← Table of contents
Hilda van Suylenburg

Front matter (continued 9)

Reading edition

Gladys zweeg even, uitgeput, met een hijgenden snik.

„Lieveling, dearest, er is niets geen grond voor je angst,” zeide Maud. „Waarom zou je ’r niet even goed doorkomen, als de twee andere keeren? Maar als het je rust geeft, maak dan een testament waarbij je mij wettelijk benoemt tot hulp en raadsvrouw van je man. De groote jeugd van de kinderen en daardoor de behoefte aan vrouwelijk toezicht zullen die beschikking in ieders oogen volkomen motiveeren.”

„Dat kan niet Maud.”

„Ja zeker, het kan wèl! Ik heb het nog pas, bij den dood van mijnheer Banckhorst gehoord, die had ook aan z’n vrouw, omdat ze zoo ziekelijk is, een raadsman toegewezen, om haar te helpen, haar zes jongens groot te brengen.”

„Waarom niet?”

„Omdat ze maar ’n vrouw is!”

„Hoe bedoel je? kan een moeder .…? Maar dat is belachelijk!”

„Nee, het is niet belachelijk, ’t is afgrijselijk!” zeide Gladys, en ineens zich opwindend, terwijl twee brandend roode plekken zich op de magere wangen teekenden: „Versta je, Maud? Frederik heeft ’t recht mij bij zijn dood den eersten den besten man, die hem in z’n hoofd komt toe te voegen als raadsman, zonder wiens toestemming ik niets met mijn eigen kinderen doen kan! Maar ik .… de moeder, die hem onmachtig, en .…”—de emotie sleepte haar mee het lang gezwegen smartelijke uit te spreken—„en onwaardig weet om hen op te voeden, ik ben machteloos!”

Met een kermenden kreet kwam ze plotseling overeind:

„O! Maud, laat ik maar naar boven gaan .… Het oogenblik .… zal gekomen zijn. Is Frederik niet thuis?”

Maud legde haar arm steunend om de jonge vrouw, en schudde het hoofd. Voorzichtig bracht ze haar in bed, met teere woorden uit haar kindsheid.

Maar het oogenblik was nog niet gekomen. Gladys viel in slaap en na een paar uur werd ze veel kalmer wakker, met iets zelfs van den ouden moed.

Toen had Maud het haar gezegd, het ongeluk van Frederik, want het was avond geworden, en Gladys had telkens gevraagd, met angstigen argwaan „of Free niet thuis was komen eten, en of Maud niet wist waar ie was.”

„O! het beteekent niks!” zeide Maud geruststellend, „de menschen, die hem hebben gevonden, wisten natuurlijk niet waar ie woonde, en hebben hem naar ’t ziekenhuis gebracht, en daar moet ie vannacht nou wel blijven, maar ’t zal wel gauw over zijn.”

Gladys zeide niets. Met krampachtig vast gevouwen handen lag ze achterover, heel bleek.

Toen, tegen elf uur werd er gebeld. Het was een particulier briefje van den dokter van ’t Ziekenhuis, een vroegere clubgenoot van van Praege, die als vriend bij hen aan huis kwam, om Gladys te waarschuwen dat er onmiddellijk gevaar was en te vragen of er geen mogelijkheid bestond dat ze nog kwam.

Maud was naar beneden gegaan, en las het briefje in groote verslagenheid: „men mocht het immers niet wagen, ieder oogenblik kon voor Gladys het moment dáár zijn.”

Met loome voeten ging ze de trap weer op. Door het stille huis, waar iedereen waakte in angstig wachten, zweefde als een ongeluksbedreiging.

Gladys zat overeind toen ze binnen kwam, met starende oogen vol vreemde ontzetting. Met een ongeduldig gebaar wees ze de baker om naar de andere kamer te gaan:

„Wat was die bel?”

„Niks kindje, een vergissing, geloof ik.”

„Nee, nee, Maud, het kwam van Frederik. Hij is zeker gevaarlijk! O! nee, bedrieg me maar niet! En ie gaat sterven en ik ook! En weet je wat er gebeurt met mijn kinderen? De aangewezen persoon om hun voogd te worden is natuurlijk Henk! .… Natuurlijk, de eigen broer van den vader! ’n voorname Meneer, een geacht ingezetene! Groote God! en z’n eigen natuurlijke kinderen laat ie in de ellende, en z’n gedrag is altijd horrible geweest! maar heel deftig, in stilte! En dat wordt de voogd van mijn kleintjes!” Ze snikte, met wringende handen.

„Nee, Glad, m’n lieveling, wees toch niet zoo bang! Ik zal immers voor ze zorgen, als jullie heen moest gaan. Ik beloof het je immers, ik zal voogdes worden!”

„Dat kan juist niet! Als dat kon was het alles goed! Maar het gaat niet. O! mijn God!”

„Waarom niet, dearest? Omdat ik misschien Amerikaansche ben? Maar als het moet, zou ik me immers dadelijk laten naturaliseeren. Ik wil alles voor je doen .…”

„Nee, Maud, het kan niet omdat je vrouw bent!”

„Vrouw ben?” herhaalde Maud.

„Ja, de wetten hier, vinden een wilden, ongetrouwden cavalerieofficier veel beter om zoo’n paar teere plantjes aan toe te vertrouwen, dan de eigen zuster der moeder. Is het niet om krankzinnig te worden? O! Maudy, maar je zult ze toch niet verlaten?”

„Dus, bij gebrek aan bloedverwanten, zou je staljongen nog eerder de voogdij over je kinderen kunnen krijgen dan ik, de gestudeerde vrouw, de eigen tante, die haar leven voor zulke kleintjes geven zou? Maar in hemelsnaam, zijn die Hollandsche vrouwen dan zoo slaperig, dat ze zoo iets dulden?”

Gladys kreunde, haar gezichtje van heftige pijnen vertrokken. Maar na een poosje werd ze weer kalmer en met beide handen Maud’s hoofd dicht naar zich toe trekkend, zeide ze in ’n haastig gefluister: „Ja, de wetten zijn hier zóo, dat zelfs de grootmoeder, al heeft ze bewezen, door haar eigen kinderen uitstekend op te voeden, dat ze volkomen voor haar taak berekend is, geen voogdes mag worden over de weezen van haar zoon of dochter! Zelfs onze eigen, lieve moeder, Maud, als ze nog leefde, zou geen voogdes van mijn kleintjes mogen zijn! O! weet je, het komt alles voort uit dat ouwe principe, waar we in onze vroolijke meisjesjaren zoo dol om hebben gelachen: dat de vrouw een inferieur, onmondig wezen zijn zou! Maar toen wisten we niet dat het eenmaal zoo’n ramp over ons brengen zou!”

„Lieveling, wind je toch niet zoo op! Denk toch aan je kindje! Willen we samen nog es bidden, zooals vroeger, toen we klein waren?”

Gladys schudde heftig het hoofd.

„Ik kan niet, Maud, ik ben te wanhopend! O, jij bent veel beter dan ik! Jij kon altijd je verdriet uitstorten aan God en dan getroost zijn, maar ik kan niet .…”

„Toe probeer het es, lieveling. Het zou je zoo’n rust geven, als je je kleintjes in Zijn liefde kon aanbevelen .…”

„Och Maud, er zijn immers zooveel kinderen verloren gegaan, die door hun stervende moeders aan God waren opgedragen!.… En God heeft jou immers gegeven, ’n verstandige, heilige vrouw, om voor ze te zorgen! Wat kon Hij meer doen? Hij kan het niet helpen, dat de domme menschen, met hun schandewetten, je krachteloos hebben gemaakt! Maar niettegenstaande alles, Maudy, beloof je me dat je over ze waken zult?”

Rillend kwam ze overeind en bedekte Maud’s handen met kussen.

„Ik beloof het!” snikte Maud en een oogenblik hielden zij elkaar vast en weenden samen in nameloos leed.

„Bedaar toch, liefste! Maar je zult immers niet sterven, en voor Frederik is toch ook nog hoop!” „Ja, we zullen wèl sterven!” zeide Gladys sidderend. „Ik voel het! Maar ik zal je wat zeggen, Maud!.…”—Haar oogen waren heel donker en fonkelden diep in de holle zwarte kringen, en een huiveringwekkend pathos was in haar op dit oogenblik.—„Als de vloek van een stervende moeder iets beteekent, Maud, zeg het haar dan, dat ik ze vloek, hier, op mijn weeënbed, de jonge vrouwen, die langer onverschillig blijven voor deze schandelijke toestanden. Zeg het haar, dat ik geen rust heb gevonden op mijn doodsbed, omdat ik mijn kinderen niet aan jou kon geven, omdat .… jij van het geslacht der moeders bent. Zeg het haar, dat ik ze vloek! vloek! vloek! als ze niet als eén vrouw opstaan, om verandering in die wetten te brengen!”

„In Godsnaam Glad, wees toch bedaard!”

Maar met een smartgekreun, zonk de jonge vrouw ineens neer. De weeën waren begonnen en er werd niet meer gesproken.

Het was een afgrijselijke nacht, en Gladys’ lijden was ontzettend, en Maud stond er bij, en later Corona, die er bij geroepen was, en zij, die zoovele vrouwen gered hadden, ze waren onmachtig hier.

Gladys kwam bijna niet meer tot bewustzijn, alleen riep ze ijlend, dat men de kinderen weg moest brengen, dat hij, Henk, ze niet vinden kon.

Het was een dood kindje, en tegen den morgen stierf Gladys, en een paar uur daarna kwam het bericht uit het ziekenhuis, dat Frederik van Praege was overleden.

En een oogenblik hield de wereld op met haar lichtzinnig gesnater, een enkel oogenblik was men gefrappeerd door den plotselingen dood van die twee jonge menschen, maar niemand dacht er aan in welke wanhoopsangsten Gladys was heengegaan.

In de Oude Molstraat, in zijn armoedige kamer op de tweede verdieping, waar alles het onderkomene, verlepte had, van achteruitgegane menschen, die sinds jaren, om zich nog even staande te houden, kamers verhuren, zat Moisette voor zijn schrijftafel. Een stapel papieren lag vóór hem, die hij aandachtig doorlas, met nu en dan een kleine zucht van ongeduld. Hij vond het verschrikkelijk vervelend deze soort lektuur, waar hij zich heelemaal niet in thuis voelde, maar een kinderlooze, zeer gefortuneerde nicht in Poitiers, had hem tot haar erfgenaam gemaakt, en hij was nu wel genoodzaakt kennis te nemen van de stukken, die men hem daarover had toegezonden. Telkens dwaalden zijn gedachten echter af; het idee, dat hij nu rijk was, kon hem soms ineens fascineerend overweldigen. En hij dacht aan Hilda. O! hij wist wel, dat zij tot de vrouwen behoorde, wier liefde niet afhankelijk is van een beetje meer of minder geld, maar ’t was toch net of dit fortuin hem dichter bij haar had gebracht. Zij had hem altijd getoond, dat ze niet van hem hield, hij wist het wel, en met razende onrust kwam die zekerheid altijd weer z’n hoopvolle oogenblikken bederven. „Maar tot dusver was ie ook zoo angstvallig geweest. De vrees, dat iemand uit haar omgeving, of zij zelf misschien, hem verdenken zou van onzuivere bedoelingen, van berekening, had hem onhandig en teruggetrokken gemaakt. Maar nu, nu hij haar gelijke was geworden,—want was in deze eeuw geld eigenlijk niet evenveel als geboorte?—nu zou hij heel anders zijn.”

Hij had haar in lang niet gezien! heel zonderling! sinds September niet, en ’t was nu al December. Hij had niet den moed gehad naar haar te vragen, uit vrees dat men zijn geheim zou raden. Een paar oude dames hadden er hem al mee geplaagd, en hij kon het niet hebben, dat onkiesche handen dat teere plekje aanraakten. Zorgvuldig had hij dus altijd vermeden om over haar te spreken, ofschoon hij innerlijk van verlangen getrild had om iets van haar te hooren, en hij overal getracht had haar te ontmoeten. Maar nu zou hij er openlijk voor uitkomen, dat hij haar het hof wou maken. Iemand van zijn fortuin hoefde zich niet meer zoo schuw weg te houden! en hij zou vandaag nog naar mevrouw Cranz gaan en haar vragen waar Hilda toch was.

Sinds Bernard’s declaratie en haar weigeren, wist hij wel, dat zij zelden meer bij de oude mevrouw kwam. Een pijnlijk onderhoud had er tusschen haar plaats gehad. Mevrouw Cranz had dringend gesmeekt dat Hilda op haar besluit zou terugkomen, en zich over Bernard zou ontfermen, Hilda had droevig geweigerd, en ofschoon zij met veel kussen en tranen gescheiden waren, in haar omgang was sinds dien tijd een kleine smartelijke bijsmaak overgebleven, die het Hilda onmogelijk maakte om nog dikwijls te komen.

Maar in elk geval zou mevrouw Cranz toch weten waar Hilda was. Hij had haar het laatst gezien twintig September, op een tentoonstelling in den Kunstkring, en er was toen iets vreemds over haar geweest, alsof ze rondliep in een droom, sterk vervuld van de eene of andere gedachte. Hij had haar zien staan, onbewegelijk, voor een teekening van Thys Maris, een kwartier lang, met een zonderlingen glimlach, en toen heengaan met een diepen zucht en een optrekken van de wenkbrauwen alsof ze worstelde met vragen waarvan ze de oplossing niet vinden kon.

Moisette strekte zijn beenen lang uit onder de schrijftafel, achterover hangend in zijn stoel, de hand onder het hoofd, een beweging van genot om zich aan zijn gedachten over te geven.

„Wat kon bij een jong meisje zulk vragenvol gedroom anders beteekenen dan verlangen naar …? Natuurlijk, ze had Cranz wel geweigerd, omdat .… enfin .… z’n reputatie .… misschien ook ’n wezenlijke antipathie? Maar nu ze zich blijkbaar onbevredigd, zoekend begon te voelen, nu was de tijd gekomen, dat hij, Moisette, te midden van de leegheid van haar meisjesleven zou verschijnen en het zou weten te vullen met nieuwe emoties .…!”

„Dominee, daar is juffrouw Wendelings.”

Hij kwam overeind met een kleinen schok van tegenzin.

„Laat de juffrouw maar even hier naast, in de spreekkamer.”

Haastig begon hij de papieren bijeen te schuiven, en borg ze weg. Toen ging hij naar een hoek van de kamer, waar een kleine deur achter ’n armoedige portière van dunne, vuilbruine stof wegschool, en opende die.

„Komt u binnen, juffrouw Wendelings, kan ik iets voor u doen?”

Hij zei het heel zacht en vriendelijk, juist neerbuigend genoeg om even te herinneren dat hij op een hoogtetje stond.

Bertha zag er slecht uit, en het verlies van haar frischheid maakte haar leelijkheid nog grover. Ze droeg een armelijk rouwtje, uit de half versleten kleeren van haar moeder gemaakt, want in ’t voorjaar, kort nadat zij haar ontslag had genomen van het kantoor, was de oude mevrouw gestorven.

Zwijgend zat Bertha aan de tafel, midden in de kamer, Moisette was tegenover haar gaan zitten en wachtte. Maar verlegen, zenuwachtig de handen in elkaar geperst, bleef ze zwijgen.

„U hebt mij misschien iets te vragen?”

„Ik kwam … u zeggen … dominee … Dominee ik kwam u vertellen dat ik geëngageerd ben.”

Iets warm vriendelijks kwam in zijn gezicht. Niettegenstaande al zijn overtuiging, dat hij goed had gedaan met haar weg te nemen van haar kantoor, was er toch soms in zijn geweten een angstig klein kneepje geweest over haar toekomst.

„Wel, wel, dat vind ik aardig! Dat doet me plezier, juffrouw Wendelings! Ik feliciteer u van harte, en .… wie is de uitverkorene!”

„Mijnheer B. R. Jastens.”

Hij zag haar vragend aan; de naam zeide hem niets.

Toen ging ze voort, heel mat, met verlegen, toonlooze stem:

„Hij woont in de Batjanstraat. Hij is gepensioneerd Indisch Ambtenaar, en hij is negen en zestig jaar.”

Bij ’t zeggen van zijn leeftijd zag ze even schuw op, om te zien welken indruk het op Moisette zou maken.

„Dan is er wèl een zeer groot verschil tusschen u beiden! maar men ziet dikwijls dat dat de beste huwelijken geeft .…”

„O! ja, hij zou m’n vader kunnen zijn.”

Moisette werd onrustig bij de slappe moedeloosheid in haar manieren. Hij zocht om iets hartelijks te zeggen.

„En hebt u elkaar al lang gekend? .…”

„Ja, al twee jaar. Vroeger liep ie me altijd na, maar ’k was bang van hem. En verleden jaar heeft ie me ook gevraagd, maar ’k wou niet. Hij heeft zoo iets engs en dan is er ook nog zoo’n Indisch kind van hem in huis, ’n meisje van veertien, ’n ondeugende kat, en daar was ik ook bang van.”

„En heeft nou toch Amor over dat alles gezegevierd? Kom aan, dat is goed.”

Hij glimlachte, vreeselijk banaal in zijn gewild doen, alsof hij nog in liefde bij haar geloofde. Maar zij antwoordde niet, te gebroken om te reageeren, en slap ineengezakt bleef ze tegenover hem zitten.

Er was een poosje benauwende stilte, toen begon ze, haperend, schuw vlak langs hem heenziende, naar een vlek op het behang:

„Ik kwam u vragen, of u ons zoudt willen trouwen?”

„Zeker m’n kind, zeker wil ik dat doen.”

„’t Is al over veertien dagen, ziet u. U begrijpt .… ik moet nou toch al van hem leenen, want ik heb geen cent meer in huis, en dus vindt ie, hoe eer hoe beter. ’t Pensioen van mama is natuurlijk dadelijk opgehoûen en ik heb haast niks kunnen verdienen; in Tesselschade en Arbeid-Adelt hebben ze me es wat werk gegeven, maar ze vonden dat ’k niet mooi genoeg naaide. Ik kan het ook niet zoo erg goed en ’t is ook zoo moeilijk! En ’t geeft toch nauwelijks droog brood, al kon ik het! En ’k heb zeventig brieven op advertenties geschreven voor juffrouw van gezelschap en kinderjuffrouw en op eén huwelijksadvertentie zelfs, maar d’r is niks op gekomen, en .… nou is dit wel het eenige!”

„Ja, dat is het! En laat het u tot een troost zijn, dat het huwelijk toch ook uw eigenlijke bestemming is. Het is wel jammer, als men het niet met dat zekere enthousiasme aangaat, wat alles gemakkelijk maakt, maar ik verzeker u, wanneer u al uw best doet om een getrouwe, christelijke gade voor mijnheer Jastens te worden, dan zult u daarin een groote satisfactie vinden, zooals elke deugdzame plichtsbetrachting die geeft!”

Bertha stond op, ineens. Een razende verbittering tegen den man, dien zij liefhad, en die nooit iets van haar liefde had willen begrijpen, en nu in dit wanhoopsoogenblik een paar holle zinnetjes over plicht tegen haar durfde .… leuteren, schudde haar even wakker uit haar dofheid van overwonneling. Ze had lust om hem ook pijn te doen, en iets van haar eigen rampzaligheid in hem te zien echoën.

„Weet u dat freule van Suylenburg naar Amsterdam is gegaan om voor advocaat te studeeren?”

De stoot was te onverwacht, Moisette kon hem niet met zijn gewone kalmte van zelfbeheersching pareeren.

„Sinds wanneer? Weet u het heel zeker?”

„Heel zeker! En er wordt verteld, dat ze ’n gelofte heeft gedaan om nooit te trouwen!”

Het laatste verzon ze er bij, terwijl ze het uitsprak. Van nature was ze goedhartig, maar de pijn van dit oogenblik gaf haar een onweerstaanbare prikkeling van boosaardigheid.

„Dus u wilt ons trouwen? Morgen over veertien dagen?”

„Ja, ja, ik kom nog wel es bij u aan, om er over te spreken.”

Hij stond op, zenuwachtig, en liet haar uit op het portaal, en hoorde niet eens den krijtenden snik, die opklonk uit de nauwe, donkere trap toen ze afdaalde. Hij vloog terug in zijn kamer en greep zijn hoed, maar toen zag hij Corona van Oven op den drempel van het spreekkamertje staan.

„O! dokter .… Ik wou juist naar u toe gaan .…”

„U moet me vergeven, mijnheer Moisette, maar de meid liet me daar binnen, en de deur stond aan en .… ik kon niet helpen .… dat ’k hoorde wat hier gezegd werd .…”

Uitdagend stonden zij tegenover elkaar. Een kleine prikkeling van antipathisch aangelegde naturen was er altijd tusschen hen geweest, maar tot dusver, als hun wegen elkaar kruisten, meestal in arme woningen, hadden ze dat verborgen achter gewilde hoogachting.

„U mocht het gerust hooren, het waren geen geheimen; juffrouw Wendelings kwam me vragen om haar huwelijk in te zegenen.”

„Ja, maar hoe kunt u nou toch zoo iets goed vinden? Ziet u dan niet dat het huwelijk, dat dit arme kind gaat doen, prostitutie is?”

„Nee, zulke verbintenissen komen soms heel goed terecht.”

„In negen van de tien gevallen is het ’n zedelijke zelfmoord! Dat „goed terecht komen” beteekent zoo dikwijls in versuffing of verbittering zwijgen! En in elk geval zijn het uit zulke huwelijken, dat de laffen, de cynischen, de gloedloozen, de zwakken d.i. de misdadigers geboren worden! En dat moest u weten, dominee.”

Hij zag haar even strak aan, zonder eigenlijk te verstaan, te veel vervuld van het nieuws over Hilda om te kunnen ingaan op beschouwingen over Bertha’s besluit.

„Is het waar, wat ze straks gezegd heeft over de freule van Suylenburg?”

„Dat ze in Amsterdam studeert? ja! maar .…”

„En u hebt haar dien weg ingedreven?”

„Nee, ik heb haar de richting van den weg alleen aangeduid, maar ze is hem zelf, uit vrijen wil, ingegaan.”

„Ja, dat kennen we, die vrije wil! Denkt u dat ik niet weet, hoe u ’n massa jonge meisjes met stil geweld aan het werk hebt gezet om ze maar van ’t huwelijk af te hoûen? ’k Ben blij dat ik ’t u nu es zeggen kan. Ik vind het onverantwoordelijk!”

„Ik zet ze aan ’t werk, omdat haar leven leeg is: vol van beuzelarij en leeg van geluk. En als ik ze daardoor kan redden van zoo’n huwelijk, waarbij de drijfveer van de bruid meer is verliefdheid op verandering, dan liefde tot haar man, wel des te beter! Maar ik wil ze volstrekt niet van het huwelijk zelf afhoûen. Als ze op haar pad iemand tegenkomen, dien ze liefhebben, dan gaan ze immers van zelf met hem mee! Daar hoeven we heusch geen theorieën over te verkondigen!”

En Corona glimlachte.

Moisette scheen niet te luisteren, opgewonden ging hij voort:

„Maar het wordt tegenwoordig immers ’n rage, dat alle jonge meisjes het huis uit willen, om maar een of ander te beginnen, ook al zijn ze thuis nog zoo noodig! Het is misérable met die emancipatie.”

„U vergist u,” zeide Corona koel. „Dat „thuis zoo heel noodig zijn”, is in de meeste gevallen maar ’n fictie, getuige het feit dat, zoodra er zich ’n huwelijk voordoet, al die bezwaren, die het meisje weerhielden om zich naar hartelust aan ’t een of ’t ander te wijden, dadelijk vervallen! Gewoonlijk beteekent het „thuis niet gemist kunnen worden”, het egoïste verlangen van de ouders om wat gezelligheid om zich heen te hoûen, of wat sleur, of wat angst dat de wereld het gek zal vinden, of er wat achter zal zoeken, als meisjes het huis uitgaan, die ’t niet bepaald voor het brood moeten doen.—Zeker, er zijn gevallen dat er heusch thuis groote plichten te vervullen zijn: bij ziekelijke ouders, of moederlooze broertjes en zusjes en zoo meer, maar gelooft u dan niet, dat, als ik zoo’n geval ontmoet, ik juist de eerste zal zijn, juist in naam van de emancipatie, die ernst en verantwoordelijksgevoel wil, om haar te wijzen op de taak, vlak in haar nabijheid, in plaats van op eene aan den blauwen horizont! Maar u begrijpt toch wel, dat elke vrouw, die toewijding in zich voelt, in zulke omstandigheden van zelf zal thuis blijven! En .… doet zij ’t niet, wel, dan is ’t eenvoudig dat zij nog niet rijp is voor dat zware liefdewerk! Laat haar dan maar gaan, waarheen haar heur lust trekt, om zich zelf te ontdekken; dat zal beter zijn èn voor haar eigen, èn voor haar huisgenooten, dan haar tegen wil en dank thuis te hoûen, zooals dat tegenwoordig nog dikwijls gebeurt! Want plichten, die alleen door vrije toewijding goed zijn te volbrengen, en alleen veredelen, als zij met bewuste zelfverloochening worden gedaan, zijn ’n vloek, en voor ’t karakter ’n groot gevaar, als zij in dwang worden volvoerd!”

Zij zag hem aan, sprekend met groote kracht, om zijn aandacht te trekken, die ze zag dat afwezig was. Ze had zoo dikwijls over deze idées moeten strijd voeren! en zoo dikwijls meisjes zien ten onder gaan, voor wier jonge schouders de taak te zwaar was, of voor haar aard ongeschikt, en die door haar omgeving, zonder het minste gewetensbezwaar, kalm, alsof het van zelf sprak, werden opgeofferd.

Maar Moisette dacht aan Hilda’s belofte om niet te trouwen en Corona’s woorden gingen over hem heen, zonder dat hij ze overwoog.

„Nou goed, het kan ook wel zijn, dat, als ’t er op aan komt, de meeste meisjes thuis gemist kunnen worden, maar het beginsel van de emancipatie: dat de vrouw overal nuttig kan zijn, en niet geboren is uitsluitend voor ’t gezin, blijft afschuwelijk! Of kunt u ontkennen, dat men den laatsten tijd, juist onder de geëmancipeerde vrouwen zoovelen vindt, die niks van het huwelijk willen weten?”

„Vindt u ’t niet heel natuurlijk, Dominee, dat, nu ’t meer algemeen bekend begint te worden, wat ’n schandelijk afhankelijke positie onze wetten aan de getrouwde vrouw toekennen, sommigen zich voornemen er zich nooit aan te onderwerpen? Zulke meisjes trouwen niet of worden vrije-liefdeapostels. Maar vergeet u ook vooral niet, dat er altijd mannen en vrouwen zijn geweest, die geen roeping voor het huwelijk voelden! De millioenen die elkaar in de Bouddhistische en Christelijke kloosters eeuwen lang hebben opgevolgd, kunnen het getuigen, waarom zouên er dus ook onder de „nieuwe vrouwen” niet enkelen zijn die, om de eene of andere reden niet verlangen ’n gezin te stichten.”

„Maar de emancipatie zal het in de vrouw aanmoedigen, dat ze zich aan ’t huwelijk onttrekt! Door de meisjes voor allerlei betrekkingen op te voeden, zal men ze leeren neerzien op het stille werk van de huismoeder.”

Moisette zag haar aan, een beetje bedremmeld om haar zoo eenvoudig zeggen van al deze dingen, die door de dames van zijn gemeente gewoonlijk onder geheimzinnig lachen en kleuren werden verstopt. Maar het gaf hem toch ook een gevoel van vertrouwen, en ineens barstte zijn geheim hem door de lippen.

„En Hilda dan .… Waarom heeft zij dan die gelofte gedaan? Zonder die ellendige emancipatie zou ze nu rustig thuis zijn, vol verlangen en heimwee naar iets anders, en de man die haar liefhad zou dan veel meer kans hebben dan nu .… met al die studies en nieuwe belangen in h’r hoofd .…”

Corona stond op, en boog zich over de tafel naar hem toe, haar groote grijze oogen klaar en strak als in de oogenblikken, dat ze haar patiënten suggereerde.

„Het is niet waar, dat Hilda ’n gelofte heeft afgelegd; dat was maar ’n verzinsel van juffrouw Wendelings. Maar wees voorzichtig, Dominee! Dus u zoudt liever willen dat de freule van Suylenburg nu smachtend zat te hunkeren, om ’n makkelijke buit te zijn voor den eersten den besten, die haar van liefde kwam spreken? Juist zooals op ’n bal de muurbloempjes dadelijk dankbaar bereid zijn, och arme, voor ieder die zich voor een dans over haar ontfermt? Maar ik zal u vertellen wat zij mij gezegd heeft bij het afscheid nemen! „Cora,” zei ze, „er zijn nog velen, die gelooven dat de vrouw geen andere reden van bestaan heeft, dan voor het voordeel of het genot van den man. Deze ontkennen, dat ook wij ’n eigen leven hebben gekregen om het te gebruiken, hetzij in, hetzij buiten het huwelijk, zoo als wij dat, volgens ons eigen geweten en aanleg het beste vinden! Maar het is niet een van dezulken, dien ik mij tot levensgeleider zal kiezen! Eén is er, die zich nu verbeeldt mij lief te hebben, maar hij begeert mij alleen voor eigen genot! Hij zal razend zijn als ie hoort dat ik ga studeeren. Maar ik wil geen man, die ’t hoog in mij zou achten, dat ik werkeloos voortsoezelde tot ’n huwelijk me kwam bevrijden! Ik wil er geen, die me zou wenschen te bezitten, niet door vrijwillige liefde, maar door de afmatting van ’n ouderwetsch meisjesbestaan!”

Moisette zakte in zijn stoel, de handen voor het gezicht. Er was een waarheid in Hilda’s overgebrachte woorden die hem even verbijsterde. Hij worstelde om het neergeknakte zelfvertrouwen te herwinnen, maar er was plotseling over zijn bedoelingen, waarvan hij zich nooit goed rekenschap had gegeven, een licht opgegaan, dat hem deed duizelen.

Dus ze had z’n liefde, die hij meende dat ze nooit begrepen had, wel degelijk geweten! Maar ze had zich van hem afgewend, omdat ze de drijfveeren van zijn strijd tegen de emancipatie onzuiver en onedel had gevonden!

Hij stond op, en rakelde in de kachel, tot de kamer even met akelig krijschend ijzergeluid gevuld was. Zijn voorhoofd was klam van het angstzweet. Hij wilde het zelf nog niet bekennen, en toch drong hem reeds het stoer eerlijke in zijn karakter, om het te belijden, dat Hilda bij intuïtie juist had gezien.

Onder al zijn theoretische bezwaren, was de hoofdfactor van zijn bestrijding altijd geweest een angst van egoïsme dat Hilda zou aangestoken worden en hem dan zou ontglippen. Om haar liefde te veroveren, had hij zich krachteloos gevoeld, hij wist niet waarom, maar hij voelde het altijd weer duidelijk als hij bij haar was, dat hij de tooverspreuk niet kende, die toegang zou geven tot haar ziel. Toen was hij gaan hopen, als bondgenooten, op verveling en onvoldaanheid, die hij wist dat zooveel meisjes tot capituleeren dwingen. Hij had berekend dat die periode zoowat zou intreden in dit tweede uitgaansjaar en dan zou hij komen en haar bemachtigen. Maar nooit waren deze berekeningen in haar grove naaktheid voor zijn geest getreden; in naïef zelfbedrog had hij ze omkleed met mooi klinkende argumenten van allerlei aard, en nu was ze heengegaan! Ze had klaarder in zijn ziel gezien dan hij zelf, en voor goed was ze nu van hem vervreemd!

Corona stond op, iets mompelend dat ze wel es gauw terug zou keeren om de informaties over ’n arm gezin te halen, waarvoor ze eigenlijk gekomen was.

Maar hij hoorde haar niet. Bij de deur stond ze nog even stil en zag om naar de ineengezakte gestalte voor het vuur.

„Arme man! O! al dat lijden! … lijden! … Maar hier was ’t wel heel noodig dat hij, die het laatste jaar met ’n fanatisme, onverschillig voor zooveel ellende, elke verbetering in den toestand der vrouw had bestreden, het in tranen leerde begrijpen dat de tijd voorbij moet zijn, dat meisjes anders dan door eigen, vrijen liefdedrang tot een huwelijk komen.”

Marguérite van Arkel en kleine Rosa van Soeterwolde, Frank’s dochtertje, zaten samen ijverig te werken. Sinds het kind gekomen was, dien zomer, had Marguérite haar intrek bij Corona genomen, om samen met haar de zorgen voor de kleine nieuweling te deelen, en het huisje was gebleken elastiek te zijn, het ging best zoo met haar drieën.

„Tante Maggy, ik heb de postbode zien langs gaan, mag ik even gaan kijken?”

„Zou je niet liever eerst je opstel afmaken?”

„’t Is bijna af, en tante Cora heeft gezegd dat er vandaag weer ’n mailbrief kon zijn. Mag ik even gaan zien? Toe, ik heb zoo’n idee dat er iets van paatje is.”

„Nou ga dan maar even.”

Marguérite zag haar glimlachend na. Het was een mooi, elegant kind, met trotsche bewegingen. Alles in haar beloofde dat ze eenmaal de hoop van haar vader zou vervullen en een tooneelspeelster van groote gave zou worden.

„Tante, twee brieven, twee brieven!” juichte het kind.

Marguérite nam ze aan:

„Twee uit Amerika, maar één maar van paatje. Hier, breng die maar boven op tante Corona’s kamer.”

„En is die andere voor u?”

„Ja, voor mij.”

En toen het kind gegaan was, scheurde Marguérite den brief open, verwonderd over het onbekende handschrift. Het was van mevrouw Tachilde, zeide de onderteekening, de vriendin van Frank, de begaafde actrice, wier zeldzaam talent, met het zijne, de reputatie van hun klein Théâtre had gemaakt.

„Ik ken u niet!” schreef zij, „maar Monsieur de Soeterwolde vertelde mij veel van u en uw vriendschap voor Corona, en daarom kom ik tot u heden, u smeekend om al uw invloed te gebruiken om haar te overtuigen, dat zij Frank niet langer mag laten vergaan van eenzaamheid! Het is prachtig van haar geweest dat zij jaren lang haar innigste verlangen heeft geofferd, om in de kracht van vlekkeloosheid het goede zaad te zaaien, en ik heb haar daarom zeer bewonderd en lief gehad. Maar zeg haar nu, dat alles grenzen heeft! Frank kan zijn hopelooze droefheid niet langer dragen. Wij vrouwen zijn zoo veel sterker in lijden, niet waar? Maar ik zie hem wegkwijnen van verlangen, van gemis aan vreugde en sympathie, die zijn kunstenaarsziel zoo noodig heeft. Er zijn weer hevige scènes geweest tusschen hem en zijn vrouw, zij maakt hem het leven ondragelijk, en toch blijft zij weigeren te deforceeren. Natuurlijk, de positie als echtgenoote van een beroemd kunstenaar is veel aangenamer dan die van gescheiden vrouw. Maar ik ben overtuigd dat zij hem ontrouw is, alleen heeft niemand haar nog ooit daarop kunnen betrappen.

In New York, een drie weken geleden, heeft Frank een zware kou gevat, die hij uit mistroostigheid negligeert. Ik ben zeer bezorgd over hem! O! laat Corona hem tot zich roepen en hem het leven teruggeven met haar liefde! U moet niet gelooven dat ik over het algemeen apostelin ben van de theorie der vrije liefde, welke bij ons in Frankrijk, in de vooruitstrevende kringen zoo veel veld wint. Maar in dit geval, van Frank en Corona, zie ik maar éen weg! Laten zij hun liefde stellen boven al het andere! Het mag niet, dat een zoo kostbaar leven als dat van Frank te gronde gaat door wetten van menschen, die nog barbaarsch genoeg zijn om onverbreekbaar te verklaren den band tusschen twee, die elkaar niet liefhebben! O! laat Corona hem nu tot zich roepen! Zeg haar dat de tijd voorbij is, dat zij haar roeping van zieledoktores onder de vrouwen hooger mocht stellen dan haar liefde. Laat zij zich nu wijden aan Frank! Het is het eenige wat hem redden kan, en laat zij het gauw doen, opdat het niet te laat zij!

Uwe Eloise Tachilde.”

Marguérite stond voor het raam en herlas den brief. IJskoud kropen er rillinkjes langs haar rug en haar hart bonsde.

„Altijd weer die zelfde strijd, die nu al jaren lang verzengend Corona’s leven folterde! Maar nu scheen de crisis gekomen.”

Kleine Rosa was stil aan de tafel teruggekeerd, en knoeide aan haar opstel, maar de intelligente kinderoogjes gingen verlangend telkens naar Marguérite aan het raam. Eindelijk kon ze het niet meer uithouden:

„Tante, van wie is die brief?”

„Van mevrouw Tachilde.”

„O …? van mammy Eloise? kent u die dan!”

Ze sprong op en vleide zich heimweeachtig tegen haar aan.

„Toe, vertel es wat er in staat? Heeft ze geen groeten aan mij verzocht?”

„Hieldt je zooveel van mevrouw Tachilde?”

„O! ja, vóór ik u en tante Corona kende, hield ik natuurlijk het meest van haar en van paatje.”

Marguérite bukte zich en kuste het kind zachtjes een paar maal op het voorhoofd. Het was een onbewuste beweging van teederheid, waar ze niet bij dacht, want in haar zorgenden angst om Corona was ze uitsluitend vervuld met de vraag hoe ze haar toch dien brief zou vertellen. Maar ze luisterde: de sleutel werd omgedraaid in het voordeurslot en lichte, vlugge stappen gingen de trap op. Het was Corona. Eerst ging ze naar haar slaapkamer om zich te verkleeden en te wasschen, uit voorzorg voor besmetting. En dan zou ze naar de studeerkamer gaan en den brief vinden van Frank! Wat zou daarin staan?

„O! mijn God! Wat zal er nou gebeuren?”

„Waarom zegt u dat, tante?” vleide kleine Rosa. „Toe, laat me dien brief even zien. Zegt ze er niks in van mij? En hoe gaat ’t met haar man? Daar hield ik ook zooveel van. Die kon zulke prachtige versjes. Toe tante .…”

Maar Marguérite duwde haar ongeduldig weg. Ze had den telegraafbode de stoep zien opkomen, en de klank van de bel liet al haar zenuwen samen trekken.

„Freule, een telegram voor u.”

De oude Marijken kwam binnen, het kleine vuile potlood en het stukje papier, dat geteekend moest worden, voor zich uitgestrekt.

„Toe tante, geef mij dien brief nou!” zeurde het kind.

Maar Marguérite hoorde haar niet. Ze had haastig geteekend en het couvert gescheurd en de ontzettende tijding gelezen:

„Frank zoo juist overleden. Verkoudheid vliegende tering geworden; in bloedspuwing gebleven. Prepareer Corona.

Tachilde.”

Een oogenblik stond Maggy roerloos, vernietigd door het machteloos gevoel, dat allen hebben gekend, die onafwijsbaar lijden zagen komen over hen, die zij liefhebben.

Maar toen ineens kwam de reactie, een wild verlangen om zich over dit rampzalige op iemand te wreken, en met een schok van razernij draaide ze zich naar het venster, en nog eenmaal was daar weer de oude Marguérite vol hartstochtelijken opstand, de Marguérite van vroeger, vóór Corona haar geleerd had dat streng beheerschte verontwaardiging grooter kracht is dan woeste verbittering.

Ze strekte de armen uit en schudde haar kleine kramptrekkend saamgeknepen vuisten tegen het Binnenhof, dat ze kon zien liggen, dwars over het Voorhout en den Vijver heen, onverschillig voornaam in den zonnig neveligen winterglans.

„O! mijn God! mijn God! en daar praten ze jaren lang over allerlei nietigheden en voor deze groote zedelijke kwesties hebben ze geen tijd!”

Wild en dreigend, met hoekige gebaren, die vreemd waren in deze vrouw, gewoonlijk vol rustige distinctie, stond ze een oogenblik, maar toen zag ze neer in twee groote kinderoogen, die haar aanstaarden, angstig verbaasd, en snikkend sloeg ze haar armen om kleine Rosa en trok haar op haar schoot, al haar heftigheid wegsmeltend in maar eéne impressie van naamlooze deernis.

Maar Corona zat stil voor haar bureau op dit moment, in zulk een duizeling van vreugde dat ze zich angstig voelde worden.

De ziel kan zich wennen aan de houding van leed, en als een zieke, die na maanden lang liggen weer hersteld is, en weet dat hij loopen mag, en het kan, maar het nog niet durft, zoo is ook soms onze geest aarzelend om bij de eerste aanraking van geluk zich hoog op te richten, na lang te zijn neergebogen in smart.

Zachtjes drupten de tranen op het papier, waarin Frank haar schreef de wonderspreuken van zijn liefde en zijn hoop. Ze probeerde ze goed te begrijpen, maar langzaam eerst drong de volheid van vreugde in haar bewustzijn door.

De brief was drie dagen geschreven na dien van Madame Tachilde aan Marguérite, maar dezelfde mail had ze aangebracht. In die drie dagen was ontzettend veel gebeurd: de ontrouw van Frank’s vrouw, waarop ook Eloise in haar schrijven gezinspeeld had, en die zij al lang reeds had vermoed, was ineens helder aan het licht gekomen. De bewijzen en getuigen waren er, en Frank kon zich nu dus vrij maken.

„O! Corona, mijn liefste, mijn bruid, mijn vrouwtje! Is het mogelijk, dat eindelijk, eindelijk het oogenblik gekomen is, waarop je in mijn leven de gezegende plaats zult innemen, die ik zoo lang voor je bestemd had! Een jubelende, alles overheerschende vreugde doortrilt me. Ik ben den laatsten tijd heel ziek geweest, en zelfs heb ik niet kunnen optreden, omdat mijn borst me te veel zeer deed. O! lieveling, wees niet boos op me! Misschien ben ik onvoorzichtig geweest, maar de hopeloosheid van onzen toestand maakte me onverschillig voor alles. Maar nu zal ik beter worden! Over eenige weken ben ik bij je! En ik weet zeker, dat, als ik je maar eens in mijn armen heb gehouden, als mijn bruidje, ik weer gezond zal zijn.

O! is het niet als een droom? die plotselinge verlossing van den ouden verschrikkelijken band, en de zaligheid die ons nu wacht? Maar in de stille denkuren, liefste, is toch soms bij al de overstelping van mijn vreugde, groote opstand in me tegen de toestanden, waaronder we leven! O! als we zedelijke wetten hadden gehad, zou dit alles niet gebeurd zijn? Wij zouden lang gescheiden zijn geweest, deze vrouw en ik, en zij zou niet bij het vele kwaad, dat ze aan mij misdaan heeft, ook nog dit bedrog, deze valschheid hebben gevoegd! Maar toen zij mij het leven ondragelijk maakte, toen ze een gevaar was voor mijn kind, toen niets ons meer verbonden hield dan haar koppige wil, toen .… was voor de wet die gevloekte band heilig! Eerst moest er een scandaleus proces komen, en nu eerst, ten koste van de openbare schande van de vrouw, die haar het leven gaf, kan ik mijn kindje een ware moeder geven! Curieus die opvattingen! Om van te walgen! En dat men niet eeuwig herhale dat zulke wetten een bescherming zijn van huwelijkstrouw! Bij God, trouw die door een wet moet worden beschermd, is al gebroken! De zedeloosheid onzer groote steden bewijst trouwens genoeg wat die wetten vermogen om het huwelijk rein te houden! niets! niets! niets! Het onherroepelijk aan elkaar verbonden zijn, met geen andere hoop op verlossing dan een proces vol schande, o! ik heb het doorleefd Corona, voor den zwakken kan het niets brengen dan bedrog, nog dieperen val, en voor den sterken .… lijden!

Maar wat spreek ik nog van lijden, mijn liefste! Alleen van geluk wil ik vervuld zijn! Het uur nadert waarop we trotsch onze liefde aan de wereld zullen bekennen, en voor goed samen zullen zijn, om te leven voor alles wat hoog en heerlijk is. O! mijn vrouwtje.….….….….….….….….….…..”

Corona kuste den brief, in een siddering van vreugde. Hoe was het mogelijk dat nu zoo ineens gekomen was, dat, wat jaren lang een onbereikbare zaligheid had geschenen! Ze stond op en liep even de kamer door.

„Hoe mooi en goed was toch het leven soms!” Frank’s bitterheid over de wetten kon ze niet eens meer deelen in dit oogenblik. Niets was in haar dan vreugde. Toen wierp ze zich weer neer voor de schrijftafel, en schreef trillend van blijde opwinding:

„O! Frank, mijn geliefde, ik wacht je. Kom toch! Ik zal met je gaan waarheen je wilt! Nu kan niets ons meer scheiden! Ik heb zoo onuitsprekelijk naar je verlangd. Nu begrijp ik pas hoeveel! O! kom! ik heb je zoo lief! Nu mag ik het je zeggen! En de weelde van het te mogen neerschrijven, overstelpt me!.….”

Maar toen schrikte ze, en keek om. Ze had de deur geheimzinnig zachtjes hooren sluiten, en iemand kwam snel, met stille stappen naar haar toe.

„O! Maggy, ben jij het, hoe heerlijk.…”

Maar ze zweeg. Marguérite stond voor haar, zoo doodelijk bleek, met groote angstige oogen in donkere kringen, zoo tragisch en onheilbrengend, dat ze haar sprakeloos aanstaarde.

„Cora, mijn lieveling!”

En ineens sloeg ze de armen om haar hals en barstte uit in heftig snikken. Ze had op de schrijftafel Frank’s brief zien liggen, en daar naast Corona’s woorden: „O! Frank, mijn geliefde, ik wacht je!” Dus het grootste leed moest juist komen in dit oogenblik van eerste vreugde!

„O! Cora, mijn leven zou ik hebben gegeven om dit niet te laten zijn! O! mijn lieve, lieve, arme Corona!”

Corona, met een driftige beweging, trachtte zich los te maken.

„Wat is er toch. Maar zeg het dan toch, Maggy!”

Maar Marguérite hield haar vast omsloten en schreide voort, zoo hartstochtelijk droevig, tot Corona in het smartelijk contact dezer omhelzing begon te voelen het ongeluk dat gekomen was.

„Is het Frank?” zeide ze met bleeke, machtelooze lippen. En ze dacht aan de ziekte waarover hij geschreven had.

Marguérite drukte zich nog vaster tegen haar aan.

„O! lieveling!”

„Is ie dood?”

„O! lieveling, mijn lieveling!”

„Is ie dood?” En met een stijve beweging van wanhoop rukte ze zich los. „Is ie dood?” Bijna dreigend herhaalde ze: „is ie dood?”

Marguérite boog snikkend het hoofd.

„Corona, lieveling, waar ga je heen? Mag ik bij je blijven?”

Maar Corona had zich afgewend. Ze ging heen, gebroken, het hoofd slap voorover gebogen, de handen ineengeklemd in stuipachtig wringen. Ze ging haar slaapkamer binnen en sloot de deur, en Marguérite durfde haar niet volgen. De teerste vriendschap is machteloos, helaas, in de groote ure, waarin de drinkbeker tot op den bodem toe moet geledigd worden.

Dien ganschen avond en den ganschen nacht bleef Corona alleen, en de deur gesloten, en wie zal het ooit beschrijven wat het arme menschenhart doorworstelt gedurende zulk een nachtwake.

In de ijvervolle eentonigheid van hard werken, was voor Hilda de winter gauw omgegaan.

Bijna elken Zondag was Maarten gekomen en had haar mooie boeken gebracht over kunst of godsdienst, of economie, of wijsbegeerte, of verzen, waar ze veel over spraken. Dit jaar was voor haar zoo mooi geweest, vol vredige schoonheid van zich voelen sterker worden en rijker aan weten en liefhebben en begrijpen der groote dingen.

En nu was de vakantie gekomen, na het goedafgelegde staatsexamen. De volgende week zou ze naar Zwitserland gaan met Marguérite van Arkel, en Corona en de kleine Rosa, die zonder veel moeite voor goed door haar moeder aan dokter van Oven was afgestaan. En Maarten zou hen spoedig volgen! „O! het leven was goed voor haar!” dacht ze, en ze glimlachte.

Toen zag ze om zich heen naar de bekende gezichten, die ze in zoo lang niet gezien had, niet meer sinds ze in September naar Amsterdam was gegaan.

Daar waren ze allen weer; juist als verleden jaar: oom van Starren, die het Dagblad doorlas van a tot z, net als vroeger, en zijn thee dronk met een hinderlijk slurpen, dat de meisjes altijd zenuwachtig maakte; tante, koel, onberispelijk achter het theeblad; Eugénie, die sinds Maart uit Godesberg was teruggekeerd, zoo goed als hersteld, hadden de doktoren aarzelend gezegd, maar heel teer en prikkelbaar nog; Betty de Mureaux met haar bolbleek lachgezichtje .…. Alles, alles was hier onveranderd gebleven, alsof ze allen hadden geslapen dit jaar, alsof ze niet hadden meegeleefd in dezen tijd zoo vol raadsels en strijd op alle gebied, en vol hartstochten, aanloeiend van uit donkere verten. ’t Was net alsof deze allen rustig in een kinderkamer-atmosfeer hadden geleefd, waar pretjes en koekjes de hoogste emoties zijn. Er was iets slaperigs hier, in die elegante veranda, in den keurig opgeharkten tuin, zelfs in het mooie antieke zilver, waarin zich het fijne Japansche blauw weerspiegelde, en waar Hilda anders zoo graag naar keek, was iets vervelend zielloos vanavond. O! ze voelde het, na dit jaar van jong, krachtig leven, zou ze het hier nooit meer hebben kunnen uithouden.

„Freule, daar is Miss Arlington, om u even te spreken.”

Hilda sprong op en wierp haar handwerkje haastig neer. Tante van Starren vond niet dat het goed stond, als meisjes met leege handen aan de thee zaten. Jaar in jaar uit hadden ze daarom allen werkjes gemaakt, werkjes zonder nut en zonder kunst, die bijna niet vorderden en wier eenige reden van bestaan was, dat het onvrouwelijk stond om ze niet te maken.

Hilda ging naar het salon, waar Maud Arlington op haar wachtte.

„O! Maud hoe lief dat je bij me komt! Wist je dat ik hier was?”

„Ik zag in de courant dat je gisteren door je examen bent gekomen, en toen dacht ik wel dat je hier zoudt zijn. Ik wou je even feliciteeren, lieve, en dan afscheid nemen .…”

„Ga je terug naar Amerika? Toe, vertel me gauw, hoe staat het met de zaken?”

„Goed, ik heb overwonnen!”

Iets van triomf klonk in Maud’s diepe altstem, maar de zorgrimpels op haar voorhoofd stonden strak.

„Vertel er me alles van, dear! Hebben ze het je nog erg lastig gemaakt, die heeren van den familieraad? Ze zijn schandelijk tegen je geweest, is het niet?”

„En vindt Henk dat nou goed?”

„Och ja, hij is nu dol blij, dat ie zoo van de kinderen afkomt. Voogd zijn over arme pupillen, is lastig! Maar de kleintjes zelf hebben veel geleden door deze geschiedenis, vooral Mary, op die akelige kostschool, waar ze haar heen hebben gestuurd. Ze ziet er fataal uit. Ik ben heel bezorgd; als het iets langer had geduurd, was het voor haar te laat geweest. Maar misschien dat de zeereis haar nog redt.”

„En wanneer ga je?”

„Morgen. Over Harwich naar Engeland en dan met de Cunard naar huis. O! het is heerlijk om ze mee naar m’n land te nemen!”

Hilda sloeg haar beide armen om Maud’s hals en kuste haar. Ze wist hoe haar eenvoudig verhaal een tragedie van leed en worsteling beduidde, zooals er zoo vele in stilte worden afgespeeld.

„Lieve, lieve Maud, hoe heerlijk dat je hebt volgehouên. Nou kun je er heelemaal voor zorgen en er ’n paar prachtexemplaren van Amerikaantjes van maken!”

„Ja,” zeide Maud heel zacht, „ik zal probeeren er menschen van te maken, zooals Gladys ze gehoopt had, en ik ben blij, dat ik ze weg kan nemen hier, uit dit land, waar men altijd praat over „de vrouw in het gezin”, maar waar men haar in familiezaken totaal machteloos heeft gemaakt!”

Hilda keerde in de veranda terug, een klein beetje aangedaan door het afscheid. Morgen zou ze nog even aan den trein komen om de kinderen te zien. Ze had Maud eigenlijk niet zooveel gekend, in dat eéne jaar dat zij in Holland was geweest, maar door haar vriendschap voor Gladys, hadden ze zich beiden sterk tot elkaar aangetrokken gevoeld.

Hilda nam haar handwerkje weer op en deed een paar lustelooze steken, maar toen bemerkte ze ineens dat er iets gebeurd moest zijn in haar afwezigheid. Een soort verlegen zwijgen heerschte. Oom van Starren zat haar met ironische nieuwsgierigheid aan te kijken, maar verschool zich onmiddellijk achter de courant, toen zij opzag. Eugénie staarde strak melancholiek naar buiten, en haar tante kuchte en schoof zenuwachtig een open brief heen en weer, die juist moest gekomen zijn.

„Hilda .…”

„Tante?”

„Wij hebben daar juist ’n tijding gekregen, die ons .… heel pijnlijk heeft aangedaan! Je weet dat je zonderlinge idees ons veel verdriet doen .… maar ik dacht .… enfin, ik dacht, dat we ons toch nooit over je zouden hoeven te schamen … En nou schrijft daar mevrouw van Amstelwede, dat ze ons waarschuwt, dat ze je heel dikwijls met heeren ziet wandelen, en dat ze je verleden zelfs met iemand in Laren is tegengekomen …”

Hilda lachte. De gedachte aan die wandelingen met Maarten, vervulde haar op eens met een tinteling van vroolijkheid.

„Heel lief van mevrouw, om zich zoo bezorgd te maken, maar haar „Heeren” in ’t meervoud is niet heelemaal juist, dat zou me „des guten zu viel” zijn.”

„Dus je erkent, dat je wel es met ’n heer hebt gewandeld?”

„O! ja, heel dikwijls.”

„En met wie?”

Hilda aarzelde, even overwegend, toen zeide ze eenvoudig:

„Met Maarten van Hervoren, en als het u gerust kan stellen, wil ik u wel zeggen, dat ik in stilte met hem geëngageerd ben.”

„En zeg je ons dat zoo maar?”

„Nee, ik vertel het u heel in ’t geheim. Later zal hij u wel officieel m’n hand komen vragen, maar zoover zijn we nog lang niet. We zijn nou nog maar met ’t hart bezig, dat vinden we ’t interessantste op dit oogenblik, maar ik beloof u, dat we later keurig in de vormen met u over m’n hand zullen komen beraadslagen.”

Zij lachte, en haar stralend geluk ontwapende mijnheer van Starren, ofschoon hij het ontzettend ongepast vond.

„En mag ik ook weten wanneer de freule den tijd zal gekomen achten om er haar voogd officieel in te kennen?”

„O! nog lang niet! We hebben het nou nog zoo druk. We moeten allebei nog zoo hard werken en we hebben alleen maar den Zondag om samen te zijn. U begrijpt, maar éen van de zeven dagen, dat is veel te weinig om er iets voor visites en presentaties af te nemen.”

„Dus je bent van plan om je voorloopig zoo te blijven compromitteeren?” vroeg mevrouw van Starren vinnig.

„Ik compromitteer me niet!” zeide Hilda trotsch. „Als de wereld het compromitteeren noemt, als een man en een vrouw samen wandelen, vóór dat er ’n receptie met veel bloemenmandjes is geweest, dan wordt het hoog tijd, dat ze die dingen anders leert inzien.”

„Maar wanneer denk je het dan wel publiek te maken?”

„Oom, over ’n jaar of drie, zoodra ’k m’n doctoraal heb gedaan. Dan komen we plechtig om uw zegen vragen, en vervullen alle formaliteiten, u zult es zien, onberispelijk, en dan schrijf ik m’n dissertatie en dan, onmiddellijk na m’n promotie, trouwen we. Hebben we ons program niet netjes klaar gemaakt?”

Mijnheer van Starren lachte, niettegenstaande al zijn cynisch ongeloof in vrouwen, te overtuigd inwendig van Hilda’s kracht en ernst, om zich ongerust te maken, en het overmoedig geluk, dat in elk van haar woorden doorblonk, amuseerde hem.

Maar voor mevrouw van Starren was dit gesprek een teleurstelling, die haar woedend maakte.

„Dus je blijft tóch studeeren, niettegenstaande je nou geëngageerd bent? Ik had altijd gehoopt, dat, als je maar es ’n man hadt gevonden, je al die kunsten wel zoudt laten varen. En hoe vindt die mijnheer van Hervoren het? Zal hij de kindertjes wasschen terwijl jij pleidooien maakt?”

Een donkere gloedgolf sloeg over Hilda’s gezichtje, bij de grof sarrende woorden, en haar oogen, rein en intelligent, heel groot van emotie zagen strak haar tante aan. Een moment dacht ze er aan haar te vragen, hoe dikwijls zij en haar vriendinnen wel haar kindertjes gewasschen hadden, al hadden ze ook geen pleidooien te maken gehad, maar ze wilde niet hatelijk zijn en antwoordde zacht, ofschoon heel uit de hoogte:

„Maarten vindt het goed dat ik studeer; we denken in al die dingen hetzelfde, en als we later het geluk hebben kinderen te krijgen, zal ik mijn best doen, er een betere moeder voor te zijn dan veel van de dames, die zich nu voor die taak hebben voorbereid in de balzaal of op het tennisveld of met romannetjes en prulhandwerkjes en wat geliefhebber in kunst en filantropie. We zullen heel eenvoudig leven en ik zal m’n huishoûen practisch en heel nieuw inrichten, zoodat het ’n minimum tijd neemt, en dan zal ik arme vrouwen bij me ontvangen, die in moeielijkheden zijn en om raad komen vragen, in den tijd dat andere dames boodschapjes doen en visites maken, voilà tout. Maar zeker zal ik mijn studies niet opgeven, juist nu ik geëngageerd ben, want meer dan ooit heb ik nu recht van spreken, over alles wat de vrouw aangaat.”

„Wat bedoel je?”

Hilda glimlachte, plotseling opgewonden, en ze antwoordde in hartstochtelijk enthousiasme:

„Wel, wie zal het vrouwenvraagstuk eerlijker, rechtvaardiger, onpartijdiger kunnen opvatten, dan de vrouw die gelukkig getrouwd is? Welke stem protesteerend tegen het onrecht, zal eerder tot de menigte doordringen, die van de eenzame, die bitter geleden heeft door onrechtvaardige wetten en zeden en zich uit in sombere aanklachten, of die, van de gelukkige vrouw, die ’t luid uitjuichen kan, dat zij het bij ondervinding weet, dat de man en de vrouw samen het leven kunnen doorgaan, naast elkaar, als twee vrije gelijken, zonder maritale macht, en vrouwen-onderdanigheid, en dat het zoo worden moet overal, overal!

Zeker, de onderdrukten en mishandelden mogen klagen! Het is zelfs heel jammer, dat ze niet al veel eerder en veel luider geklaagd hebben, maar de wereld zal haar licht verdenken van eigen belang te zoeken of van persoonlijke grieven te willen wreken. Het is de vrouw van het gelukkige huwelijk, in wier hart geen druppel bitterheid is, en die het groote en goede van den man, in dengene die zij liefheeft, van nabij heeft leeren kennen, die zich nu met kracht mee in den strijd moet storten! Ze moet het welbehaaglijk egoïsme opgeven van: „Ik heb het goed, wat deert mij de rest?” en zich solidair voelen met elke vrouw die onrechtslijden wordt aangedaan. En ziet u, daarom juist moet ik nu ook blijven studeeren, omdat ik weet dat mijn huwelijk heel mooi zal zijn!”

Ze had in een jong, blij geloof gesproken, maar toen zweeg ze ineens en liet zich mat in haar stoel achterover vallen: „Wat begrepen deze menschen van solidariteit?” Mijnheer en mevrouw en Betty zaten met onaangenaam kille glimlachjes voor zich uit te kijken, alleen Eugénie had tranen in de oogen, maar ze schaamde zich er voor en ging haastig naar de piano om met Betty een paar nieuwe liedjes van Massenet door te zingen.

Hilda stond midden in haar gezellige, met eikenhout gemeubelde studeerkamer en drukte hartelijk tot afscheid de hand van een armoedig bleek jong meisje.

„Dank u wel, mevrouw, dank u!” snikte het schepseltje.

Hilda klopte haar vriendelijk op den schouder, en toen ineens, na een kleine aarzeling, bukte ze zich en kuste haar op het voorhoofd.

„Niemand weet er iets van, daar in huis, als alleen mevrouw, en die is zoo hartelijk en lief. Je zult zien, Joukje, dat je nou ’n heel goed gelukkig leven zult beginnen, als je maar erg je best doet.”

„Dank u wel mevrouw!” herhaalde het meisje, en ze wilde nog iets zeggen, maar ze kon het blijkbaar niet vinden. Het gebruikelijke woord: „dat de Heer haar beloonen zou,” was haar op de lippen, maar ze durfde het niet meer uit te spreken, sinds Hilda haar er straks zoo streng op geantwoord had, dat een liefdedaad alleen eenige waarde heeft, als ze belangeloos wordt volbracht, en dat onbaatzuchtigheid geen belooning, zelfs geen hemelsche, vraagt!

Heel goed had Joukje die redeneering niet begrepen, maar ze had wel gezien dat die toespeling op vergelding Hilda hinderde en verlegen bleef ze voor haar staan, tot ze ineens, zelf verrukt over den mooien gevonden zin, heftig uitstootte:

„Ik zal u eeuwig dankbaar zijn!”

Hilda knikte hartelijk:

„Dag Joukje.”

Toen liet ze haar uit en met langzame passen van nadenken keerde ze terug en liep de kamer een paar maal op en neer.

Joukje was haar eerste client geweest, nu zoo wat anderhalf jaar geleden. In ontzettende schrik en schaamte had het meisje haar kindje bij de geboorte gedood, en Hilda was haar raadsvrouw en advocate geweest en had bijzonder veel belang in haar gesteld.

Toen was ze, na een paar angstige weken, juist toen ze het laatste kwartje uit haar beurs had zien verdwijnen, en niet wist waarheen, bij een gezin gekomen, waar de meid was weggeloopen. Het was een druk, slordig huishouden, met ziekelijke kinderen, een verbitterde vrouw, een man, die soms dronken thuis kwam en een volwassen zoon, uit een vorig huwelijk. Het was haar heldentijd geweest van inspanning en goeden wil. Ze was zoo bang om weer op straat te staan. Als je dat eens ondervonden hebt, ben je er bang voor, nietwaar? Maar toen was die voorzoon haar beginnen te vervolgen. Ze had het niet gewild, en toch was het eindelijk gebeurd. En hij beloofde haar ook zoo plechtig om te trouwen! Maar zoodra de gevolgen zichtbaar werden, was ze weggejaagd door de moeder, en hij had haar laten gaan. Natuurlijk, hij was volkomen in zijn recht: de wet, met touchante zorg voor den sterke, den man, beschermt hem tegen elken overlast, die hem zou kunnen worden aangedaan door de zwakke, de vrouw, die hij verstoot.

Joukje was nu juist uit de gevangenis teruggekeerd, en Hilda had haar bij zich laten komen en had een goeden dienst voor haar gezocht.

Peinzend liep de jonge vrouw haar kamer op en neer, het lange huiskleed van goudbruin laken golfde haar na in mooie plooien, bij elke beweging van haar sierlijk lichaam.

Toen zette ze zich ineens in onstuimige haast voor haar bureau en las de laatste pagina’s over, van de brochure die zij bezig was te schrijven. Het was een soort vervolg op haar dissertatie, een heftig pleidooi voor de noodzakelijkheid van vrouwenvakvereenigingen.

„Zeker, het is heerlijk”—had zij geschreven—„dat velen zich groote moeite hebben getroost om vakvereenigingen van arbeiders tot stand te brengen maar hoe weinig werd er in die richting, hier in ons land, nog voor de arbeidsters gedaan! O! als alle dames, die zich nu tot in het oneindige bezighouden met het geven van aalmoezen in alle vormen, op alle manieren, dat Danaïdenwerk: het inwerpen in een bodemloos vat, wilden nalaten, en haar denkkracht en tijd wilden gebruiken om zich zelve en de werksters van het nut, de noodzakelijkheid van vereenigen te overtuigen, hoeveel meer goed zouden zij voor de toekomst doen!

Want sterke vakvereenigingen zullen op den duur er ontzaglijk veel toe kunnen bijdragen om den toestand der arbeidsters te verbeteren, vooral ook door een einde te maken aan die groote onbillijkheid, dat voor gelijken arbeid de vrouw veel minder loon ontvangt dan de man. Ach, dat mindere loon! Is dit niet juist eén van de kankerplekken in het arbeidersleven! Door het mindere loon toch, wordt de vrouw niet de kameraad, maar de onderkruipster van den man, niet een eerlijke mededingster, die op een gegeven oogenblik medestrijdster zijn zal, maar een gevreesde, gehate concurrente, die hij weren wil, waar hij kan. Lage vrouwenloonen verdrijven de mannen uit het werk, en drijven de vrouwen de fabrieken in: een volkomen ontredderde toestand. Men heeft het op sommige plaatsen reeds gezien, dat de mannen bij groote menigten werkeloos rondliepen, terwijl de vrouwen, op wier schouders toch al het zware huishoudjuk drukt, de kostwinsters werden, eenvoudig omdat de patroons de goedkoopste arbeidskrachten hadden gezocht! En ook is het lagere vrouwenloon immers de bestendiging van den rampzaligen waan, dat het mindere wel goed genoeg is voor de vrouw, dat zij met minder tevreden moet zijn, dat haar arbeid, al spant zij zich ook nog zoo in, toch altijd minder waarde bezit!

En dat lagere loon, hoe dikwijls beteekent het niet hongerloon! En wat zijn de gevolgen van hongerloonen? De arbeidster wordt er door gedwongen, om na de werkuren bijverdiensten te zoeken, die haar gewoonlijk òf zedelijk te gronde richten, òf lichamelijk zoo uitputten, dat zij daardoor ongeschikt voor krachtigen arbeid op het werk komt. En daaruit ontstaat dan die droeve cirkelgang, waarin nu zoo menig arm vrouwenbestaan wordt rondgesleurd: eerst het lage loon, daardoor de nachtelijke bijverdienste die haar de dagtaak afgemat laat hervatten, door die afmatting slecht werk, wat den patroon aanleiding kan geven de loonen nog lager te stellen, en door het nog lagere loon, nog grooter nood om uitputtend nachtwerk te doen!

O! gelijk loon voor mannen en voor vrouwen! Dat is het wat een redding zou zijn, en, in die kringen, waar de strijd om het bestaan het felste woedt, verbroedering zou geven tusschen mannelijke en vrouwelijke arbeiders, waar nu een vijandschap dreigt, die ten slotte verzwakkend op beiden moet werken.

Maar de tijden zijn gekomen, dat dit alles veranderen moet! Ieder die het waarachtig goed met volksgezondheid meent, d.i. het welzijn van heel het land, zal ijveren voor krachtige gelijke bescherming, en gelijk loon voor arbeider en arbeidster beiden.….….….….….….….….….….……”

Hilda had het halfluid nagelezen, zich opwindend bij den klank harer eigen woorden. Hier en daar had ze iets onderstreept of een letter verduidelijkt, toen sloeg ze het cahier dicht met dat gevoel van beklemming, dat allen hebben gekend, die werkten voor anderen. O! het angstige gevoel van zoo klein en machteloos te staan tegenover de groote taak, van met alle inspanning en gloed zich te hebben gegeven, en waarschijnlijk nog zoo weinig te hebben bereikt!

Maar ze stond op en met langzame, moede schreden ging ze de open deur in van de kamer daarnaast.

Daar stond het wiegje van kleine Jeanne, haar kindje, en ineens met stillen jubel voelde ze zich omstraald door de vrede-atmosfeer van haar eigen mooi interieur.

Zooals iemand, van buiten, uit het schreeuwend marktgewoel, waar dronken mannen vechten, en vrouwen glimlachen met geverfde wangen, waar kleine kinderen schreien en dieren worden mishandeld, binnen tredend, ineens, in een Gothische Cathedraal, zich in het zachte licht der hoogrijzende zuilengangen, plotseling gelukkig en beschermd voelt, zoo was het Hilda telkens hier, als ze inging in haar woonkamer. Maar vandaag trof het haar sterker nog dan anders; als licht viel het in haar ziel, alle moreele moeheid van haar wegnemend, haar vervullend met jonge verrukking.

Ze zag om zich heen in de rustige kamer vol harmonische kleuren en gezelligheid, en lang bleef ze staan bij het wiegje, waar het kindje sliep. Wat was het mooi zoo, het onschuldkopje op het witte kussen. Wat was het wreed, afgrijselijk daarbuiten, wat was het zalig hier binnen! Als het kindje groot werd, zou het ook eens daarginds, in het bange gewoel staan! Een angstige gedachte voor een moeder! Maar welk een troost lag er dan in de overtuiging, dat zij met inspanning van alle krachten haar deel bijdroeg, om die arme wereld daarbuiten een beetje minder ellendig te maken! O! als alle moeders mee wilden helpen…! Hoe was het mogelijk dat er nog waren, die de toekomst van haar kinderen liefhadden, en toch blind en lam bleven tegenover het kwaad, dat te bestrijden valt in die maatschappij, die later het worstelstrijdperk voor haar lievelingen zijn zal!

Als het dan niet uit rechtvaardigheid en barmhartigheid was, moesten de vrouwen tenminste uit moederliefde zich rekenschap geven van de strijdvragen harer eeuw, en ontfermend de handen uitsteken daarheen, waar lijden en zonde heerschten!

Maar nu ging de deur open en Maarten kwam binnen. Met een klein geluid van vreugde zag ze op, en liep naar hem toe. Hij had zijn armen wijd uitgestrekt en sloeg ze vast om haar heen, toen ze zich tegen hem aannestelde.

„Dag lieveling!”

„Mijn klein vrouwtje!”

Zwijgend, in een blij genieten van zich weer samen voelen, liepen ze de kamer door, dicht naast elkaar gaande en glimlachend stonden ze bij de wieg waar het kindje sliep.

Het was vijf uur, het gezellige theeuurtje, dat Maarten van de fabriek thuis kwam en zij samen praatten. ’s Avonds hadden ze zoo dikwijls te werken, of er waren vergaderingen, of ze gingen wat mooie muziek hooren, of enkele uitverkoren vrienden kwamen hen bezoeken. Maar om vijf uur waren ze altijd samen alleen, en spraken. Het was hun vreugdeuurtje: zij vertelden elkaar van hun werken, ze dachten hardop over alles, en maakten plannen over de opvoeding van het kleine popje in de wieg, en zeiden elkaar hun emoties, en ondervindingen, en hun liefde.

„Waar dacht je aan, toen ik binnen kwam? Je stond zoo diepzinnig te peinzen?”

Maarten zeide het lachend en nam haar hand, die hem het kopje thee had gereikt, en kuste zachtjes, spelend elk der slanke vingertjes.

„O! ik dacht aan allerlei, ik geloof aan allerlei tegelijk! Aan Joukje Helma, die nou uit de gevangenis terug is, en aan een rijk jong vrouwtje, dat vanmiddag om advies kwam vragen, ook alweer een van die schepseltjes, die zoo maar getrouwd zijn, en dan teleurgesteld willen scheiden, en aan Eugénie, die weer heelemaal in de war schijnt te zijn en aan Corry’s oudste jongetje, in Kreuznach, dat zoo klierachtig zijn moet, dat je eigenlijk niet hopen mag dat het leven blijft, en aan al die ouders, die je zoo om je heen ziet, die ’t al heel mooi vinden als ze hun jongens opvoeden om materieel flink in de wereld vooruit te komen, en de meisjes om in een of ander huwelijk geborgen te worden, zonder zelfs ’n vermoeden te hebben, wat het is om een kleine menschenziel te helpen groot en goed worden!”

Zij zagen elkaar aan en glimlachten, den glimlach van hun eigen mooi geluk.

Toen werd kleine Jeanne met grappige pruilgeluidjes wakker. Hilda zag op de klok: het was tijd om haar drinken te geven, en terwijl zij het kleed losmaakte om het zoete mysterie der moeder te vervullen, van het tot voedsel geworden bloed, zeide ze zachtjes voor zich heen:

„Wat is het toch mooi, ons kindje! Kijk es wat schattig die dunne zijden vlokjes zich boven die miniatuur oortjes krullen! en daarboven die blauwe aartjes aan de slapen! Wat ’n grappig gulzig rose mondje! O! Maarten, het is geen wonder, dat vrouwen doodelijk zijn van zulke cherubijnenvormpjes, dat het zien van zooveel snoezige hulpeloosheid haar teeder ontroert! Maar waarom denken toch zoo weinig moeders aan het geheim van die kleine ziel die daar nog slaapt in zoo’n teer wit lichaampje! De meesten zijn wel dol op haar babies, vooral als ze nog zoo heel jong zijn, maar zoo weinigen hebben er nog eerbied voor! En toch is in elk kindje ’n geheimzinnige godsvlam, die aangebeden moest worden en ons, moeders, moest vervullen met het grootste ontzag.

Wat zal zoo’n klein schepsel beteekenen voor haar omgeving en haar tijd? Groot zijn onder de menschen maar heel weinigen, maar ieder kan in eigen kleine ruimte een licht zijn, ieder, als het hooge in hem wakker is geworden, kan mee werken aan het eeuwige doel van volmaking, waaraan gearbeid hebben al de edelsten onder ons! Welk gedeelte van de reuzentaak zal deze kleine ziel te vervullen hebben? Groot of klein, wat komt het er op aan? Als ze het maar getrouw vervult. O! zie je, vanmorgen, heb ik tegen Corona gezegd, toen ze hier even was, die formule, waar Maggy je altijd zoo plagend mee vervolgde, is misschien wel deze: vrouwenemancipatie is het ontwaken der vrouw tot waarachtig geestelijk moederschap! Want alle groote moeders waren de geëmancipeerden van haar tijd!”

„En vond ze die definitie goed?”

„Nee, ze lachte, en zei dat het te subjectief was, want dat het toch maar een deel van het heel groote streven uitdrukte.”

„Er is ook geen formule voor te vinden,” zeide Maarten, „omdat de emancipatie-gedachte te veel omvat, te veel overal ingrijpt, om in haar geheel in een paar woorden te worden omschreven. Maar toch heb ik er op m’n eigen houtje wél ’n formuletje voor gevonden.”

„En die is?” vroeg zij gespannen.

„Emancipatie, in de echte, mooie beteekenis, is een zegen, want zij heeft mijn Hilda gemaakt tot wat ze is.”

Hilda lachte, zacht ontroerd door de warmte waarmee hij het gezegd had.

Toen zaten zij stil naast elkaar, en in een half onbewuste beweging vouwden zich hare handen om het blanke lichaampje aan haar borst.

En een groote verrukking kwam over haar. Een machtig gebed, zonder naam en zonder woorden, maar waarin haar sidderende ziel, vrij gemaakt van de klein menschelijke banden van willen begrijpen en vragen, zich hoog ophief in jubelende vreugde, vervulde plotseling heel haar wezen. Twee groote, heldere tranen stegen op in haar oogen, maar ze merkte het niet; er was maar één bewustzijn in haar: dat ze in dit extatisch geluksmoment van dankjuichend gebed haar kindje wilde wijden tot het hoogste, opdat ook dit eenmaal een tipje zou mogen dragen van de eeuwige Banier, die al de grootsten en edelsten onder ons hebben gevoerd, de Banier van hooge Gerechtigheid en Liefde.

Uittreksels van Besprekingen.
Uittreksels van Besprekingen.

Notes in this chapter

Note 1 · Art. 401. B. W. De vader kan aan de langstlevende moeder een bijzonderen raadsman toevoegen, zonder wiens toestemming zij geene daad de voogNote 2 · „Ja, dat kan een vader voor zijn kinderen doen,1 als hij meent dat de vrouw niet geheel berekend is voor haar taak, maar een moeder kan het Note 3 · Daar onder het feodale stelsel het landbezit, het leengoed, alles was, werden als ’t ware de huwelijken niet tusschen personen, maar tusscheNote 4 · „Juist het tegendeel!” riep Corona warm. „Als het meisje er voor opgevoed wordt om haar eigen brood te verdienen, zal ze het huwelijk niet mNote 5 · Burgerlijk wetboek art. 388. 3de alinea. Die bloedverwanten of aangehuwden moeten zijn manspersonen, meerderjarig en binnen het koninkrijk wNote 6 · „O, ja! ze wilden eerst maar niet gelooven, dat de boel bij Frederik heusch op was! Bij zijn huwelijk met Gladys waren er zulke onzinnige riNote 7 · Deze wet werd gewijzigd bij de wet van 31 Dec. 1896 Staatsbl. no. 259. (Zie verder koninklijk besluit van 27 Maart 1897.) Men zag de dwalingNote 8 · Dankbaar moeten wij hier even aanstippen, dat de huishoudscholen een zeer grooten stap in de goede richting hebben gedaan, maar wat zijn nogNote 9 · Alleen voor de vrouw, die moeder moet worden, is natuurlijk afzonderlijke bescherming noodig. ↑Note 10 · Haar geschiedenis was zoo eenvoudig en treurig, zooals trouwens de meeste van die geschiedenissen. Heel jong was ze in Friesland aan een zuiNote 11 · Krachtig bloeiende vakvereenigingen zullen veel kunnen doen voor dit alles en nog voor zoo veel meer! Zij zullen, door de macht van alles wa
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings