← Table of contents
Hilda van Suylenburg

Front matter (continued 5)

Reading edition

„Heusch Dominee, de tijden zijn voorbij, dat we om gedistingueerd en echt vrouwelijk te zijn, er bleek moesten uitzien en flauwvallen en niet eten mochten en zwakjes moesten doen. In de twintigste eeuw zal de vrouw onder haar lievelingsstudies de hygiëne rekenen en sterk zijn! En dan, vergeet u ook niet, als er nu soms over mindere werkkracht bij de vrouw geklaagd wordt, dat we in ’n overgangsperiode leven, waarin dus de gegevens hoogst onzuiver zijn. Hoeveel vrouwen moeten niet, vóór zij haar werk kunnen aanvangen, een groot gedeelte van haar krachten geven in het worstelen tegen familie en wereld-vooroordeelen, dáar waar de man onbelemmerd, zelfs aangemoedigd zijn gang kan gaan? En het is geen kleinigheid, en zeer afmattend, om tegen onwil en tegenwerking in, het eigen pad te volgen! En voor de meeste mannen is er na volbrachten arbeid rust en ontspanning, terwijl op ontelbare vrouwen, na haar dagtaak, nog eindelooze huishoudzorgen wachten. De dochter-onderwijzeres heeft na haar schooluren menigmaal nog al het verstelwerk der geheele familie, de zoon-onderwijzer kan zich rust gunnen. Het onrecht tusschen de sexen in het familieleven, zooals dat nu nog is, drukt als een ontzettende belasting op de zenuwen en werkkracht der vrouwen uit dezen tijd .…”

Maar plotseling hield ze stil. Mevrouw Cranz was binnen gekomen en nog nooit had Hilda het lieve oude gezicht met die uitdrukking gezien.

„Moisette,” zeide de oude dame, de stem bevend, heel achter in de keel. „Mevrouw Wendelings is daar juist bij me geweest met haar dochter, maar ik moet zeggen, dat ik je dit hoogst kwalijk neem!”

Hilda bukte zich diep over de mand met speelgoed, erg onthutst. Mevrouw Cranz moest wel heel boos zijn, om haar lieveling op die manier toe te spreken. Voorzichtig ging ze achter haar om, onhoorbaar naar de deur en sloop de kamer uit.

Moisette was heel bleek geworden, zenuwachtig, met ’n beweging van gewoonte wierp hij een van de sluike, zwarte haarlokken terug, die telkens op zijn voorhoofd vielen. Dus ook zijn oude vriendin was nu tegen hem om die ongelukkige geschiedenis!

„O! die rampzalige emancipatie,” zeide hij half luid in een zucht.

„Zeg liever dat rampzalige conservatisme,” zeide mevrouw Cranz ernstig. „Die rampzalige onmacht om mee te voelen, te begrijpen, den drang van je tijd!”

Hij zag haar even aan, en toen driftig:

„Wel mogelijk, maar ik kan het niet helpen! De vrouw staat voor mij te hoog, en het is mij een gruwel, dat vrouwen mannenwerk gaan doen!”

„Mij ook!” zeide mevrouw Cranz warm. „Een gruwel! Maar het komt er maar op aan wat wij mannenwerk noemen!” Zij ging zitten en haalde uit haar sleutelmandje eenige velletjes papier, waarop ze onlangs uit boeken en tijdschriften, die zij gelezen had, notities had gemaakt. „Wil je dit es even inzien? Dit is wat ik mannenwerk noem, niet omdat door allerlei toevallige omstandigheden de man er voornamelijk in gearbeid heeft, maar omdat dit soort werk de vrouw in haar meest vrouwelijke functie, het moederzijn beleedigt. Maar omdat het lage verachte arbeid is, worden er nauwelijks enkele stemmen gehoord, die protesteeren tegen deze hoogst „onvrouwelijke” bezigheden! Wie bekommert er zich over dat duizende arme schepselen en haar kinderen te gronde gaan. Eerst als het geldt goedbetaalde, fatsoenlijke baantjes, waar de vrouw volkomen veilig bij is, gaan er huichelkreten van „onvrouwelijkheid” op.”

Moisette had het papier genomen en werktuigelijk las hij het door. Maar langzamerhand toch kregen de woorden beteekenis voor hem en begon hij nauwkeurig opnieuw te lezen:

De kinderen der loodwitwerksters komen slechts ter wereld om bijna zonder uitzondering aan stuipen en loodwitvergiftiging te sterven. Zij worden òf te vroeg geboren, òf sterven binnen het eerste jaar. Mr. Vaughan Nash. Fortnightly review Febr. 1893.

De aandacht wordt in de fransche bladen gevestigd op de enorme sterfte onder de poudreuses, de bestuifsters, in de fabrieken van gekleurd porselein en aardewerk. Te Limoges sterven de jonge fabriekwerksters in grooten getale aan loodzoutvergiftiging; het werk is het volgende: zoodra de bladen met een patroon in kleefstof bedrukt uit de machine komen, moet de werkster een prop droge watten, die zij in metaalpoeder gedompeld heeft, er over laten gaan, vóórdat de kleefstof droog is. Het poeder verspreidt zich als een wolk om de werkster en hoe meer zij zich haast, des te dichter is de atmosfeer er mee vergiftigd. De poudreuse moet 250 bladen per dag bewerken, het loon is 15 à 20 centimes per uur! Welke kinderen zullen zulke vrouwen voortbrengen?

Onder de beroepen voor vrouwen zijn er velen die het grootste gevaar opleveren. Zoo is het gevaar voor inwerking van zwavelzure en alkalische gassen in hooge mate voorhanden bij het stroohoeden maken en wasschen, het gevaar voor vergiftiging, bij het vervaardigen van gekleurd papier en bloemen, en van metachromotypie, bij het behandelen van vergiften en chemicalieën, het beschilderen van looden soldaten en looden speelgoed. Het bedekken van spiegels met kwikzilver is voor de vrucht der zwangere arbeidster meestal doodelijk. Als men gemiddeld rekent dat van levend geboren kinderen 22 percent gedurende het eerste levensjaar sterven, dan kan men rekenen dat van levend geboren kinderen van spiegelbedeksters 65 percent, van glasslijpsters 55 percent, van loodwerksters 40 percent in het eerste jaar sterven. Volgens Dr. Hirt zijn in de tweede helft der zwangerschap bijzonder gevaarlijk voor de werksters zelven en hare kinderen het fabriceeren van gekleurd papier, van kunstbloemen, het zoogenaamde bestuiven van Brusselsche kant met loodwit, het vervaardigen van decalqueerplaatjes, de caoutschoucindustrie en alle verdere fabrieksarbeid waarbij de werksters blootgesteld zijn aan het inademen van schadelijke gassen: kooloxyde, koolzuur en zwavelwaterstofgas. Hoogst gevaarlijk is ook het maken van phosphorlucifers en het zijde spinnen. Bebel. „Die Frau und der Socialismus.”

De toenemende gewoonte om in publieke plaatsen van vermaak en consumptie vrouwelijke bedienden in plaats van mannelijke te nemen, dreigt een groot gevaar te worden voor de physieke en moreele gezondheid van het volksmeisje, de toekomstige volksmoeder. Brochure, Mevrouw van Bergen: „Sluit men voor de vrouw de goede broodwinningen dan moet zij de kwade wel opzoeken.”

Het lijstje met aanteekeningen van mevrouw Cranz was lang. Feiten en cijfers en aanhalingen uit statistieken volgden elkaar op tot Moisette er langzamerhand ’n visioen uit voelde opstijgen van nameloos, stil gedragen lijden, van ontzettend zwaar sloven waar niemand zich om bekommerde en van folteringen, geluidloos ondergaan.

„Zie je, als je nou van mannenwerk praat, dan noem ik dát mannenwerk,” zeide mevrouw Cranz. „Als men aanneemt dat dit werk gedaan moet worden, dan beter door den sterke, den man, dan door haar die ’t nieuwe geslacht moet voortbrengen en voeden. Maar juist voor zulk werk wordt de vrouw bij voorkeur gebruikt omdat zij een goedkoope arbeidskracht is en niemand hoor je daarbij roepen over onvrouwelijkheid!”

„Het is ontzettend, ontzettend!” herhaalde Moisette en driftig gooide hij de zwarte sluike lok weer naar achteren, die op zijn voorhoofd was terug gevallen. „Daar moeten wetten voor gemaakt, dat is duidelijk! Heel eenvoudig moet de wet dit werk aan vrouwen verbieden.”

„Flink zoo! en wat moet er dan van al die duizende vrouwen worden die in eens broodeloos zijn gemaakt? Geloof je dat die arme schepsels, die zulk werk verrichten”—met een hoofdknik wees zij naar het papier, dat hij nog in de hand hield,—„het voor haar amusement doen? Zij doen het natuurlijk uit nooddwang, ontneem of beknibbel je haar nu dat bloedig gekochte stukje brood, zonder haar iets anders er voor in de plaats te geven, dan drijf je haar eenvoudig den weg op van de gevangenis of erger nog .… Je ziet, zulke verbodsbepalingen, alleen, zonder verdere ingrijpende maatregelen, zonder andere hulp, zijn een meedoogenlooze oppervlakkigheid! O! die vrouwenkwestie is zoo maar niet ’n eenvoudig knoopje, dat men es even met ’n wetje en ’n paar rollende phrases kan doorhakken! Zij raakt tot in het hart van de sociale vragen! Maar daar spreken we op dit oogenblik niet over. Wat ik je even wou laten zien was maar hoe al die ridders, die in naam van teerheid en mooiheid onze vrouwen terug dringen uit de goede betrekkingen,—vooral in Duitschland is dat type nog sterk vertegenwoordigd,—zich al bitter weinig bekommeren om wat er van haar terecht komt, als zij maar tevreden zijn met het ellendige slecht betaalde werk, dat in de vreeselijkste beteekenis van het woord onvrouwelijk is! O! al die huichelachtige ridderlijke phrases!”

„U bedoelt toch niet dat u mij ook voor huichelachtig aanziet?”

„Nee, dat geloof ik niet,” zeide ze zachter, „ik sprak meer in ’t algemeen. Jou zou ik alleen willen beschuldigen van .…. oppervlakkigheid .… stil, laat me even uitspreken, ik bedoel dat je niet, lang niet genoeg hebt nagedacht en onderzocht om deze groote kwestie te mogen bestrijden! Ik ben ’n ouwe vrouw, Moisette, ik heb zoo veel beleefd en geleden, en natuurlijk, ’t kost me soms groote moeite om me te verplaatsen in den gedachtengang van de jongeren, maar dit is een zaak van humaniteit en rechtvaardigheid, waar ik mijn volle sympathie dadelijk aan heb kunnen geven, en dat zou jij ook doen als je de vraag ernstig had bestudeerd.”

„O! maar ik ontken ook niet dat er in die vrouwenbeweging wel iets goeds is,” antwoordde hij langzaam. „Maar .… denkt u nou, om es ’n voorbeeld te nemen, dat voor de hand ligt … de freule van Suylenburg, zoo gracieus, zoo teer en fijn in al haar voelen en denken, op ’n kantoor of aan ’n ministerie. Zoudt u dat niet afschuwelijk vinden?”

„O, maar zóo moet je de zaak niet voorstellen!” riep de oude mevrouw levendig. „De vraag is niet of het voor rijke meisjes een geluk zou zijn om droge kantoorbaantjes te gaan bekleeden, ofschoon, ik voor mij geloof, dat het voor de zenuwen van onze jonge dames heel best zou zijn, als zij eenige uren van den dag vast werk hadden, op ’n kantoor, in de keuken, op school, op ’n atelier, in ’n ziekenhuis of waar dan ook. Maar wij hadden het nu over die ontelbare massa vrouwen, die ongefortuneerd zijn, zooals juffrouw Wendelings, wier aantal door den druk der tijden voorloopig nog enorm zal toenemen, en die aan meer en aan betere betrekkingen moeten geholpen worden. Stel nu bijvoorbeeld de freule Hilda verloor haar fortuin, wat makkelijk zou kunnen tegenwoordig met al die geldcrisissen niet waar? zou je haar dan niet veel liever klerk of ambtenaar zien worden met ’n fatsoenlijk tractement en vrije avonden dan juffrouw van gezelschap of bonne, het eenige wat nu voor haar open zou staan, en wat zeker in acht van de tien gevallen een heel onderdrukt droevig leven beteekent? Maar weet je wat Moisette?” En ineens ontrimpelde zich de stroeve trek in haar gezicht, ze lachte, weer in een goed humeur gebracht door het grapje, dat haar zoo juist inviel.—„Al degenen die nu tegen ons streven zijn, om de vrouw aan betere werkkringen te helpen, moesten eigenlijk gedwongen worden om ’n fonds bijeen te brengen, waaruit alle onvermogende vrouwen konden putten om werkeloos als de leliën des velds voort te leven! Zou je dat geen prachtig idee vinden, zoo’n fonds? Moreel zijn jullie er toe verplicht, hoor, als je het verdienen van de vrouw zoo af keurt! Want of jullie ’t nou goed vindt of niet, om te leven, al is ze ook nog zoo’n ideaal wezen, moet elke vrouw heel gewoon eten, om te kunnen eten moet er geld zijn, en om geld te krijgen moet er verdiend worden, mijn waarde, dat is onverbiddelijke logica! nou, wat denk je van zoo’n fonds?”

Toen Hilda de kamer was uitgeslopen, bleef ze een oogenblik besluiteloos in den gang staan. Wat moest ze doen? Het was nog te vroeg om naar huis te gaan; ze was pas aan het uitzoeken begonnen! Maar als ze naar de bibliotheek ging zou ze er misschien Bernard vinden en hij zou denken dat ze voor hem kwam .… Toen werd er een deur geopend, achter in de gang en met een plotselinge angst, dat men haar daar betrappen zou, alsof ze stond te luisteren, vloog ze de trap op, naar boven, naar de bibliotheek, die ze tot hare groote geruststelling leeg vond.

„O! wat een trouble en gezeur allemaal!”

Met een langen zucht wierp ze zich in een der armstoelen, maar ze was te opgewonden om te kunnen blijven zitten, en een paar keer ging ze de kamer op en neer, langs de boekenrijen, werktuigelijk de titels der banden lezend, zonder iets van den zin te begrijpen. Het boek waarin mevrouw Cranz had zitten lezen,—een engelsche brochure die veel opgang had gemaakt over den arbeid van fabrieksinspectrices,—lag geopend op de tafel. Hilda nam het op, en bleef er een poosje in kijken, maar toen ze op het einde der pagina was gekomen, merkte ze dat ze geen woord had begrepen.

Heele fragmenten van haar gesprek met Bertha kwamen haar telkens voor den geest, woordelijk en met een helderheid die haar buiten staat maakte iets anders in zich op te nemen. En telkens vond ze nieuwe argumenten tegen Bertha’s bezwaren en het maakte haar wanhopend dat zij daar straks niet aan gedacht had. „Arm schepseltje, wat zal ze nou gaan doen? Hoe kan Moisette toch zoo bekrompen zijn! Ik hoop dat mevrouw het hem es flink zegt .…” Maar toen kreeg ze toch weer medelijden met hem: misschien kon hij niet anders dan zoo denken. Er zijn planten die van zon en andere die van schaduw houden, misschien zijn er ook menschen die zich van zelf getrokken voelen tot het nieuwe licht, en anderen die liever leven in den schemer van verouderde gedachten.

Weer liep ze doelloos rond, heel zenuwachtig en stond voor het raam, in zich zelf brieven opstellend, die ze aan Bertha schrijven wou. Toen, in eens, hoorde ze in de stilte van de kamer het tergend rustige tikken van de pendule. Ze keek om, het moest wel ’n half uur zijn sinds ze hier wachtte! Maar de klok tikte onverschillig haar antwoord dat pas tien minuten waren voorbij gegaan.

Daar viel haar blik op de schrijftafel, waar postpapier gereed lag; bijna zonder te beseffen wat ze deed, ging ze er heen en schreef:

Lieve Corona!

Ken je de geschiedenis van Bertha Wendelings? Ik ben er dezen morgen zoozeer van vervuld, dat ik bij wijze van veiligheidsklep mijn emotie even praat, maar weet je wat me in dit gesprek telkens heeft gefrappeerd? Dat wij eigenlijk tegen twee stroomingen tegelijkertijd hebben te worstelen! Aan den eenen kant staan zij die ons inferieur rekenen aan den man, en bij elken stap ons toeroepen: „onvrouwelijk! want dit werk is te hoog voor u!” Aan den anderen kant staan onze vereerders, bij elk onzer bewegingen klagend: „onvrouwelijk! Gij staat te hoog voor dezen arbeid!” En het groote publiek schermt met de argumenten der beide partijen tegelijk! Maar beide deze stroomingen zullen we overwinnen, Cora, en dan zal de tijd dáár zijn dat we vrij en onbeperkt werkzaam zullen kunnen wezen op alle gebied, al naar onze individueele gaven en krachten! niet boven of onder den man, maar naast hem!

Adieu lieve, vergeef mijn slordig schrift.

Je Hilda.

Langzaam vouwde ze het briefje samen, toen de deur zachtjes geopend werd. Ze zag niet op, maar boog zich kleurend dieper over de enveloppe; ze voelde dat het Bernard zijn moest.

„O! Pardon, freule, ik wist niet .… ik stoor u toch niet?”

„Volstrekt niet, mijnheer Cranz, ik heb hier maar even gewacht, omdat uw mama iets met dominee Moisette te bespreken had.”

„Ja, zijn WelEerwaarde schijnt het vandaag erg verbruid te hebben!” zeide hij met een leelijken lach.

Hilda voelde het onedelmoedige, het leedvermaak dat in zijn woorden lag, en het ontstemde haar.

„Het is geen wonder,” zeide ze koel, „in dezen tijd, dat op alle gebied de nieuwe idees tegen de ouwe indruischen, dat men het niet altijd eens is, al is verder de sympathie ook nog zoo groot! Trouwens hun onderwerp is belangrijk genoeg om er ’n beetje over te discussieeren!”

„O ja, de emancipatie, nietwaar?”—Hij zeide het met zijn glimlach van voorname ironie, die haar zoo dikwijls had geërgerd.—„Ik was straks even in de kamer daarnaast en ik hoorde ze redeneeren, alsof hun leven er van afhing, over vrouwenarbeid en hongerloonen en ik weet al niet wat! Mijn God, freule, ik moet u bekennen, de vrouw zelf vind ik ’n heel belangrijk onderwerp van gesprek, dat blijft altijd hoogst interessant, al praat je er ook nog zooveel over! maar haar arbeid en rechten .… ik moet u zeggen .… dat lijkt me al heel weinig aantrekkelijk! Maar nou vindt u me zeker afschuwelijk ouderwetsch?”

„U spreekt zeker liever over de toiletten en de chronique scandaleuse der dames? Dat kan ik me best begrijpen, dat is ook veel pikanter!” Ze zeide het scherp, even kleurend onder den prikkel van haar vinnigheid, waar ze zich half over schaamde, en half in genoot. Toen opstaande: „Maar wie weet hoe lang uw mama nog over die „weinig aantrekkelijke” kwesties zal blijven praten! Wilt u haar zeggen dat ik morgen terug zal komen, maar nu maar naar huis ben gegaan, omdat ik nog wat te doen had?”

„O! maar blijft u toch nog een oogenblikje!” zeide hij in eens heel zacht, met dien warmen vleiklank in zijn stem, die hij wist dat bekorend op vrouwenzenuwen werkte. „Mama zal wel zóó klaar zijn en ze zou ’t zeker naar vinden als ze u niet meer gezien had.”

Hij stond vlak voor haar nu, en zijn oogen zochten de hare. Al haar koelheid en scherpe woorden hadden nooit indruk op hem gemaakt; hij had ze eenvoudig voor één van die ondoorgrondelijke vrouwengrillen gehouden, waarmee je je hoofd maar niet te veel breken moet. Misschien ook was ze ’n beetje koket en wilde ze hem vóór de overgave nog even laten voelen, dat haar conquête zoo makkelijk niet was. „Jonge meisjes hebben dikwijls van die prikkelbaarheden en kunstjes! maar dat ze werkelijk iets tegen hem had, had ze hem geen minuut kunnen wijsmaken .… en toch .…”

Een wild verlangen kwam plotseling in hem op om het trotsche mondje met kussen te bedekken, om de hoog opgerichte houding van haar lichaam te breken in den druk van zijn armen, om haar week en schuchter te maken door de aanraking van zijn hartstocht. Hij wilde een einde maken aan de stil knagende onrust die hem niettegenstaande al zijn zelfvertrouwen toch onverwachts altijd weer bekroop. Waarom zou hij het haar nu ook niet zeggen? Ze waren alleen en ongestoord. Maar Hilda, als bij intuïtie, voelde hoe plotseling het begeeren in hem wakker werd. Een oogenblik vervulde het haar met verlammenden schrik, toen, met een lichte, schuwvogeltjes beweging gleed ze langs hem heen tot aan de deur.

„Nee, heusch, mijnheer Cranz, ’t is beter dat ik nou maar naar huis ga. Wilt u veel groeten aan mevrouw doen?”

Zonder hem aan te zien, gejaagd, en vóór hij iets kon antwoorden, holde ze de trap af, tot aan de voordeur. Maar buiten bleef ze een oogenblik staan, huiverend niettegenstaande de zomermiddaghitte, die in de straat was, haar verzengend tegemoet kwam. Het was even, of de opwinding haar de kracht tot gaan ontnomen had, maar de angst dat Bernard haar misschien zou nazien dreef haar toch dadelijk voort.

En thuiskomend wierp ze zich moe achterover op haar bed, inzinkend een oogenblik onder de reactie van dien langen morgen vol zenuwspanning, maar zonderling, toch was er iets als vroolijkheid in haar voelen. Voor het eerst sinds lang had ze met hartstocht ergens in belang gesteld, met warmte iets bestreden, iets verdedigd en de ongewone geestesinspanning had een trilling van levenslust in haar gewekt. Misschien was ze wat al te heftig geweest, maar evenwicht bewaren was ook zoo moeielijk .… De emoties met Cranz en Moisette waren ook wel pijnlijk geweest, maar nu ze Bernard’s declaratie had weten te voorkomen, zou ze hem immers verder ook wel op een afstand kunnen houden? En terwijl ze neerlag, heerlijk rustend, en de herinneringen van dien morgen aan haar voorbijtrokken, onder de ’n klein beetje romantische verlichting harer verbeelding, voelde ze op eenmaal hoe jong en krachtig ze was en dat ze veel met haar leven wilde doen. Een kleine prettige tinteling van energie werkte na uit de opwinding van haar gesprekken en ze glimlachte met gesloten oogen, blij in dit ontwakensgevoel na al die maanden van doelloos alledaagsch bestaan.

Maar de jong moedige stemming van dit rustuur was niet bestand tegen de zenuwprikkelingen van den middag.

Eugénie verscheen aan de koffietafel, bleek, klagend over hoofdpijn, gewapend met een arsenaal dier wondende toespelingen, dier hatelijke allusies, die zij ook in de meest gewone gezegden wist te leggen, en die als giftige dolken sluipmoordend in het huisgezin den vrede en de vreugde verwoesten zonder zelfs hun slachtoffers gelegenheid te geven om zich in eerlijken kamp te verdedigen.

Na den lunch waren Hilda en Corry naar het strand gereden, waar zij mevrouw Vermaezen zouden vinden. Iedereen was er, en Rooselaar was hen komen aanspreken en Corry had zacht en teeder met hem gepraat, de naïeve blauwe oogen onschuldig tot hem opgeheven, het kindermondje glimlachend om elk zijner woorden. En Hilda had er bij gezeten in machtelooze drift om het verraad van dit blonde engelenkopje en de blindheid van dien man, en toen hij eindelijk was weggegaan had kort daarop von Görtzen zijn plaats ingenomen en was hetzelfde spel vertoond.

„Geloof je dat von Görtzen je vragen zal?” zeide Hilda onder het naar huis rijden.

„Nous verrons, nous verrons.” Corry lachte even, verwonderd over Hilda’s toon van ter verantwoording roepen. „Ik geloof het wel, maar men weet het eigenlijk nooit .… Ik had gedacht dat ie ’t al lang gedaan zou hebben.”

„Waarom ben je dan nog zoo lief tegen Rooselaar?”

„Wel, ten eerste, omdat ik hem heusch heel aardig vind, ten tweede omdat flirten altijd amusant is en ten derde .… In October word ik al vier en twintig. Als Görtzen me niet vraagt, dan neem ik Rooselaar. Ik bedank er voor om zooals Eus oud te worden en te zitten grienen, omdat ze zoo zachtjes aan het succes ziet verminderen, of in philantropie te gaan scharrelen, zooals Willy en Betsy en al die anderen.”

Corry lag makkelijk achterover in het rijtuig, en mooi kleurde het donkere goud van haar hoofd tegen het teer mauve van den parasol, dien ze achter zich hield. Heel stellig en eenvoudig had ze het gezegd, zooals iemand die vertelt langs welke route zij haar pleizierreisje zal nemen en met ’n zonderlingen, strak energieken blik, die vreemd stond in het kindergezicht, zag ze voor zich uit. Hilda bleef sprakeloos bij het kille cynisme uit die rose lipjes.

Zwijgend reden zij naar huis, en toen langzamerhand kwam de oplossing klaar voor Hilda’s oogen van het raadsel, waarover zij zoo dikwijls had nagedacht, waarom toch aan de vrouw zoo bitter in vroegere en latere tijden is verweten, dat haar wezen valsch en bedriegelijk is. Zij had er telkens van gelezen: kerkvaders en oude schrijvers, philosofen en philosoofjes hebben het elkander steeds nagezegd, tot in couranten-feuilletons vindt men er de echo van. Zij had er zich dikwijls over verwonderd, geërgerd; maar vanmiddag had ze het begrepen. Duizende kooplieden, bankiers, diplomaten, notarissen, makelaars, advocaten, politieke leiders en journalisten mogen dagelijks hun beroepsonwaarheden zeggen, alle Don Juans en avonturiers mogen de schandelijkste leugens gebruiken, hun bedrog heeft nooit heel het mannelijk geslacht als valsch verdacht gemaakt. Maar is het een mooi vrouwenmondje, vol zoete weeldewoordjes, en kinderlijke lachjes dat in bedrog en leugen heeft gesproken, dan ligt daarin iets zoo stuitends, zoo alle geloof in waarheid schokkends dat als van zelf de gedachte schijnt op te rijzen: zoo zullen zij wel allen zijn, alle vrouwen moeten valsch zijn, nu deze heeft kunnen bedriegen! Vele anders toch zoo scherpzinnige mannen hebben zich tot het onrecht van die uitspraak laten verleiden, ook al behoorden zij beter te hebben geweten, dat waarheid een groote en moeielijke deugd is, die alleen bij de edelsten van beiderlei geslacht kan gevonden worden! Maar zoo was het nu eenmaal en als straks von Görtzen zich gedeclareerd zou hebben en Rooselaar zou hebben begrepen hoe Corry met hem gespeeld had, dan zou ook hij weer alle vrouwen gaan aanklagen en haar allen verdenken en bitter over haar spreken om dit eéne mooie kind.

Met ’n bons trok Bernard Cranz de voordeur achter zich toe, peuterde aan zijn das, die van achteren wat tegen het boordje was opgeschoven en begon langzaam een van zijn lichtgele handschoenen aan te schuiven, terwijl hij opliep met zijn geforceerd lange stappen, te lang voor zijn beenen, waardoor bij elken pas zijn lichaam even naar voren knikte. Een paar huizen verder stond hij stil en keek om, naar den knecht, dien hij nog juist den anderen kant van de Javastraat op, en de hoek naar het Nassauplein zag om gaan. Hij glimlachte, wond even met de dikke blanke vingers zijn snor omhoog, en zag op zijn horloge, berekenend hoe lang het duren kon vóór hij antwoord zou hebben op dien brief, dien hij aan den knecht had meegegeven. Op zijn minst een uur, dacht hij, en ’t was nou half negen, en langzaam slenterde hij naar den Scheveningschen weg.

Toen, in eens, voelde hij een hand op zijn schouder:

„Wel Narretje, dat is ook niet van gisteren dat wij elkaar gezien hebben! Hoe staat het leven?”

„Gut Maarten! Ik wist waarachtig niet wie me daar bij dien ouwen schooljongensnaam riep! Hoe heb je dien nog onthoûen?”

Zij stonden voor elkaar, Maarten van Hervoren en Bernard en schudden elkaar hartelijk de hand.

„Natuurlijk, die ouwe namen en dingen vergeet je nooit. Op weg naar Scheveningen?”

„Nee, ik maak maar zoo’n loopje, ga mee naar de Promenade ’n pousse drinken, en vertel me waar je uithangt tegenwoordig.”

En onder het oploopen vertelden zij elkaar hun leven sinds den tijd dat zij elkaar gekend hadden op de schoolbanken en later in de vakanties thuis.

„En dus, je hebt voor goed je anker hier neergelegd?” zeide Bernard.

„O! dat weet ik nog niet. Misschien neem ik m’n wandelstaf nog wel weer es op. Maar op ’t oogenblik bevalt het me hier best. Weet je wat het is? Geld kun je hier niet maken, en de opvattingen zijn hier in ’t land dikwijls erg klein en bekrompen, maar je leeft hier in Europa toch intenser dan in de nieuwe landen. Ik ben den laatsten tijd vreeselijk veel belang gaan stellen in de groote puzzles van onze maatschappij.—Mijn moeder was er zoo mee vervuld en die laatste maanden met haar hebben er me eigenlijk de oogen voor geopend.—Natuurlijk in jonge landen heb je ook dezelfde vraagstukken min of meer; overal heb je partijgekibbel en is er eén gedeelte van de menschen dat vooruit wil, en den boel beter maken en een ander dat alles precies wil hoûen zooals ’t is. Maar hier in het ouwe Europa is alles zoo veel gecompliceerder en dus moeielijker interessanter, diepzinniger, schilderachtiger, als men ’t zoo mag uitdrukken. O! het passionneert me hier wezenlijk!”

„Zoo, ben jij ook al beet gepakt? ’t Is net ’n aanstekelijke ziekte tegenwoordig, dat geleuter over sociale vragen! En nou zit je natuurlijk tot over de ooren in enquêtes, werkstakingen, vrouwenemancipatie, kiesrecht, arbeiderswoningen, anarchisme, socialisme, gemeenschapskunst, vredebonden, godsdienstcongressen, vrije liefde, vegetarisme en god-weet-wat!”

Bernard had het heel uit de hoogte gezegd, op elk woord drukkend, met een kleinen ironischen klemtoon, die tergend werd bij de lange opsomming, en sterker uitdrukte dan eenig betoog, dat hij, als ontwikkeld man, op de hoogte van zijn tijd, de namen der kwesties kende, maar tegenover al de vragen zelf, volkomen onverschillig stond.

Maar Hervoren scheen het niet te merken.

„Waarachtig zit ik er tot over de ooren in! Ik ben er als een razende Roland op afgestormd en nou sleept het me van zelf mee! Het zijn allemaal zulke ontzettend lastige problemen, en de strijd zal hoe langer hoe heftiger worden. We gaan geweldige tijden tegemoet .…”

„Geloof je?”

„Ik ben er zeker van! Maar waar zit jij tegenwoordig?”

„In Londen, secretaris bij de legatie, en ik kan het er best uithoûen! Verleden nog die gloeiende feesten van ’t huwelijk van prinses Mary mee gemaakt, prachtig en .…” Maar ineens hield hij op, onder een zonderling sterken aandrang plotseling om te spreken over dien brief waar hij den knecht juist mee had weggestuurd en waarop hij straks het antwoord zou ontvangen. Het was als een dringende behoefte op eens, die moest worden bevredigd; hij kon er niet meer van zwijgen. „En waarom eigenlijk ook? Wat kwam het er op aan of Maarten, zoo’n ouwe kennis, het ’n beetje eerder dan de anderen wist?”

„En je mag me bijna feliciteeren ook, want ik ben op het punt om le saut périlleux te doen, de groote stap in ’t gevreesde bootje!”

„Jij? .… wel, wel!”

„Ja, vindt je ’t niet verdienstelijk van me dat ik een meisje ga gelukkig maken?”

„Ik vind het .… enorm verbazend. ’k Moet zeggen, ik dacht niet dat je ’t ooit zoover zoudt brengen!”

„Wel, waarom niet? Je moet er toch éens toe komen. Maar waarom vindt je dat zoo verbazend?”

Er was iets in Hervoren’s koel ironische verwondering dat hem hinderde.

„Ik ben pas voor zaken van de fabriek in Parijs geweest en daar hebben ze me juist nog stukjes van je verteld die .… nou, niet precies lieten denken dat je trouwplannen had!”

„Van wie heb je dat gehoord?”

„Wel van van Praege, daar was je immers mee? en in Parijs van d’Aréchal en du Plessiz en al de anderen .…”

Cranz lachte met een paar leelijke grimassen, half spottend, half verlegen.

„Nou ja, iedereen heeft wel es iets op z’n kerfstok, en toen kende ik haar ook nog niet; ik ben over Parijs hierheen gekomen.”

„Heeft ze ouders?”

„Om naar me te informeeren?” spotte Cranz, inwendig kwaad, omdat hij achter Maarten’s woorden afkeuring voelde. „Nee, ze heeft geen ouders meer en haar oom zal blij zijn dat ie ze met goed fatsoen kwijt raakt .…”

Maar toen geprikkeld door Maarten’s kille zwijgen, dat hem ergerde omdat het in de plaats kwam van de gewone nieuwsgierige sympathie waarmee men onder oude kennissen elkaars avonturen behoort aan te hooren, begon hij opeens wat door te slaan:

„Nee, ik hoef niet bang te zijn dat iemand zich zal vermoeien om achter mijn geheimpjes te komen, en als zij zelf ooit iets van die geschiedenissen te weten kwam—maar vrouwen komen nooit achter zulke dingen—dan is het nog niks! Je weet niet wat wij zondaars ’n boel vóór hebben bij de dames boven de brave jongetjes. Als je ze maar kunt wijsmaken dat je eerst in de macht van de zonde verstrikt was, maar door haar invloed den weg naar den hemel hebt gevonden—en dat gelooven ze allemaal dadelijk—dan vergeven ze je alles. Dat is de eenvoudige reden dat je zoo dikwijls de grootste losbollen met de ernstigste meisjes ziet trouwen en dat je de strengste matrones haar mannen, die ’t zoo nauw niet nemen met de huwelijkstrouw, altijd weer in genade ziet aannemen. Als je ze maar telkens handig genoeg kunt inprenten dat je verloren gaat als ze je laten loopen, kun je bij de vrouwtjes vergiffenis krijgen voor alles en au fond hebben ze nog ’n speciaal zwakje voor le pauvre pécheur! Dat is het duiveltje van de reddende-engeltje-spelen-ijdelheid, voor ons ’n patente bondgenoot.”

Maarten liep zwijgend voort, zenuwachtig op zijn snor bijtend, en met zijn gewone tic, als hij nadacht, zijn rechter oog uitwrijvend. Toen vroeg hij onverschillig beleefd:

„En wie is het meisje, dat je op die manier gelukkig wilt gaan maken?”

„Freule van Suylenburg, die bij de van Starren’s in huis is.”

Maarten zag in eens op zijn horloge, haastig, en bleef staan aan ’t hek van de Promenade:

„Sinds wanneer ben je dan eigenlijk geëngageerd?”

„Ik ben nog niet geëngageerd, kerel. Ik wacht vanavond pas haar antwoord.”

„En ben je daar zoo zeker van?”

„Ik heb straks, toen ik den brief wegzond geprobeerd om heel angstig te voelen, en ik weet wel dat ik nou bleek en van onrust bevend moest rondloopen, maar ik kan het niet helpen, ik voel me erg akelig en onpoëtisch bedaard. Ik begrijp niet waarom ze me niet zou aannemen?”

„Baron Cranz van Rozenhagen is geen partij die men zoo maar afslaat, nietwaar?”

„Nou ja, entre nous, er zijn er wel slechtere, en of ze nou erg dol op me is, weet ik niet, daar kun je met die lieve welopgevoede huichelaarstertjes nooit achter komen: die ze het liefst behandelen, hoûen ze soms voor de gek en soms zijn ze stug tegen dengeen waar ze ’t mee meenen, maar de liefde zal later wel komen, dat komt wel terecht, en wat voor reden zou ze eigenlijk hebben, om me te bedanken? Maar hoe staat het met jou? Heb jij nog geen brave plannen?”

„O!—Nee!” Maarten zei het heftig, met een verren strakken blik, die zijn lichte oogen bijna zwart maakte, doordat alleen de pupil tusschen de toegeknepen oogleden zichtbaar was—„maar als ik ooit trouw, verzeker ik je dat ik geen vrouw ga zoeken onder de freuletjes, die op ’n goeie partij zitten te wachten! Ik denk dat ik nog es zoo’n arm naaistertje zal nemen, dat jaar in jaar uit heldhaftig liever voor bloedgeld zit te pikken dan zich makkelijk te laten onderhoûen door den een of den ander.”

„Allemachtig, wat ’n rooie illusies! Nou ieder zijn smaak! Maar ga toch zitten. Wat wil je hebben? .…”

„Dank je, ’t spijt me, maar ik moet je in de steek laten; ik had bijna vergeten dat ik straks iemand moest gaan spreken. Bonjour, tot plezier. Daar is net de tram.”

En Hervoren holde de trapjes van de Promenade af en sprong met een behendige beweging van zijn lang lenig lichaam op de voorbijkomende tram en Cranz, vóór hij het goed besefte, zag hem op de platform achter het traliehek wegglijden en verdwijnen in de groene, donkere massa van den weg.

„Wat ’n rare kerel is ie geworden,” zeide Bernard in zich zelve, maar lang verdiepte hij zich niet in dat zonderling plotseling weggaan. Langzaam, onder het glaasje triple sec kwam Hilda’s beeld hoe langer hoe duidelijker vóór hem, en wat hij zich vanavond vooral bijzonder goed van haar kon voorstellen, waren hare schouders, zooals hij die op ’t laatste bal bij de Binckhorsten had gezien. Mooie blanke schouders waren het, rond en toch meisjesachtig, niet te gevuld en ’t was vanavond alsof die schouders het eenige was waar hij aan denken kon. Haar oogen kon hij zich niet volkomen duidelijk voorstellen, en ook eigenlijk niet het voorhoofd, alleen ’n paar kleine donzige krulletjes op zij van den nek, vlak bij het rozige oorlapje en daar onder de blanke trotsche hals en dan weer de schouders.

En terwijl zijn sigaar in de stille avondlucht lange blauwige dampkronkels om hem heen slingerde, bleef hij behagelijk zitten soezen, maar Hervoren tramde recht door, naar zijn kamers op de Plaats, en werkte hartstochtelijk tot laat in den nacht een nieuwe brochure over socialisme en individualisme door.

Hilda was dien dag dadelijk na het eten naar haar kamer gegaan en een boek begonnen dat Valérie Vermaezen haar dringend had aanbevolen. Het was een dier fransche romans, die als verschietende sterren even langs den literairen hemel glijden, maar in hun kort bestaan de wereld met dertig herdrukken vergiftigen. Vlugge dialoog, beschrijving van toiletten en zinneprikkelende tooneeltjes zijn er de levenskrachten van, en knap genoeg geschreven om ’t gewone publiek te bekoren en niet knap genoeg om serieuse kritiek op te wekken, zijn zij oneindig gevaarlijker dan Zola’s ruwst realisme, omdat zij minder waar, minder ernstig zijn, en ongemerkt in de meisjes-boudoirs doordringen om er de verbeelding te verontreinigen, de zenuwen te verslappen. Natuurlijk handelde het over het eeuwig geliefde onderwerp der middelmatige Fransche auteurs: een getrouwde vrouw, die een liefdesbetrekking heeft aangeknoopt met den vriend van haar man. En ofschoon zeer zeker deze strijd van het arme menschenhart tusschen verlangen en eens beloofde trouw, tusschen meesleependen hartstocht en afkeer van bedrog plegen tusschen het opgeven van den geliefde en het breken met den man die den eersten kus ontving, door alle eeuwen heen een van de meest tragische zal blijven, het bestudeeren van zulke problemen onder leiding van jonge auteurtjes, die hun studies over „de vrouw” en „de liefde” voornamelijk op de Parijsche boulevards en achter de coulissen hebben gemaakt, moet alles behalve opbouwend voor jonge meisjes werken.

Een poosje las Hilda voort, half verontwaardigd, half nieuwsgierig, verwonderd dat Valérie zoo iets kon aanbevelen. Maar Hilda behoorde tot die zeldzame, volkomen geëquilibreerde reine gemoederen, waarlangs het kwade heenglijdt als modderspatten langs zwaneveeren. Eén slag met de vleugels, en de vuile druppels zijn afgeschud, het blanke dons is weer smetteloos. Zoo ook Hilda: haar gedachten bleven rustig, haar zenuwen onbewogen bij het zinneprikkelend Fransch vergif. En toch ging zij voort met lezen, ook toen zij merkte welke lectuur het was. De vloeiende vorm, die onwillekeurig boeit, een soort van indolente nieuwsgierigheid, en behoefte aan een lichte afleiding na al de ontstemmingen van dien dag, lieten haar lusteloos voortlezen.

Maar toen op eens kwam er een groote stoornis. Men bracht haar een brief, een groot couvert met het adres door een mannenhand geschreven en gezegeld met het wapen van Cranz. Bevend hield ze het geheimzinnige papier in de hand, wachtend tot de knecht de kamer weer verlaten had. Het was een gewichtig oogenblik, dat deze brief in haar leven kwam brengen, zij voelde het en het verwarde haar.

Maar uit den chaos van plotseling heftig opgeschokte aandoeningen was het eerste wat klaar tot haar bewustzijn doordrong een razend gevoel van teleurstelling, wreede bittere teleurstelling, omdat bij het openscheuren van den brief zij het op eenmaal duidelijk in zich voelde hoe heel haar wezen verlangde naar liefde geven en liefde ontvangen, en hier nu, zij wist het, kwam liefde vragend tot haar en zij had niets te geven.

Langzaam ontvouwde ze den brief en las de hartstochtelijke woorden waarin Bernard haar vroeg om zijn vrouw te worden. Het was doodstil in de kamer en ze bleef zitten, lezend en herlezend die liefdewoorden, als om hun zin geheel in zich op te nemen, en langzaam stegen toen uit de warreling van haar emoties, naast het eerste eerlijke deceptiegevoel, veel andere meer gecompliceerde gedachten op, die haar meevoerden in een lang gedroom. Er was wrevel in haar impressies, omdat Bernard het toch gewaagd had haar te vragen, na al haar koelheid, en ook een beetje minachting omdat hij zonder eenige zekerheid van haar liefde, haar toch tot zijn vrouw had gewenscht, maar ook was er in bedwelmende streeling van ijdelheid! Het was bijna duizelend dat machtsgevoel om op dit oogenblik te kunnen beslissen over het levensgeluk van een ander mensch. Een wereld van compensaties voor veel vernedering ligt er voor de vrouw in dit moment van zich geven of weigeren, van daar wellicht, dat de meest onderdrukte vrouwen altijd het wreedst zijn geweest in dit éene machtuur van haar leven.

Maar toen begonnen onrustige gedachten en vragen op te stormen in haar hoofd; hoe zou hij het opnemen als ze weigerde? Zou de oude mevrouw Cranz bitter bedroefd zijn, zou hij veel lijden en jaren lang er onder gebukt gaan? en ze kreeg medelijden en een weeker gevoel voor hem bij de voorstelling dat hij misschien diep rampzalig zijn zou. En toen .… als van zelf kwam de vraag in haar op waarom ze eigenlijk weigeren zou en zooveel leed zou geven? zij had hem niet lief, straks bij ’t ontvangen van den brief had zij het immers volkomen duidelijk gevoeld? Maar misschien zou ze hem eenmaal lief krijgen, als ze hem beter kende .… Zij had hem nu oppervlakkig en cynisch gevonden, maar misschien gaf hij zich niet in de wereldconversatie zoo als hij wezenlijk was. Zijn brief was zoo teeder en ootmoedig een zoete streeling was het om dien laatdunkenden man, die gevierde partij, zoo smeekend aan haar voeten te zien. Het verteederde haar op eenmaal, zij had toch niets gedaan om hem tot zich te trekken, en als hij haar nu toch, na al haar reserve zoo lief had gekregen, welk een invloed moest ze dan op hem verkrijgen kunnen! Misschien zou ze hem kunnen leiden, vervormen naar haar eigen ideaal? Het was de oude illusie waarvan de wreede teleurstelling duizende vrouwenlevens heeft vernietigd maar op dit oogenblik met de passiewoorden van Bernard vóór zich, scheen haar heur macht zoo onmetelijk groot, en zij wist zoo weinig hoe diep de stempels van wereld-cynisme en demoralisatie zich in de ziel drukken.

En terwijl ze zoo voort bleef peinzen en de kamer zich met schemering vulde, steeg er voor haar verbeelding een teeder tafreeltje op, vaag en toch gedetailleerd zooals in droomen. Zij zat in een kleine kamer, die veel op haar boudoirtje op Suylenburg leek en een groote lamp met geelzijden kap wierp een zacht licht over de kamer en de theetafel waar het fijne blauw porcelein zich in het zilver spiegelde; en vlak bij haar stond een rose zijden mandje met kant bekleed, waarin een klein teer kindje sliep. Zij zag de rose handjes en de hulpelooze beweginkjes en een vermoeden van onuitsprekelijke weelde doortrilde haar. Toen werd de deur geopend, zij hoorde iemand binnen komen, die naderde en zich tot haar over boog .… Maar toen was het visioen verdwenen, ze huiverde. Zich zelve met het kindje voor te stellen scheen zoo natuurlijk, maar dat Bernard Cranz zoo zou kunnen binnen komen en haar zou kunnen kussen als zijn vrouw, ze durfde er zelfs niet meer aan denken. Het vervulde haar met schrik en schaamte als van een zondige gedachte.

„Ik moet hem afschrijven!” zeide ze op eens heel zenuwachtig. „Ik zal probeeren voorzichtige zachte woorden te vinden.” Maar ze bleef zitten en op nieuw slopen vreemde, tegenstrijdige gedachten af en aan, die haar wil verlamden en haar het pad onduidelijk maakten.

„Wie weet of dit niet het geluk voor mij kan zijn; als ik het van mij werp, zal ik er later misschien om treuren?” Maar tegelijk met deze gedachte werd ook het bewustzijn in haar duidelijk dat dit het geluk niet kon zijn. Toen stelde ze zich vóór dat het morgen was, en dat zij haar weigering den vorigen avond had geschreven en met een klaarheid als nooit te voren, voelde ze op eens al het doelloos leege van haar leven, al het nameloos drukkende van een toekomst zonder bestemming. Was dit niet misschien de aangewezen weg om een levensdoel te vinden? O! het troostelooze onbevredigende leven, ze was het zoo moe! Zij had dien morgen tegen Bertha Wendelings met verachting over het huwelijk zonder liefde gesproken en langzaam, onbewust naderde ze de gevaarlijke helling. Bernard’s hartstochtswoorden hadden plotseling het heimwee naar liefde in haar wakker geroepen, zij smachtte er naar heel haar jonge rijke leven te geven, en niets zag ze voor zich, als zij dit huwelijk afwees, dan lange grijze jaren, voortgesleept in onbevredigdheid! Zij vouwde de handen boven op den brief en staarde in de donkere kamer, en ’t was haar of alles beter zou zijn dan dit leege meisjesbestaan voort te zetten. In haar jong bloeiend lichaam voelde ze reuzenkrachten van werken, in haar ziel schatten van teederheid en devouement, en niets, niets om zich aan te wijden. Zou zij deze gelegenheid om zich een nieuw leven te scheppen voorbij laten gaan? „Ik hoop dat mijn klein meisje in haar later leven altijd bedenken zal dat het niet de vraag is, hoe de tijd te dooden of door te komen, maar hoe hem te gebruiken!” had haar vader eens gezegd en in pijnlijke ironie bedacht zij hoe nu haar tijd werd doorgebracht in wat toiletmaken en wereldparade en tennissen en paardrijden en wat liefhebberen in musiek en philantropie. Maar de gedachte aan haar vader’s woorden maakte haar twijfel nog angstiger. Zeker, hij zou haar tegenwoordig leven niet goedkeuren, maar zou hij een huwelijk dan wèl goed vinden, waarvan niet liefde, maar ontevredenheid de drijfveer was? Haastig onderdrukte ze die onwelkome vraag. Er was immers geen anderen weg denkbaar, zij moest wel kiezen tusschen deze twee: zoo voort leven, of Bernard aannemen. En het denkbeeld van een nieuw leven begon haar nu sterker aan te trekken, het fascineerde haar. Voor alle jonge ontevreden zielen ligt een groote bekoring, een wondere belofte in het „opnieuw beginnen.” Alsof niet het leven altijd doorging en nieuwe toestanden nooit uit zich zelf beginnen, maar altijd als gevolg voortkomen uit het vroeger zijnde.

De zoele avondlucht stroomde warm en verweekend naar binnen. Het was éen dier uren waarin het jonge hart zoo dringend naar sympathie verlangt en de eenzaamheid zoo vreemd en ondragelijk lijkt en zachtjes sloopt de verleiding nader zich aan dien man over te geven, die haar zoo liefhad en haar een mooi eigen home aanbood! Als men haar dien morgen, op haar wandeling, gezegd had, dat de kansen van den jongen Cranz gunstig bij haar stonden, uit de hoogte zou ze geantwoord hebben: „ik heb hem niet lief.” En nu reeds had het zich indenken in de onvoldaanheid van haar leven en de angst voor een toekomst zonder bestemming haar zoozeer ontzenuwd dat ze bereid was de hand aan te nemen, welke dan ook, die haar een nieuw pad zou inleiden. Zelfs de gedachte dat het treurige bestaan van een Ottilie van Heemeren haar wachten kon, kinderloos, gebonden in een huwelijk zonder liefde, had nu geen macht meer over haar. Zij wierp haar van zich, met een bang gevoel dat ze niet anders meer kon, dat het nog beter was zich te wagen in een huwelijk dat verdriet en teleurstelling kon brengen dan dit gloedlooze grijze meisjesbestaan voort te slepen.

Bleek, met koortsgloed in al haar ledematen stond ze eindelijk op. „Ik zal hem schrijven dat ik z’n vrouw zal worden,” zeide ze zachtjes. „Als het zonde is, de hemel moge ons genadig zijn, maar ik kan niet anders.”

Het was nu volkomen donker geworden en het duurde lang vóór ze de lucifers kon vinden. Zij wilde dadelijk schrijven, als ’t ware om zich zelf voor een voldongen feit te stellen. Het angstige getwijfel van dien avond hield ze op dit oogenblik wezenlijk voor rijp nadenken en ze was bang, zonder het bijna zelf te weten dat de strijd bij de minste aanleiding terug zou keeren. Maar op haar schrijftafeltje ontbrak de inktkoker. Gisteren had ze hem beneden, in de serre gebruikt om menus te schrijven en hij moest daar nog zijn. Met een vreemd plechtig gevoel dat er iets vreeselijks in haar leven gebeurd was, dat zij zelve nog niet kon overzien, daalde ze de trappen af.

In de achterkamer, waardoor men gewoonlijk in de serre kwam, hoorde ze stemmen opklinken en besloot dus door het spreekkamertje te gaan, achter in de gang, dat ook tot de serre toegang gaf. Het zou haar op dit oogenblik onmogelijk zijn geweest iemand te ontmoeten. Alles was donker en rustig in de serre, alleen uit de huiskamer viel een fantastisch licht door de kanten gordijnen, waarvan de bloemranken spookachtige figuren op den grond teekenden. Hilda bleef even staan, huiverend in de hitte van haar opgewonden verbeelding, maar toen haar oogen aan de schemering gewend waren, kon ze de voorwerpen alle makkelijk onderscheiden en had dadelijk haar inktkoker gevonden. Voorzichtig gleed ze naar het tafeltje waar hij stond, maar juist toen ze hem in de hand hield en zachtjes wilde terugsluipen hoorde ze binnen Edward lachen en haar tante’s stem die zeide:

„Nee, Hilda is wél ’n zonderling kind, maar dáarvoor is ze toch te verstandig.”

„Weet u zeker dat de brief van Bernard was?” zeide Edward.

Hilda stond roerloos en luisterde, niet in staat na die woorden om heen te gaan.

„Ja zeker, ik ging juist door de gang toen ie gebracht werd, en ik zag duidelijk het wapen van Cranz, toen Johan hem in de hand hield.”

„Ik heb toch nooit gemerkt dat Hilda iets om hem gaf?” zeide Edward vragend.

„Nee, ik geloof ook niet precies dat ze dol op hem is, maar daarom kan ze hem toch wel aannemen. Het is in alle opzichten ’n prachtige partij: naam, fortuin, carrière, goed uiterlijk, en … nou ja, men zegt wel dat er op zijn leven nog al wat aan te merken valt, maar daar heeft ’n meisje niets mee te maken, en als je bent zooals Hilda, zonder bijzondere schoonheid en volstrekt niet schatrijk dan kun je er niet te veel pretensies op na hoûen. Aan alle mannen mankeert iets, maar ik heb altijd gezegd: Cranz is het lot uit de loterij en Hilda zal zich geen tweemaal bedenken vóór ze zich aan hem g.…”

„Verkoopt,” vulde Edward aan met zijn scherp overslaande jongensstem en Hilda rilde onder den striemenden slag van het woord.

„Maar Eddy, wat ’n akelige dingen kun je toch altijd zeggen!” riep mevrouw van Starren ongeduldig.

„Waarom is dat nou weer akelig, mama? Als Hilda geen liefde voor hem heeft en ze neemt hem tòch, doet ze eenvoudig ’n ruil en verkoopt zich zelf tegen ’n zekere kwantiteit, „goeie partijdigheid,” is dat nietwaar?”

Meer hoorde Hilda niet, zoo snel als ze zich in de duisternis bewegen kon, zonder zich te verraden, sloop ze de serre uit, naar boven, en stond daar, midden in haar kamertje, in ’n opwinding zooals ze nog nooit gekend had.

„Verkoopen”, herhaalde ze tusschen de dicht geklemde tanden, „ik mij verkoopen tegen zooveel aan geld en naam? Hoe durven ze het van mij te denken! Het huwelijk is ’n heilige instelling zeggen de menschen, mooi zoo, maar zoodra zich ’n goeie partij aan ’n meisje voordoet, vindt iedereen het heel natuurlijk om haar te verdenken van het laagste waartoe ’n vrouw in staat is: zich te verkoopen! En pretensies, zei tante, ik mocht geen pretensies hebben omdat ik niet schatrijk en geen bijzondere schoonheid ben! m.a.w. moet ik daarom maar klaar staan voor den eersten den besten! Maar ik heb wèl pretensies, en ik zal het ze toonen! Hoogere pretensies dan ’n mooi huis, en ’n equipage beschilderd met dubbele wapens! Ik wil liefde en geluk en geen mooie partij!”

Trillend stond ze midden in de kamer, de handjes hartstochtelijk te zamen geklemd om de inktkoker. Met een schok was de oude fierheid ontwaakt.

Maar op de schrijftafel vóór haar lag Bernards open brief en daarnaast het blanke velletje waarop ze zooeven nog haar jawoord had willen neerschrijven. Toen, plotseling, begreep ze den afgrond dien ze straks genaderd was, en gebroken, het gloeiende voorhoofd verborgen in de handen, zonk ze neer, knielend op den grond.

„O! mijn God! mijn God! mijn God! wat ’n vernedering in mij zelve! gevallen, o! God ik ben gevallen, ik die zoo trotsch was, zoo hoog hield mijn geloof aan liefde, zoo laag neerzag op al die meisjes hunkerend naar ’n huwelijk, ik ben gevallen, toen de eerste verzoeking kwam!”

Zij snikte, de handen stijf tegen de oogen gedrukt, die droog en brandend waren.… „Vader, vergeef me! Maar ik voelde me zoo eenzaam en.… zoo nutteloos, als ’n drijvend stroohalmpje op ’n stroom. Als ik maar iets had gehad, wat ook, waar ik me met hart en ziel op had kunnen toeleggen, zou het niet gebeurd zijn, vader! In elk mensch toch is ’n ingeboren drang om voor iets te willen leven, zich aan iets te willen wijden, en ik had niets! Vader, niets!”

Lang, met dorstend verlangen lag ze zoo, van tijd tot tijd opziende naar het groote portret aan den wand, en de oude mooie kop scheen bij het kaarslicht, dat hem van uit de verte flauw verlichtte, mysterieuze blikken naar haar heen te werpen.

En toen met een verplettering van schaamte dacht ze er op eenmaal aan hoe haar jonge doode moeder haar Brünnhilde had genoemd „omdat,” had ze gezegd met een van haar laatste glimlachjes, toespeling makende op de oude Germaansche Walkürelegende, „ik hoop dat het hart van ons dochtertje omgeven zal zijn van een kring van reine en trotsche vlammen, waardoor alleen een held, dit is een edele, een hooggestemde zal vermogen door te dringen, om haar tot liefde te wekken!”

„O! mijn God! moeder! vergeef me!” zeide Hilda en bij ’t aanroepen van dien naam, dien ze nooit gezegd had, kwamen eindelijk haar tranen. „En ik die me bijna aan dien.… Cranz zou hebben.… verkocht! Maar niet verkocht, tenminste, in de infame beteekenis die Edward er aan gaf. Niet voor rijkdom en eer zou uwe Hilda zich ooit gegeven hebben! Dat nooit, moeder, dat nooit! Het was alleen maar om te ontkomen aan dat nameloos leege onbevredigde leven! Maar er moet immers ’n andere weg zijn? Straks wanhoopte ik er aan, maar ik voel het nou duidelijk. Het is dom en laf om het huwelijk als eenige uitkomst te beschouwen.…”

Lang bleef ze geknield, half biddend, half peinzend om klaarheid te vinden in haar ziel, toen stond ze op en schreef haar moeielijken brief, in zachte woorden de pijnlijke weigering hullend.

Maar toen zij den knecht had weggezonden om dadelijk den brief aan zijn adres te bezorgen bleef ze nog lang in groote ontroering achter. Het was éen dier lange levensdagen voor haar geweest waarin het menschenhart veel jongen overmoed en trots verliest, maar daarvoor ook in de plaats ontvangt een beetje meer wijsheid en kracht.

Corona zat voor haar eenvoudigen lunch en deed haar best om wat te eten, maar het kostte haar moeite vandaag, ze voelde zich zoo erg moe. Den ganschen nacht had ze bij Marietje Roerade gewaakt, en al was ze ook gewend aan het bijwonen van veel leed, gevallen als die van dezen nacht, grepen haar toch altijd weer aan.

Gisterenavond tegen elf uur was vrouw Roerade het haar komen zeggen: Marietje, het oudste van haar negen kinderen, een meisje van zeventien, dat in een winkel in de Spuistraat diende, was plotseling thuis gekomen en .… het was de oude geschiedenis, zoo oud dat zij banaal klinkt voor wie haar hooren, en toch voor wie haar doorleven moeten, nog altijd even verbrijzelend. Het meisje was verleid, zij was mooi en nog zoo jong en had geloofd in liefdewoorden en beloften en toen was, zooals altijd, de ontzettende teleurstelling gekomen met haar grijnzend spookgeleide van wanhoop en schaamte en ze was thuis gekomen ’s avonds bij de ouders, die niets vermoedden, en had een arm klein meisje het leven gegeven.

Corona steunde het moede hoofd op de hand en staarde lang voor zich uit. Zij dacht aan zooveel jonge schepselen, die zij in de vreeselijke ure had bijgestaan, want wetend van hoeveel waarde het voor de meesten is om in het supreme oogenblik zich physiek en moreel gesteund te voelen, had ze de arme jonge zondaressen eerder opgezocht dan zich van haar teruggetrokken. Zij had er van allerlei soort ontmoet, zij kende er die gevallen waren door grenzenlooze onwetendheid, door beneveling van alcohol, door overgeërfde lichtzinnigheid, en door armoede, door heilig gelooven in beloften van trouw, door pressie van infame ouders, door éen oogenblik van zwakheid na een braaf eerlijk leven, en sommigen hadden haar doen walgen door groote verdorvenheid, voor anderen had zij vriendschap en achting leeren voelen. En terwijl ze zoo neerzat en de lange lijdensrij herdacht, kwam groote bitterheid in haar op om de wreedheid waarmede de geëerde gelukkige vrouwen deze toestanden trachten te ignoreeren. Zelfs boeken, waarin over deze dingen met ernst wordt gesproken, heeten ongeschikt voor dameslektuur. Het klinkt zoo lief, zoo vrouwelijk rein te zeggen dat men van al die zonde en ellende niets afweet, alsof het niet waarachtiger reinheid is de modderpoelen naast uw voordeur weg te ruimen dan er met afgewende gezichtjes langs te wandelen en te doen alsof gij ze niet ziet. O! de schandevolle onverschilligheid der zoogenaamd fatsoenlijke vrouwen, die neerzien op die armen, die wellicht de slachtoffers zijn van haar eigen zonen en broers en echtgenooten! en dan achten zij zich nog heel vrouwelijk deugdzaam, als zij de gedachte ver van zich werpen dat het haar plicht is mee te werken in, mee te waken over een maatschappij waar zulke toestanden zijn.

Corona stond op en nam van haar rekje een klein boekje met statistieken: „jaarlijks in Nederland ongeveer 5000 onwettige kindergeboorten,” peinzend sloeg ze het weer toe. En al deze arme kleine schepsels hebben toch vaders gehad waarvan de meesten de moeder en het kind aan hun lot van gevaar en schande hebben overgelaten! Hoe kan men nu toch denken dat mannen, die tot dit in staat waren, als zij direct of indirect invloed hebben op de wetgeving, goed de belangen van de vrouw en het kind zullen behartigen? De vrouw zelf moet mee haar stem kunnen doen hooren voor zich en de kleinen die zij het leven geeft! Als de vrouw de laatste twintig jaren mede het volk had mogen vertegenwoordigen, zou het afgrijselijk laffe spel met Marietje Roerade niet straffeloos meer gespeeld kunnen zijn en haar kleintje niet hulpeloos alleen in de wereld staan met niemand tot steun dan een zeventienjarig kind, dat in de wereldoogen nog wel verachtelijk gevallen is!”

Toen kwam de oude Marijken binnen om af te nemen.

„Maar dokter, heb je nou je eitje niet opgegeten? Denk je dat men zich kan voeden met nachtwaken en goeie werken?”

„Kom Marijken, brom nou maar niet, ik heb heusch m’n best gedaan en met ’n stukje brood en vruchten kan men het ’n heel eind ver brengen.”

„Ik weet wel wat ’t is, die geschiedenis van Marietje Roerade zit je in de maag. Ja, wie had nou ook ooit zoo iets kunnen denken?”

„Waarom niet?” zeide Corona treurig. „Je moet je nog verbazen dat die dingen niet meer voorkomen, als je denkt hoe zulke meisjes opgroeien in die slopjes tusschen de ellendigste voorbeelden, hoe jong ze de wereld ingaan en, als ze er aardig uit zien, hoeveel vijanden er aan alle kanten loeren. Een mooi arm meisje is immers vogelvrij verklaard! Elke gemeene kerel, die haar tegenkomt fluistert haar vuile, de verbeelding verhittende complimentjes toe, elke dandy vindt het hoogst natuurlijk om brutaal tegen haar te lachen en wie beschermt haar tegen de genotzucht van den eersten den besten? Iedereen vindt dat het ’n jong mensch toekomt om zich te „amuseeren”, en wie denkt aan de meisjes die daarbij te gronde gaan? Wie wreekt ze als ze bedrogen zijn? Ze moeten maar voor zich zelf zorgen en het zijn nog kinderen!”

„Ja, ze moeten maar voor zich zelf zorgen, dat spreekt van zelf. Juffrouw Roerade kan al der negen kinders niet aan ’n touwtje hoûen en haar meidenwaschjes er nog bij doen. Maar van Marietje had ik het nooit gedacht, zoo’n stil net meisje altijd?”

Marijken slofte weg, haar hoofd in een onafgebroken schuddende beweging; dat was zoo hare wijze om ontroering en medelijden te betuigen.

Mat zette Corona zich toen neer in de oude armstoel. Het was kwart over éenen, dus vóór zij moest uitrijden, nog bijna een uur om wat te rusten, misschien wel ’n oogenblik te slapen.

Maar nauwelijks had ze de oogen gesloten of Marijken kwam weer binnen, zorg en meewarigheid in elken rimpel van haar oude gezicht; zij legde een brief op haar schoot met buitenlandsche zegels. Och, die brieven uit den vreemde, ze kende ze al en wist heel goed hoeveel ontroering en verdriet ze gewoonlijk brachten. Zoo graag had ze dokter nou dit éene rustuurtje gelaten, maar een van deze brieven achterhouden zou ze toch nooit hebben gedurfd.

Maar ’t was alsof bij ’t zien van die hand Corona’s vermoeidheid in eens was verdwenen. In een oogwenk zat ze recht en veerkrachtig overeind, de oogen klaar wakker en opende haastig het couvert.

Het was een brief van Frank uit Parijs, haar meldende dat hij onverwachts uit Amerika de prachtigste aanbiedingen had ontvangen om daar met zijn gezelschap een aantal voorstellingen te komen geven. „Financieel,” schreef hij, „zijn de condities zoo schitterend dat wij er niet over kunnen denken om te weigeren, en daarbij kan ik niet ontkennen dat het mij machtig aantrekt om op deze wijze het reusachtige jonge land te leeren kennen met zijn nieuwe organisaties en nieuwe typen. Wat wij hier van de Amerikanen zien zijn dikwijls blufferige, ongemanierde parvenus, of armzalige reisgezelschappen, die als voortgejaagde troepen onze musea, paleizen en kerken doorrennen, maar in het land van Emerson moet veel aantrekkelijks en belangrijks zijn, dat ik graag zou willen leeren kennen.

Maar Corona, mijn liefste, éen groote zorg vervult mij bij al deze plannen en zooals in al mijn oogenblikken van leed en onrust kom ik tot je om raad en dezen keer zelfs om hulp, Corona, om groote krachtige hulp. Zul je mij die kunnen geven? en is het niet al te zelfzuchtig van mij je dezen dienst te vragen? Luister, mijn lieveling, en oordeel. Zooals ik je dikwijls gezegd heb, staat mijn troepje in alle opzichten moreel zeer hoog en uit den aard der zaak, dat wij trachten niet het publiek te dienen of ons eigen succes, maar alleen onze strenge en naijverige godin: de kunst, heb ik vrijwel mijn ideaal bereikt om een klein troepje te vereenigen van werkelijk beschaafde hooggestemde menschen. Toch zijn er nog altijd een paar bij, en zij ook zullen den Amerikaanschen tocht meemaken, die ik voor mijn kleine Rosa op dezen, voor indrukken zoo uiterst gevoeligen leeftijd, een ongewenscht gezelschap vind. Daarbij zijn de vermoeienissen van zulk een reis ook niet gering voor ’n klein meisje, zoodat ik besloten heb, hoeveel het mij ook kosten zal, mijn kindje niet mee te nemen. Of Eva mee zal gaan, weet ik nog niet. Zij schijnt er erg op gesteld te zijn om den tocht mee te maken, maar dit is zeker, dat ik, als zij achter blijft, Rosa toch in geen geval bij haar zou kunnen laten. Het kind is nu tien jaar, en bijzonder voor haar leeftijd ontwikkeld en het wordt hoog tijd dat ik haar aan den moederlijken invloed onttrek. O! Corona, wij hebben zelden over deze dingen gesproken. Om sterk te kunnen zijn is het soms beter ons leed niet te veel uit te spreken, maar bitterheid overstroomt mijn hart, als ik deze vrouw samen zie met mijn kind.

Liefste, van den beginne af aan is de opvoeding allertreurigst geweest. Ik zelf had geen tijd om er mij veel mee bezig te houden en Eva? .… Om er mee te pronken, om het op te smukken, als zij er visites en boodschappen mee gaat doen, is haar geen moeite of kosten te veel. Heele dagen zit zij er voor te naaien, hardnekkig, koortsig, tot haar zenuwen zoo kapot zijn, dat zij er iedereen onder laat lijden! Maar terwijl loopt het kind verwaarloosd en eenzaam rond! Om er op haar jour mee te poseeren als mooi jong moedertje is het kind haar lief, maar als er zich amusantere occupaties voordoen, wordt het dadelijk naar de bonne gestuurd. Enfin, je kent het type, je moet er velen zoo kennen, die haar moederschap opvatten als middel om haar tijd aan te vullen en haar ijdelheid te streelen en niet als een doel, waarvoor zij al haar krachten willen inspannen.

Meermalen heb ik getracht Eva’s belangstelling voor de eigenlijke opvoeding te wekken, maar „zieleontwikkeling”, „karaktervorming”, zijn woorden zonder eenige beteekenis voor haar. Ik heb haar een paar maal een mooi stuk van Fröbel voorgelezen, haar boeken gegeven, hopende haar een beetje tot nadenken, althans tot belangstelling te brengen, maar zij begon te huilen en zeide dat ik onvrouwelijke dingen van haar eischte. Zat zij niet uren lang te naaien omdat het mij niet conveniëerde het goed buitenshuis te laten maken en zij toch uit liefde wou zorgen dat haar kind er netjes uitzag? Maar dikke vervelende boeken lezen kon niemand van haar vergen, dat was goed voor mannen en geleerde professors, de vrouw moest voor de kleeren en het huishoûen zorgen en dat deed ze immers, wat kon ik dan toch meer van haar vergen?

Toen begreep ik, Corona, dat wij elkander nooit konden begrijpen. Het eenige wat zulke „lieve vrouwtjes” voor haar kinderen kunnen doen is voor kleeren en voedsel zorgen, en dat natuurlijk heel onhygiënisch, en dan een beetje brommen als zij lastig zijn. Het was immers ook onzinnig van mij nog te hopen dat mijn kindvrouw mijn kindje zou kunnen opvoeden tot een vrouw?

En dikwijls kwam de gedachte bij mij op dat ik Rosa weg moest zenden uit mijn treurig wuft interieur, maar ik had er de kracht niet toe, zij was mijn eenige lichtstraal, maar ik weet nu dat het onvergefelijke zwakheid was. Zondag was ik met haar gaan wandelen, het kinderfiguurtje, och arme, uitgedoscht als een miniatuur modedame. Zij zag er aardig uit, maar toen ik haar omhelsde, voelde ik hoe het teere lichaam was ingeprangd in een baleinen harnas en ongeduldig weerde zij mij af, zij die zoo dol van me houdt, uit angst dat ik haar kantjes zou kreukelen. Arm martelaresje, physiek en moreel van de moederlijke ijdelheid. Maar wij gingen uit, Corona liefste, en op eens, met wanhoop vervulde het mij, toen ik zag hoe het kleine ding de hulde der voorbijgangers gretig opving. Wij kwamen een troepje studenten tegen in den tuin van het Luxembourg, die erg naar ’t kleine mooie dametje keken, en ik zag hoe Rosa glimlachte zonder reden, en hoe er in haar oogen een uitdrukking kwam van huichelachtige onschuld toen ze naar me opkeek en onverschillige dingen vroeg en terwijl onophoudelijk den indruk gadesloeg, dien ze op de voorbijgangers maakte. O! mijn liefste, het was een uur van namelooze bitterheid. Ik kan er niet aan denken dat mijn dochter het evenbeeld van haar moeder zou kunnen worden. En daarom kom ik tot je, Corona, je smeekend om je over mijn kind te ontfermen. Neem ze tot je en red haar! O! lieveling, jij kunt het, onder jouw leiding kan alles nog goed met haar worden.

Soms als ik aan Rosa’s toekomst denk, droom ik er van dat zij misschien eenmaal mijn voetsporen drukken zal, dat zij, als mevrouw Tachilde, zal worden een groote kunstenares en dat zij mijn werk zal vervolgen om het tooneel te verheffen. Onze kunst heeft het zoo heel noodig dat zich waarachtig edele, hoog ontwikkelde menschen aan haar wijden, om een einde te maken aan het rijk van zooveel onzer tegenwoordige actrices, wier kleermaker en verfkwast soms meer tot haar succes bijdragen dan hare talenten. En ik geloof zeker dat er ’n tragedienne in het meisje zit, maar liefste, vóór alles wil ik dat mijn kind een goed mensch wordt! en ik weet nu, dat zij dat hier nooit worden zou.

O! de bitterheid, Corona, om hopeloos aan een vrouw verbonden te zijn, die de ziel van mijn kind vergiftigt, en haar, de heerlijke vrouw te moeten missen, die ons beiden gelukkig zou kunnen maken. Maar tenminste, erbarm je over het jonge leven, Corona, voor mij zelve smeek ik je niet meer, ik heb leeren eerbiedigen je inzichten, al kan ik ze niet deelen, maar voor Rosa wil ik bidden! geef haar de weldaad van je nabijheid en je liefde! Niemand dan jij kunt haar maken tot de sterke hooge vrouw die eenmaal mijn werk moet voortzetten! Mag ik op je toestemming hopen, Corona? ik kan er niet aan twijfelen, al weet ik ook hoeveel storing het in je drukke leven geven zal! .….….….….….….….….….….….….….….….”

Corona zat lang bewegingloos, stil turend op den brief, dien zij niet meer las.

Zijn woorden van teederheid voor het kindje, waarvan hij maar zelden gesproken had, zijn toekomstdroomen, zijn angsten en zorgen voor de kleine dierbare ziel, waren heel nieuw voor haar. Niet de kunstenaar die werkt en zoekt, niet de denker die haar iets van zijn gedachtenleven komt zeggen, niet de geliefde, die haar zijn arme woorden van wanhoop en hartstocht zendt, geen van die allen, die zij zoo goed kende, sprak uit het blad dat zij vasthield, alleen de vader! En die nieuwe persoonlijkheid vervulde haar met vreemde ontroering.

O! zijn kindje, zijn eigen geliefd kind bij zich te zullen ontvangen, het te zullen koesteren en opvoeden zoo als hij het begeerde! Een zachte vreugde ging op in haar borst, een stille jubel, alsof zij op dit oogenblik tot iets heerlijks was uitverkoren.

Zou nu niet tusschen haar en Frank een nog inniger band, met nog dieper, heiliger beteekenis ontstaan? Maar toch .… dit kind was niet van hem alleen .… en het beeld rees voor haar op dier onbekende vrouw, die hem jaren lang het leven had verbitterd, die tusschen hen stond met haar hardnekkig weigeren om hem zijn vrijheid weer te geven, wier wuftheid nu zelfs een gevaar voor haar dochter was, maar die toch, niettegenstaande dit alles, de moeder was van zijn kind!

Corona bukte zich en legde het hoofd voorover op de tafel. In lang niet was de wanhoop, het verlangen over haar gekomen met die intense macht, en zij huilde hartstochtelijk, het uitschreeuwend van tijd tot tijd met een wild gekreun, dat opsteeg uit de geheimzinnige diepten van haar liefdeleed, klanken als van een gewond dier.

Marijken, achter in de keuken hoorde het, en weifelend sloop ze naar voren, angstig luisterend aan de deur. Eindelijk, toen het binnen stiller werd stak ze voorzichtig het hoofd door een kiertje.

„Dokter, wat is er gebeurd? Heb je kwade tijding gehad?”

Corona zag op. „Nee Marijken, dank je wel. Ik heb heele goeie tijding zelfs. We krijgen ’n klein huisgenootje, je zult es zien hoe ons oudjes dat zal opfleuren. Het is niets, ik ben maar ’n beetje zenuwachtig,” en zij glimlachte onder het zachte snikken dat telkens nog haar borst doorschokte, zooals op het water na hevige deining nog lang driftige golfjes komen breken aan den kant.

Marijken trok zich terug, het rimpelige hoofd heftig schuddend. „Zij begreep er wel alles van!” maar Corona stond op en ging in de slaapkamer om haar brandend gezicht te wasschen. Zij voelde zich zoo doodelijk vermoeid door haar nachtwaak en de wilde ontroering van straks, maar over een paar minuten zou het rijtuig komen, en als altijd moest ze dan weer klaar zijn, volkomen zich zelf meester om haar zieken te helpen.

Hilda stond lusteloos droomend voor het raam, ze voelde zich nameloos gedesoeuvreerd; juist na de opeengestapelde emoties van eergisteren en de gedruktheid die daar gisteren op gevolgd was, scheen het leven haar vandaag zoo leeg en troosteloos. Zij had geweigerd om met haar tante en Corry naar de wedrennen bij Clingendaal te gaan. Een afleidinkje meer of minder kon haar onvoldaanheid immers toch niet genezen? en het zien halfdoodjagen van arme mooie paarden leek haar ook zoo’n barbaarsch amusement en de menschen die ze er ontmoet zou hebben, verveelden haar al, als ze er maar aan dacht.

„Hilda, mag ik even binnenkomen?” zeide Eugénie om het hoekje van de deur, maar Hilda hoorde niet en bleef roerloos aan het raam geleund.

Toen kwam Eugénie zachtjes binnen. Zij was nog in haar nachtjapon en het verkreukelde slappe linnen hing in slordige plooien om de magere leden. Zij zag oud en doodelijk bleek, de oogen droevig dof in de gezwollen roode randen, een beeld van te vroeg gestorven jeugd.

Bij de gespannen verhouding, die nu sinds Bernard’s komst tusschen haar en Hilda geheerscht had, was zij in lang niet in deze kamer geweest; met een verlegen zenuwlachje bleef zij midden in staan, even kuchend om Hilda’s aandacht te trekken, en toen deze zich plotseling omkeerde, wantrouwend met vragende oogen, lachte ze weer, de bovenlip optrekkend, de mondhoeken omlaag een akelig nerveuzen lach.

„Hilda, ik wou je even komen vragen .… je hoeft me niets voor te jokken, want ik moet het nou toch gauw hooren, maar is het waar dat Cranz je gevraagd heeft?”

Hilda kwam een stap nader; een stille blijdschap zwol op in haar hart. Dit was het oogenblik van weerwraak, dat voelde ze, voor al de hatelijkheden der laatste weken. En ze was blij, in eens, want ze wist dat ze edelmoedig zou zijn en er ligt verteedering en weelde in het edelmoedig zich voelen. Kleine zielen zijn scherp en genieten zich in leedvermaak in de ure van genoegdoening, maar Hilda zeide zacht:

„Waarom zou ik jokken, Eus? Ja zeker, Cranz heeft me gevraagd, maar ik heb hem bedankt.”

„Waarom?”

„Dat weet je wel, omdat ik hem niet liefheb.”

„Dat is geen reden.”

„Voor mij wel!” Hilda zeide het in een ootmoedig gefluister, het schandegevoel van de vorige dagen schrijnde nog in haar ziel.

Maar Eugénie, in een plotseling ineenzinken van al haar trots, wierp zich hartstochtelijk in haar armen.

„O! Hildy vergeef me! ik had altijd gedacht .… kun je me vergeven? .… Ik ben ook zoo slecht! O! Je weet het niet! En ik ben zoo blij nou, O! God, Hilda, O! vergeef me maar! Ik zal nooit meer zoo akelig tegen je zijn! Maar ik ben zoo .… blij, misschien komt alles nou nog terecht .…”

Hilda voelde het uitgeteerde lichaam in haar armen zenuwschokken, en ze zag neer op de gebogen snikkende gestalte en voelde zich akelig koud omdat ze niets wist te zeggen, omdat zij niet kon sympathiseeren met die droefheid en zij leed onder haar kou.

Eindelijk onbeholpen, zich vreeselijk prozaisch vindend, omdat ze in dit oogenblik van verzoening niets beters vond, zeide ze zacht: „Toe Eus, ga je aankleeden, je zult kou vatten, alles is nou immers weer goed?”

Maar Eugénie schudde het hoofd. „Nee, ga daar even zitten, ik moet met je praten.” En zij knielde neer naast Hilda en zachtjes in een eentonig gefluister begon ze te vertellen van haar wanhoop en hoe ze altijd op dit huwelijk met Cranz gerekend had, hoe het eigenlijk al door de families was afgesproken toen zij nog kinderen waren, hoe men haar altijd met hem geplaagd had, tot haar verbeelding geheel met hem vervuld was geworden, hoe ze altijd was blijven hopen, ook toen zij ouder werden, en Bernard zich maar steeds niet declareerde, hoe ze geleden had onder de vernedering van dit wachten, hoe ze toen Hilda had gehaat, meenend dat zij hem tot zich wilde trekken, en eindelijk hoe haar leven was geworden één foltering van jalouzie en van tobben, tobben, tobben over de toekomst die ze voor zich zag, hopeloos dor en eenzaam.

„En als ik dan den heelen nacht gehuild had met allerlei akelige droomen er tusschen in, en den volgenden morgen dol van de hoofdpijn was, kwam de dokter en zei: „Niets dan zenuwen freule, mevrouw u moet de freule maar veel afleiding geven.” Veel afleiding! Alsof afleiding nog mogelijk is in een leven waarvan de eenige bezigheid juist is afleiding zoeken! Weet je Hilda, ik heb er den laatsten tijd dikwijls aan gedacht hoe onrechtvaardig het is, dat wij meisjes, als we verdriet hebben, zoo weinig kunnen doen om ons zelf te vergeten als we geen afleiding meer kunnen vinden in toilet en handwerkjes en uitgaan.”

„Ja!” zeide Hilda bitter, „het lijkt zoo veel poëtischer en „vrouwelijker” om te zitten treuren op ’n chaise longue in ’n elegant boudoir dan om werk te zoeken in de groote maatschappij, maar dat zou wèl zoo goed voor ons zijn!”

„Werk?” vroeg Eugénie met haar cynischen zenuwlach, „wat zouden wij kunnen doen? We zijn immers nergens toe in staat of het moest zijn zoo’n beetje philantropie, maar ik hou niet van vieze menschen! O! het heerlijkste zou maar wezen om zoo als Corry en Valérie en Betty te zijn, die nemen het leven zoo als het komt, die kennen geen getob en onvoldaanheid .…”

„Maar dat is juist het ergste! die kennen geen onvoldaanheid, maar daarom zullen zij ook nooit zoeken naar iets hoogers!”—een plotseling enthousiasme klonk in Hilda’s stem—„naar een doel, naar iets enfin, dat het leven waard maakt om geleefd te worden .…”

Eugénie lachte weer haar bitter, ongeloovig, lachje. „Wat voor doel meen je eigenlijk?”

En toen Hilda, diep in gedachten, niet antwoordde, vroeg ze na een lange poos: „Hildy, zeg es eerlijk, geloof je dat er nog hoop voor me is dat Bernard nog .…”

Hilda stond op, gejaagd. Nog onder den indruk van haar zwakheid, „haar val”, van den vorigen avond had ze geduldig met veel belangstelling naar Eugénie’s lange confessie geluisterd. Het had haar telkens getroffen, hoe zij beiden, op verschillende wijzen waren gedemoraliseerd geworden door haar doellooze leven, met niets dan een huwelijk tot uitkomst. Vol medelijden had zij toen plotseling begrepen hoe Eugénie’s bestaan er geheel door verwoest was; daardoor alleen! Want dat zij waarlijk Bernard liefhad, Hilda had het nooit geloofd en ze wist nu zeker van neen. Niet een ongelukkige liefde had het arme schepseltje gebroken, ofschoon zij het zich zelf nu wel inbeeldde. Wat zij zoo bitter betreurde was het huwelijk, de goede positie, de negatieve satisfactie om niet ongetrouwd te blijven, vooral het lang verbeidde, beloofde land, waarop heel haar opvoeding was gericht geweest. De man, hoewel hij haar sympathiek kon zijn, kwam daarbij toch in de tweede plaats.

Hilda had groot medelijden gevoeld, maar nu, dit hardnekkig, onzinnig blijven hopen niettegenstaande zij wist dat hij eene andere liefhad, plotseling prikkelde het haar tot drift.

Een paar maal ging ze de kamer op en neer, zoekend naar zachte woorden, maar in eens bleef ze voor haar staan en eigenlijk vóór ze het zelf wist, had ze het gezegd, koud, verpletterend: „neen!”

Eugénie kromp in een, heel even, maar ze huilde niet, zooals Hilda verwacht had, en ze bleef zitten op den grond waar ze straks bij Hilda geknield had en staarde lang voor zich uit, heel bleek, met moeë oogen en ging toen eindelijk zachtjes en zwijgend de kamer uit.

Hilda was te kort geleden haar eigen worstelperiode ingetreden om zich lang te verdiepen in Eugénie’s klagelijken toestand, maar toch voelde ze er de terugwerking van en het maakte haar lusteloosheid nog grooter.

Vreeselijk terneer gedrukt zette ze zich op den rand van haar bed en een lange rij van vage mistroostige gedachten begon zich te ontspinnen, van onduidelijke plannen om naar vrienden in Amerika te gaan, of om diacones te worden, ofschoon ze voelde dat ze er de ware roeping voor miste, allerlei phantastische plannen, die ze eén voor eén zuchtend verwierp, tot ze eindelijk ziek was van verveling en weltschmertz.

Toen kwam Corona; met haar lichten vrouwenstap was ze onhoorbaar de trap opgekomen en op eens stond ze voor haar, de kamer vullend met een atmosfeer van moreele kracht en goedheid, die vreemd verkwikkend op Hilda inwerkte na haar week gepeins.

„Wel klein meisje, wat zit je daar? Verzen aan ’t maken of aan ’t treuren over de zonden der menschheid? Schaam je je niet ’n klein beetje, op een dag dat de zon zoo mooi schijnt en dat er zooveel goeds in de wereld te doen is?”

Hilda stond op en trachtte vroolijk te zien, maar op eens, juist toen ze zich voelde lachen, kwam er een droefheid over haar, die ze niet meester was. Zij sloeg beide armen om Corona’s hals en bleef even tegen haar aanliggen, terwijl een paar groote tranen langzaam opwelden en toen zwaar neervielen als eerste groote druppels van een onweersbui.

„Wat is er kindje, verdriet?”

„Nee Corona, eigenlijk niet; ik geloof dat ik maar ’n beetje uit m’n humeur ben.”

„Dat bestaat niet, Hildy. Dat is ’n woord zonder zin. Als je je naar voelt is er òf een physieke reden, en dan zal ik als doktores met je spreken, òf een moreele reden en die moeten we dan zien weg te ruimen. Wat is het, denk je?”

Hilda zuchtte. „Het is moreel, denk ik,” zeide ze aarzelend. „Het is omdat ik wee ben van me zelf en m’n tegenwoordig leven. Ik word er slecht en zwak door; ik weet zeker dat mijn vader, als ie zien kon hoe ik nou leef, meer als ’n kapel eigenlijk dan als een mensch, diep bedroefd zou zijn. Hij heeft me zoo heel anders opgevoed, en ik heb het altijd in me gevoeld het verlangen, om mijn leven te gebruiken, om er iets moois van te maken, en ik weet niet hoe ik dat hier bereiken kan.”

„Is dat alles?” zeide Corona.

Hilda knikte, en ging voort, blij in woorden te kunnen brengen wat ze al zoo lang gevoeld had en sinds eergisterenavond in bange klaarheid had begrepen.

„Ik walg van me zelf en van al de anderen. Kun je me niet helpen, om hier weg te komen? Al de meisjes haast, die ik ken, zijn òf zenuwziek van verveling en teleurstelling en onbevredigde verlangens, òf ze hebben geen vermoeden zelfs hoe leeg en armzalig, eigenlijk onwaardig haar leven is. Het maakt me wanhopend, Corona, dat alles bij te wonen en mee te maken. Ik ben nu twee en twintig, mij dunkt dat het kinderleven nou uit moet zijn. Ik wil nu een vrouw zijn, Corona, een mensch, een willend, levend, werkend mensch. Kun je me niet helpen?”

Hijgend, in volle jonge opwinding, terwijl het bloed in donkeren gloed langs haar slapen opbruischte, stond ze voor Corona, die met een blijen lach geluisterd had. Elk van Hilda’s woorden had een vreugdetrilling in haar hart gewekt.

„Ja zeker wil ik je helpen. Ik wachtte al lang dat je het me vragen zou.”

„Hoe meen je dat?”

Corona nam haar handje en streelde het. „Dacht je dat ik niet dadelijk begrepen had dat jij je tenminste niet rustig zoudt neerleggen en vrede vinden bij het gewone meisjesbestaan? Ik heb het dadelijk gevoeld, toen ik je zag, maar ik moest wachten tot je uit je eigen ontwaakte. O! de maatschappij is zoo arm, zoo slecht, zoo leelijk! Ze heeft zoo hoog noodig menschen die zich met volle liefde aan haar wijden, op welke manier dan ook, en ik heb altijd gehoopt en geloofd dat jij tot het kleine leger zoudt willen behooren van hen die hun hartebloed geven om de wereld ’n klein beetje mooier en beter te maken. Is het niet zoo?”

Hilda beefde van opwinding, Corona’s blijde emotie ging in eens in haar over en opgezweept door jong genereus enthousiasme, was het haar of er plotseling een stroom van kracht door haar heen ging.

„Wat moet ik doen?” zeide ze fluisterend.

Corona dacht even na. „Morgen is het Zondag. Dan maak ik altijd zoo min mogelijk rijke visites en ga alleen enkele armen bezoeken, die me speciaal interesseeren. Als het je ernst is om het eigenlijke leven te beginnen ga dan met me mee. Je zult veel groote ellende zien, het lijkt haast wreed om je zoo in direkte aanraking met het wezenlijke leed te brengen, maar de waarheid leeren zien is toch het eerste wat we doen moeten als we willen helpen. Wat geeft het of we in vage theorieën en melancholieke droomerijen medelijden voelen en zuchten om verbetering, als we de menschen en de toestanden niet eerst zelf hebben gezien?”—Zij stond op—„Wil je komen, morgen om tien uur?”

„Ik zal komen,” zeide Hilda bijna plechtig, maar toen, in eens, in kinderlijke onstuimigheid, pakte ze Corona beet en omhelsde haar. „Zeker zal ik komen!” en zij glimlachte, maar in haar oogen was reeds iets van den mysterieuzen ernst van een nieuwe toekomst.

Corona stapte haastig in haar coupétje, bang zich door het gesprek met Hilda wat verlaat te hebben; ze wist dat verscheiden patiënten thuis nog op haar wachtten.

Edward stond voor het salonraam met zijn vriend Stephaan van Brehnen en zij zagen haar gaan.

„’n Mooie vrouw toch, die juf-doctores,” zeide Stephaan, tevergeefs trachtend zijn bewondering weg te huichelen onder den spottenden vorm.

Edward knikte en wond langzaam, met onbeschrijfelijk fatuiteit zijn mooien rossen knevel omhoog. „Ja, gek, dat ze nog geen man heeft kunnen vinden, maar niemand schijnt er aan te durven. ’t Is tegenwoordig niet makkelijk voor meisjes om beet te krijgen!”

Beiden lachten den naïef hoovaardigen lach van heel jonge ijdelheid. Het is zoo streelend zich het doel van alle meisjesdroomen te voelen en toch vast van plan te zijn om „er niet in te loopen.”

„Zeg jij maar niks, kereltje,” plaagde van Brehnen, „jij zult gauw genoeg ingepalmd zijn door Betty de Mureaux’s lieve blikjes.”

Maar Edward schudde heftig het hoofd en fluisterde zijn vriend iets in het oor, waarop zij beiden schaterlachend de kamer inliepen.

En terwijl reed Corona naar huis, het hoofd duizelend vol gedachten. De komst van het onbekende kindje, het kindje van Frank, Hilda’s ontwaken en de geheime hoop die zij daarop bouwde, Marietje Roerade en haar arme kleine baby, en haar eigen groote levensproblemen, pijnlijk dwarrelde het dooreen in haar moeë hoofd. Een oogenblik hield zij de handen voor de oogen, worstelend om kracht. O! God hoe zwaar was het leven! Maar thuis, onder de lange rij patiënten, die zij dien middag ontving, was er geen die den storm achter het reine voorhoofd bemerkte. Zoo gaan vele vrouwen daarhenen met kalmen glimlach en rustige trekken en de wereld, die spottend vraagt waarom zij niet getrouwd zijn, heeft zelfs geen vermoeden van den geweldigen strijd die daar plaats heeft gehad in de harten dier stil voorbijgaande figuren.

„Ben je klaar om de reis te aanvaarden, Hildy?”

Hilda knikte, een beetje zenuwachtig, en zwijgend reden zij weg van Corona’s huis naar de Prinsegracht, waar zij haar visites zouden beginnen.

Het was een rij bitter treurige bezoeken.

Eerst in de Lage Nieuwstraat, bij kleine scrofuleuze kindertjes met akelig schitterende oogen en blauwbleeke gezichtjes en opgezwollen neusjes en opgezette lichaampjes, gedragen door heel magere beentjes. Toen bij een vader, die wegstierf aan de tering en wist dat hij zijn vrouw en zes kinderen onverzorgd zou achter laten! Onverzorgd! hij wist dat het zeggen wilde voor hen: overgeleverd aan honger, kou, misschien wel aan schande! en hij had niet voor hen kunnen sparen. Hij had immers maar acht gulden in de week verdiend, daar kon niet van gespaard worden! En hij was radeloos, in bitteren opstand en wanhoop, en hij vertelde van een deftige dame die bij hem gekomen was en hem aangemaand had tot berusting en hem scherp had verweten dat het volk tegenwoordig zoo ontevreden was en ondankbaar voor het vele dat voor hem gedaan werd, maar hij had haar uitgelachen, zeide hij, in haar gezicht: „Millioenen menschen gingen door armoe te gronde, en wie kon hem op zijn stervensbed, in de worgende angsten van zijn ziekte, de verzekering geven dat zijn vrouw, die hij lief had en zijn zes kinderen niet onder die millioenen zouden zijn? ’t was afgrijselijke ironie om berusting van hem te vergen!”

Toen bij een oud vrouwtje, dat haar been had gebroken en bang was om te sterven, zij aan wie het leven niets meer te geven had, dan wat pijn en gebrek en die toch onwillig was om heen te gaan, en daarop bij een vrouw wier kindje juist dien nacht gestorven was, maar zij had er achttien gehad en tien waren er al dood, en dit elfde verlies scheen haar niet meer te treffen. Zij was te uitgeput om nog sterk te kunnen voelen voor wat het ook was, en haar moede, emotielooze wijze om over het doode kindje te spreken, was treuriger dan tranen.

Het was een smartelijke rij bezoeken.

„En waar gaan we nou naar toe?” vroeg Hilda even huiverend onder de tweevoudige aandoening van vrees om nog meer ellende te moeten bijwonen en koortsig verlangen om toch dieper door te dringen in ’t ontzaglijke drama van het volksleven.

Corona zag heel ernstig. „Nou gaan we naar ’n geheime plaats, en je moet me beloven dat je er nooit tegen iemand een woord van zeggen zult. Wil je?”

„Wat bedoel je?” vroeg Hilda bijna angstig. Het geen zij gezien had was al zoo overstelpend geweest, dat zij achter Corona’s geheimzinnige woorden onwillekeurig vreemde, ontzettende dingen zocht.

„Het is ’n groot geheim, en vóór ik je binnen laat, moet je me heusch volkomen stilzwijgen beloven, want als iemand het hoorde, die er misbruik van wou maken tegen mij, zou ik met gevangenisstraf kunnen worden bedreigd.”

„Ik beloof het je, ik zal er met niemand over spreken.”

Corona glimlachte. „Als men iets tegen de wet doet, moet men zelfs met z’n vrienden voorzichtig zijn, niet waar?”

Zij waren nu in de Willemstraat en het koetsje hield stil voor een eenvoudig gesloten huis. Op het naambordje op de deur stond: Wedwe Steunenberg. Hilda zag er naar en het gaf haar een soort rust: er woonde tenminste niemand die zijn naam verbergen moest. Corona was met den huissleutel binnen gegaan; zij scheen volkomen thuis en liep rechtdoor naar achteren.

Maar als Hilda, in een bewust spel der verbeelding zich deze achterkamer had voorgesteld als een tooneel van gruwelen, des te vreedzamer moest haar toeschijnen hetgeen ze er zag.

Het was een groote lichte tuinkamer, de zon scheen met witte schittering vlak door de wijdgeopende deuren, en gleed met dartele lichtlonkjes over de artistiek mooie prenten aan den muur, over de bloemen op tafel, en over twee groote witte kussens op den grond waartusschen een kleine baby speelde.

In een hoek stonden naast elkaar twee rustbedjes, op het eene lag een meisje van ongeveer zeventien jaren, op het andere een klein bleek ventje van zes.

Corona ging naar het kleine kind op den grond, en nam het op haar arm.

„Wel Suusje, m’n poppetje, ben je heusch blij dat ik kom?”

Het kind lachte even, alleen het mondje vertrekkend, de oogen schuw vragend op Hilda gericht. Het was bijna vier jaar, maar zoo klein en teer dat men het nauwelijks twee zou gegeven hebben. Met groote bange oogen had het omgekeken bij ’t opengaan van de deur, een blik van angst, heel treurig in oogjes nog pas zoo kort geleden geopend, maar bij het herkennen van Corona had het lachend de handjes uitgestrekt.

„En hoe gaat het met Jaap en met Liesbeth? Ik denk dat ze wel gauw beter zullen zijn, als ze zoo zoet en geduldig blijven liggen.”

Corona ging naar hen toe en kuste hen beiden, het kleine Suusje op den arm, en Hilda, die nog aarzelend bij de deur stond, zag het groepje aan en vond het heel mooi om Corona zoo te zien; er was iets roerends in die trotsche slanke vrouw met haar streng profiel en donker type van Spaansche madonna in teeder erbarmen met een kindje.

„Maar, als ik beter ben, hoef ik dan heusch de straat niet meer op?” zeide kleine Jaap. Het was een vraag die hij dikwijls deed, soms zeurde hij haar drie, vier maal achter elkaar, soms maakte hij er een spelletje van en vroeg het telkens op een andere manier, altijd weer verlangend het heerlijke antwoord te hooren.

„Nee, zeker niet, ventje, heusch niet! Als ie beter is gaat ie heel ver hier vandaan, buiten, bij ’n lieve boerin, waar allemaal koeien en schapen zijn.”

„Maar denkt u, dat m’n beentje weer zal aangroeien?”

„Dat geloof ik niet, mijn jongen, maar dat is niets, we zullen je ’n mooi houten beentje geven en je zult es zien hoe flink je daar weer mee loopen zult! Maar waar is tante Ida?”

„Hiernaast,” zeide Liesbeth, „in de badkamer.”

En Corona, met Suusje nog altijd in de armen, ging naar het vertrek daarnaast en Hilda hoorde haar zeggen:

„Goeie morgen, tante Ida, hoe gaat het?”

„Guns, dokter, ik had u niet hooren komen .… hoe hebt u de kinderen gevonden?”

„We zullen ze es goed bekijken, maar me dunkt dat alles goed gaat. Suusje begint me bepaald te kennen. Ze schrok nog wel even bij ’t opengaan van de deur, maar toen lachte ze toch dadelijk, niet waar kleine dot? Maar tante, laat me je eerst even ’n vriendin van me voorstellen, hier naast .…”

„Hebt u iemand meegebracht? Durfde u dat te wagen? Eén onvoorzichtig woord kan ons alles kosten .…”

„Nee, je kunt haar gerust vertrouwen.”

En daarop zag Hilda een tenger vrouwtje naar zich toe komen in een glad zwart kleedje, een lief bleek gezicht, niet jong meer, met veel vermoeide trekjes en grijzend haar, maar iets jong dwepends in de lichte oogen en veel zachtheid om den mond.

„Dit is tante Ida,” zeide Corona, na het officieel noemen der namen: „freule van Suylenburg, juffrouw Steunenberg, mijn medeplichtige bij onze groote misdaad.”

„Wat voor ’n misdaad dan toch! Het ziet er hier toch niet uit als ’n roovershol,” lachte Hilda, nu volkomen gerust.

„En toch is het dat, in de volle beteekenis van het woord! Maar kom mee, hier in de badkamer, daar kunnen we rustiger spreken.”—En toen de deur gesloten was:—„Het is niet goed dat de grootere kinderen dat allemaal hooren, maar tante Ida en ik zijn heusche roovers, niet waar tante? Want al deze drie kinderen zijn gestolen en men zou ons kunnen vervolgen, en het ergste van alles, ons de kinderen afnemen, als iemand iets wist en ons verraadde.”

„Ja zeker!” zeide juffrouw Steunenberg. „Ik durf zelfs geen meid hoûen. Niemand mag iets van deze kinderen weten.”

„Waarom dan toch? Ik begrijp het niet, toe Corona, vertel het me nou gauw.”

En terwijl zij handig het kindje begon uit te kleeden, om straks het kleine ziekelijke lichaam te kunnen onderzoeken, vertelde Corona het verhaal van haar kinderroof.

„Op een nacht in ’t laatst van Februari, toen het zoo lang achtereen gesneeuwd had en het zoo glad was, was zij teruggekeerd van een zieke op den Denneweg, bij wie zij in groote haast was geroepen. Zij had niet eens den tijd gehad om om haar koetsje te telefoneeren. Maar op het Voorhout, vlak bij huis, had ze in eens zachtjes hooren kreunen, alsof er een ziek dier lag te klagen, en bij een van de boomen, had zij, donker, tegen de witte sneeuw, een klein hoopje zien liggen. Ze was er heen gegaan, meenend dat het misschien een mishandelde hond was, want ze had niet, als zoovelen, haar medelijden in twee aparte vakjes verdeeld, één voor menschen, en een ander voor dieren. Voor haar had al wat lijdend was aanspraak op erbarmen. Maar toen ze bij het hoopje was gekomen, had ze er geen hond, maar Jaapje gevonden, het kleine jongetje, dat nu binnen lag, met zijn afgezet beentje.

Slaperig, bevangen door de koû, had ie half bewusteloos liggen kreunen, maar toen ze geprobeerd had om hem op te richten, had ie het van pijn uitgeschreeuwd.

„Wat doe je hier, ventje?” had ze gezegd.

„Ik heb m’n been gebroken, juffrouw, ik kan niet opstaan.”

„Hoe komt dat?”

„Ik wou hard over ’t Voorhout loopen, naar ’n paar heeren toe, die ik daar ginds uit dat huis zag komen, om hun ’n doosje lucifers te verkoopen, maar het was zoo glad en toen ben ik gevallen.”

„En hoe lang lig je hier?”

„Ik weet het niet, juffrouw, maar toen ik gevallen ben, juffrouw, had ’t net tien uur geslagen.”

Een uur had het kind daar gelegen, met zijn gebroken beentje, en het ergste was dat ’n stuk glas, dat half onder de sneeuw had bedolven gelegen, door den val diep in zijn vleesch was gedrongen.

Voorzichtig had Corona hem opgenomen en in haar huis gedragen, en toen, rillend van de koorts had hij haar zijn smartelijk kinderverhaal gedaan. Zijn ouders dronken allebeiden en ’s avonds, als hij en de drie andere kinderen thuis kwamen en niet de opgegeven som bedelcenten mee brachten, kregen zij geen eten en harde slagen. Op zijn arm lichaampje zag Corona er nog de sporen van. De andere kinderen hoefden maar vijftig centen thuis te brengen, maar hij had zulke mooie blonde krulletjes en zag zoo heel bleek en tenger en daarom kon ie altijd meer ophalen en mocht niet thuis komen vóór ie vijftien stuivers bijeen had.

O! de wreedheid dier zoogenaamd goedige menschen, die geven aan arme bedelkinderen op straat! Alsof niet de ouders hun schandelijke kinderexploitatie zouden staken, als zij zagen dat niemand ooit iets meer gaf! Alsof niet die z.g. goedhartigen, in onvergefelijke onnadenkendheid, door hun giften, de luie of dronken ouders telkens op nieuw aanmoedigden tot het uitzenden van hun kinderen om geld op te halen, dat zij zelve niet willen verdienen? En zulke goedigen, in domme zelfvoldaanheid, meenen dan nog kindervrienden te zijn!

Maar Corona, terwijl ze de wond uitwiesch en het beentje voorloopig verbond, had zich angstig afgevraagd wat ze met Jaapje doen moest. Morgen zou ze hem naar het gasthuis kunnen laten brengen, en daar zou hij goed verpleegd worden, maar als hij dan genezen was, zou hij terug gaan naar zijn ouders en hetzelfde leven zou weer voor hem beginnen, tot hij zou ondergaan van ellende of opgroeien tot een deugniet als zijn vader.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings