← Table of contents
Hilda van Suylenburg

Front matter

Reading edition

Oorspronkelijke voorkant.
Oorspronkelijke voorkant.
Oorspronkelijke titelpagina.
Oorspronkelijke titelpagina.

HILDA VAN SUYLENBURG

DOOR C. GOEKOOP-DE JONG VAN BEEK EN DONK.

3e DRUK. AMSTERDAM, SCHELTEMA & HOLKEMA’S BOEKHANDEL. 1898.

Hilda was juist aangekomen. Het laatste gedeelte van haar reis, tusschen Utrecht en den Haag, had ze alleen in den coupé gezeten, alleen met het steeds sterker wordend besef van een nieuw huis, een nieuwe vreemde omgeving die haar wachtte. Droomend en mat, in doffen weemoed had zij achterover geleund en gestaard naar buiten tot het haar was geweest als of zij stilstond en het landschap haar voorbij vloog in een rondende beweging van kromme lijnen. Een wee gevoel van iets onbekends, iets onbehagelijks had haar doorstokt bij het stilstaan van den trein en toen er niemand aan het station was geweest om haar af te halen dan de livreiknecht die haar naar het rijtuig had gebracht, was er een duizeling over haar gekomen van eenzaamheid, en bang terug-verlangen naar huis.

Moe, met het veerkrachtlooze dat komt na lang hartstochtelijk geween, zette ze zich neer in het zachte satijn der kussens, waarvan de glanzing haar gladde rouwkleedje nog doffer en zwarter maakte. Zij zag uit het raampje. Prachtig lag het groote Bosch in rijk najaars getint van goud en rood en bruinend groen vóór haar. Het was vier uur, de Octoberzon straalde met warm geel licht op het landschap neer en lange rijen wandelaars, vooral veel dames in nieuwe, elegante najaarstoiletten, brachten drukte en vroolijkheid langs den zoom van het Bosch en den Bezuidenhout. Maar Hilda zag het nauwelijks, lusteloos voelde ze zich voortdragen, en het feestelijk mooie dat den Haag op dat oogenblik voor elken vreemdeling bekoorlijk moest maken, vermeerderde door zijn contrast met haar stemming nog de onrust die in haar was. Eindelijk, op het Nassauplein voor een van de grootste huizen, hield de equipage stil en zwijgend volgde Hilda den huisknecht langs de gang en de trap op met de mollige tapijten, die geheimzinnig elken voetstap onhoorbaar maakten, naar boven naar den salon. Hier, met een schel gevoel van pijn ontwaakte zij weer tot volkomen bewustzijn. De scherpe helderheid, waarmede in haar hoofd gewoonlijk elke indruk werd weerkaatst, keerde terug, nadat het doezelen in den trein, voorafgegaan van een langen nacht vol tranen haar de betrekkelijke weldaad had geschonken van eenige oogenblikken in dofheid niet voelen, niet denken. Zij zag om zich heen. Het was de schrijnende indruk van dat salon met grooten rijkdom maar zonder eenig kunstgevoel gemeubeld, die haar had geprikkeld tot wakker worden. Haar oog gleed langs de geel damasten behangsels en de gouden meubeltjes met rood peluche en een warreling van goud en rood kwam in haar oogen tot zij ze een oogenblik sluiten moest.

Toen echter voelde zij de warme zonnestralen, die nauwelijks door de kanten gordijnen getemperd, naar binnen stroomden en het geheele vertrek besprenkelden met een cascade van licht, met felle flikkeringen als van gouden tientjes. Onwillekeurig volgde haar blik een dier spelende zonnestraaltjes, dat door een trillenden nevel van goudstofjes recht neerschoot op de pendule, een groote bronzen negerknaap in rijk verguld gewaad, en dat zich vasthechtte aan zijn mutsje. Hilda zag het glinsteren, en het warm bruin gezicht van het beeld scheen onder den glans te gaan leven; brutaal staarden de oogen haar aan. Onrustig wendde zij toen het hoofd om, en nog jaren later als zij op dit zelfde uur, in deze kamer binnen ging en zij zag dit zelfde licht op het gouden mutsje vallen, beving haar dit zelfde gevoel van onrust. Kleuren evengoed als klanken spreken soms hun eigen taal en in dit vertrek vol goudglans en purper en kostbare smakeloosheid, en in de hol cynische oogen van het pendulebeeld lag een onbeschrijfelijke indruk van trotsche domheid en leegen, banalen rijkdom.

Hilda stond nog onbewegelijk in het midden der kamer en met angst drong de gedachte in haar door: „En dit is nu voortaan mijn tehuis!” Toen gleed haar blik achter het beeld naar den grooten spiegel en zij zag zich zelve staan, heel vreemd in al dat goud. De oogen leken zoo groot en donker met de diepe, blauwige kringen er onder. Zij verslonden het heele gezichtje en ’t was als of het bleekrose van wangen en voorhoofd en daarboven het rouwkrip van het hoedje niets waren dan een lijst om die vragende, strakke oogen.

Maar op dit oogenblik werd de deur geopend en een elegante vrouw van rijperen leeftijd kwam snel op Hilda toe, de beide handen uitgestrekt en op de lippen dat vleiend banale welkomstwoord, dat aangenaam kan aandoen als men een huis als gewone gast is ingekomen, maar dat als een kille tochtwind beroert wanneer het komt in de plaats van het hartewoord.

Maar Hilda overwon de huivering van haar impressie en vriendelijk kuste ze de toegestoken wang van haar tante, de eenige zuster van haar vader, die haar zoo lief had aangeboden om haar bij zich in huis te nemen nu ze door haar vaders dood alleen was achter gebleven.

„Ga zitten, lieve kind en vertel me eens hoe was je reis?” zeide Mevrouw van Starren in haar vriendelijken ijstoon. „Je hebt het toch niet kwalijk genomen niet waar? dat niemand je kon komen afhalen? Mijn man had een vergadering. Edward is in ’t zuiden, zooals je weet, ik zelf durf met dien kouden wind niet naar zoo’n tochtig station en de beide meisjes moesten verkoopen vandaag op den Zendingsbazaar.”

Hilda glimlachte beleefd. „O! nee, zeker niet. Ik zou het heel naar hebben gevonden als iemand zich voor mij gederangeerd had. Hoe is het met uw gezondheid tegenwoordig?”

„Dat gaat nog al. Mijn kuur van den zomer in Ems heeft me veel goed gedaan, maar ik moet toch nog altijd wel oppassen.”

Zij zwegen even en observeerden elkaar met glimlachende lippen en scherp kritische oogen.

„Je ziet er een beetje moe en bleek uit, was het erg benauwd in den coupé?”

„Ja heel benauwd”, zeide Hilda, zonder te begrijpen wat zij eigenlijk zei. Het trof haar onaangenaam dat hare tante zoo volstrekt niet op hare vader leek en zulke fletse, rustelooze oogen had en zulke slappe handen, die voortdurend zenuwachtig met den zakdoek speelden.

„Heb je veel bagage meegebracht, behalve de twee koffers, die gisteren gekomen zijn?”

„Niet veel”, zij glimlachte even. „Toilet had ik natuurlijk in Suylenburg haast niet noodig. Maar u zult mij wel een beetje raad willen geven wat ik hier aanschaffen moet.”

„Zeker, beste kind. De meisjes zijn nu ook juist bezig om haar wintergarderobe te bedenken, je gaat toch zeker uit den rouw?”

Hilda kleurde even. „Ik heb eigenlijk nog niets geen lust in uitgaan en lichte kleeren, maar als u ’t bepaald liever hebt.…”

„Natuurlijk! Het zal ’n drukke winter zijn, en hier in huis kun je je moeilijk aan alles onttrekken. Ik zou nou maar gewoon met Eugénie en Corry mee doen, je zult zien dat het je erg mee zal vallen. Je bent eigenlijk nog nooit uitgeweest, is het niet? of heb je op reis met papa wel es een season meegemaakt?”

Hilda schudde het hoofd. „Nee, wij hebben wel met allerlei menschen kennis gemaakt, maar dat waren er die papa aardig vond om mee te praten, kunstenaars of geleerden of zoo, en naar opera’s en comedies ben ik ook veel geweest, maar ’n echt bal of ’n groote partij heb ik eigenlijk nog nooit bijgewoond.”

„Nee, dat dacht ik wel. Dat was niks voor je papa, maar dan wordt het toch ook wel hoog tijd dat je eindelijk eens wordt gepresenteerd. Hoe oud ben je nou?”

Koel, neerbuigend klonk de vraag, verwijtend bijna.

„Een en twintig”, zeide Hilda zacht, een beetje verlegen, want zij voelde in eens dat ze al heel oud en erg achterlijk zou worden gevonden.

Mevrouw van Starren nam haar op een oogenblik met koude doordringende oogen.

Zij had haar broer nooit kunnen begrijpen, en voor kleine bekrompen zielen als de hare is niet begrijpen hetzelfde als dwaas en belachelijk vinden. Zij had hem in haar jeugd geminacht om zijn zwaarmoedig, terug getrokken karakter, waarvan haar elegante wereldzieltje zelfs de diepten niet vermoedde; zijn huwelijk en zijn ontroostbaar treuren na den dood van zijn jonge vrouw had zij overdreven genoemd—voor menschen als zij is elk sterk voelen overdreven—maar vooral in de opvoeding van Hilda had zij hem hoogst zonderling en verkeerd gevonden. Bijna nooit hadden zij elkaar meer ontmoet, maar wat zij nu en dan van hem en zijn dochtertje hoorde was genoeg om haar met ergernis, en in haar goedige oogenblikken met medelijden voor Hilda te vervullen.

Zoo’n meisje dat grieksch en latijn kende, maar nooit had leeren dansen, dat met Italianen en Spanjaarden over kunst had gesproken, maar nooit een bal had bijgewoond of in goede kringen was verschenen, dat over allerlei dingen had gelezen en gehoord waar een vrouw best buiten kan, maar dat misschien nooit in haar leven een handwerkje had gemaakt, moest volgens haar idee zoo’n zonderling wezen zijn geworden, dat zij niet zonder stille verbazing de bekoorlijk jonge verschijning tegenover haar kon aanzien.

Maar Hilda’s half jongensachtige opvoeding buiten, van paardrijden en stoeien met groote honden, en rondloopen in wijde, grove kleeren, en al de geleerdheid uit de boeken, schenen niets te hebben weggenomen van de bijzondere gratie in elke beweging van haar lang slank lichaam, niets te hebben uitgewischt van den glans van haar wazig krullend, zwaar goudbruin haar of van het teer rose satijn van haar huid.

„Ze valt me erg mee!” dacht Mevrouw van Starren. „Wel een nichtje om mee voor den dag te kunnen komen. Misschien zijn haar oogen zelfs wel wat al te mooi. Maar tenminste een rust dat ze er niet geëmancipeerd uitziet.”

Op dit oogenblik rolde het rijtuig vóór.

„Daar zul je de meisjes hebben.”

En Hilda stond op om aan het raam haar nichtjes te zien uitstappen. Zij was blij dat het alleen zijn met haar tante voorbij was. Er lag zoo iets beklemmends in die koude onderzoekende oogen, in die slappe handen, in het kraken van het nauwsluitende zwart satijnen kleed. Het vervulde haar met heimwee naar ’t eenzame buitenleven.

De deur vloog open en de beide meisjes snelden binnen, Hilda begroetend met een zenuwachtige vroolijkheid die haar pijn deed. Zij verlangde zoo naar een enkel woord van ware sympathie. Maar giegelend, druk pratend, met een klein beetje verlegenheid onder de opgewonden lachjes, stonden zij voor haar en Hilda kreeg een angstig besef van stijfheid en onhandigheid toen zij zich zoo stil voelde staan tusschen die twee bewegelijke figuurtjes.

„Heb je een prettige reis gehad, en niet al te warm? Op den Bazaar was de hitte vreeselijk, maar toch was het er amusant. O ja, mama, weet u nog wel dat zijden vuurscherm met zilver geborduurd? Dat heeft Tilie van Heemeren nog gekocht voor vijftig gulden. We hebben er vreeselijk om moeten lachen, o! we hebben het uitgeproest!” En Corry praatte maar door, heel snel sprekend, blijkbaar om maar iets te zeggen, want waarom zij zoo gelachen had, bleek nergens uit, en misschien wist zij het zelve niet. Maar onder het vertellen van al dat lachen stonden haar oogen koel en namen Hilda van ’t hoofd tot de voeten op. Bijna iets vijandigs lag in dien onderzoekenden blik. Zoo zien sommige vrouwen elke nieuwelinge aan, die zich in haar kring komt bewegen. In één blik trachten zij te ontdekken wat in den grooten wedkamp der ijdelheid van haar te vreezen is.

„Vondt je ’t niet naar om afscheid van buiten te nemen en van die ouwe huishoudster, hoe heet ze ook weer? juffrouw Betje? Dat is immers zoo’n trouw familiestuk?”

Eugénie zei het lachend, zonder eenig vermoeden hoe teer het onderwerp voor Hilda zijn moest. En Hilda dwong zich om rustig te glimlachen. Ze voelde hoe de tranen, die in eens opzwollen, belachelijk zouden zijn in zoo’n omgeving.

Eugénie was de oudste, een elegante verschijning, heel aristocratisch met haar fijn besneden kopje, het cameeachtige teint, de bleek blauwe oogen en het wazige blond der krulletjes. Zij liet denken aan een lief miniatuurtje uit het einde der vorige eeuw, maar over het geheel lag zoo iets afgemats en looms, zoodra ze zich niet tot febriele bewegelijkheid opwond, dat zij meestal veel ouder scheen dan haar acht en twintig jaren.

Corry daarentegen met het zachte donkerblonde haar, de witte tandjes heel klein, tusschen de dikke roode lipjes parelend, de blozende volle wangen, de heldere diepblauwe oogen met hun kinderlijken opslag, heel haar type van vleiend schalksch tooneelpagetje, ofschoon zij vijf uitgaansjaren achter den rug had, zag er jong uit als een kostschoolmeisje. Op haar sterk gestel hadden de drukke winters geen sporen nagelaten.

„Kinderen, ’t is al bij zessen, en ’t zal hoog tijd worden dat je je gaat verkleeden voor ’t eten,” zeide Mevrouw van Starren. „Hilda zal haar kamer ook wel eens graag willen zien, nietwaar? Wil jij haar den weg wijzen Eugénie?”

En terwijl zij samen de trap opklommen, heel hoog, want haar kamer lag op de bovenste verdieping, begon Corry nieuwsgierig te vragen:

„Maar Hilda, wat heb je toch voor zwaars in dien eenen koffer meegebracht? Gisteren zijn ze allebeide bezorgd en ze staan nou op je kamer, maar we dachten heusch dat die eene nooit boven zou komen. Je hebt daar te Suylenburg toch geen goudvelden ontdekt, dat je koffers vol erts hebt meegebracht?”

„Ja, het was wel erg zwaar geworden, en ’t spijt me als het veel last heeft gegeven, maar het zijn mijn boeken, waar ik geen afscheid van kon nemen, en ik hoop, omdat het nog al bescheiden gasten zijn, dat ze hier dezelfde gastvrijheid zullen vinden als ik.”

„Prachtig gezegd,” zeide Eugénie, klankloos de woorden uithijgende, want zij was doodop van ’t klimmen.

„Och wezenlijk? zijn het boeken? Die groote zware koffers vol boeken? Wat ’n massa!” En Corry zag tot haar op in vermakelijke verbazing. Toen zei ze goedig: „Nou, als je zooveel van lezen houdt, dan hebben wij ook nog genoeg boeken voor je hier. Eugénie heeft een groote kast op haar kamer vol romans, want ze houdt ook nog wel es van lezen, maar heel veel tijd hebben we er eigenlijk niet voor, niet waar Eus?”

Maar Eugénie kon niet antwoorden. Zij stonden nu alle drie boven aan de trap, en het klimmen had haar zoo aangegrepen dat zij naar adem hijgend, het duizelend kloppende hoofd geleund tegen den muur, even moest rusten, vóór zij kon spreken. Hilda zag bezorgd naar het bleeke gezichtje, maar Corry stelde haar gerust op den luchtigen toon van hen, die geen zwakte kennen:

„O! ’t is niks, alleen maar ’n beetje bleekzucht! Ze heeft zich de laatste weken maar wat veel vermoeid met tennissen.”

„Kijk hier is je kamer,” zeide Eugénie, toen ze was bijgekomen, „Corry en ik hebben onze kamers hier vlak onder, als je dus straks klaar bent en je wilt even bij ons komen overwippen houden we ons erg aanbevolen.”

„O, maar ze moet eerst es even zien wat dat voor een attentietje is dat de ouwe mevrouw Cranz van Rozenhagen vanmorgen heeft laten brengen,” zeide Corry levendig, wijzend op een bruin pakje dat op de tafel lag en zij leunde over Hilda’s schouder, nieuwsgierig om te zien wat er wel voor den dag zou komen. Het was een zwart klein boekje dat Hilda loswikkelde uit het bruine papier, een versleten, veel gebruikt Nieuw Testamentje en voorin lag een briefje waarop de oude dame met haar energiek ouderwetsch schrift had geschreven:

Mijne lieve Hilda!

Als groet in uwe nieuwe omgeving, kon ik niets beters vinden dan deze heilige bladzijden, die eenmaal aan uwe lieve moeder hebben toebehoord, en die mij na haren dood door uw’ vader werden geschonken. Mogen zij ook u bijstaan in vele moeielijke, gevaarlijke uren die uw jonge leven nog zal moeten doorworstelen. Kom mij spoedig eens opzoeken. Ik verlang zeer u te zien.

Uwe oude vriendin, U. Cranz van Rozenhagen.

„Gut, ik wist niet dat mevrouw Cranz zoo fijn was, ik dacht dat er heel wat anders in zat,” zeide Corry teleurgesteld.

Hilda zeide niets. Het hartstochtelijk verdriet der vorige dagen bij het afscheid nemen van al het lieve oude, daar buiten, had haar zenuwen zoo sterk gespannen, dat het haar was als hingen zij slap neer, niet in staat onder een nieuwen gevoelsdruk te trillen. Het is soms een milde compensatie voor de intensiteit van jeugdemoties, dat zij door de onstuimigheid zelve der gevoelens, een soort moreele bewusteloosheid nalaten die rust geeft aan het gemartelde voelen. Toch gleed het vriendelijke woord der oude dame warm balsemend in haar ziel, en kalme, langzame tranen, heel helder, als van ijskristallen die zachtjes smelten, vielen neer op het briefje. Zij keek er naar, droomerig, zonder goed te begrijpen, en zag hoe ze zich uitspreidden als sterretjes waar de inkt grijzige randjes om heen trok.

Corry ook had de tranen gezien, maar zij hield niet van huilende menschen, ze was niet op haar gemak als er verdriet in de buurt was, en stil was zij weg geslopen, en had Eugénie mee genomen, zachtjes de deur achter zich sluitend.

Toen stond Hilda alleen in haar kamertje en keek naar het oude boekje en de groote koffers in den hoek, zoo vol gezellige oud bekenden, en in eens was het als of zij minder eenzaam was dan straks met haar vroolijke nichtjes.

Reeds als klein kindje had Hilda haar moeder verloren, een jonge, mooie vrouw, maar wier lichaam te teer was geweest om weerstand te bieden aan hetgeen het leven van haar geëischt had. Als de dood haar niet in de eerste jeugd had weggenomen, zou zij een dier begaafde, uitnemend sympathieke vrouwen hebben kunnen worden, wier leven een verkwikking is voor allen die haar naderen; nu, op haar negentiende jaar, een paar maanden na Hilda’s geboorte was zij heengegaan, als had zij aan haar kindje alles weggegeven wat zij aan levenskrachten bezat. En zoo was Hilda opgegroeid alleen met haar vader, den ouden baron van Suylenburg, in het stille groote kasteel in Noord-Brabant, tusschen de geurige dennebosschen en paarsroode heide, en in die groote vlakten vol geheimzinnige klanken en kleuren had Hilda veel geleerd, veel wat de meeste menschen niet kennen.

Behalve enkele privaatlessen die zij ging halen in het naburige stadje, had zij haar geheele opvoeding van haar vader ontvangen. In zijn jeugd was hij bij de diplomatie geweest, maar na zijn huwelijk—hij was toen al in de veertig—had hij zich op het kasteel van Suylenburg terug getrokken en zich sinds den dood van zijn jonge vrouw uitsluitend aan zijn arm klein moederloos meisje gewijd, behalve natuurlijk ook aan zijn plichten van landedelman, waarvan hij een heel hooge opvatting had en aan zijn lievelingstudiën: historie en staathuishoudkunde.

Het waren gelukkige jaren geweest, de jeugdjaren van Hilda en tot haar zestiende jaar hadden zij zoo samen eenzaam voortgeleefd. Maar in Hilda’s hoofdje en hart was onder die omstandigheden een zonderlinge mengeling gekomen van groote kennis en volkomen onwetendheid, van naïeve droombeelden en helder zelfstandig nadenken, van gloeiend enthousiasme voor alles wat mooi en groot was en een totale onbekendheid met het werkelijke leven, die op den duur gevaarlijk worden kon. Toen had haar vader gevoeld dat een meisje in den aanvang van haar jonge leven nog iets anders noodig had dan dit bestaan waarin hij zelf zich tevreden voelde, hij de geleerde, die nog altijd onder zijn onherstelbaar verlies gebogen ging. Maar wat moest hij doen? Haar uit laten gaan in het wuft, bekrompen wereldje der naastbijgelegen provincie-stad scheen hem een volkomen onmogelijkheid, en nog minder wenschelijk kwam het hem voor haar bij mevrouw van Starren, zijn zuster in den Haag te zenden, in dat milieu van onbeduidendheid en genotzucht. Toen had hij het zware besluit genomen. Hij had het dierbaar rustige landleven opgegeven en gedurende vier jaren hadden zij overal rondgereisd. In Parijs en Londen, Rome en al de Italiaansche lustoorden, in Berlijn en Constantinopel, Athene en Stockholm, in Caïro en in het grootste gedeelte der Vereenigde Staten, overal hadden zij rond gezworven, overal schatten verzamelend, schatten van kunde en genot, van liefde, en bewondering voor het heerlijke dat de natuur heeft voortgebracht en menschen hebben gemaakt.

Eerst een dringend verlangen naar een rustigen zomer op het eigen landgoed, had de beide reizigers teruggevoerd naar Suylenburg en daar plotseling, zonder ziekbed, was Hilda’s vader gestorven.

Alleen, heel alleen was zij achter gebleven, huiverend in de kou van die gedachte: alleen!

Haar oom en tante in den Haag en hunne drie kinderen kende zij nauwelijks en toch waren dit nu de eenigen die haar nabestonden.

En als zij nu maar haar eigen verlangen had kunnen volgen en stil op het kasteel had kunnen blijven, omringd van de naïeve vriendschap van het landvolk, met juffrouw Betje, haar oude huishoudster, die haar moeder nog gekend had, met haar grooten hond en haar rijpaard en haar boeken, bloemen brengend op de stille graven achter in het park en droomend van een wereld veel mooier dan de werkelijkheid, zij zou er beter in hebben kunnen berusten, maar mijnheer van Starren, die nu haar voogd was, kon dezen wensch volstrekt niet begrijpen en drong er met kracht op aan dat zij, althans voorloopig, bij hem in den Haag zou komen inwonen. Alles wat zij had kunnen verkrijgen was het eerste jaar van diepen rouw nog buiten te mogen doorbrengen en hierin was te gemakkelijker toegestemd omdat zoo als mevrouw van Starren fluisterend had bekend: „Het wel heel lastig is, zoo’n treurend schepseltje in huis te hebben als je veel menschen ziet en van vroolijkheid houdt.”

Nu echter was de tijd verstreken en Hilda was gekomen. Den laatsten tijd, als zij aan hare nieuwe omgeving had gedacht en het jonge leven, dat zoo krachtig in haar aderen joeg haar prikkelde tot die nieuwsgierigheid die elk jong schepsel onweerstaanbaar verlangend voortdrijft naar de toekomst, had zij met een schuldig gevoel die gedachten verbannen. Het was haar of ze ontrouw werd aan haar droefheid, als ze zich overgaf aan toekomstbeschouwingen en in een ziekelijk zich vastklampen aan haar verdriet, dat noch met haar frissche jeugd, noch met haar veerkrachtige opvoeding strookte, had zij de laatste maanden doorgebracht.

Toen was de reactie gekomen, heerlijk triomfeerend over het groote leed dat haar zoo geweldig geschokt had.

„Niet gelukkig zijn is de bestemming van het leven. Arbeiden, nuttig wezen, zich geven, mooier en rijker maken het gemeenschapsleven, is de eeuwige wet die elk menschenbestaan beheerscht. Wee over hen die het niet hebben verstaan, want ten slotte, alleen aan het einde van dien weg wordt onthuld de geluksmysterie.”

Daar stond het op een klein stukje papier dat fladderend uit Homeros viel, toen Hilda op een morgen het versleten lievelingsboekje van haar vader opnam om nog eens enkele dier verzen te lezen, die zij samen zoo menigmaal hadden genoten. Het waren zulke eenvoudige woorden en zulk een eenvoudige gedachte. Iedereen weet die waarheid immers. Maar in dat vaste klare handschrift van den geliefden doode, schenen haar die woorden een nieuwe bron van wijsheid. Was het een citaat of een eenvoudige formule waarin hij had samengevat een rij van diepere gedachten? Was het een in distractie half spelend daarheen geschreven woord, dat hem uit vroegere tijden in den zin was gekomen? Wat doet het er toe? Het stukje papier was dwarrelend neergevallen op den sleep van haar rouwkleed en duidelijk, in hun zwarte lijst, spraken die woorden haar aan, toen zij zich bukte om het op te rapen. Een oogenblik bleef zij er op den grond gehurkt aandachtig naar zitten turen, toen zag ze naar het boekje in haar hand en ’t kwam in eens weer voor haar geest met ontroerende duidelijkheid hoe haar vader op reis eens,—in Griekenland was het—haar hoofdje in zijn handen had genomen en op zijn eigen teedere manier had gezegd: „Mijn kindje, mijn kleine Brünnhilde, zul je nooit vergeten dat alles wat je nu geniet en voelt van mooie emotie, en geestdrift, en alles wat je nu opgaart van ontwikkeling en breeder denken, je later om moet zetten in vruchtdragenden arbeid. Nu is je tijd van groeien en rijpen, geniet er van mijn kleine meisje, want later komt de tijd, mooier en heerlijker nog, maar veel zwaarder, dat je schaduw moet geven aan de vermoeiden en lafenis brengende vruchten aan de angstigen en uitgeputten.”

Misschien had zij die woorden toen nauwelijks verstaan, maar nu begreep zij ze en zij doortrilden haar met een sterk verlangen naar arbeid.

Wat had zij toch gedaan al die maanden van treurend heenleven? ’t Was of ze dat jaar geslapen had, gewiegd in zelfzuchtige droefheid; niet eens had ze in ’t eentonig, gelijkvormig komen en gaan der dagen gemerkt dat sinds haar ontzettend verlies al zooveel tijd was verloopen. Maar zeker, nu was ze ontwaakt. Zij zou zich aanpakken en haar werk beginnen. In die groote menschenwereld, daar buiten, heel ver van haar rustige bosschen, was daar niet oneindig veel te doen?

„Ja zeker, ik wil werken,” herhaalde zij halfluid, „werken, ik zal naar den Haag gaan en werk zoeken.” En met dit besluit was de oude veerkracht gekomen.

De pijn van het afscheid van Suylenburg en het bange opzien tegen een nieuwe omgeving waren zeker nog heel smartelijk geweest, maar meer toch dan ze zelf vermoedde, waren levenskracht en levenslust ontwaakt.

De eerste avond was goed afgeloopen. Hilda had haar uiterste best gedaan om lief tegen allen te zijn, en belang te stellen in de dingen harer nieuwe omgeving. In haar wangspieren had ze op ’t laatst een klein pijntje gevoeld van het glimlachen en haar hoofd was doodmoe van ’t ongewone praten maar ze had een volkomen innemenden indruk gemaakt.

„Nou, met haar verdriet zal het wel schikken, dat is ze, geloof ik, een heel eindje te boven,” zeide Eugénie, toen Hilda en Corry naar boven waren gegaan en zij met haar ouders nog even bleef na praten. „Ik was ’n beetje bang dat ze stil en sentimenteel zou zijn omdat haar brieven altijd nog zoo bedroefd waren.”

„Het ergste is dat we nog een heele toer zullen hebben met die vreemde opvattingen van vroeger, die mijn arme broer haar heeft ingeprent,” zeide Mevrouw van Starren. „Enfin, ze is slim genoeg, geloof ik, om wel gauw in te zien dat een heele boel van die theorieën van de broederschap van alle menschen en van vrijheid voor de vrouwen en dat meisjes uit onze kringen zich nuttig moeten maken en zoo meer, hier volstrekt niet gegoûteerd worden, en dan zullen ze van zelf wel verdwijnen. Het voornaamste is dat het een vriendelijk dankbaar schepseltje schijnt te zijn, en een lief gezichtje is het ook, vindt je niet Henk?”

Mijnheer van Starren antwoordde niet, maar floot sissend tusschen zijn tanden een oud operadeuntje. Hij vond Hilda bijzonder mooi, bijzonder bekoorlijk vooral, maar hij vond het beter om het niet te zeggen.

Na een lange wilde jeugd, waaruit nog enkele anecdoten de ronde deden bij heerendiners, was hij eerst laat getrouwd, en zijn relatie tot zijn kinderen was hierdoor eenigszins als van een grootvader tot zijn kleinkinderen geworden. Meestal was hij goedig, zwak zelfs in het toegeven aan hun verlangens, maar zonder eigenlijke belangstelling in hun intiemer leven. Alleen voor Edward, zijn zoon, voelde hij warmer en toen de jongen, na vlug het gymnasium te hebben afgeloopen, gezond en flink, in eens was gaan hoesten en een zware bloedspuwing had gekregen en weg gezonden was naar het Zuiden, had hij er, meer dan iemand kon vermoeden, onder geleden.

Misschien was het wel minder het kind dan de stamhouder, dien hij toen gevreesd had te verliezen, misschien gold zijn angst meer den wapen- en naamdrager dan den zoon, hoe het zij, Edward was de eenige in wiens ontwikkeling hij werkelijk had belang gesteld, wiens gezondheid hem interesseerde en voor wiens toekomst hij zich illusies maakte.

Voor de meisjes echter scheen hij volkomen onverschillig en later was voor Hilda de onderlinge verhouding van dezen vader met zijn dochters een bron van onuitputtelijke verwondering. Beleefd, als welopgevoede menschen, leefden zij naast elkander voort, zonder iets in elkaars leven te beteekenen, de meisjes meestal met een nuance ongeduld in haar toon, en de vader met een iets sterkere nuance ironie. Want uit zijn vroegere ervaringen had hij over al wat vrouw was een zeer cynische beschouwing gehouden: „Toutes les mêmes, mon cher, au fond allemaal dezelfde, geen een kun je er vertrouwen, een noodzakelijk, en op zijn tijd heel bekoorlijk kwaad, j’en conviens, mais un mal tout de même.”

Dit was zijn credo over „de vrouw”, dat hij gaarne bij alle gelegenheden te pas bracht, en het spreekt van zelf dat zijn belangstelling in zijn meisjes niet groot kon zijn bij deze overtuiging.

De man, die het geloof in de vrouw verloren heeft kan immers nooit meer een waarachtig vader voor zijn dochters zijn!

„Wat is het een curieus wijsneusje, voor zoo’n jong ding,” zeide hij lachend. „Hoe noemde ze het ook weer? meisjes die niets deden dan zich amuseeren en toilet maken waren economische nonvaleurs! Ik ben nieuwsgierig hoe of ze het aan wil leggen om een valeur te worden.”

„Onzin,” zeide mevrouw ongeduldig, „dat zijn nog van die idees van m’n broer. We zullen haar die deftige woorden wel uit het hoofd praten.”

Mijnheer van Starren knikte, ondeugende lachtrekjes van ironie en minachting om zijn grijzen knevel.

„Welzeker, ’n paar baltoiletjes en complimentjes, en de ernstigste principes zijn uit ’n meisjeshoofd verdwenen. Een bout de cour, enfuut!”—met een geluid dat Eugénie woedend zenuwachtig maakte, knipte hij een paar maal met den langen nagel van zijn duim tegen dien van zijn ringvinger,—„de verhevenste theorieën gaan bij jonge dames op den loop.”

De eerste weken van Hilda’s zijn in den Haag gingen snel en geanimeerd voorbij. Iedereen was lief tegen haar, er werd paard gereden en gemusiceerd, zij leerde tennissen en wielrijden, en zij gingen naar het strand en deden boodschappen, en bij het uitzoeken van aardige toiletjes voelde Hilda dat echt vrouwelijke, kinderlijk-artistieke genot, dat het aanraken van kostbare stoffen geeft met rijke glanzingen en teere kleuren, als zij glijden tusschen fijne handjes en verbeelding kleine staallapjes omtoovert in heerlijk diepplooiende gewaden.

Bezoeken in mooie salons werden afgelegd bij oude wereldsche dames, die veel over haar „petite santé” praatten, en over engagementen die af of aan zouden raken, bij elegante jonge vrouwtjes, met wie Corry en Eugénie eindelooze gesprekken hielden over de deugden en ondeugden van haar kennissen in ’t algemeen en van haar naaisters in ’t bijzonder, vrome dames, bij wie op elk bedenkbaar voorwerp een kroon of een wapen was aangebracht, en die veel Bijbelspreuken schenen te kennen maar er nooit citeerden die op ootmoed sloegen, bij jonge meisjes, meestal bleek en tenger als Eugénie, over wier bloedelooze lipjes akelige verhalen van heeren en dames uit haar omgeving kwamen, die nog naarder klonken nu jonge cynische mondjes ze uitspraken, bij andere jonge meisjes wier zacht doezelige oogen niets schenen te zien in de wereld dan taartjes en complimentjes en de bonte prisma’s van zeepbellen, bij vroolijke menschen, die door het leven schenen heen te lachen en bij zenuwachtigen die zich zelf en anderen het leven moeilijk maakten, bij artistieke menschen, die veel spraken over kunst en er liefst in dilettantiseerden, maar meestal geen acht sloegen op de prachtige kunst om van hun bestaan iets waarlijk moois te maken, bij ambitieuze menschen met erbarmelijke illusies van een beetje meer aanzien bij het groote publiek, bij menschen met goeden aanleg maar wier leven, verbrokkeld en versnipperd door duizenderlei onvruchtbare nietigheden, in oppervlakkigheid ten onder scheen te gaan, bij deftige koele menschen, van wie men niet zeggen kon, of zij nog een ziel en een gedachteleven hadden, wier wezen zich geheel in vormelijke voornaamheid scheen te hebben opgelost, bij enkele beminnelijke menschen ook, aan wie het van geslacht op geslacht streng voorgehouden: noblesse oblige, werkelijke beschaving en adel van gemoed scheen gegeven te hebben, maar ook bij menschen zoo plat en vulgair en in alle opzichten zoo grof van maaksel dat men zich afvroeg hoe afstammelingen van oude geslachten, die zich sinds eeuwen in weelde en uitgezochten omgang hadden kunnen verfijnen, zulke grove typen konden aanbieden.

Dit alles was Hilda voorzeker niet sympathiek, maar het amuseerde, het boeide haar, en de glans die over deze geheele wereld lag, ook over het leelijkste, laagste, de glans van zelfbewustheid en rijkdom verblindde haar een beetje.

Ook hadden haar ernstige jeugd en het eenzaam stille rouwjaar buiten haar misschien nog ontvankelijker gemaakt voor de bekoring van dit bonte leven. Het was voor haar een nieuw genot om met jonge meisjes te lachen, om weer eens kinderachtig uitgelaten te zijn, om in eens midden in die wereld te zijn, die zij tot dusver alleen maar in romans genaderd was. Zoet enerveerend ook begon de wierook der complimentjes te werken en ’t feestelijk mooie van lichte zalen vol bloemen en groote toiletten begon haar te betooveren.

Toch trachtte zij soms nog eerlijk te reageeren.

„Maar ik ben hier niet gekomen om te dansen en te lachen,” zeide zij op een morgen in eens onder het aankleeden. „Hoe lang ben ik al hier? Al twee maanden! Ik moet gauw zien dat ik iets nuttigs vind om te doen.”

En zij dacht aan haar werk-illusies van den laatsten tijd in Suylenburg en zuchtte, want zij voelde in eens dat het enthousiasme er voor heelemaal was verdwenen en dat het een groote verleiding was om maar rustig zoo voort te leven als een vlinder in zonneschijn.

Zij was naar den Haag gekomen met groote minachting voor al de wuftheid die ze wist er te zullen vinden en ze was vast overtuigd geweest dat ze veel te ernstig en te oud was om er aan mee te doen. Ze had zich zoo heel heel treurig en oud gevoeld, als alleen heel jonge menschen zich voelen kunnen. Alleen naar werken en nuttig zijn had ze verlangd, om te doen wat haar vader gewenscht had, en wat was er nu toch van al die verlangens geworden?

Ze had het zoo druk gehad met al haar nieuwe mondaine plichtjes, met al de tallooze bezigheidjes die haar omgeving van haar eischte en alles rondom haar was zoo vol suggesties, dat het van zelf spreekt, dat jonge meisjes niets doen dan zich amuseeren. En wat was dat toch ook eigenlijk voor werk dat zij had willen doen? Niemand had haar noodig en zij voelde geen enkele roeping in zich. Waarom zou zij zich maar niet amuseeren net als al de andere meisjes. Later kon zij altijd nog zien wat ze zou aanvangen, er zou zich wel eens iets voordoen, waarin ze zich nuttig kon maken! Later zou ze wel werk vinden.… Later.…!

Het was het „Later” dat zooveel energie heeft in slaap gesust en zooveel werkkracht verlamd.

Toch had zij er een paar maal ernstig met haar tante en de nichtjes over gesproken. Er was trouw in haar karakter en de voornemens te Suylenburg waren te eerlijk geweest om ze dadelijk in de bekoring van haar nieuw leven te willen opgeven. Maar ze was overal uitgelachen. Eugénie’s vlijmende spot was als een ijswind snerpend over haar heen gegaan, telkens als zij van „nuttig zijn” heel aarzelend had gesproken, en Corry had fou rires gekregen en had haar burgerlijk gevonden. „Zoo’n idée van iets te willen doen, dat was goed voor meisjes zonder geld.” En mevrouw van Starren had eindelijk ernstig gezegd: „Er werd tegenwoordig al zooveel voor ’t volk gedaan, eigenlijk veel te veel; het werd maar ontevreden als men er zooveel notitie van nam! Zij vond dat iedereen in zijn eigen kring moest blijven. Waar moest het heen als alle meisjes van naam en fortuin diacones of wijkverpleegster wilden worden! Er was zoo’n ziekelijke overdrijving tegenwoordig onder de menschen, en daardoor kwam juist alles in de war. In haar jeugd dweepte niemand uit haar kring met volksbelangen en nuttig zijn en toen was het een boel rustiger in de wereld. En waarom zou Hilda nu ook heel anders willen doen dan al de meisjes die ze kende? Dat was allemaal excentriciteit, aanstellerij. Ze moest liever dankbaar zijn dat ze nu in de gelegenheid was om zoo prettig in de beste kringen uit te gaan, en ze moest zich niet verbeelden dat zij beter was dan al die andere meisjes die zich gewoon amuseerden. Dat was gevaarlijke pedanterie!”

En na dit onderhoud, had Hilda niet meer over werken gesproken, er nauwelijks meer aan gedacht. De stroom van winteramusementen had haar meegesleurd in zijn glanzende vaart. Dagen, weken volgden elkaar op, niets achterlatend in haar geest dan een warreling van muziek en gelach, witdamastgeschitter tusschen bonte bloemen, flitsjes van diamanten en goudborduursels en witte dassen en ruischende kleurige vrouwenkleeren en zoet streelende woorden en alleen heel diep daarachter, haast onzichtbaar van vaagheid, een achtergrond van onbevrediging.

In het begin had zij niet veel succes gehad. De echte conversatietoon was haar wat vreemd en moeilijk geweest en telkens was ze in uitersten vervallen, nu eens onbeduidend door banaliteit, dan weer door veel te zware onderwerpen wat al te diepzinnig schijnend. Maar ze had zich haar eerste nederlaagjes al heel weinig aangetrokken. Gewend sinds jaren, op haar reizen, om veel om zich heen objectief te beschouwen, en zooveel moois of leelijks, treurigs of vermakelijks in de menschenwereld gade te slaan, met de rustige belangstelling van den toeschouwer, die zelf in het drama geen rol heeft te vervullen, had zij ook nu haar nieuwe omgeving in kalme passiviteit bestudeerd. Alles had voor haar de volle bekoring van het nieuwe, maar in haar denken was zij geen bakvischje meer, voor wie een dans, een bouquet, een souper levenskwesties zijn. De aanvankelijke koelheid van haar cavaliers had haar weinig geïmpressioneerd; in vroolijke nieuwsgierigheid had ze haar nieuwe wereld bekeken.

En toen was het langzaam gekomen, het succes, en ze was jong en ijdel genoeg om er zich vol aan over te geven. Sommigen vonden haar nog wat gereserveerd en koud in het luchtig abandon der groote wereld, sommigen „een beetje docte”, wat al te geleerd, maar langzamerhand toch hadden de meesten de charme gevoeld harer jonge mooie verschijning. En ze genoot er van, hoe langer hoe meer, toen ze zich omstreeld voelde door bewondering, en een groot verlangen, een passie om te schitteren kwam bedwelmend soms over haar.

Eerst was zij zachtjes voortgegleden op de goud glanzende zee, lachend meedeinend op de dansende golfjes, toen had ze, zonder bijna te beseffen hoe sterk het haar verblindde, fascineerde, naar het roer gegrepen, en gestuurd dáar naar de open zee waar het fonkelde van diamanten. En toch soms waren er oogenblikken dat zij haar vaart reeds vertraagde, vermoedend dat de schitterglans slechts spel der zonnestralen was waaronder gevaarlijk en koud donkere diepten scholen.

„Kom meisjes,” riep mevrouw van Starren, „het is hoog tijd dat jullie je gaat kleeden. Hilda, ik zou m’n groene zijdje maar aandoen, dunkt me, Corry en Eus kunnen dan haar rosetjes aantrekken.”

Zij verwachtten dien middag verscheidene gasten, en op die eigenaardig langzame manier van menschen die veel tijd hebben, hadden de drie meisjes den ganschen middag doorgebracht met het schikken van bonbons op schaaltjes en het klaarmaken van bloemen voor de tafel.

Hilda knikte toestemmend. Zij gehoorzaamde altijd volkomen gedwee als haar dergelijke dingen gezegd werden. Wat kon het haar schelen of zij rose of groen aan had? Maar in den naklank van haar tantes woorden trilde op eens iets dat haar onaangenaam aandeed, alsof er een diepere bedoeling in lag. Vrouwen zijn sterk in het opmerken van zulke nuancen in stem en toon. In de samenleving is het misschien wel hare grootste macht, dit zeer subtiele opmerken, dat aangevuld door intuïtie, dikwijls de geheimste drijfveeren voor haar bloot legt.

Bij het opgaan van de trap trachtte Hilda den bijna onmerkbaren wanklank te ontleden en zich iets te herinneren wat betrekking kon hebben op groen of rose of japonnetjes, en toen zij boven was lichtte het even in haar op dat een paar dagen geleden de jonge von Görtzen, het rijke Duitsche diplomaatje haar had gezegd dat rose de mooiste kleur van de wereld was en een vrouw er nooit „aanbiddelijker” uitzag dan in rose zijde.

Hilda had toen even geglimlacht, want zij droeg rose zijde en ’t compliment was te duidelijk en te flauw om er op in te gaan. Maar toen, ja zeker, toen zij opkeek, vlak bij hen stond hare tante met een kleinen rimpel tusschen de oogen. Zij glimlachte wel, maar toch.…. ja, zeker, zoo was het, en von Görtzen was geïnviteerd vandaag en dus.… en zat niet Corry naast hem?

Toen Hilda haar kamerdeur opende, wist zij wat niemand in haar omgeving nog vermoedde, dat mevrouw van Starren von Görtzen voor Corry bestemd had en dat zij zelve wijs zou doen met zich zeer op den achtergrond te houden.

Een oogenblik amuseerde haar de ontdekking en midden in de kamer bleef ze even staan om zich beter rekenschap er van te geven; maar toen kwam weer dat gevoel van verwondering en ergernis dat haar, in haar onnoozelheid, de laatste maanden telkens had bekropen. Werd niet Corry sinds een half jaar het hof gemaakt door Rooselaar? en was het niet duidelijk te zien hoe haar behaagzuchtige oogjes bijzonder straalden en lachten, als de knappe jonge advocaat zich tot haar over boog. Waarom dan von Görtzen? Von Görtzen was Freiherr en .… rijk, en Rooselaar had niet veel meer dan zijn hooge voorhoofd met de schrandere gedachten daarachter om zijn toekomst te maken. Maar wat beteekende dat alles? Was hare tante dan niets meer dan zoo’n armzalig type uit de Fliegende Blätter, dat droomt van rijke adelijke schoonzoons? En waarom dan hadden zij Rooselaar aangemoedigd al dien tijd? Was het dan ook van Corry maar een spel geweest?

Hilda hield veel van Rooselaar. Door zijn duidelijk werk maken van Corry was zijn omgang met haar zoo prettig sans conséquence geweest, hij was één van de weinigen waarmee zij gezellig kon praten, ook over ernstige dingen.

Hij was niet gevraagd vanmiddag, ofschoon het een intiem dinertje was en hij daar haast nooit bij ontbrak. Arme jongen! Zou zijn vonnis geveld zijn? En eergisteren was Corry toch nog zoo lief tegen hem geweest? Bah, het was om wee van te worden! maar vanavond zou ze alles nauwkeurig gade slaan om er achter te komen wat Corry in haar schild voerde. Maar waarom moesten dan toch ook altijd zulke ernstige, flinke mannen als Rooselaar verliefd worden op hartelooze speelpopjes als Corry? Wat was dat toch voor een wreed mysterie dat telkens en telkens weer een paar krulletjes of een aardig figuurtje, zelfs de zeer intelligenten onder betoovering konden brengen? Waarom waren de mannen dan toch ook zoo naïef om maar dadelijk te gelooven, en altijd weer op nieuw, dat een lief omhulseltje ook een mooie ziel moet bevatten.

Loom en lusteloos begon zij de spelden uit heur haar te trekken, dat met een zware golf neerviel en diep neerrolde over haar kleed. Zij voelde zich in eens vreeselijk ontstemd, en mat trok ze de kam door het zijden blond, tot ze zich eindelijk schuin neerzette op den arm van een leuningstoel bij het vuur en daar roerloos zitten bleef.

„Och Hilda, kijk es even, jij kunt zoo goed naaien, en Lisette is bezig mama te kappen, wat moet ik doen? die heele kant is losgegaan en ik weet niet hoe het weer zoo netjes te krijgen als het was.”

Eugénie stond in de deur, half smeekend het getornde lijfje omhoog houdend. Wat was zij toch mager en hoe oud al voor haar acht en twintig jaren, nu de ongebrande ponnyharen haar sluik in de oogen vielen en onder het opzijde gebogen hoofdje de halsspieren zoo scherp naar voren streepten. En die magere armpjes met de knoestige rood gevlekte ellebogen! Als zij straks haar lijfje aan zou hebben met de volle kanten zou ze er wel beter uitzien, maar toch, waarom of Eugénie niet liever hooge japonnen droeg?

Hilda zette zich neer om vlug de ramp te herstellen, maar iets van haar laatste gedachte zeggen, durfde zij niet. Zij was al zoo dikwijls door de nichtjes om haar afkeer van decolleteeren uitgelachen.

Een poosje stil voortnaaien volgde. Eugénie zat op den grooten koffer met boeken in den hoek bij het vuur, met nu en dan een lichte huivering in kleine schokjes over haar bloote schouders kruipend.

„Zeg Hilda, die boeken had je ook niet hoeven mee te brengen, ik geloof dat je den koffer niet eenmaal hebt open gehad,” zeide zij met den hak van haar verlakte schoentje even tegen de kist schoppend.

„Nee,” zeide Hilda, even opziende, strak in de lamp, met een vreemd verlangen in haar blik. „Nee, er is nooit tijd voor geweest, maar soms zou ik toch wel graag weer wat werken en lezen. Zooals ik nou leef, is er nooit tijd om tot je zelf te komen, nooit om je eigen weer te vinden tusschen al die indrukken van buiten, die al maar door op je aanstormen. Ik heb soms een gevoel alsof m’n ziel in duizend stukjes verbrokkeld is, waar tusschenin zich allerlei vreemde brokjes voegen, die er niet in hooren en me pijn doen.”

„Hé, wat is dat nou weer voor ’n malle vergelijking, je ziel in brokjes, wil ik je op je verjaardag soms een lijmpotje geven?”

„Nee, heusch, ik meen het, zoo’n soort gevoel heb ik dikwijls tegenwoordig. In het begin natuurlijk niet, toen vond ik alles zoo amusant, zoo nieuw, maar o het lijkt me nou eigenlijk zoo.… leeg, al die afwisseling, die op ’t eind toch eentonig is, en al die drukte, die geen inspanning en geen uitspanning is.…”

„Ik begrijp niet dat je zoo spreekt, nou dat je eigenlijk pas goed bekend bent met de menschen en de toestanden en.… dat je meer succès krijgt.…”, verlegen hield Eugénie op, zij wist niet of Hilda die toespeling op haar weinig succès in het begin ook hatelijk zou vinden.

Maar Hilda naaide rustig voort en Eugénie begon weer betoogend: „Eergisteren heb je nog den heelen avond gedanst en je had het mooiste bouquet van ons drieën. Ik begrijp je niet, in het begin hadt je overal plezier in, en toen had ik toch dikwijls medelijden met je, en nu je gefêteerd wordt, ben je.… of komen je ouwe nuttigheidstheorieën weer boven?”

„Eugénie geloof je dan heusch dat succès tevreden en.… gelukkig kan maken?”

Eugénie lachte haar bleek lachje van desillusie. „Wat vat je ’t altijd zwaar op! wie spreekt nou van geluk? Maar we gaan nou eenmaal uit om ons te amuseeren, niet waar? Zonder succès amuseeren we ons niet, en dus is succès ons grootste streven. En als wij dat bereikt hebben kunnen we tevreden zijn, dat is logisch dunkt me.”

„Ja,” zeide Hilda zacht, „wij gaan uit om ons te amuseeren, maar zou amuseeren wel de bedoeling van ons leven zijn?” en toen met onweerstaanbare behoefte aan expansie: „zeg es eerlijk, Eus, van je achttiende tot je achtentwintigste ben je uitgegaan, heb je je heusch al dien tijd geamuseerd?”

Maar Eugénie was niet in een confidentieele stemming.

„Wel natuurlijk!” zeide zij met onrustige bewegingen aan haar rokborduursels plukkend. „Maar wat bezielt je toch vanavond? Heb je bij mevrouw Cranz een preek gehad over waereldsche wuftheid, of voel je weer je hoogdravende roeping in je opkomen om non of pleegzuster of zoo iets te worden en mij ook te bekeeren?”

Als Eugénie in haar kouden spottoon verviel, was het Hilda alsof er zich een ijsmuur tusschen haar optrok. Ver en vreemd voelde ze zich in eens tegenover haar staan.

„Ziezoo het is klaar,” zeide zij, de kant nog even luchtigjes schikkend met de streelende, vlugge vingertoppen, „trek het nou maar gauw aan, want het is al laat geworden; Corry is geloof ik al naar beneden.”

En in groote haast voltooiden zij haar toilet.

Maar Hilda, toen zij voor den spiegel stond om een paar natuurlijke rozen aan het uitgesneden corsage vast te hechten, en ze zag hoe mooi de fluweelig zijden rozenknopjes langs haar blooten hals schenen op te klimmen, hoe goed haar het groene kleedje stond met niets dan die mat rose bloemen, glimlachte onder de bekoring van haar eigen beeld. De ontstemming van zooeven, trok zachtjes weer weg naar de geheimzinnige diepten waaruit zij was opgestegen en legde zich weer te sluimeren.

Half neuriënd holde zij de trappen af, en toen de eerste gast werd aangediend stond ze tusschen haar nichtjes in, alle drie lief poseerend, en onwillekeurig glimlachte zij tegen haar eigen kopje, toen zij het toevallig in den spiegel ontmoette. De glansnevel was weer over haar gekomen en zij voelde zich zelf en haar nichtjes, zooals zij er op dit oogenblik, in de teere schakeeringen van haar bloemkleurige kleedjes ook uitzagen, als een groepje van kostbare bloemen, voor salongefonkel geschapen.

Het was een gezellig dinertje. Het winterseizoen begon op zijn einde te loopen en in de kleine afgesloten kringen der groote wereld kende men elkaar betrekkelijk goed na zoo’n „wintercampagne”, en heerschten de conversaties met groot abandon, nog geaccentueerd door gewilde ruwheid van enkelen. Corry zat druk met haar diplomaatje te spreken en zag er met het verhoogde kleurtje meer dan ooit snoezig uit; ook Hilda was vroolijk, bijna uitgelaten. De reactie van haar ontstemming deed zich gelden. In het oppervlakkige wereldleven dat van de vrouw onophoudelijk een glimlach vergt, terwijl zij over alle onderwerpen licht schertsend heenglijdt, begon haar gezond zenuwgestel te lijden en zachtjes aan kreeg zij die afwisselende stemmingen van opwinding en neerslachtigheid, waaraan maar zoo weinigen in haar omgeving wisten te ontkomen.

„Van Gaefden ga je morgen ochtend mee paardrijden,” zeide Eugénie over de tafel heen tot Hilda’s buurman, een lange jongen met blonde bakkebaardjes en een mooi, onbeduidend gezicht. Hij was juist geëngageerd met Eugénie’s beste vriendin, freule Valérie Vermaezen, het prachtige roodblonde meisje naast hem, en als zoodanig werd hij nu getutoyeerd.

„Het spijt mij zeer, freule,” riep hij terug, „maar morgen moet ik naar de Hoek van Holland om Cranz af te halen, die uit Engeland komt. Het was vroeger een van mijn beste vrienden en wij hebben elkaar nu in geen jaren gezien. Telkens als hij met verlof kwam was ik hier of daar op reis, en nou ik toevallig bij zijn moeder hoorde, dat zij hem morgen terug verwacht, wil ik hem graag tegemoet gaan.”

„Is dat een zoon van de ouwe mevrouw Cranz van Rozenhagen?” vroeg Hilda.

„Ja, juist, freule, Bernard Cranz van Rozenhagen, ’n beste kerel. Hij is nou secretaris bij de legatie te Londen.”

„Wat zal de ouwe mevrouw in den zevenden hemel zijn dat haar afgod, haar lieve Bernardje thuis komt,” zeide Eugénie, met haar sarcastischen lach.

„Hoe gaat het met je broer en wanneer komt ie terug uit het Zuiden?” vroeg Valérie.

„Edward! O, die komt in het begin van Mei, de volgende maand. De dokter wil niet dat ie vroeger thuis komt,” zeide Eugénie onverschillig, maar toen in eens levendig, met schuwen blik naar het andere einde van de tafel, waar een fijn blond vrouwtje rustig met haar vader zat te praten: „Zeg Valérie,” zeide zij gedempt, „ga je de volgende week ook naar Gladys van Praege?”

Freule Vermaezen knikte en glimlachte heel neerbuigend, en ook zij zag even naar het fijne blonde profiel aan het andere einde. „Och ja, we hebben maar aangenomen, laatst zijn we er ook geweest, ik vind er niets in, en iedereen gaat er nou toch ook weer heen. En jullie?”

„Wij gaan ook!”

„Vindt je haar geen lief vrouwtje?” zeide Hilda zich voorbij van Gaefden buigend tot Valérie. „Ik vind het zoo’n innig sympathiek gezichtje.”

„Welzeker,” zeide van Gaefden goedig, toen zijn mooie verloofde alleen antwoordde met eene kleine schouderbeweging van onverschilligheid. „Een heel aardig vrouwtje, en lang niet leelijk, en dat moet ik zeggen goeie wijn hebben ze er, uitstekende wijnen.” En toen vertrouwelijk ging hij zachtjes voort: „En wezenlijk het zijn aardige menschen, maar zij is een Amerikaansche, en zoo’n vreemd vrouwtje, natuurlijk van geen familie, is eerst nog al koeltjes ontvangen en toen hebben ze een paar onmogelijke flaters gemaakt met hun invitaties, zoodat een heele boel lui, hun toen een tijdlang niet hebben willen zien. Maar dat is nou al weer een poos geleden, ze zijn nou heelemaal gelanceerd en iedereen komt er nu ook aan huis. Kent u haar?”

„Heel weinig, ik heb haar maar een paar maal op haar ontvangdag gesproken, want bijna den geheelen winter is zij niet wel geweest en kwam ze nergens.”

„Ik houd het er voor,” zei Valérie, „dat het maar een pretext was, haar gezondheid, want elken dag ’s morgens zag ik haar langs komen met haar oudste kindje, dat mooie meisje. Maar ik heb van verscheiden kanten gehoord dat ze niets houdt van uitgaan, en in haar hart, door en door burgerlijk, maar stil ’s avonds thuis zou willen zitten bij de wieg.”

„Nou, dan heeft ze het getroffen met haar man!” lachte Van Gaefden, „ik geloof dat hij onmogelijk een avond thuis zou kunnen blijven. Een echte doordraaier die Praeg! ze vertellen dat-ie zijn boeltje er mooi aan ’t doorbrengen is.”

„Nou, ik mag hem toch wel”, zeide Valérie fluisterend, „hij kan verbazend geestig zijn, je amuseert je altijd dol met hem.”

„Hè nee, dat vind ik volstrekt niet,” protesteerde Hilda.

„Het eenige is,” ging Valérie door, „dat al doen ze nou ook zulke flaters niet meer als in het begin, ze toch altijd nog allerlei menschen samen vragen, die elkaar anders nooit ontmoeten. Nergens zie je zoo’n gemêleerd gezelschap als bij hen.”

„Dat kan geen kwaad voor ’n keer, ik mag dat zoo wel es, en die je niet aanstaan ignoreer je eenvoudig,” zei Van Gaefden, vol zelfbehagen om zijn liberale opvattingen.

„Ja, dat kan wel eens aardig zijn,” zeide Hilda peinzend, de lange tafel overziende waar al die welbekende gezichten haar in eens met onuitstaanbare verveling vervulden. Even bleef haar blik aandachtig op het Amerikaansche vrouwtje rusten; wat een charme van distinctie lag er in dat fijne, wat al te magere kopje, zoo als het zich zwakjes wiegde boven den hoogen boord van het zwarte fluweelen kleed. Toen zag zij daar schuin tegenover naar van Praege, zij had het al zoo dikwijls gezien het vale teint, de donkere, ingezonken oogen, dat sluike, diep op het lage voorhoofd geplakte haar, het dunne kneveltje, dat maar even schaduwde boven de dikke, sensueele lippen, maar vandaag leek hij haar nog antipathieker dan vroeger. En toch vonden verscheiden dames hem knap! Hij was druk in gesprek met Ottilie van Heemeren „het mooiste vrouwtje van den Haag,” waarvan den laatsten tijd veel vreemde dingen werden gefluisterd. Het scheen wel grappig te zijn, wat hij haar nu juist vertelde, want beiden lachten, lachten lang en zenuwachtig en zagen elkaar dan weer aan, en lachten weer, tot eindelijk mevrouw van Heemeren zich achterover in haar stoel wierp en van Praege zich diep tot haar overboog, en zij in eens weer bedaard werden toen zij bemerkten dat men naar hen keek. Het is vreemd, maar als heeren als van Praege en vrouwtjes als Ottilie naast elkaar zitten, wordt er altijd zoo gelachen. Daar is een kleine demon van onrein lachen, die gewekt wordt door hun contact.

Het diner liep vlug ten einde. Corry en haar jonge Freiherr zaten nu vertrouwelijk te praten, zij met dien diepen kinderblik tot hem opgeheven, die Rooselaar zoo dikwijls naast haar had doen sidderen van ontroering.

Eugénie, tusschen twee uniformen, koketteerde en lachte, het tengere lichaam één zenuwtrilling, en Hilda zich opwindend tot haar vroolijkste stemming trachtte zich erg te amuseeren, maar vanavond lukte het toch eigenlijk maar half.

Na het eten, toen de dames alleen in den salon gelaten waren en zich vertrouwelijke groepjes vormden, ging Hilda naar Gladys van Praege, het banale salonwoord op de lippen, maar in haar gezichtje een warmere uitdrukking van sympathie.

„Wat ben ik blij, dat ik de volgende week gebruik kan maken van uw allerliefste invitatie.”

„O, ja, het doet ons ook zoo’n genoegen dat u zoo vriendelijk wilt zijn om te komen”.…..

Toen zwegen beiden, in eens niet wetend hoe verder te gaan.

Het hinderde Hilda, nu zij zich aangetrokken voelde tot dit jonge vrouwtje, die ijsmuur van banaliteiten tusschen haar te voelen, en zij ging voort, aarzelend omdat ze in eens bang was dat Gladys haar woorden zou opvatten als een van die gedachteloos uitgesproken complimentjes, die men tegen alle jonge moeders zegt: „Ik ben verleden uw dochtertje tegengekomen, wat is het een prachtig mooi kindje! Laat u haar elken dag uitgaan?”

„O, ja,” zeide Gladys, in eens kwam er leven in het bleeke gezichtje, want zij had verstaan dat Hilda iets anders dan banale beleefdheidszinnetjes meende. „Het doet haar zoo’n goed om veel in de lucht te komen. Houdt u van kinderen?”

„Heel veel! Mag ik misschien uw zoontje ook es komen zien?”

„O! ja, doet u dat! dat vind ik lief van u!” zeide Gladys snel, en zij zagen elkaar aan en glimlachten en praatten nu verder, beiden met een blij gevoel van sympathie dat warmte gaf aan ’t koude woord van nieuwe kennismaking.

De meeste dames waren langzamerhand gaan zitten, de groote kamer vullend met kleine groepjes van mollige fluweelplooiing, satijngeglans van blanke schouders, en weerschijntjes van zijde onder kantgewaas. Zachtjes, bekoorlijk als van intimiteit, gonsden de gesprekken, van tijd tot tijd door een jonge stemmeklank, of een hoog lachje verbroken. Het waren deze tafereeltjes van licht, van elegante voorname gezelligheid, die Hilda in het begin zoo sterk hadden gefascineerd; maar den laatsten tijd begon zij ze met andere oogen te bekijken. Nu haar blik aan de schittering gewend raakte en door begon te dringen door de glanzende oppervlakte, ging er veel van de eerste bekoring verloren.

Bij den haard, het vlammenlicht geel optintend langs haar zeegroen fluweelen kleed, stond Ottilie van Heemeren, trotsch het prachtige, half naakte bovenlijf oplichtend uit het boordsel van zwanendons dat als eenig garneersel haar lijfje omgaf. Zij had het teint der blondines, zoodat het dons met zachtgroen fluweel, haar volmaakt goed stond, maar heur haar was zwart kroezig, en de donkere wimpers, omsluierend de lichtblauwe oogen gaven haar iets vreemds, iets sfinxachtigs dat nog sterker boeide dan hare schoonheid. Er werd verteld dat zij zich verfde, en men haar als kind vuurrood had gekend, maar zij was zoo lang te Parijs op kostschool geweest en toen zij terugkwam was zij zoo als nu, de wereld in het onzekere latend of men met een artistieke gril van de natuur, of met groote kapperskunst te doen had.

Corry stond naast haar, al haar snoezigheid in ’t niet verzinkend naast Ottilie’s exotische schoonheid.

„Corry, stout kind,” zei ze plagend „waarom kom je nooit meer es rustig bij me praten? Je komt alleen maar op m’n jour, en dan hebben we zoo niets aan elkaar! ’s Middags van twee tot vier ben ik altijd thuis, want de dokter heeft mij voorgeschreven om elken middag te rusten, en dus lig ik zoet een paar uur lang op mijn rustbank. Kom me dan eens zien, en breng je nichtje mee. Ze trekt me erg aan, al heeft ze me ook straks, toen de heeren nog binnen waren, in het bijzijn van van Brehnen zoo vreeselijk uit de hoogte terecht gezet, dat ik het niet gauw aan een ander zou vergeven.”

„Wezenlijk? Wat heeft ze dan wel gezegd?” vroeg Corry nieuwsgierig, met een tikje leedvermaak.

Corry en Ottilie waren van denzelfden leeftijd, en zoogenaamd groote vriendinnen, maar in den grond konden zij elkander niet uitstaan. Corry was jaloersch op Ottilie’s veel grootere intelligentie en gaven en schoonheid, en op haar positie als getrouwde vrouw, en Ottilie zag neer op „het onbeduidende kind.”

„Ja, dat zou je nou wel es willen weten, liefje, maar het waren een paar hatelijkheden zoo netjes ingewikkeld dat ik er niets op antwoorden kon, en ze toch best moest snappen. Het is een bijdehandje, dat nichtje van je, maar als ik het je nu over ging vertellen, zou je het fijne misschien niet eens begrijpen.”

„Als je denkt dat ik zoo dom ben, zal ik maar aan Hilda zeggen dat ze alleen naar je toe moet gaan, dan zul je mij liever niet zien,” zei Corry geraakt.

Maar Ottilie, wie het juist om Hilda te doen was, lachte haar ondoordringbaar raadsellachje. „Nee zeker, jij moet ook mee komen! anders zou ik ’t me erg aantrekken! Dus een van de volgende dagen, niet waar?”

Toen wendde zij zich om, Corry alleen latend; de heeren waren weer binnen gekomen voor de thee, en als er heeren waren om mee te praten, sprak Ottilie nooit met dames.

Den volgenden morgen, toen Hilda ontwaakte, stroomde een weelde van zonnestralen haar kamer binnen, met al de vroolijkheid van lentezonneschijn. Er zat levensmoed en lachlust in dat morgenlicht en het stukje blauwe hemel met dunne waterige wolkdonsjes, dat zij van uit haar bed kon zien. Een oogenblik lag zij dommelig genietend van al dat instroomende licht, toen kwam weer het bewustzijn van iets onaangenaams in haar op. Wat was het ook weer? O, ja die arme Rooselaar! Er was geen twijfel aan, Corry had hem verraden voor den Duitschen baron met zijn geld en „Rittergut.” „Arme jongen! Ik geloof dat hij zoo zielsveel van haar houdt! Quelle pitié!”

Maar toen zij weer opzag naar het kleine stukje lucht, dat in de vierkante lijst van het raam, in zijn stralende blauwheid onverschillig voortlachte, lachte zij zelve mee.

„Eugénie heeft gelijk, ik neem ook alles veel te zwaar op. Wel, Corry met haar snoezigheid en gratie en lieve lachjes beantwoordt heelemaal aan ’t vrouwenideaal van de meeste heeren. Laten zij dan ook maar eens ondervinden wat zulke ideaaltjes hun te dragen geven! Het ergste is alleen dat als zij tot de ontdekking van hun vergissing komen, zij de heele vrouwenwereld de schuld geven van hun eigen domheid en de valschheid van zoo’n mooi klein nest.”

„Freule”, zei een stem achter de deur, „daar is een briefje van mevrouw Cranz, de knecht heeft het net gebracht, wil ik het u hier geven of .….

„Kom maar binnen, Lisette, ik wil het graag dadelijk lezen,” riep Hilda, en blij, ze was altijd blij als er iets van de oude dame kwam, opende ze het couvert.

Lieve!

Kunt gij vanmiddag even aankomen tegen drie uur? Ik heb weer een paar arme vrouwtjes die ik naaiwerk zal geven. Wilt gij het komen klaarmaken? Gij ziet uwe goedheid en hulpvaardigheid maken mij veeleischend! Maar het is zulk een vreugde u bij mij te zien, mijn kind, dat ik niet kan nalaten uw geduld telkens op de proef te stellen, om te zien hoe lang gij het zult volhouden om toe te geven aan het egoïsme eener oude vrouw.

Uwe u liefhebbende U. Cranz van Rozenhagen.

Het waren feestbodes, deze korte briefjes, met hun ouderwetsch deftigen stijl en vriendelijke zinnetjes uit een vroeger tijdperk, toen beleefdheid nog voor een deugd gold, en met het prettige vooruitzicht dien middag weer eens gezellig te kunnen praten, zoo als zij het met niemand anders doen kon, begon Hilda opgewekt haar toilet.

En tegenwoordig kwamen er telkens van die episteltjes, want schertsend had de oude mevrouw haar tot haar armenverzorgster aangesteld, en hoe langer hoe meer begon zij haar van die kleine plichtjes op te dragen, die zij vroeger zoo gaarne zelf volbracht, maar nu overgaf, gedeeltelijk omdat zij zich inderdaad te zwak en te oud begon te voelen en gedeeltelijk omdat zij het jonge meisje in deze kleine liefdewerkjes een tegenwicht wilde geven tegen haar wufte omgeving.

Toen Hilda klaar was, en ze was altijd vlug klaar, omdat hare werkzame jeugd haar nooit het treuzelen geleerd had van vrouwen, wie een lange leege dag wacht, klopte zij zachtjes aan de slaapkamerdeur van haar nichtjes.

Eugénie lag nog te bed. Het bleeke gezichtje met de paarsige, vermoeide oogleden half gesloten, lag diep in de kussens gezonken, één mager handje hing slap en bleek neer als van een doode, nog witter schijnend in de borduursels van haar nachtkleed. Een leeg champagneglas stond voor haar bed. Zij deed dat tegenwoordig heel dikwijls: zoo’n slokje champagne ’s morgens wekte haar zoo op. Corry lag half gekleed op de sofa te lezen, het laatste boek van Albert Coppet, een fransche romancier die den laatsten tijd veel opgang had gemaakt en vooral dat jaar druk in de Haagsche dameswereld werd gelezen. Hilda kende het boek en eerlijk gezegd, zij had het leelijk gevonden.

„Waarom lees je niet liever het boek van die Amerikaansche schrijfster, dat Rooselaar ons geleend heeft?” zeide zij. „Het is heusch heel aardig. Er is een heel merkwaardige karakterstudie in van een jong meisje dat in Californië eerst in een farm dient en later in Boston komt en redactrice van een politiek blad wordt. Een curieus verhaal en heel goed geschreven.”

„Zoo, is het aardig,” zei Corry. „Eus had het ingekeken en dacht dat het nog al erg braaf en zoet was, vreeselijk braaf, zie je, met niets pikants er in, en daar hou ik juist zoo van.”

„Nee, het is heel aardig, maar van die prikkelingen, zooals Coppet ze geeft, komen er niet in,” zeide Hilda ongeduldig. „Maar klee je nou gauw aan, dan kunnen we samen ontbijten.”

„O! Foei, moet ik nou al weer uitscheiden! ik was pas begonnen!” zuchtte Corry, het sierlijke lichaampje lang achterover op de sofa uitrekkend. „Hoe laat is het eigenlijk? Half tien? ja, dan moet ik wel voortmaken, want ik wou nog even een kantje zetten om de antimacassar van tante Charlotte, en om elf uur komt Betty de Mureaux quatremains spelen. O! O! wat een drukte toch altijd en eeuwig! Maar zeg, Hilda, ga je mee vanmiddag om drie uur naar Ottilie van Heemeren?”

„Nee, liever een anderen dag, ik wou vanmiddag even bij mevrouw Cranz gaan.”

Eugénie, die nog niet gesproken had dan een mat: „goeie morgen”, liet in eens de nasale klankjes van haar spotlachje hooren. „Ga je ’t lieve zoontje begroeten?”

„Hé, Eus, hoe kun je nou zoo flauw zijn? Wie denkt daar nou aan?”

Maar Corry met een leelijk verwringen van spijtigheid in haar mooie gezichtje, draaide zich om en zeide heftig: „Natuurlijk denk je daar aan! Dacht je dat we zoo dom waren om je slimmigheid niet te begrijpen? Tous mes compliments, mademoiselle! Wel zeker, ga gerust je gang. Schijnheilig freuletje! Dat komt met een preutsch gezichtje over Coppet spreken en dat loopt zoo gauw als zij maar kan, naar mevrouw Cranz om haar lieven zoon in te palmen! Je wou ons allemaal vóór zijn, nietwaar, om indruk op hem te maken. Nou begrijp ik ook waarom je mevrouw zoo het hof hebt gemaakt!”

„Corry, hoe kun je toch zoo iets verzinnen? Hoe kom je er bij? Ik heb heelemaal niet aan dien zoon gedacht, ik wou maar even .…”

Weer lachte Eugénie van uit haar bed, en Corry lachte nu ook met de sarrende rouladetjes, waar vrouwen zoo wreed mee kunnen kwetsen.

„O, natuurlijk niet! je was het heelemaal vergeten dat hij thuis kwam vandaag! en je wist ook niet dat Bernard Cranz een prachtige partij zou zijn.”

„Nee,” zei Hilda. Corry met haar groote reine oogen strak aanziende, „daar heb ik nooit, nooit over gedacht. Maar mevrouw Cranz heeft me een briefje geschreven of ik komen wou vanmiddag, en ik zal gaan.”

„Waar is dat briefje? Wanneer is dat gekomen?” riepen de beide meisjes door elkaar.

Hilda had het in den zak, en een oogenblik maakte zij de beweging om het voor den dag te halen, maar toen voelde zij in eens de vijandigheid die uit het spotgelach naklonk en langzaam, zonder iets te zeggen, ging zij de kamer uit.

„Zeker is het vannacht om twaalf uur door een kaboutertje gebracht!” riep Corry haar nog na, en weer lachten zij het scherp snijdend gelach van booze, jaloersche meisjes, waar bovenuit Eugénies hatelijk schril stemmetje gilde: „Schijnheilig freuletje.”

Hilda antwoordde niets. Het was de eerste keer dat haar nichtjes zoo waren geweest. Tot dusver hadden zij alle drie succes genoeg gehad, ieder in haar eigen kringetje, om vreedzaam naast elkaar te gaan, en Hilda’s vroolijk hulpvaardig karakter had heel wat botsinkjes vermeden. Maar wat was nu dit? Waar zag men haar wel voor aan?

„Maar ik wil er mij niet aan storen!” dacht zij flink, „zulke verdenkingen spatten zwart terug op diegenen die ze verzinnen, en het is geen reden dat ik de ouwe mevrouw afschrijf.”

Het rijtuig kon Hilda niet krijgen dien middag; mevrouw van Starren was al vroeg uitgereden om visites te maken; en met een paar stevige laarzen aan, want de dooiende sneeuw, in vuilgrijze natheid, lag nog dik hier en daar in de straten, stapte Hilda vlug voort naar haar oude vriendin. Zij voelde zich blij, toen zij het huis had verlaten, waar sinds dien morgen zulk een gespannen stemming heerschte; de buitenlucht maakte haar in eens weer vroolijk en licht en in haar nauwsluitend blauw laken pakje, het blauw vilten matrozenhoedje, mooi kleurend tegen het blondbruine haar, ging ze haar gewonen gang van veerkracht naar de woning van mevrouw Cranz.

De lucht was zacht, maar de wind, als hij vol aanblies, deed nog huiveren en snerpte roode frischheid op Hilda’s wangen.

„Wat kunnen me eigenlijk al die speldenprikken en laffe verdenkingen schelen?” zeide zij opgewekt onder het voortgaan.

En toch, toen zij in de gang van mevrouw Cranz die pelsjas en den hoogen hoed zag hangen, die getuigden van een nieuw element in de stille ouderwetsche omgeving, kreeg ze het op eenmaal verschrikkelijk benauwd en had wel weer terug willen gaan. Maar de knecht wierp de deur open en Hilda’s blauwe figuurtje, zacht omstraald door het lentelicht dat door de hooge ramen haar tegemoet stroomde, stond op den drempel en moest binnen gaan.

De oude mevrouw zat in haar stoel, met de hooge rechte leuning, dicht bij het vuur, zij glimlachte toen zij het jonge meisje zag en met een vreugdeglans in de oude oogen zich toen weer wendend tot den forschen jongen man, vlak voor den haard, stelde zij hen aan elkander voor met een wijzende beweging der hand:

„Mijn zoon; freule van Suylenburg.”

Beiden bogen, hun vluchtigen blik van nieuwsgierigheid zich kruisend, en hij bleef nog even kijken en zei toen een paar beleefde woorden. Maar, op eenmaal hoorde Hilda Corry’s gelach weer: „schijnheilig freuletje, prachtige partij” en een groote verwarring kwam over haar, die haar wel jong en bekoorlijk stond in de oogen van den man, die ze bij haar opwekte, zonder het waarom te vermoeden, maar die zoo sterk afstak tegen haar gewone voorname gemakkelijkheid dat de oude mevrouw haar goedig te hulp trachtte te komen.

„Hoe lief dat je door dat morsige weer toch nog gekomen bent. Ga zitten, lieve! Och Bernard geef mij die briefjes even aan, die daar liggen. Ik heb met de freule van Suylenburg altijd gewichtige zaken te bespreken, niet waar? en je moet ons even onze conferentie laten houden. Misschien wil jij wel in dien tijd even een sigaar opsteken hier naast?”

„Wilt u me nou alweer weghebben mama?” zei de jonge man lachend. „Ik ben nauwelijks hier en laat mij zoo maar niet afschepen. Ik zal hier heel zoet in een hoek gaan zitten en lezen tot u klaar bent.”

En hij ging naar de vensterbank met een boek en keek beurtelings naar buiten in de straat en naar ’t blauwe figuurtje binnen tot hij heelemaal op ’t einde vergat weer naar buiten in de straat te kijken.

Hilda zat half met haar rug naar hem toe, schijnbaar verdiept in de brieven die zij lezen moest, maar inwendig trillend van ergernis. „Hoe kon me nou toch zoo iets doms overkomen, te staan stotteren en kleuren tegenover zoo’n vreemden man! Wat is het toch leelijk van de nichtjes om mij van zulke intenties te verdenken! En als de oude mevrouw nou mijn verwarring maar niet heeft gemerkt en ook zoo iets van mij gaat denken! Dat zou ik niet kunnen verdragen.”

„Mevrouw,” zeide de knecht, na zachten klop, „daar is Dominee Moisette die vraagt of ie u een oogenblikje belet doet.”

„Laat Dominee maar binnen komen,” zeide de oude dame, en toen de knecht teruggegaan was naar de spreekkamer, „dat tref je Bernard, nou zie je vandaag in eens de twee vrienden die je ouwe moedertje het best troosten en helpen als je weg bent. Moisette is een nieuw licht aan onzen pastoralen hemel, een jong mannetje nog, maar met veel ijver, en die mij dikwijls groote diensten bewijst in mijn armenzorg. Maar jij, Hildy, jij mag wel een beetje voor hem oppassen. Het komt mij verdacht voor dat hij toevallig juist altijd bij mij komt als jij er ook bent.”

„O! lieve mevrouw, dat kunt u niet meenen, daar is geen kwestie van,” zeide Hilda sterk afwerend, want zij wist dat het wèl waar was, dat Moisette haar tegenwoordig overal tegen kwam, haar overal trachtte te ontmoeten. Maar de ernst die over haar jeugdjaren had geheerscht, had haar verheven boven het spottend zich gevleid voelen, waarmede zoovele jonge meisjes dergelijke stille vereeringen beschouwen. Bij intuïtie begreep zij het leed dat de jonge predikant, met zijn harde zelfbedwongen natuur moest lijden en ze was te ernstig om er zich een ijdelheidsspeelgoed van te maken. Medelijden en eerbied lagen in haar heftig ontkennen.

Moisette kwam binnen. Een lange, magere, jonge man. Zijn donkere, kleine oogen, het dikke, sluikzwarte haar, en het boven de oogen sterk gewelfde voorhoofd der fanatieken gaven hem iets terugstootends, alleen de mond was week en treurig en om de glad geschoren kin rondden zich lijnen van goedheid.

„Wat een contrast tusschen die twee,” dacht Hilda toen de beide jonge mannen aan elkaar werden voorgesteld. „De eene lijkt wel een monnik uit de middeleeuwen, die weken lang gevast en met den duivel geworsteld heeft en de andere .…? ja waar lijkt die op?” Voor ’t eerst zag ze even aandachtig naar hem heen. Zijn forsche, gevulde gestalte van sportlievenden edelman, het hooge, kale voorhoofd, de zorgelooze blik der ronde lichte oogen, de volle lippen tusschen de zware, blonde knevel en baard, met hun zelfbewust glimlachje van mooie man, zeiden haar eigenlijk niets. „Wel, al is hij ook de zoon van mijn lieve mevrouw, ik kan het niet helpen, hij lijkt het meest op een Duitsche officier in politiek, stilletjes gezegd het vreeselijkste wezen dat ik ken,” en met zekere voorkeur keerde zij zich weer tot het monnikstype.

„Wat dunkt je Moisette,” hoorde zij mevrouw nu zeggen, „als dat arme Sophietje met haar rugpijnen dat eeuwige naaien, vooral op de machine, niet kan volhouden, zouden wij haar dan geen boekhouden kunnen laten leeren en haar plaatsen kunnen aan die Levensverzekering van je vriend Wilte, waar je verleden van sprak?”

„O, maar mevrouw, daar had ik Jacob Spruiten voor bestemd.”

„Ja dat weet ik,” hernam de oude vrouw haastig, „maar nu die zulk een mooie betrekking aan die fabriek gekregen heeft, vervalt hij natuurlijk. Waarom zou je er Sophietje Vanen nou niet voor nemen? Freule van Suylenburg vindt ook dat zij bepaald bijzonder vlug is.”

„En zou de freule dan willen dat het meisje bij zoo’n maatschappij ging werken?” vroeg hij weifelend, direkt tot Hilda gewend.

„O, ik zou het uitstekend vinden,” zeide Hilda. „Het naaien kan zij op den duur toch niet uithouden, en Sophie is zoo’n bedaard, accuraat en intelligent meisje dat zij juist voor zoo iets geschikt zou zijn. Als mevrouw Cranz haar les wou laten geven en u zorgde later voor de plaatsing, zou het kind gered zijn.”

Moisette schudde het hoofd. „Klerkenwerk en boekhouden in een Levensverzekering zijn nu eenmaal geen vrouwenwerk. Neem mij niet kwalijk, mevrouw, maar in mijn ambt zie ik mij gedrongen om op alle wijzen die nieuwe emancipatieideeën der vrouwen tegen te gaan en ik mag ze dus in dit geval ook niet aanmoedigen. Ieder moet in zijn eigen werkkring blijven, anders neemt de vrouw den man het brood uit den mond.”

„En waar zie je de scheiding dan tusschen ieders werkkring?” vroeg mevrouw Cranz even ironisch. „Vindt je dan naaien zoo’n speciaal vrouwenwerk? Maar dan moest je ook preken tegen die duizenden kleermakers voor heeren en voor dames en de goudborduurders en stoffeerders, die de vrouwen het brood uit den mond nemen, ofschoon, ik moet zeggen, daar heb ik nog nooit een vrouw over hooren klagen, hoe hard de strijd om het bestaan ook voor haar is.”

„Maar waarde mevrouw Cranz, als vrouwen de goed gesalarieerde baantjes aan de mannen gaan betwisten waar moeten wij dan van leven?” zei de jonge dominee zonder haar vraag te beantwoorden.

Hilda hief levendig het hoofd op. Zij zag in haar verbeelding weer het geduldig bleeke gezichtje van het naaistertje voor zich en ergernis trilde in haar stem: „En als de man de goed gesalarieerde baantjes aan de vrouw blijft betwisten, waar moeten wij dan van leven? Met pijnlijke ruggen het droge brood van ons naaiwerk eten om de mannen rustig en aangenaam hun betere betrekkingen te laten genieten? Hebt u dan meer medelijden met den honger van den man, dan met dien van de vrouw, dat u voor alles zijn brood beschermt?”

Moisette zag haar een oogenblik onthutst aan. „Maar de man moet het brood verdienen, ook voor de vrouw. Als hij goed verdient kan hij een gezin onderhouden.”

„En de vrouw dan?” riep Hilda bijna heftig, „moet die in dezen tijd niet ook heel dikwijls een gezin onderhouden? Sophietje heeft haar zieke moeder en ’t kleine, gebulte Fritsje, dat nooit veel zal kunnen verdienen. Vrouw van Toorn, die mevrouw verleden heeft voortgeholpen, heeft een man die al drie jaar aan tering lijdt, en zes kleine kinderen, juffrouw Spanjaard heeft acht weezen van haar broer en zoo zijn er immers massa’s! De toestanden zijn niet meer, dat de vrouw rustig het verdienen aan den man kan overlaten, u weet zelf ook best hoe dikwijls het onderhoud op de vrouw aankomt en dan staat zij eenvoudig tusschen zedelijken ondergang en hard werken voor droog brood. Waarom, als zij even intelligent is en even veel haar best doet, mag zij geen even goede betrekkingen hebben als de man? Trouwens het is tegenover de Sophietjes in de heele wereld wel wat al te hard om haar iets te weigeren, dat aan den vader van een huisgezin toekomt, want zij weten heel goed, die bleeke, leelijke stumpertjes, dat niemand haar tot moeder van een gezin zal maken, en zij dus nooit zullen profiteeren van die voordeelen, die men haar onthoudt onder voorwendsel dat men ze aan haar echtgenoot wil geven.”

„Maar de vrouw hoort niet op een kantoor, zij hoort thuis in het huishouden!” zeide Moisette met een smeekenden blik op mevrouw Cranz, die zwijgend naar Hilda geluisterd had.

„Wat meent u met huishouden?” vroeg Hilda ironisch, meegesleept door het onderwerp. „Lekkere schoteltjes klaarmaken voor moeder en Fritsje? Hoe lief! Maar als er niet eens brood op tafel is? Wat is het huishouden der armoede? Geld moet er toch in de eerste plaats zijn, niet waar? Eerst moet Sophietje verdienen, en dan kan zij heel „vrouwelijk” en lief gaan huishouden!”

„Kom Moisette,” kwam mevrouw Cranz goedig tusschen beiden. „Wees nou maar goed voor mij en Sophietje en ook voor de freule van Suylenburg; je ziet hoe veel belang zij in de zaak stelt, en zorg jij nu voor die betrekking op het kantoor van je vriend, dan zorg ik voor de lessen.”

„Ik zal zien mevrouw,” zei de jonge man heesch. „Maar het is tegen mijn beginsel.”

Ineens stond hij op om heen te gaan met gejaagde bewegingen en een stijve buiging voor Hilda, maar toen zij hem vriendelijk de hand reikte, als tot verzoening na hare heftigheid, ontroerde zij van zijn donkeren blik.

„Wel moeder, ik wist niet dat u zoo voor vrouwenemancipatie ijverde,” zeide de jonge Cranz lachend, op dien lichten speeltoon, half ironisch, half verwonderd, waarmede ernstige zaken gewoonlijk in de elegante wereld worden behandeld. „Sinds wanneer bent u zoo revolutionair geworden?”

„Niet revolutionair, mijn jongen, evolutionair! Geen revolutie hoor! Maar krachtige evolutie! en daarvoor is vrouwenemancipatie een van de noodigste factoren. Hoe wil je de menschheid vooruit laten gaan als de eene helft, de vrouwen, kunstmatig achter wordt gehouden?”

„Ach, moeder, menschenvooruitgang en vrouwenemancipatie, waar vermoeit u u mee? Wie tobt nou over zulke dingen? Ik zou die naaistertjes maar stilletjes aan haar machines laten en zich maar laten redden zooals ze kunnen. Alles komt in de wereld immers terecht.”

Hij lachte weer en zag Hilda aan. Maar het gesprek met Moisette had prikkelend op haar gewerkt. Zij was niet gestemd tot het licht lachend heenglijden over vragen die haar zoo’n belang begonnen in te boezemen.

„Wel zeker,” zeide zij scherp. „Wij voelen immers toch niet de rugpijn van die stumpertjes of haar vermoeienis als zij den geheelen dag getrapt hebben voor hoogstens twaalf stuivers.”

„Nou ja freule, maar men kan het nou eenmaal in dezen wereld niet iedereen naar den zin maken, niet waar? Als men toevallig iets voor zoo’n meisje kan doen, doe je het natuurlijk, maar ik zou er dien armen dominee die er gewetensbezwaren over heeft, heusch niet zoo hard over vallen.”

„Waarom niet,” zeide mevrouw Cranz, „dan moet-ie zijn geweten maar een beetje meer in overeenstemming met de eischen van den tegenwoordigen tijd brengen. Een herder mag den drang van zijn tijd niet ignoreeren. Ik kibbel er altijd met hem over en ik was blij dat de freule van Suylenburg er hem vandaag ook eens iets van gezegd heeft.”

„Maar zoudt u het heusch goed vinden freule, in ’t algemeen gesproken, dat vrouwen alle mannenbaantjes konden bekleeden?” vroeg hij ongeloovig. „Och kom, zoudt u bijvoorbeeld in de diplomatie willen studeeren? Wat een gevaarlijke storingen in de gemoedsrust van al uw collega’s zou dat geven.”

Hilda glimlachte even en pijlsnel kwam het in haar op welk antwoord zij als „lief jong meisje” nu eigenlijk behoorde te geven. Ze moest even de oogen neer slaan en dan bewonderend tot hem opzien en zachtjes zeggen: „O! nee, zulke hooge, moeilijke betrekkingen meen ik natuurlijk niet. Zulke studies zijn veel te zwaar voor een vrouw!” Sinds honderde jaren zijn zulke antwoorden gegeven door vrouwen die op hetzelfde oogenblik volkomen overtuigd waren driemaal intelligenter dan haar toehoorder te zijn, maar ook wisten, dat zij nooit beminnelijker en verstandiger werden gevonden, dan wanneer zij vleiend partij trokken van zijn naïeve mannenijdelheid. Vleien is een groote macht en veel vrouwen zijn machtig geweest omdat zij den man wisten wijs te maken dat zij geloofden in zijne superioriteit.

Maar Hilda’s eerlijke fierheid liet het laffe comediespel niet toe dat de relatien tusschen de sexen in den wereldomgang zoo dikwijls bederft, en Corry’s woorden: „prachtige partij, schijnheilig freuletje,” klonken in eens luid in haar op en gaven haar lust om zelfs scherp te zijn.

„Over de gemoedsrust der heeren van de legatie zou ik mij al heel weinig bekommeren, en waarom, als er flinke, knappe meisjes waren, die er lust in hadden, zouden zij geen diplomaat worden? Door alle eeuwen heen zijn vrouwen groote staatslieden en politieke intriganten geweest.”

„Freule, als u diplomaat werd zou ik uw tegenstanders vreeselijk beklagen, u hebt het straks ook weer aan dien dominee gezien, hoe heet hij eigenlijk, Moisette? die vond het ook, geloof ik, moeielijker om u te weerstaan dan om zijn principes op te geven.”

Cranz zei het lachend zijn voornaam geblaseerd lachje om vooral te toonen dat hij het gesprek niet in ernst wou nemen, dat het voor hem niets was dan een kleine, pikante woordenstrijd.

„Zeker is het ook moeielijk voor dominee Moisette om mij te weerstaan, niet omdat ik het ben, maar omdat ik alleen verlang wat een geweldig dringende eisch van elk rechtvaardigheidsgevoel is.”

Zij zeide het hoog, heel koud, uitdagend, bijna beleedigend na zijn complimentjes, en stond op in zenuwachtige ergernis. Het begon haar zoo vreeselijk te vervelen altijd om haar heen dat flauwe, gezochte schertsen, dat zorgvuldig onder ironische lachjes wegstoppen van den ernst van het leven en zijn vraagstukken. Waarom konden die menschen nooit eens ernstige zaken gewoon ernstig behandelen? En dan, er lag in Bernards toon ook nog dat hoffelijk nederbuigende, dat ze dien winter dikwijls opgemerkt had van heeren tegenover dames, alsof hij haar aardig genoeg vond om zich met haar te amuseeren, maar niet de moeite waard om verstandig mee te praten.

„Ga je al heen Hilda?” zeide de oude mevrouw. „Je moet nog maar eens dikwijls met mijn zoon komen kibbelen, dat is heel goed voor hem.”

Hilda glimlachte haar gewonen lieven glimlach toen zij afscheid van de oude dame nam, maar toen vlug langs Bernard glijdend, zonder hem de hand te geven, ging zij heen met een buiging van stijve hoogheid, die hem een beetje onthutst midden in de kamer liet staan.

„Ziezoo, dàt is tenminste een rust, de nichtjes kunnen tevreden zijn, mijn eerste ontmoeting met Cranz leek alles behalve op flirt,” zeide Hilda onder het naar huis gaan. En toch .….. er was iets in zijn oogen geweest toen hij bij ’t weggaan voor haar boog .… Nonsens, dat was immers onmogelijk. Zij vond hem vervelend en aanstellerig, met zijn aardigheden en complimentjes, nadat hij in ’t gesprek met Moisette heel goed had kunnen zien dat zij in vollen ernst belang in die dingen stelde, en hij moest haar belachelijk en vinnig hebben gevonden om zich zoo op te winden. En zij probeerde het prettig te vinden dat zij zeker een slechten indruk op hem gemaakt had, maar in den grond toch hinderde het haar.

Ontevreden op Cranz, ontevreden op haar nichtjes, ontevreden op zich zelve en haar heele leven kwam zij thuis, en in den leunstoel op haar kamer viel ze neer, lusteloos en verdrietig.

Waarover had ze zich straks toch eigenlijk zoo geërgerd? Omdat Cranz spotte met vrouwenemancipatie? en Moisette er tegen was? Maar wat bedoelden zij daar eigenlijk mee? Als men zulke onderwerpen bespreekt, mocht men wel eerst beginnen met een definitie te geven van ’t geen men onder zoo’n woord verstaat.

Wat waren er nog een massa menschen die onder „vrouwenemancipatie” een soort streven verstonden om allerlei dingen te mogen doen en vrijheden te nemen waar geen enkele beschaafde vrouw naar verlangen kan. Het was vervelend al het misverstand, dat over dit woord heerschte, maar dat hadden immers alle woorden gemeen die een streven, een idee uitdrukten!

Wat een gruwelen zijn er niet bedreven in naam van het christendom dat liefde en vrede bedoeld! In naam van het geloof in een God van liefde zijn brandstapels en pijnbanken gebruikt, in den naam van vrijheid, gelijkheid en broederschap, is felle tyrannie, bloedvergieting, schending van vrijheid gepleegd; in naam van de wetenschap gebeuren de schandelijkste wreedheden, in naam van vaderlandsliefde wordt broedermoord op grooten schaal gepredikt, in naam van orde en recht wordt telkens het recht van de zwakke vertreden, in naam van de liefdadigheid wordt groote ijdelheid bedreven. Hoe kan het dan anders dat ook in naam van vrouwenemancipatie treurige, belachelijke dingen zijn gedaan, die misverstand in de wereld hebben gebracht?

Maar voor allen die het goed begrijpen is vrouwenemancipatie een woord van aangrijpenden ernst. Voor hen beduidt dit het mooie streven naar een vrijheid die elk mensch toekomt, hetzij man of vrouw, een vrijheid om te mogen werken, zich nuttig maken, geld verdienen zooals eigen aanleg, behoeften en geweten het eischen, niet langer zooals traditie het voorschrijft.

„Vrouwenemancipatie is het recht voor ons om te leven niet net als een man, maar even goed als een man, niet meer aan alle zijden belemmerd!” dacht Hilda voort. Hoe is het mogelijk dat Moisette dat niet ook zoo inziet? Waarom tracht hij toch bij alle gelegenheden de vrouw terug te houden binnen haar treurig klein arbeidsveldje waar alleen droog brood te verdienen is? En wat beduidt toch al dat gepraat over de „vrouw?” en wat zij doen mag of niet? Als men de menschen er over hoort spreken, zou men soms denken dat zij het over een plantsoort hebben, die in kleigrond en niet in zandgrond behoort te groeien of andersom, in plaats van over levende menschen, wier passies, karakters, verlangens, aanleg, behoeften en roeping hemelsbreed van elkaar kunnen verschillen. Als of er niet evenveel geweldige contrasten onder de vrouwen gevonden worden als onder de mannen!

Zij amuseerde zich een oogenblik met het bedenken van tegenstellingen: Een Sarah Bernard, de verfijnde kunstenares, en een Utrechtsche orthodoxe burgerjuffrouw, een Florence Nightingale, die bij de menschenslachting van den Krim-oorlog als een voorzienigheid op het slagveld rondging en onder kogelregens de stervenden bijstond, en een Betty de Mureaux die bang was voor een muis, een Maria Theresia die een eerste plaats inneemt onder de koningen en staatslieden van haar tijd, en een dier stille liefdezusters die men in groote steden in achterbuurten soms tegenkomt, wier naam en onvermoeid troosten en helpen niet door de geschiedschrijvers worden gemeld; een heilige Theresia die den Augiasstal van het Spaansche kloosterleven der zestiende eeuw wist te reinigen, en niettegenstaande zeer vijandige tegenwerking van machtige geestelijken, met ongeëvenaarde energie en tact, tucht, materieele en moreele reinheid in de kloosters wist in te voeren, en een markiezin de Pompadour, misschien de gedepraveerdste van alle courtisanes; een Harriet Beecher Stowe, de onvermoeide arbeidster aan de vrijheid der Amerikaansche slaven, die behalve voor haar groot sociaal werk nog den tijd vond om voor hare zes kinderen een uitnemende moeder te zijn, en de Madame Bovary’s, de Eline Vere’s van de geheele wereld, die in haar zinnelijk romantisch egoïsme te gronde gaan; een krijgszuchtige als de comtesse de Montfort, waarvan de Croniqueur zegt: „Quelle avait un coeur d’homme et de lion”, en eene Blanche de Castille, de teedere moeder van den heiligen Lodewijk, die zeker niet minder wijs en deugdzaam was als haar heilig verklaarde zoon; een Monica, de moeder van den heiligen Augustinus die haar zoon redde uit de zondemacht door tranen en gebed en de Parijsche elegante, die haar zuigelingen buiten „en nourrice” zendt, en haar kinderen in kloosterpensionaten laat opgroeien om zich zelf luchtig te amuseeren; een Catharina de Groote van Rusland, de infame wellustelinge en in ’t begin van deze eeuw een zuster Catherine Emmerich, die het zalig vond de afgrijselijkste smarten te dragen als verzoenende boete—zoo zeide haar heur geloof—voor de booze zonden der wereld; een freule Tinne, de stoute Afrika-reizigster, een miss Kingsley die haar gevaarvolle tocht in Kamerun volbracht en juffrouw Betje die ’t „eng” vond om over den Moerdijk te gaan; een Amalia Edwards, die haar heele vermogen beschikbaar stelde om aan University college te Londen een professoraat in de Egyptologie te stichten, een mevrouw Lewis die naar den berg Sinaï reisde om daar van belangrijke manuscripten photographische afbeeldingen te nemen en die later te ontcijferen, en mevrouw Vermaezen die hoofdpijn kreeg van een Ouida-roman, een door ziekelijke eerzucht verteerde Marie Baskirtcheff, een dweepster als Charlotte Corday, een staatkundige als madame de Stael en madame Roland, een Kate Marsden, die de afschuwelijke verblijven der leprozen opzocht om hun leven dragelijk te maken, een dichteres als Elisabeth Browning een Cosima Wagner, een Jeanne d’Arc, een Bettina von Arnim, een Octavia Hill .….….….….

Dagen lang zou men immers zoo voort kunnen gaan en hoe meer namen men zou vinden, hoe sterker de contrasten zouden uitkomen. Het zou een aardige studie kunnen worden om eens ernstig na te gaan hoe weinig gelijkvormigheid er heerscht onder die millioenen individuen waarover philosophen en staathuishoudkundigen in belachelijke eenzijdigheid hebben geschreven als of het één wezen was: „de vrouw”!

O! natuurlijk er is dikwijls beweerd dat al die groote figuren excepties waren en dus niet mee konden worden gerekend als er sprake was van „de vrouw”. Maar voor wie oogen heeft om te zien rondom zich in de wereld en eerlijkheid om te erkennen, voor dien moet het duidelijk zijn dat die vrouwen die op een of andere wijze hebben uitgeblonken, geen abnormale wezens waren, maar alleen volkomen volwassene, sterke exemplaren van soorten die men in de vrouwenwereld overal ontmoet, in alle graden en schakeeringen. Duizende zielverwanten in miniatuur moeten er op dit oogenblik zijn van Kate Marsden en Ristori, en George Eliot, en mevrouw Butler, en Maria Theresia, en Ninon de Lenclos, en Vittoria Colonna en Cleopatra en Harriet Beecher Stowe! Duizenden en duizenden, bewust of onbewust moeten iets in zich voelen van hetgeen deze historische vrouwen in volmaaktheid hebben bezeten! En deze alle wilde men, de wreede, domme men, onder één etiquette „de vrouw” tot één zelfde leven veroordeelen! Was het niet onzinnig?

Waarom liet men het toch niet over aan elk individu om voor zich zelf te bepalen waar zij zich geschikt voor voelde? Wat beteekende toch dat verontwaardigde angstgeschrei zoodra een vrouw lust toonde iets anders te doen dan wat haar moeders of grootmoeders hadden gedaan of haar buurvrouwen nog deden? Alleen die enkelen, die aan groote gaven een zeldzame dosis moreelen moed, energie en volharding paarden of in buitengewone omstandigheden waren, konden nu haar eigen roeping volgen. Al de anderen moesten zich nog buigen voor de uitspraken van de gedachtelooze „men.” Wat een kapitaal van liefde en gaven moest daardoor voor de maatschappij verloren gaan! Hoeveel vrouwen suften nu nog in werkeloosheid weg, die zoo nuttig zouden zijn geweest als men haar haar eigen richting had laten gaan!

Sinds honderde jaren is er nu al met gewetensvrijheid gedweept, maar hoe weinigen kennen eigenlijk nog het eerbiedigen in anderen, en vooral als het een vrouw geldt, van vrijheid in willen en werken!

Hilda bleef stil zitten, lang doorsoezend een rij van gedachten, maar in eens klonk in den gang vlak bij haar deur Corry’s hoog-kirrend lachje. De kruk werd zachtjes omgedraaid en Eugénie gluurde naar binnen.

„Zoo, ben je terug van den verkenningstocht en goed succes gehad?”

Met een leelijken lach, de bovenlip hoog opgetrokken, de oogen schril wijd geopend, de stem trillend onder den lust van te verwonden had Eugénie het gezegd, toen met een knakkenden slag sloot ze de deur en Hilda stond alleen, wild getergd, midden in de kamer, die als vervuld was plotseling met een damp van hatelijken smaad.

„Ik moet het me niet aantrekken,” zeide zij hardop met strakke blikken naar de deur. „Ik wil het me niet aantrekken. Ik wil me te hoog voelen om door zulke gemeene, laffe hatelijkheden beleedigd te zijn!” Maar wat ze ook tegen zich zelf mocht zeggen, het hinderde haar toch verschrikkelijk.

Zenuwachtig zag zij op naar het groote portret van haar vader aan den muur tegenover haar. Maar vandaag gaf het haar geen vrede. Wat zou hij wel gezegd hebben, als hij geweten had dat zijn „klein meisje” door zulke nietigheden zich het leven liet verbitteren, dat zij daar stond te trillen van opgewonden ergernis om een paar booze woorden! „De groote levenskunst,” had hij eens gezegd, „is om het kleine klein, en het groote groot te zien. Veel menschen die onverschillig blijven bij de groote strijdvragen van het leven en luchtigjes omspringen met hun gezondheid, de opvoeding van hun kinderen, huwelijkskeuze en andere algemeene belangen, leven soms dagen lang in de grootste woede door een woord dat zij kwalijk nemen en worden uit hun humeur gebracht door kleinigheden, die zij zich over een paar maanden zelfs niet meer kunnen herinneren.” En zoo was immers dit hatelijke kibbelpartijtje van de nichtjes ook maar een onbelangrijk ietsje, dat zij moest trachten klein te zien! Maar het was moeilijk, verschrikkelijk moeilijk, want alles was immers relatief: Als men zijn leven vult met mooie, belangrijke gedachten en een streven naar een doel waarvoor men zich heerlijk kan inspannen, worden al zulke kwelpartijtjes een onbeduidend kruisje dat men trotsch glimlachend dragen kan. Maar als het leven één beuzelarij is geworden, zooals het hare tegenwoordig, zonder werk, zonder doel, vol nietige belangetjes, een schakel van miniatuurgewichtigheidjes, wordt elke kleinigheid een zaak van groote afmeting. Was zij den laatsten tijd niet telkens uit haar humeur gebracht door een naaister, die een japon niet op tijd had bezorgd, door avondschoentjes, waarop men verkeerde strikken gezet had, door een kleur van lint die zij niet had kunnen krijgen en nu vanmorgen weer door het jaloersche gesar van de nichtjes? O! zij voelde zich wegzinken in een stroom van nietige kleinheid.

Vlak bij haar op een stoel lag het blauwzijden kleedje klaar, dat zij vanavond in de opera zou dragen. In het glanzende blauw der plooien lag een vage herinnering aan dien lachenden toon, dien zij vanmorgen in de lucht had gezien, en de lange peau de suède handschoenen streepten dof tegen het blauw als mollige voorjaarswolkjes. Maar het voorjaarsgevoel van dien morgen was weg; zij voelde zich bitter ontstemd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings