gij gek zijt, Army!”

“Hoe dat zoo? Gij hebt mij zelve geraden, mij door een rijk huwelijk te redden, en zij heeft geld genoeg, de kleine; naar uwe meening heb ik niets anders noodig.”

“Daartoe geef ik nooit mijne toestemming,” riep de oude dame buiten zich zelve; “hoe komt gij op zulk eene gedachte? Dat onuitstaanbare ding—uwe vrouw? Het schreit ten Hemel.”

“Ik zeide u immers, dat de proefneming mislukt is,” stelde hij gerust, met zijne vingers door zijn zwarten baard spelende. “Ik heb een korf gekregen, grootmama, een zeer verstaanbare korf; ik verzoek u nu echter niet meer over onverschilligheid te spreken.” Uit zijne woorden sprak diep gekrenkte eigenwaarde.

“Een korf?” vroeg zij verwonderd en ongeloovig; “een korf zegt gij, Army?”

“Ja, zeker; mijnheer Erving verklaarde mij ten eerste dat hij voor zijn kind een man verlangde, die haar liefhad; hij wilde niet, dat zij als een lastige toegift bij haar geld beschouwd zou worden—dat was duidelijk niet waar? Ik kan het den man niet kwalijk nemen; ik gevoelde mij, toen ik voor hem stond, zoo verduiveld verachtelijk, als nog nooit in mijn leven.”

Zijne grootmoeder keerde hem schouderophalend den rug toe. “Hoogdravende praatjes!” sprak zij. “Van de duizend huwelijken wordt er nauwelijks één uit een ander inzicht gesloten; ik verwonder er mij echter over, dat die mijnheer—mijnheer Erving u zulk een antwoord gaf; dat soort van menschen betaalt gaarne driemaal zooveel schulden als gij hebt, wanneer de dochter daardoor mevrouw de barones wordt—daar steekt vast nog iets anders achter.” Zij ging bij den haard zitten en poogde onverschillig in de vlammen te zien.

“Gij hebt volkomen gelijk, grootmama, er steekt nog iets anders achter. Ik beloofde den vader, Liesje in eere te houden, zooveel te doen om haar te beschermen en te verzorgen, als een man vermag, en dat was geen leugen, maar mijn vaste voornemen.”

“Is het waar?” vroeg zij spottend.

Hij werd bloedrood. “Waarlijk!” antwoordde hij. “Of denkt gij misschien, dat ik het meisje, ’t welk mij zoo vol vertrouwen hare hand schenkt, zou laten gevoelen, dat het niet de liefde was, die mij tot haar bracht? En bovenal, als zulk een oprecht, kinderlijk, rein hart mij werd geschonken, als het hare?”

“Ei, ei! waar heeft men zulk eene kennis van harten opgedaan?”

“Gij vergeet, grootmama, dat wij te zamen zijn opgegroeid, en dat ik in den laatsten tijd dikwijls gelegenheid heb gehad, haar gade te slaan—zij heeft van de herfst mama weken lang verpleegd—”

“Zijt gij misschien op de pleegzuster verliefd? Trouwens, de Duitschers vinden eene vrouw het bekoorlijkst in de zieken- of kinderkamer. Hoe het ook zij, het meisje was voor u een sterk contrast met Blanka.”

De jonge man fronste het voorhoofd. “Ik bid u, grootmama, spreek daar niet over,” zeide hij. “Het is volstrekt onnoodig hier vergelijkingen te maken; maar—wij dwalen geheel af. Gij zeidet, daar stak iets bijzonders achter, dat Liesje’s hand mij geweigerd werd; welnu de reden—gij neemt mij niet kwalijk, dat ik het ronduit zeg—is gelegen in ervaringen, die men in den molen bij een soortgelijke gelegenheid vroeger heeft opgedaan; bittere, harde ervaringen die langen tijd rouw over het oude huis brachten; ik zal trouwens mijn best doen, die geschiedenis tot klaarheid te brengen.”

De jonge officier sprak de laatste woorden langzaam en duidelijk uit, en zag daarbij zijne grootmama strak aan. Het kwam hem voor of zij eenigszins verbleekte, maar haar gelaat bleef onveranderd.

“Om het even welke redenen den molenaar bewogen hebben uw aanzoek af te wijzen,” was het scherpe antwoord, “zijne familiekroniek ken ik niet; iedere reden is mij welkom, want mijne toestemming tot zulk een waanzinnig voornemen zou ik nimmer gegeven hebben.”

“Dan zoudt gij mij gedwongen hebben, zonder deze te huwen,” sprak hij kalm. “Gij begrijpt, dat men met zoo iets niet speelt; ik heb het meisje mijn woord gegeven, zij mij hare toestemming, en dat is voldoende. ’t Zou een ander geval zijn, wanneer zij zelve mij geweigerd had. Ik ben echter overtuigd, dat ik hare hand verkregen had, zonder die treurige voorvallen van vroeger; de ouders willen hun kind niet laten gaan naar het huis, waar hun oude vijandin troont—dat zijt gij, grootmama!”

“Ik!” De barones sprong driftig overeind. “Bespottelijk!” vervolgde zij, en liet zich in haar stoel terugvallen. “Die menschen zijn mij steeds volkomen onverschillig geweest, tot op dezen dag—”

Het bleef een oogenblik stil in het vertrek; de oude dame slaakte een zucht van verlichting; de angstige trek, die onder de laatste woorden haars kleinzoons op haar gelaat zichtbaar was, verdween, en vriendelijk—bijna smeekend zag zij hem aan.

“Ik wilde met u spreken, Army,” begon zij ten laatste, “wij moeten samen overleggen; ik heb den hertog geschreven en ben overtuigd, dat hij het geld zal zenden, ik ben echter genoodzaakt, een gedeelte er van voor mij zelve te behouden, de rest is voor u; ik wil hopen dat het voldoende is, om de meest brullende schuldeischers te voldoen. Maar wat dan? En in de eerste plaats wat te doen, als de hulp tegen alle verwachting eens uitblijft?”

“Ik geloof niet aan de bereidwilligheid des hertogs,” sprak hij somber; “maar in het gunstigste geval, zal het nog slechts een druppel water zijn op een gloeienden steen. Mij blijft niets over dan—Amerika.”

Plotseling voelde hij een hand op zijn schouder, en zijne moeder boog zich over hem heen. “Army,” vroeg zij angstig, “wat zegt gij? Wilt gij weg—weg?”

Hij schrikte en greep hare hand; hij wilde haar geruststellen, maar de ontstelde, rood geweende oogen zagen hem uitvorschend aan—hij liet hare hand los en wendde zich af.

“Cornelie, gij weet, dat ik dat onhoorbare, plotselinge binnentreden niet dulden kan,” berispte de oude dame; maar hare schoondochter hoorde het niet; haar hart stond bijna stil door dat ééne vreeselijke woord—Amerika.

“Almachtige God! is er dan niemand, die ons helpen kan? Army, ik sterf immers als gij weggaat!” smeekte zij hem met gevouwen handen. “Dat is het laatste, het zwaarste!”

“Ween toch niet, maak u niet ongerust, Mama!” sprak hij, zonder haar aan te zien; “ik, ik blijf—”

“Neen, neen, ik weet wel wat gij doen wilt; gij wilt weggaan, stil, zonder afscheid te nemen; ik zal eens op een morgen wakker worden, en geen zoon meer hebben; Army, kunt gij dat doen? Kunt gij weggaan, als gij weet, dat gij mij nimmer zult weerzien?”

Bitter en hartverscheurend lijden sprak uit deze woorden.

“Het zou immers niet voor altijd zijn,” antwoordde hij aarzelend;—“ik zou eenmaal weer terug komen; wij schrijven elkander; en—”

Op eens voer de jonge man met de handen door zijn haar. “Mijn God,” riep hij, “ik bid u, mama, maak door uwe klachten de zaak niet nog zwaarder, dan zij reeds is; bedenk toch, ik heb een massa schulden, dat is één feit; ik kan ze niet betalen—dat is het tweede. Ik heb al het mogelijke beproefd, om een uitweg te vinden—het was te vergeefs. Met Nieuwjaar komt de zaak tot eene uitbarsting; er zijn wisselschulden onder; de vesting wacht mij—ik kan niet meer dienen—wat blijft mij anders over? Denkt gij, dat ik daarbij opgeruimd gestemd ben?” Hij verliet haastig het vertrek en wierp de deur dreunend achter zich dicht.

Een oogenblik aarzelde hij; hij verbeeldde zich een gil zijner moeder te hooren; toen haalde hij, verder gaande, een brief uit zijn uniform te voorschijn en opende hem: “Het is zoo; de dans begint,” fluisterde hij, de regels doorvliegende; somber trad hij zijne kamer binnen, en wierp zich in den stoel, die bij den haard stond.

Dezen morgen had er voor hem nog een straal van hoop geschenen—Liesje; de woorden, die zij hem den vorigen avond onder den besneeuwden lindeboom had toegefluisterd, hadden hem als eene boodschap des vredes in het oor geklonken; het waren zulke eenvoudige, kinderlijke woorden geweest, gevloeid uit een zalig, opgeruimd meisjeshart; dat was ware, echte liefde, die hem tegenblonk! Ware liefde? Neen—die was er bijna niet meer. Zij gehoorzaamde haar vader immers zoo gewillig, toen deze zeide: Gij wordt ongelukkig—zie van hem af! Maar hij kon het haar niet euvel duiden; haar vader zal wel gezegd hebben: hij bemint u niet; hij wil alleen uw geld. Dat was al genoeg; maar wat zou dat andere zijn met grootmama? Baron Frits en Lisette! Erving had ze dezen morgen genoemd, toen hij van de voornaamste reden zijner weigering sprak; God weet, wat er is voorgevallen; hij was zeer voorzichtig in zijne uitdrukkingen geweest, maar—er is toch niets meer aan te doen! Hoe spoedig zal men in zijne garnizoensplaats hooren zeggen: “de luitenant van Derenberg is op; hij heeft alles verkwist—natuurlijk schulden, dwaze schulden, dat zit in de familie; zijn vader heeft zich ook doodgeschoten; dat ziet men dagelijks—het is nauwelijks de moeite waard er over te spreken.”

Lang zat hij zoo en peinsde. Zijne moeder! Hij had haar tot steun moeten zijn; ja, zij zou zeker sterven, als hij heenging—en Nelly, die arme kleine—wanneer zij alleen overbleef?—Hij sprong driftig op, en rukte zijne uniform los; midden in het vertrek bleef hij staan en staarde naar den wand; dáár had het portret der schoone Agnese Mathilde gehangen, dat hij uit de familiezaal gehaald had, dewijl het zoo sprekend op haar geleek: hij had het afgenomen en omgekeerd op den vloer tegen den muur gezet, toen zij haar woord jegens hem brak; het stond nog altijd zoo.

Hij ging er heen, nam het op en hing het op zijn plaats; het wonderschoone gelaat, met de diep treurige oogen, zag hem weder zoo vertrouwelijk, zoo onwederstaanbaar betooverend aan—hij stond met over elkaar geslagen armen langen tijd in beschouwing verdiept. Ja, het was de schuld van dit prachtige, goudkleurige haar, dat hij werd wat hij nu was, door een dwaze, onzalige hartstocht. Een oogenblik overviel hem een naamloos verlangen; zou zij een medelijdenden blik voor hem over hebben, zoo zij wist, hoe ver het met hem gekomen was? Hij lachte luid. Neen, die koude, heldere oogen, zij konden niet vriendelijk zien zooals deze; het portret geleek niet op haar, alleen het haar. Een bittere trek vertoonde zich om zijn mond: “Zijn zij zonder nuk,” mompelde hij, “zonder nuk?—geen enkele, niet ééne!” Hij hoorde niet, hoe zijne kamerdeur zacht en aarzelend geopend werd, hoe een bleek meisjesgezicht onzekere blikken naar binnen wierp, hoe een slanke gestalte hem zacht en beschroomd naderde. Midden in het vertrek stond zij stil; hare oogen staarden stijf op het goudkleurige vrouwenhoofd, waarop de jonge man nog onbeweeglijk zijne blikken gevestigd hield; onwillekeurig maakte zij eene beweging om zich te verwijderen, toen hij zich omkeerde.

“Liesje!” stamelde hij, “Liesje, gij hier?”

Zij zweeg; maar zag hem bedroefd aan.

“Wat wilt gij, Liesje?” zeide hij, “zocht gij Nelly? Zij—ik weet niet of——”

“Neen,” antwoordde zij, “ik kom om u.”

“Om mij?” vroeg hij zacht.

“Ja, ik—de angst dreef mij hierheen, Army. Uwe moeder was bij ons en vertelde, dat gij wildet—O, ga niet heen, Army; ga niet heen! ik overleef het niet,” kreet zij, en sloeg de handen voor het gloeiende gelaat.

“Vraagt gij mij dat, Liesje? En toch hebt gij mij dezen morgen laten gaan?” vroeg hij bitter.

“O, het deed mij zoo oneindig leed, dat gij heengingt, Army; maar duizendmaal meer grieft het mij, dat gij mij niet liefhebt, dat gij mij alleen wilt, om—-”

“Dat heeft uw vader u gezegd, Liesje!”

“Ja! En is het niet waar, Army? En hoewel ik nog twijfelde—toen uwe moeder straks bij ons kwam, om hulp te vragen aan mijn vader, opdat gij niet zoudt behoeven weg te gaan, de wijde wereld in, toen moest het mij duidelijk worden, moest ik wel gelooven, waartegen mijn gansche hart zich verzette.”

“Heeft zij bij uw vader voor mij gebedeld?” vroeg hij luid en heftig. “Dat is sterk.”

“Zij heeft u zoo lief, Army; en zij wist immers niet, dat gij mij—dat mijn vader—” zij zag hem angstig, smeekend aan. “Ga niet heen, Army, ga niet heen—”

Daar stond zij voor hem; bekoorlijk en eenvoudig zag zij er uit in haar korenblauw kleed; de wimpers diep neergeslagen, in maagdelijke verwarring; hare borst bewoog zich ontstuimig uit angst voor hem, uit opgewondenheid over den stap, dien zij gedaan had; een harer lange vlechten was door het haastige loopen losgegaan en hing over haar schouder; zij bespeurde het niet; zij strekte de sidderende handen, gevouwen, smeekend naar hem uit, en hij waagde het niet die te grijpen.

Dat was zij immers, in den liefelijksten vorm voorgesteld: de groote, alles overwinnende liefde van een vrouwenhart, waaraan hij zoo straks nog getwijfeld had!

“Wees niet trotsch, Army!” kwam het eindelijk met moeite over hare lippen, “om den wille uwer moeder en van mij. Ik zou immers mijn gansche leven lang diep ongelukkig zijn door het bewustzijn, u niet gered te hebben. Wij zullen goede vrienden zijn, goede vrienden, zooals vroeger, Army—-”

Eene lange pauze volgde; hij zag met afgewend gelaat voor zich, de armen stijf over de borst gekruist. Zij zag hem vragend aan; langzamerhand bedekte een gloeiend rood haar gelaat, de gevouwen handen lieten los en een paar groote tranen rolden over hare wangen. Een pijnlijk gevoel van schaamte vervulde brandend heet haar gemoed, en benauwde haar; zij keerde zich om en trad naar de deur. Buiten hoorde zij voetstappen; vlugge, welbekende voetstappen. Angstig dwaalden hare oogen door de groote kamer, en bleven op de zijne rusten; ademloos bleef zij staan. “Tante,” fluisterde zij, “zij zoekt mij.”

Maar op hetzelfde oogenblik stond Army naast haar en sloeg zijn arm beschermend om haar heen; verlegen en angstig zonk haar hoofd tegen zijn schouder; zij dacht, dat men het luide kloppen van haar hart moest kunnen hooren; daar ging de deur open; onwillekeurig vlijde zij zich dichter tegen hem aan, in de verwachting, een welbekende stem toornig en verwijtend te hooren spreken. Maar alles bleef stil; de oude vrouw op den drempel stond onbeweeglijk, de oogen met een smartelijke uitdrukking op het tooneel vóór haar gevestigd; dáár in het hooge, halfdonkere vertrek, juist onder de groote, uit hertenhorens vervaardigde lichtkroon, stond een jeugdig paar; hij had haar den arm om de tengere gestalte geslagen en drukte haar vast aan zich; somber zag hij naar de oude vrouw, als was hij boos op de stoorster; ’t was een toonbeeld van het reinste geluk.

“Dus is het toch zoo! Tegen liefde en dood is geen kruid gewassen.” Zij had er een voorgevoel van gehad, toen Liesje zoo haastig het huis verliet; zij was haar nageijld; maar wie kan met vijf-en-zestig jaren nog loopen, als een jong lichtvoetig ding; zij kwam te laat! te laat! Het arme kind was met open armen in haar eigen ongeluk geloopen.

“Liesje!” riep zij op een verwijtenden toon.

Het meisje zag op en maakte zich los uit Army’s armen.

“Och, knor niet,” smeekte zij zacht, “ik kon niet anders, tante,” en stak de handen naar haar uit. Zij trachtte daarbij te lachen, maar het lukte niet—met geweld kwamen de tranen voor den dag; hartstochtelijk sloeg zij de armen om den hals der oude vrouw, en snikkend klonk het nogmaals van hare lippen: “Ik kon immers niet anders, tante—ik kon niet!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings