VOORREDE.
Reading edition
De énige fout van het materialisme, waarmee het staat en valt, is het materie-realisme, een fout, die het met zijn dualistiese bedillers gemeen heeft. Die blijven meestal even ver beneden het materialisme als zij zich verheven wanen boven deze „denkwijze van oppervlakkige en vulgaire geesten”. Immers zij missen dan onder meer het wetenschappelik inzicht der materialisten, dat er voor de geest, voor het bewustzijnsleven als zodanig, in de ruimtewereld geen plaats en geen taak te denken valt, een inzicht, dat tot de wanhopigste pogingen leidt, de geest bij de natuur in te lijven en daardoor, naar een gelukkige woordspeling van Prof. Bolland, te verzaken. Terwijl het realisties dualisme dan vergeefs worstelt met de onmogelikheden der wederzijds-causale verhouding, „Wechselwirkung”, tussen psyche en physis, en aan natuurwetenschappelike beginselen als de „gesloten natuurcausaliteit” en het „behoud van energie” langs velerlei sluikwegen tracht te ontsnappen, blijft het psychophysies parallelisme zijner „monisties”-gezinde tegenstanders bevangen in een epiphaenomenalisme, dat geen raad weet met zijn eigen, trouwens zelden doordachte, consequenties: enerzijds de invloedloosheid van alle bewustzijn, van heel de kultuur, van het Denken, het Gemoedsleven en het Willen op alle wereldgebeuren, zelfs op de objectieve voortbrengselen—naar men moest menen—van wetenschap en kunst (wiskunde-boeken zonder kennis of besef en schilderstukken zonder zinnen of gevoel ontstaan!) en anderzijds de onverklaarbaarheid en tegenstrijdigheid van een blijkbaar evolutie-produkt zonder mogelike selectoriese waardij!—Uit al deze aporieën en antinomieën over en weer bevrijdt volkomen en uitsluitend de kennisleer, wier „kritiek” het materie-realisme als onbewust dogmatisme kenmerkt en uitdrijft.
De zuiver theoretiese kennisleer, die niet preekt en niet schimpt, niet verlokt noch verdicht, maar betoogt en bewijst.
Hoe triest is zelfs die agnosticistiese blijmoedigheid van een Lange, die zich met het surrogaat der „Dichtung” moet behelpen in de „gemeine Wirklichkeit” van zijn ruimtelik „Heelal”, waaruit hij geen Ueberweg, geen Strauss terecht kan helpen; die zich zelf aan materialisme en fatalisme moet overgeven, zolang hij „nur Wirkliches gelten lasst”. Onze anti-realistiese kritiek daarentegen behoeft slechts te laten gelden wat werkelik is—om ook Lange’s „idealisties” psychophysies materialisme te boven te komen.—Juist de „Wirklichkeitserkenntnis nach den kausalen Relationen”, door Dilthey’s naturalisme-tegen-wil-en-dank ter hantering afgezonderd voor de materialisten, voor Comte en Avenarius, overwint het materialisme, overwint Comte en Avenarius.
„Kritiek contra Materie-realisme” is een species van het genus kritiek contra dogma. En zolang die twee tegenover elkander staan als vuur en water, zolang waar en onwaar, echt en vals elkaar uitsluiten, zolang zal de wijsbegeerte de moed en de kracht moeten hebben, de blaam der „eenzijdigheid” te trotseren. Onverdraagzaamheid is de oude zonde van bekrompen zielen.… jegens mensen, dragers van ideeën; verdraagzaamheid is de moderne zonde van ruime geesten.… jegens ideeën zelf.
Tegenover het materie-realisme wordt hier de verdediging ondernomen „der grössten Narrheit, die je ein Menschenhirn ausgebrütet hat, des philosophischen Idealismus, der die Existenz der materiellen Welt leugnet”, dus van het „immaterialisme” van Berkeley, dat slechts daarom zo „onwederlegbaar” is, als Hume en de beste kritiese denkers het hebben bevonden, wijl het.… gelijk heeft. Wij „loochenen” dus het „bestaan” van de materie, van de natuur, ons eigen lichaam incluis, si quis unquam philosophus. Maar wacht nog even met uw spot. Ten volle geldt, wat Berkeley’s uitgever Fraser in zijn Preface voor de „Three Dialogues between Hylas en Philonous” van 1713, „the gem of British metaphysical literature”, omtrent B.’s waarnemings- en materie-leer opmerkt: „The history of objections to the doctrine is very much a history of its misconception”. Sinds Kant zelf Berkeley miskend heeft, pleegt Kant-orthodoxie de neus op te halen voor „de goede bisschop”. Daarom acht ik het eer en plicht nu eens juist op de overeenstemming tussen Berkeley en Kant, trots alle verschil, de volle nadruk te leggen. Want Berkeley blijft, boven alle quasi-Kantiaanse „Ansich”-verzakers, de grote bereiker der object-immanentie, aanvaard en verdiept door het „vorm”-idealisme van Kant, op zijn beurt element van het zuiver psychisme van Heymans.
Op Kant’s eigen waarnemingsleer is Fraser’s woord zeker niet minder toepasselik.—Die kritiserende Kant-misvatting, speciaal van het moderne realisme, als zodanig te onthullen en uit de weg te ruimen, zal een aanmerkelik deel zijn van mijn taak.
Geen nieuwverzonnen filosofies stelsel, geen nieuwbedachte kennistheorie wordt hier geboden. Dat hoorde bij de tijden, toen er filosofen waren bij de vleet (en men filosofieën voor ’t „kiezen” had), maar de filosofie niet bestond.
Nu, dank zij de kennisleer, ook de wijsbegeerte methodies zich heeft opgewerkt tot exacte wetenschap, mag zich voorlopig tevreden stellen wie het inzicht, tot dusver door de mensheid in haar beste denkers en vorsers bereikt, nu juist niet reeds te boven gaat, maar slechts verworven heeft, om het te bezitten. Groot en heerlik is deze geestelike verworvenheid, te danken aan de kennisleer als wetenschap der wetenschappen, als zelfbesef der waarheidsvorsing, aan niets en niemand rekenschap schuldig dan aan zich zelf, autonoom en soeverein. Beati possidentes—maar hoe gering is tot nog toe hun getal. Zo goed als ieder zijn proza spreekt, zo goed heeft ieder zijn kennistheoreties en metaphysies standpunt. Toch zijn er leken in kennisleer en wijsbegeerte in ’t algemeen, als in elke andere wetenschap. Zelfs zijn het niet maar de eerste de beste, doch ook de eerste en beste geesten,.… op eigen gebied, bij voorkeur dat der natuurwetenschappen of van de godgeleerdheid,.… die in volkomen „naiveteit”, als volslagen leken, het onvervaard opnemen tegen de dwaasheden der grootmeesters zelf, die toch ook specialiteiten zijn, zij het dan ook van het niet-speciale. Pour savoir une chose il faut l’avoir apprise, al heeft de wijsbegeerte, als elke wetenschap, misschien zelfs boven elke wetenschap, haar ontdekkers, genieën die vinden, wat de mensheid sinds heeft te leren, en al is hier misschien meer dan elders het weten niets, het begrijpen alles. Met dien verstande, dat er veel besefloos weten is—„In einen hohlen Kopf geht das meiste Wissen”—maar geen onwetend begrijpen. Zonder kennis geen begrip. Maar is dan in deze zin de wijsbegeerte leerbaar, begrijpbaar voor een „gewoon mens”? Zij mag haar graden kennen van aanleg en begaafdheid—ik geloof inderdaad, dat de duisterheid minder eigen is aan de filosofie dan aan de filosofen. Duisterheid en diepzinnigheid zijn twee. Menig brakke sloot schijnt bodemloos diep omdat hij troebel is—menig diepe beek is doorzichtig tot op de bodem. En nog heden leeft Schopenhauer’s inktvis, die zich in een wolk van zelfgeschapen duisternis hult onder de leuze: mea caligine tutus. „Frauen sind abweisend, um anzuziehen, Philosophen dunkel, um erklärt zu werden,” luidt § 133 van Paul Rée’s grimmige „Eitelkeit” en § 83: „Den Philosophen ist weniger daran gelegen, verstanden als bewundert zu werden. So erklärt sich ihre Dunkelheit.” Hoe aanvechtbaar deze „verklaring” ook zijn mag, die stellig heel wat onmacht stempelt tot kwade trouw, zij bevat het element van waarheid, door Vauvenargues gevoeld: „La clarté est la bonne foi des philosophes”. Het armzaligste heuveltje, mits maar steil genoeg, is te verheven voor de voetganger, die langs ’t glooiend bergpad de hoogste toppen bereikt. Zulke paden naar boven te wijzen en te banen zal mijn doel zijn.
Het subjekt der natuur bestaat evenzeer, dus evenmin, als de natuur. Ziedaar een slotsom van materie-kritiek, zoals ik die ergens in mijn vertoog heb geformuleerd, die zonder toelichting zeker door de meeste lezers evenmin zou worden begrepen als aanvaard. Mijn eerzucht hieromtrent zal echter juist en eerst dan ten volle bevredigd zijn, als mijn uiteenzettingen en verklaringen ieder hunner van deze tweeledige waarheid hebben doordrongen. Dan heeft mijn geschrift het zijne gedaan, om wat tot nog toe de dwaasheid van enkelen was, te maken tot de wijsheid van allen, d.w.z. van alle ernstige, redelike zoekers der waarheid.
Oorspronkelik was mijn verhandeling bedoeld als kennistheoretiese inleiding tot een eerlang gereed rechtsgeleerd proefschrift over de Grondslagen van het Strafrecht, speciaal over de Vergelding. Maar toen ze ging uitdijen tot de onderhavige, didakties-polemiese kritiek, die tot het recht in weinig nauwer verband staat dan tot de geesteswetenschappen als zodanig, besloot ik tot afzonderlike uitgave. Zo zij die ontstaanswijs mede verontschuldiging voor het rhapsodiese van de bijgevoegde Opmerkingen, waarvan het materiaal systematieser verwerking en uitwerking vraagt, maar ook in deze vorm tot nader oriëntering dienstig moge blijken.
Al mag ik van geen hoogleraar der wijsbegeerte mij leerling noemen (slechts van Prof. Bellaar Spruyt heb ik enkele colleges kunnen bijwonen, waarvan de waarde mij destijds door nog onvoldoende voorbereiding wel grotendeels moest ontgaan) en al vindt ook een „leerling” zijn weg in de wijsbegeerte niet dan zover hij „autodidakt” is,—wie ik als meesters dankbaar vereer moge mijn werk getuigen.
Door dicht kreupelhout van misvatting en verwarring hebben wij ons opwaarts pad te zoeken; soms moeten wortelen van eerbiedwaardige woudreuzen uit de weg gehakt, ook al is hun schoonheid ons niet ontgaan of al is ’t voor nòg zo velen in hun schaduw zoet rusten. En van vergezichten zullen we weinig genieten onderweg, maar eenmaal boven wellicht des te meer.
Mijn kritiek zal helaas Hartmann zelf niet meer bereiken. Of ze hem van ongelijk had overtuigd? In elk geval, zijn werk met z’n geweldige werfkracht leeft voort, en mocht niet onbestreden blijven. Maar laat ik hier in mijn eerste geschrift het slotwoord der voorrede uit zijn eerstelingswerk tot het mijne mogen maken: „Wem die Resultate der vorliegenden Arbeit anmassend erscheinen möchten den erinnere ich daran, dass es keine andere Pietät gegen die Heroen der Wissenschaft gibt als die, ihre Erzeugnisse sorgfältiger als die jedes andern zu prüfen.”