← Table of contents
Hilda van Suylenburg

Front matter (continued 8)

Reading edition

„Ja, u zult het idee misschien nog wel wat vreemd vinden, maar dat went wel?”—En zij lachte.

Mijnheer van Starren zag haar aan, onrustig, streng, bang dat zij hem voor den gek hield.

„Ik begrijp je niet goed .… Wat meen je eigenlijk? .…”

„Wat ik u gezegd heb. Het fladderleven verveelt me, en ik wou graag advocaat worden!”

„Dat is geen vrouwenbaantje! Dat is nog nooit door een vrouw vertoond.”

„Maar kind, ik begrijp niet hoe je aan zulke onzinnige idees komt! De menschen zullen er je om uitlachen, en je zult er niks dan verdriet van hebben.”

„Oom mag ik u iets zeggen?”—En zijn woorden van straks, tegen Edward overnemend met de kleine veranderingen, die noodig waren zeide ze ernstig: „De richting van onzen tijd is nu eenmaal dat het ouderwetsch voorname nietsdoen als zich amuseeren, een schande begint te zijn in de publieke opinie. De vrouw, die iets beteekenen wil, niet in de oogen van haar modiste of een troepje salondametjes, maar in die van de menschen in ’t algemeen, moet nog iets meer zijn, dan de bezitster van een mooi gezichtje en juweelen en een volle brandkast!”

„Dat heb ik straks tegen Edward gezegd van den man …”

„Vindt u niet dat het eigenlijk even goed op de vrouw moet en kan worden toegepast? Eigenlijk op ieder mensch?”

Hij haalde de schouders op en bleef haar verwonderd zitten aankijken:

„Je weet niet wat je gaat beginnen, Hilda! Heb je wel es gedacht aan de mogelijkheid dat de studenten en zelfs de professoren je onbeleefd zouden behandelen!”

„Dat zullen ze niet doen! Gelooft u dat ze hier nog zoo achterlijk zijn .…?”

„Wel natuurlijk! Je kent de wereld niet. Geloof maar dat de verhouding tusschen man en vrouw heel anders wordt of zij tegenover elkaar staan in een salon of in een collegekamer .…”

„Wel!” zeide Hilda uitdagend, „dan wordt het hoog tijd dat de meisjes uit de balzalen naar de collegekamers gaan om daar ook een beetje goeden toon te brengen. ’t Zou toch al heel erg zijn als onze aanstaande rechters en ministers niet eens wisten hoe een meisje te bejegenen, dat nog iets anders verlangt te doen, dan zich te amuseeren. Maar dat geloof ik ook niet!”

„Natuurlijk,” zeide mijnheer van Starren. „Je begrijpt toch wel dat de jonge lui je gewoon bespottelijk zullen vinden?”

„Nee oom, dat zie ik niet in! Een vrouw, die werken wil, waarin ook, is evenmin bespottelijk als een man. Het komt er maar op aan hoe of ze zich gedraagt, en ik zal wel zorgen, dat ik mij niet bespottelijk aanstel, dat verzeker ik u!”

Een oogenblik zwegen zij. Mijnheer van Starren vond het ontzettend lastig. Sinds jaren was hij gewend alles wat zijn dochters betrof, met een ironischen lach van zich af te schuiven: „Daar moet mama maar voor zorgen, aan dameszaken waag ik me liever niet!” Maar wat nu te doen met zijn zonderlinge pupil?

„Dus u vindt het goed?” vroeg ze overredend.

„Goed? Nee, ik vindt het volstrekt niet goed! ik vind het onzinnig! Maar natuurlijk, ik zal je niet tegenwerken, als je ’t bepaald wilt doorzetten. Het volgende jaar ben je meerderjarig, dus dan zou je het toch kunnen doen, en je moet het dan ook zelf maar weten.”

Hilda stond op. Zij had immers voorzien, dat ze geen sympathie zou ontmoeten! dus dit was voldoende: geen tegenwerking.

„Dank u wel, oom.”

„En wanneer ga je naar de academie?” vroeg hij spotlachend.

„Omdat ik al grieksch en latijn ken, denk ik wel dat ik ’t volgend jaar m’n staatsexamen zal kunnen doen. U vindt zeker goed, dat ik privaatlessen neem?”

„Doe zooals je wilt, als je mij later maar niet de schuld geeft van dat dolle plan.”

„Dat beloof ik u! Maar laat ik u nu niet langer ophouden.”

Zij stond bij de deur met den knop in de hand.

„Hilda, hoor nog es even.”

„Wat belieft u?”

„Weet je wel, dat, als je deze meisjesgril doorzet, je je huwelijkskansen vreeselijk vermindert?”

„Mijn kansen op een gelukkig huwelijk niet,” zeide ze zacht, „want alleen zou ik gelukkig kunnen zijn met iemand die ’t in mij liefhad, dat ik verlang een werkende vrouw te zijn, in plaats van ’n salonvlinder.”

Mijnheer van Starren glimlachte geheimzinnig, overtuigd, door de kibbelpartijtjes, die hij tusschen Hilda en Eugénie had opgemerkt, dat hij een gevoelige snaar ging treffen:

„Ik geloof niet, dat bijvoorbeeld, de jonge Cranz erg gesteld zou zijn, op ’n advocate als verloofde!”

Hilda rekte zich lang uit, genietend in den triomf van haar antwoord:

„De opinie van mijnheer Cranz is me volkomen onverschillig, oom! Ik heb hem juist dezer dagen geschreven, dat ik ook veel liever had dat ie me niet als verloofde verlangde.”

„Heb je ’m bedankt?”—riep Edward in onbesuisde eerlijkheid.—„Dat is kranig van je!”

„Heb je ’m bedankt? Maar kind .… Hoe kwam je daartoe? Waarom niet es eerst raad gevraagd? .…”

„Daar kon immers niemand me in raden. Ik kon toch alleen zelf oordeelen of ik hem liefhad!”

„Nou ja, .… liefhebben .… Maar weet je wel dat er zich nooit meer zoo’n partij zal voordoen .…”

„Ik verlang geen goeie partij! Ik verlang liefde, en als ik de echte niet vind, wil ik er de prullige namaak ook niet van!”

„Kind, kind, wat ’n theorieën allemaal! En wat stel je je dan toch voor? Dat die rechtstudie nou zoo iets verrukkelijks is, dat je daar het grootste geluk in zult vinden?”

Hij wierp haar zijn woorden toe, driftig, maar zij bleef onbewogen:

„Ik stel me voor dat die rechtstudies heel droog en vervelend zullen zijn! Dacht u heusch, dat ik nog zoo onnoozel was, om me een meestertitel, op zich zelf, als een geluk voor te stellen? Natuurlijk is hij voor mij ook maar een middel, geen doel! ’t zal ’n soort sleutel zijn van een poort, die toegang geeft tot een prachtig arbeidsveld.”

Mijnheer van Starren zuchtte. Ontzettend onaangenaam vond hij ’t, dat zijn pupil, die hij lief en mooi had gevonden, in de weinige uren, dat hij haar zijn aandacht had gewijd, nu zoo onverwachts zulk een heel anderen kant van haar karakter liet zien.

„Allemaal utopieën! idiote utopieën! kind! Geloof me! Als je met die soort van dingen gaat dwepen zul je niks dan teleurstelling en getob hebben!”

Maar toen, geprikkeld door het eeuwige refrein van „Utopie” antwoordde Hilda ongeduldig:

„Oom, ik vind het heerlijk dat u het utopieën noemt! Want wat zijn utopieën? Nieuwe gedachten waar men nog niet aan gewend is; en wat is een nieuwe ontwikkelingsperiode anders dan een reeks daad geworden utopieën! Is het niet waar? door alle eeuwen heen is het zoo gegaan. Geen genie op moreel of practisch gebied is er ooit geweest, dien men niet voor utopist heeft uitgemaakt, en zijn nieuwe ideeën voor onmogelijke droomen uit het schimmenrijk! Mijn vader zei altijd: dat bewijst alleen dat diegenen die de wereld droomers noemt, dikwijls klaar wakker zijn, en dat de zoogenaamd wakkere en nuchtere menschen slapen! Maar laat ik u nu niet langer storen. Dank u wel dat u mij m’n gang wilt laten gaan.”

Hilda had onmiddellijk na het gesprek met haar oom haar Latijnsche boeken van boven gehaald, in een passie om dadelijk met werken te beginnen en nieuwsgierig om te zien of ze dezen winter niet te veel vergeten had. Ze zat in de tuinkamer, in haar geliefkoosd schommelstoeltje en wiegde zachtjes op en neer. Het was toch wel prettig zijn gedachten weer zoo eens rustig heelemaal op éen punt te vereenigen!

Eugénie kwam binnen. Wat zag ze er weer ellendig uit vanmorgen! Al die staal en die rauwe biefstuk hielpen toch niets. Zwijgend ging ze naar de piano—blijkbaar wist ze nog niets van Hilda’s plan—en begon een Nocturne van Chopin, die zij instudeerde voor éen van de soirées van Valérie Vermaezen’s bruiloft. Zij speelde goed, correct, met de oppervlakkige bravoure, die lange uren van studie en dure lessen kunnen geven. Zij liet zich nooit bidden; zoodra hare mama, die niets van muziek begreep, maar heel trotsch was op haar dochter’s spel, vroeg om, „dat beeldige dingetje, och, je weet wel,” stond ze altijd dadelijk op, gedwee, wetend dat het zoo hoorde, en begon te spelen na het gebruikelijke zinnetje: „dat ze in geen eeuw gestudeerd had.” Van wat er echter verteld werd in die tallooze nootjes van teerheid en weemoed, van hartstocht, en onrust daarvan had ze nooit iets verstaan.

Voor de twaalfde maal begon ze nu weer die negen lastige maten, triolen tegen zestienden, en weer ging het niet volkomen goed.

Plan! .…

Met haar beide handen sloeg ze wild op de toetsen, die het uitschreeuwden met een valsch gekerm. Toen bleef ze bleek en moedeloos een oogenblik stil zitten. Hilda zag naar haar op, een beetje verschrikt, maar toen kwam Corry ineens binnengehold, heel zenuwachtig!

„Gut meisjes, luister es! Hij is tòch gekomen! Hij is binnen bij papa! Boven aan het raam zag ik hem juist uit het rijtuig stappen! O! ik ben zoo blij! Voel mijn handen es, Eus, ijskoud hê? O! als papa nou maar niet raar doet .…”

„Wie bedoel je?” riep Hilda gespannen.

„Von Görtzen natuurlijk!”

„Natuurlijk!” zeide Eugénie, langzaam, heel droog zoodat niemand recht kon begrijpen of het ernst was of ironie! „Natuurlijk is het von Görtzen, en niet Rooselaar. Welk meisje van dezen tijd gelooft nou nog aan liefde? Een kroontje en vooral een geldzakje! Dat zijn de idealen voor de teedere meisjesharten uit onze wereld.”

„Eus, zeur nou niet!” zeide Corry driftig.

Hilda keek weer in haar boek: En eergisteren was ze nog zoo lief tegen Rooselaar geweest!

„Had hij je gezegd dat ie komen zou?” vroeg Eugénie.

„Ja, gisteravond bij Gladys zei hij wel zoo iets, maar hij had al zoo dikwijls allerlei dingetjes gezegd, dat ik er toch maar half op rekende.”

Toen zwegen zij, gespannen. Corry liep rond, bijtend op haar kanten zakdoekje, geen minuut stil, radeloos nerveus en Eugénie vanaf haar pianokrukje, zat haar somber aan te staren.

„Freule Corry, mijnheer laat vragen of u even bij hem wilt komen,” zeide de knecht.

„Heel goed, Johan.”

Toen, kalm ineens, met die plotselinge zelfbeheersching die men soms bij de meest zenuwachtige vrouwen vindt, stond Corry op uit de chaise longue, waarin ze zich de laatste minuten gewenteld had. De bewegingen van haar elegant figuurtje hadden plotseling iets verstijfds, er was iets deftigs over haar gekomen in dit éene oogenblik. Even ging zij voor den spiegel en streek de donkerblonde kroesjes een beetje terug van het voorhoofd, en toen, hoog opgericht met vaste langzame stappen, ging ze de kamer uit, haar vroolijke kinderoogen heel koel nu, met den strakken blik van eerzucht, waarmee ze voortaan, het leven door zou gaan.

Hilda zuchtte een zwaren zucht en Eugénie begon haar stuk weer van voren af aan.

Maar de moeielijke passage mislukte nu volkomen. Hardnekkig begon ze op nieuw, altijd maar weer op nieuw. Eindelijk ging het een paar maal goed, maar toen was het weer totaal mis.

Woedend smeet ze het boek dicht, sloot de piano en kwam vlak voor Hilda staan.

„Geloof jij nou dat kunst veredelt?”

„Ja zeker.”

Hilda zag op, glimlachend om de naïeve gewetensvraag die zoo onverwachts op haar werd neergeslingerd. Maar sinds haar explicatie samen over Cranz, deed Eugénie telkens zulke vragen. Zij was voortdurend heel lief tegen haar, maar behandelde haar nu ook ineens als een soort orakel waarvan zij op alles, wijze antwoorden wilde ontvangen.

„Nou ja, het wordt altijd wel gezegd, maar zou het waar zijn?” drong zij aan.

Hilda verliet haar makkelijke houding van lezen.

„Ja zeker!” zeide ze warm. „Kunst, tenminste voor ons dilettanten, beteekent eigenlijk: heel groote liefde voor alles wat mooi is! En het mooie en het goede, het edele, zijn immers au fond hetzelfde? Kunst ontwikkelt, wekt in ons op het gevoel voor het mooie, onze behoefte er aan, ons verlangen er naar, en juist dat verlangen werkt veredelend. Want mooiheid in lijnen en vormen, en klanken en kleuren en woorden noemen wij Kunst, en mooiheid in gedachten en gevoelens en daden noemen wij Deugd! en daarom zijn deugd en kunst ten slotte eigenlijk voor wie het leven rijk en breed willen opvatten, twee woorden met éénzelfde beteekenis, d.i. Liefde tot Volmaaktheid. Daar waar goedheid en schoonheid dan ook als heel aparte dingen worden beschouwd, krijg je altijd onsympathiek eenzijdige wezens; daar krijg je òf een type van dorheid en koû, en bekrompen braafheid, bij wie kunst als iets vijandigs, zondigs wordt beschouwd, in wiens nabijheid men zich schaamt te lachen of een bloem en een zonnigen hemel te bewonderen, òf wel een even akelig type van menschen, vol holle phrasetjes over kunst, die hun huizen met artistieke lapjes en prulletjes mooi maken en zuchten van aesthetisch gevoel, maar hun innerlijke leven arm en leelijk laten! En beiden zijn even ver van een waarachtig edel menschtype verwijderd. Want levensharmonie wordt alleen daàr geboren, waar mooiheid in alle dingen, zoowel in die van het inwendige als in die van het uitwendige leven wordt gezocht, m.a.w. dáár, waar men schoonheid en goedheid liefheeft, als één begrip.”

Eugénie had met nieuwsgierige aandacht naar deze, voor haar nieuwe gedachte geluisterd. Maar toen werd ze ongeduldig ineens:

„Nou ja, je vat alles ook altijd zoo zwaar op. Natuurlijk veredelt liefde voor echte prachtige kunst. Ik heb ook wel es bij mooie muziek en mooie schilderijen ’n gevoel gekregen, dat er nog wat hoogers in de wereld was om over te denken, dan onze gewone koetjes-en-kalfjespraatjes en dat doet je altijd wel goed, maar ik bedoelde straks meer, het pianospelen en schilderen dat wij zoo doen, wij meisjes .…”

Hilda lachte even:

„Nou zie je, of jij nou nog zoo vlug loopjes kunt maken en al schildert Corry een millioen vierkante lapjes met landschappen en stillevens, ik geloof heusch niet, dat jullie daar een kriezel edeler of gelukkiger door zult worden! Maar dat kun je ook eigenlijk geen kunst noemen.”

„Vind je het dan eigenlijk nonsens?”

Hilda was op het punt om uit den grond van haar hart ja te zeggen, denkend aan al die ontelbare uren, die aan zooveel interessanter vruchtbaarder werk hadden kunnen worden besteed en geen ander resultaat hadden gehad, dan wat slecht schilderwerk van Corry en van Eugénie dit brillante, onbeduidende spel. Maar zij bedacht zich en antwoordde voorzichtig, zoekend naar woorden die duidelijk zouden zeggen wat zij al zoo lang in stilte had gevoeld:

„Ja eerlijk gezegd, geloof ik wel dat al dat dilettantische kunstgedoe meestal erge nonsens is! Maar het hangt er heelemaal van af hoe je het opvat: als de dilettanten hun kunstbeoefening wilden gebruiken als middel om zich zelf te ontwikkelen en hun rusturen mooi te maken zou het uitstekend zijn. Muziekmaken, vooral zingen, oefent het gehoor, versterkt de muzikale intelligentie, en het vermogen om de meesterstukken te begrijpen, en daarbij is ensemble spelen een lief mooi gezelschapspel, onder jonge lui en in ’t huisgezin. En teekenen oefent het oog en de hand, leert nauwkeuriger opmerken, de natuur beter kennen, met schilderen kan men allerlei dingen in huis aardig versieren, en het gevoel van afstanden, lijnen en kleuren, dat er door ontwikkeld wordt, komt in het leven bij alles te pas. Maar zooals nu de meisjes haar „aan kunst doen,” dikwijls opvatten, niet als middel maar als een doel, een levensvulling, och arme! bij gebrek aan beter, is het heusch erbarmelijk! Daar zitten ze, uren en uren zich uit te sloven, met een krachtsinspanning, een volharding, een betere zaak waardig, en ze weten allemaal dat er toch nooit iets waarachtig goeds, iets boven het middelmatige uit haar worden zal. Maar toch gaan ze voort met verwoeden ijver! Het is met dat penseelen en vingeroefenen zoo ongeveer net als met het tennissen en wielrijden. Als je die dingen gebruikt om beweging in de frissche lucht te nemen en je te ontspannen na ander werk, zijn dat ook verrukkelijke uitvindingen, maar als je bij wijze van levensdoel dag in dag uit gaat staan tennissen of op een fiets zit, wordt het bepaald degoutant! Dat vind ik tenminste .…”

Eugénie draaide zich om en ging voor het raam staan, zenuwachtig een deuntje neuriënd dat zij accompagneerde met trommelen op het glas.

Toen, na een poosje zeide Hilda peinzend:

„Zie je, vroeger heeft papa mij ook veel muziek laten maken en teekenen, en op reis heb ik zelfs nog lessen gehad van allerlei beroemde meesters. Want papa vond, dat iedereen in de gelegenheid moest worden gesteld om te zien welke aanleg in hem zit. En toen het bleek dat ik niet zonder gave was—want anders was ik er dadelijk mee uitgescheden—maar dat ik gewoon, wat de menschen noemen: „een beetje talent had”, liet hij mij doorwerken met goeie lessen, tot ik hem ’s avonds onze lievelingsmuziek kon voorzingen en spelen en dat ik krabbelingen kon maken van dingen, die wij op reis aardig vonden. Maar later, toen ik eens de moeielijkheden van het begin overwonnen had, wou hij volstrekt niet meer dat ik uren lang zou zitten blokken, om een of ander salonstuk machtig te worden of een niet al te onverdienstelijk stilleven voort te brengen. Integendeel, later had hij veel liever dat ik mijn meesten tijd besteedde aan ’t lezen van dingen, waar we samen heerlijk over konden praten en die mij een klein beetje meer begrip van het leven konden geven.…”

Eugénie kwam ineens, met driftige stapjes, terug van het venster, pakte Hilda bij de schouders en schudde haar heftig heen en weer, terwijl ze tusschen de vastgeklemde tanden siste:

„Waarom .… heb je .… me .… dat .… nooit .… eerder gezegd?”

Hilda zag op, glimlachend, meenend dat Eugénie scherts met haar aanval bedoelde, maar toen ontroerde ze, en staarde angstig in het zenuwtrekkend verwrongen gezicht vlak boven haar hoofd. Een oogenblik had zij den duidelijken indruk dat ’n ander wezen, ’n wild wreed wezen, door Eugénie’s oogen op haar neerkeek en met een huivering trachtte ze zich los te maken.

Het was een korte worsteling, toen, met een smak wierp Eugénie haar achterover in den stoel en holde snikkend den tuin in.

Roerloos bleef Hilda even zitten, heftig ontsteld door de onverwachte scène. Zij begreep het eerst niet, ze was verschrikt, boos, en haar schouders wrijvend, waar de stijf geknepen vingers pijnlijke plekken hadden gekneusd, stond ze op om Eugénie te volgen en haar rekenschap te vragen. Maar toen, op eenmaal, had ze als een visie van heel Eugénie’s leven en ze zag dat ze onbewust wreed was geweest. In dat meisjesbestaan zonder éen enthousiasme, zonder éen plicht, en zonder bestemming, was het vlugge pianospel nog de eenige trots geweest, het eenige, dat haar de illusie had gegeven toch iets te kennen, iets te zijn, en nu was ook dat haar ontnomen. Hilda had spijt. Was ze te hard geweest? Maar dat Eugénie met die vraag over het veredelende van kunst zoo ineens voor den dag was gekomen en zich haar antwoord dadelijk zoo verschrikkelijk had aangetrokken, was immers het beste bewijs hoe ze zich in stilte al lang onvoldaan moest hebben gevoeld. Als Hilda het haar vandaag niet gezegd had, zou zij morgen toch uit zich zelf zich bewust zijn geworden van het leeg doellooze van al haar gespeel. Maar wat moest ze nu doen om haar te troosten? Ze zou naar haar toe gaan, en haar zeggen .… wat? Wat kon er gezegd worden? Niemand kon op dit oogenblik iets doen voor Eugénie; zij moest haar eigen strijd uitstrijden.

Toen draaide Hilda zich langzaam om en raapte het boek op dat straks gevallen was. Ze moest nu maar eerst hard werken, dat ze gauw met haar studies klaar was, heel gauw! O! ze zou vreeselijk hard werken! En als ze dan haar meestertitel had, die in de oogen der wereld een voetstuk is,—de wereld is zoo dol op titels en graden—dan zou ze van af dat verhevenheidje het uitroepen .… uitschreeuwen als het moest—: „Ontwaakt dan toch! jullie meisjes van bij de dertig! Voel je dan niet dat je vrouwen bent in de kracht van je leven! en dat je dat leven niet gegeven is om min of meer aardig zoowat te liefhebberen in kunst! Voel dan toch je verantwoordelijkheid als arbeidster in de maatschappij, die in deze overgangsperiode alles gebruiken kan, wat je maar aan verstand en hart hebt gekregen!

En de meeste meisjes zouden glimlachen en schouderophalend voorbij loopen, maar enkelen zouden naar haar luisteren, en van die enkelen zou groote kracht uitgaan.

Corry’s engagement met von Görtzen was tot September geheim gebleven, dat wil zeggen een publiek geheim, want de eerste dagen had zij niets gedaan dan vertrouwelijke briefjes schrijven. Zij hadden het saai gevonden om het met Augustus publiek te maken, toen haast al de kennissen uit de stad waren, maar nu, begin September, nu iedereen weer zoo wat thuis was, vooral dit jaar, om de bruiloft van Valérie Vermaezen, hadden zij het op een groot feest bekend gemaakt en spoedig zouden zij nu aanteekenen en trouwen. Het had ineens een verbazende drukte gegeven, beraadslagingen, besprekingen in het oneindige, en Hilda had daarvan in stilte genoten, omdat het de aandacht zoo volkomen afleidde van haar eigen schrikwekkend besluit. Alleen één morgen had ze een heftige scène met haar tante gehad, met al de bedreigingen en klachten die bij de omstandigheden pasten: „Zij gooide zich weg, geen goed huwelijk zou zich meer voordoen, ze zou een schande zijn voor de familie!.…”

Maar toen Hilda, onbewogen, den storm over zich had laten heengaan, was het er bij gebleven. Corry’s druktes hadden alle gedachten gevergd en Hilda had, met Corona’s hulp, privaat lessen gevonden en ’s morgens rustig op haar kamer zitten werken.

„Hilda stoor ik je erg?”

Eugénie stond aarzelend aan de deur.

„Nee zeker niet.”

Zij kwam dicht bij haar zitten:

„Hildy, waarom ben je toch zoo kil tegen Cor?”

Hilda kleurde:

„Daar kan ik niks aan doen, Eus. Ik vind dat ze infaam gehandeld heeft en nou kan ik niet lief tegen haar zijn!”

Eugénie dacht even na. Vooral sinds Mathilde van de Bransen, Corry’s intiemste kostschoolvriendin, uit Utrecht, was komen logeeren, was Hilda’s strakheid in ’t oog vallend. Al de vriendinnen waren vol plagerijen en complimentjes, iedereen had lieve woordjes voor het jonge paar, al sprak men er ook nog zooveel kwaad van achter zijn rug, iedereen bracht hulde aan de aanstaande gastvrouw van het Majoratsgut in Silezië, alleen Hilda was stil en stug.

„Nou ja, wat gaat het je eigenlijk aan. Laat ze doen wat ze wil! Als je je al de zaken van andere menschen wilt aantrekken, heb je geen leven meer.”

„Weet je ’t van Rooselaar?”

„Nee?”

„Zoodra ie ’t heeft gehoord, heeft ie in ’n vlaag van wanhoop z’n familie, z’n mooie vooruitzichten, alles in den steek gelaten en is naar de Transvaal gegaan.”

„Wezenlijk? .… hoe naar!”

„Ja, heel naar!”

Eugénie zat even stil, getroffen, toen op haar ouden cynischen toon:

„Nou ja, maar waarom is ie dan ook zoo stom geweest om er in te loopen?”

„Hê Eus, hoe kun je nou toch zoo iets zeggen! Hij moest er immers inloopen, omdat Corry heusch van hem hield tenminste .… voor zoover zoo’n poppenzieltje tot liefde in staat is! En dat vind ik juist zoo afschuwelijk in haar dat ze eerzucht boven liefde heeft gesteld. Zie je, er wordt tegen mij nu heel wat gezeurd over „onvrouwelijkheid,” maar dàt vind ik nou onvrouwelijk, in de ergste beteekenis! Edward was er in de eerste dagen ook woedend over, en dan kwam ie hier bij me zitten razen, maar ik geloof dat je mama hem es flink de les heeft gelezen en von Görtzen heeft nou zijn hart gestolen met de vrije beschikking over z’n paardenstal, en nou is ie heelemaal tam! Och ja, ’n beetje heilige verontwaardiging minder en ’n beetje wereldwijsheid meer, zoo moet je er komen!”

Hilda had het bitter gezegd. Haar gemoed was gemaakt om sympathie met stroomen uit te deelen, om vroolijk te zijn, en lief te hebben, en zij leed er onder zich zoo alleen, in opstand, ver van al de anderen te voelen.

„Och, misschien dat men het op den duur met jouw heftige, eerlijke verontwaardiging nog verder brengt dan met mama’s practisch cynisme, maar menschen als wij hebben nou eenmaal de kracht niet om je op dat pad te volgen. Eddy vindt je au fond wel erg kranig, geloof ik, maar ’t is zoo veel makkelijker, zie je, om verstandig te zijn en je den boel niet aan te trekken. En jij bent toch ook soms wel erg overdreven, neem me niet kwalijk! Maar weet je waarom ik nou eigenlijk bij je kwam? Om je ernstig aan te raden om weer aardig tegen Corry te zijn.”

„Waarom? Tegen von Görtzen ben ik natuurlijk beleefd, maar ’t is me niet mogelijk om hartelijk tegen haar te zijn. Haar heele leven gaat nou eén leugen worden, want ze houdt heelemaal niet van Ferdinand, en ik vind het een walgelijke geschiedenis.”

„Nou maar, ik waarschuw je! Denk je niet, dat het Corry vreeselijk begint te hinderen? Het herinnert haar onophoudelijk datgene, wat ze juist met alle kracht wil vergeten, en alles wat tegenwoordig pijnlijk op haar zenuwen werkt, zet zich om in woede tegen jou. En ze zal zich wreken!

„Geloof je?”

„Ja zeker! je wou immers dat voorloopig je plan voor de wereld geheim bleef, tot je ’t volgend jaar je examen gedaan hebt? Nou maar, ik kan je dan zeggen, dat Corry overal rond gaat en het uitfluistert met venijnige lachjes vol suggesties van iets heel belachelijks. En Ferdinand doet mee. Hij heeft natuurlijk èn als Duitscher èn als conservatief aristocraat een vreeselijken hekel aan emancipatie. Zulke mannetjes vinden alles wat op vrijheid lijkt horrible, behalve voor zich zelf. En hoe vinniger Cor er nou over praat, hoe aardiger hij haar vindt, en ik zie nog aankomen, dat ze je al bij de kennissen onmogelijk maken.”

Hilda zat zwijgend, driftig op haar pennehouder bijtend. Deze eerste aanraking met de wereldwreedheid maakte haar innerlijk wild van opwinding. Ze had het wel vooruit geweten dat men haar uitlachen zou! Maar het deed toch meer pijn, dan ze gemeend had, nu ’t oogenblik gekomen was.

„Natuurlijk, meisjes als Corry worden gevierd en ik word uitgelachen!”

Ze stond op en rekte zich lang uit in een spannen van al haar spieren, alsof ze haar krachten tegen den strijd wilde meten. En toen ineens, om de beklemmende emotie te uiten die haar keel toekneep, danste ze de kamer door, wilde Tarantellapassen, die ze in Italië geleerd had, tot ze eindelijk hijgend voor Eugénie staan bleef en haar omhelsde.

„Dank je wel Eus, dat je ’t me gezegd hebt! Maar ik kan er niets aan doen, laat ze dan in godsnaam maar lachen!”

Valérie Vermaezen’s bruiloftsfeesten waren schitterend. Het groote buiten bij Wassenaar, Vreugdhof, leende er zich zoo goed toe, en het weer was nog zoo mooi, dat den avond van het vuurwerk de dames zelfs in haar lichte kleedjes en bloote hoofden hadden kunnen buiten loopen.

Eugénie en Edward, in hun qualiteit van bruidsmeisje en bruidsjonker, waren al vroeg ’s middags naar Vreugdhof gereden. Er zou dien avond een groot bal bij de Vermaezens zijn, ter eere der beide jonge paren en er moest nog allerlei voor den Cotillon worden klaar gemaakt. De overige familie werd eerst met al de andere gasten ’s avonds tegen half tien verwacht, en von Görtzen, met zijn vriend van Smaarth en Betty de Mureaux dineerden dien middag bij de van Starrens om na het eten allen te zamen naar buiten te rijden.

Het was een vroolijk dinertje. Van Smaarth, die den laatsten tijd, sinds ze uit Zwitserland terug was, telkens met Ottilie van Heemeren gekibbeld had, was uitgelaten door reactie en maakte uit depit Mathilde van de Bransen het hof.

Zij was een lang mager meisje, met een spits gezichtje, bleek, met fletsbruin getinte kringen van zomersproeten om de oogen. Zij behoorde tot de rijkste partijen van Utrecht en voelde zich ontzettend. Haar levensillusie was om in Engeland te trouwen op een groot landgoed en in afwachting daarvan legde ze er zich op toe om zooveel mogelijk in alles Engelsch te zijn, van af haar kleeding tot haar High Church-sympathiën toe. In Utrecht werd ze onder de jongelui erg stijf en vervelend gevonden, maar in deze Haagsche bruiloftomgeving was ze hoe langer hoe losser geworden, en vanavond was ze zelfs wat opgewonden tegen van Smaarth, dien zij voor ’n Hollander erg aardig vond: „bijna jammer dat ie geen Engelschman was.”

Aan het dessert had de champagne gesprankeld en de stemming onder een hoogere atmosfeer gebracht. Er kwam iets luidruchtigs, iets baldadigs in den toon, men zocht naar iets prikkelends om te kunnen blijven lachen.

„Heb je die japon van Belle Pankaert gezien gisterenavond?” zeide Corry. „Ik begrijp niet dat je niet bedankt als je niet beter voor den dag kunt komen. ’t Leek wel roggenbrood met bessensap.”

„Zeker symboliek freule,” riep van Smaarth. „Roggenbrood beteekent armoe en bessensap haar voorland: ’t besjeshuis.”

„Dan waren die onmogelijke gitjes aan haar hals zeker krentjes, die de krenterigheid van mama verbeelden.”

„Nou, ik geloof niet dat haar moeder gierig is, maar zoontjelief kost nog al wat.”

„Ja, die houdt, geloof ik, meer van andere vruchten dan van besjes,” schaterde von Görtzen met zijn harden lach.

„Mijnheer van Starren vondt u Valérie’s toilet niet prachtig?” riep Mathilde over de tafel.

„Nou, ik hou niet veel van zulke drukke opschiksels. Zoo iets glads, zooals bijvoorbeeld Hilda daar aan heeft, vind ik veel mooier voor jonge meisjes.”

Hilda zag glimlachend naar hem op. Zij was dankbaar tegenwoordig bij de spanning in huis, voor elk vriendelijk woord.

Het was een heel wit kleedje, van doorzichtige Chineesche zijde, waarvan de wazig volle plooien strak om het middel waren saamgehouden door het stijve moiré van een breed lichtmauve lint.

„O! ja, dat is ook ravissant, alleen begrijp ik niet hoe Hildchen nog zoo iets liefs wil dragen!” spotte von Görtzen.

„Waarom niet?”

„Zoo iets elegants voor een meisje dat studeeren gaat!”

Hij zag haar aan, uitdagend ironisch, en ze voelde ineens met onrust dat iedereen haar aankeek.

„Wel ik vind juist dat een meisje dat studeeren gaat zich bijzonder goed moet kleeden. Het zou al heel ridikuul zijn om je te gaan verwaarloozen zoodra je ’n paar deftige boeken hebt gelezen.”

„Maar zul je dan later heusch zulke toiletjes blijven dragen?”

„Natuurlijk! De tijd is toch al lang voorbij, vindt je niet? dat meisjes die ’t leven ’n beetje ernstig opnemen er als vogelverschrikkers trachten uit te zien.”

„Nou, maar de meeste geëmancipeerde vrouwen zien er toch nog onmogelijk uit, hoor!” riep Corry.

Hilda glimlachte, uiterlijk onverstoorbaar:

„Alsof niet ook een massa ongeëmancipeerde er onmogelijk uit zagen! .… Je moet ook niet vergeten, dat de meeste geëmancipeerde vrouwen nu ook nog tot een stand behooren, waarin ze heel, heel weinig geld voor haar toilet kunnen besteden, en dat is, voor wie niet den slag van de française bezit, om uit bijna niets, iets aardigs te maken, een groote hinderpaal! Maar ’t is waar, er heeft wel zoo’n opvatting bestaan, vooral hier in Holland, dat het wuft was, om er zoo goed mogelijk te willen uitzien en dat, als je ernstig wou zijn, je je saai en smakeloos moest kleeden. Maar dat zijn we nou toch heusch wel te boven, geloof ik! Onze leus zal juist wezen: geen éen talent verwaarloozen—en het uiterlijk is even goed een talent als iets anders—alles, op welk gebied ook, zoo goed en zoo mooi mogelijk! dus ook onze kleeding!”

Er was iets lachbedwingends in Hilda’s kalme antwoord en von Görtzen werd bang dat het gesprek deftig ging worden. Men moest haar niet rustig laten verhandelen. Ze moest worden uitgelachen! Dat was misschien nog het eenige middel om haar tot rede te brengen. Hij had ook een zuster gehad, die nu met von Glansau getrouwd was, die absoluut Roomsch wou worden en in ’n klooster gaan. Ook zoo’n geëxalteerd meisje, en toen hadden ze haar allen zóó voor den gek gehoûen tot ze er geen woord meer van had durven zeggen.

„Maar Meester Hilda, doctor juris, je laat toch zeker je haar millimeteren?”

Hij schaterde het uit en allen lachten mee, zenuwachtig, uitbundig. Er was ineens een prikkeling van boosaardigheid in hen, die de temperatuur verhoogde, als in de oogenblikken dat er schandaaltjes befluisterd werden.

„Ik heb u al gezegd, dat ik probeeren wou om alles zoo goed en mooi mogelijk te doen, en dus zal ik zeker niet gaan nadoen, wat ik zoo leelijk vind bij de heeren!”

Hilda riep het hard, om boven het gelach gehoord te worden, maar ze werd niet verstaan. Allen spraken door elkaar, aanvallend, bespottend, de tongen los, elkaar aanstekend en opwindend en minachtende dingen, laffe grapjes, een oogenblik zelfs in overmoed, een paar grove dubbelzinnigheden kruisten over de tafel.

En Hilda zat te midden van dit alles, pijnlijk gewond, maar zich dwingend om kalm te blijven. Wat ging haar dit leven eigenlijk aan? Die menschen hier spraken niet van haar en haar mooie plan, zooals zij het zich voorstelde; zij hadden het over dat afgezaagde Fliegende Blätter-type van de geëmancipeerde vrouw, dat ouderwetsche basbleu-type, dat haast tot de legenden gaat behooren.

Maar in dit zelfde oogenblik, onder de pijniging van het spotgesuis om haar heen, leerde Hilda ook plotseling begrijpen, hoe de pioniersters der vrouwenbeweging, zij die het eerst, de door traditie en vooroordeel afgebakende banen hebben verlaten, soms zooveel aanleiding hebben kunnen geven, om zonderling en antipathiek te worden gevonden. Want er behoort een beetje het gemoed van een heilige toe om niet bitter, maar beminnelijk en waardig te blijven als men onophoudelijk omringd is, in het huisgezin en in het publiek, van tegenwerking en afkeuring, als men uitgelachen wordt door de vrouwen, met wie men is opgegroeid en door de mannen als een abnormaal wezen wordt behandeld, als men voortdurend ontmoedigd wordt bij dezelfde studies, waarbij men den man aanmoedigt, als men met de grootste moeite zich toegang moet verschaffen tot onderwijsinrichtingen en werkplaatsen, die voor elken man, zelfs den minst begaafden openstaan. En dit alles hadden die vroegere vrouwen moeten doorworstelen, strijdend tegen een vooroordeel, een onwil waar wij ons nu zelfs geen voorstelling meer van kunnen maken. Geen wonder dat velen van haar treurige typen werden, vol tegenstrijdigheden. Dikwijls werden zij mannenhaatsters—helaas, haar ondervinding leerde haar den man toen nog maar al te dikwijls als vijandig kennen—en toch was haar hoogste streven om hem in alles na te doen. Men had haar immers zoo tot in ’t oneindige voorgehouden dat hij de meerdere was, dat hem de eerste plaats toekwam en de rechten en de vrijheid, dat daardoor als vanzelf bij haar de overtuiging ontstaan moest, dat alles gewonnen zou zijn, als zij maar zoo veel mogelijk, in alle opzichten, op dien benijdbare kon gaan gelijken!

Toen kreeg men een oogenblik dat soort van ruwe vrouwen in mannenkleeren, die het verschil der geslachten trachtten te ontkennen en laag neerzagen op netheid en orde en zachtheid, omdat dat vroeger speciaal vrouwelijke deugden werden genoemd. Het waren arme, onevenwichtige individuen, zooals elke overgangsperiode ze voortbrengt, vol goede bedoelingen en enthousiasme, maar zonder kracht nog om haar eigen leven, in harmonie met haar nieuwe denkbeelden, tot iets moois te maken. En de wereld, die dom is in het begrijpen der oorzaken, als zij die vrouwen zag gaan, zeide dat het de wetenschap en de vrijheid waren, die zoo het bekoorlijke in haar verwoest hadden, zonder te bedenken, dat het veeleer de miskenning, de tegenkanting, de wreedheid der menschen waren en de daardoor, uit reactie geboren zelfoverschatting, die dit kwaad hadden uitgericht.

Maar die tijden waren nu immers voorbij! De moderne vrouw weet nu dat haar kracht niet ligt in nadoen, maar in volkomen zich zelf durven zijn! Zij eischt niet meer de rechten van den man, in een kinderachtig „ook willen hebben wat een ander heeft!” Zij eischt haar eigen rechten, omdat zij zich mondig en verantwoordelijk begint te voelen. Zij weet dat er moreel en physiek een groot onderscheid tusschen den man en de vrouw bestaat, en dat dit juist het leven rijk maakt en vol kleur, en juist daarom eischt zij meer vrijheid voor zich zelf om naar eigen aandrang haar weg te mogen kiezen, overtuigd dat het verschil der geslachten te wezenlijk is, om nog, tot kunstmatige instandhouding daarvan, verouderde scheidsmuren noodig te hebben. Zij zal haar dochters opvoeden tot waarachtige vrouwen en haar zonen tot waarachtige mannen, niet door hen voortdurend in te prenten: dit gaat niet voor een meisje, dat hoort zoo voor een jongen, maar door beiden hun eigenaardige gaven in volheid te laten ontwikkelen, en dan zal ze hen samen de wereld in zenden om naast elkaar te arbeiden.

Met strakke klaarheid was dit alles plotseling voor Hilda’s geest opgegaan, pijlsnel had ze het op eenmaal overzien en begrepen.

„Freule, mag ik u het eerste kistje sigaren aanbieden, zoodra u aan het rooken begint?” riep van Smaarth. „Maar ik zou u aanraden niet vóór den herfst te beginnen, vóór er zure appels zijn.”

Betty de Mureaux viel in met een eindeloos gegiegel.

„Zie je nou wel dat iedereen het gek van je vindt!” zeide mevrouw van Starren zegevierend.

Zij stonden nu allen op van tafel en slenterden den tuin in, waar de koffie gediend werd. Mijnheer van Starren bleef even achter met von Görtzen om een sigaar op te steken:

„’t Geeft je niks, Ferdinand, of je haar nog zoo plaagt. Ze hoort tot de dwepers, die loopen liever hun hoofd te pletter dan hun idees op te geven.”

Von Görtzen lachte met een klein schouderophalen:

„Wie weet?”

Toen ging hij weer bij de dames en sarrend begon hij op nieuw:

„Liebes Hildchen, zul je me waarschuwen als je mannenhaatster gaat worden? Dan zorg ik ’n beetje uit de buurt te blijven.”

Corry steunde hem dadelijk met haar hoog kirrend lachje.

Van Smaarth kwam vlak bij haar staan en met impertinente ironie:

„Zult u mij ook waarschuwen, freule? Dan verlaat ik onmiddellijk het land! In dezen dynamiettijd zou ik erg bang zijn .… toe, zult u mij sparen?”

„Zie je wel, Hilda, dat de heele wereld je zal uitlachen,” proestte Corry.

Misschien vindt de freule dat wel aardig; zoo’n martelaarskroontje flatteert wel .…”

Het was een echte fou-rire geworden, een aanstekelijke zenuwlach, die hen allen liet schudden om hun eigen geestigheid. Maar het pijnlijkst sarrend klonk het hooge gelach van de drie meisjes.

Hilda zag rond, trillend onder de terging, en een oogenblik steeg er woede in haar op. Maar toen, plotseling kwam er een vreemd teeder gevoel van namelooze weemoed over haar, een intens besef hoe erbarmelijk dom zulk lachen was.

Toen richtte ze zich op, met bevende lippen, tragisch, en ineens met een groote stem, warm van emotie, overheerschte ze al deze geluiden van spot:

„O! ga je gang maar! arme meisjes! Denk je dat ik de desolatie van jullie leeg, zenuwachtig leven niet ken? Voel jullie dan niet dat heel je bestaan kan worden samengevat in deze twee huiverige woorden: Wachten en betreuren! Eerst wachten op een huwelijk, dat in deze tijden voor velen van ons nooit komen zal en wachtend je zoowat amuseeren tot de vermindering van succes je zegt om je terug te trekken, en dan betreuren en verlangend terugzien op die verloren fladderjaren, die de rijkste van je leven hadden kunnen zijn. Daar, dat is jullie heele bestaan! En lach me maar gerust uit, dat ik het mijne anders wil gebruiken. Jullie gelag zal de nieuwe gedachten niet overschreeuwen! zij zitten in het bloed van dezen tijd! Het jonge geslacht zal ze kennen zonder ze geleerd te hebben! Het nadert, het ontwaken! Wat doet het er toe of jullie spottend en verwonderd wilt achterblijven? Wij zullen voortgaan waar de Tijdgeest ons roept. O! lach jullie maar, ik heb medelijden met jullie! en daarom kan je gelach me niet boos maken .…”

Maar met een schok hield ze op, heel bleek met strakke oogen. In de veranda, op den drempel stond Maarten van Hervoren, en hun blikken ontmoetten elkaar in groote ontroering. Hilda was altijd een lieve, elegante verschijning, maar als zij zich opwond in haar eigen gedachten, en de groote klare oogen verdonkerden zich, opfonkelend in bezieling, was er een pathos in haar, ging er een bekoring van haar uit, die de mooiste vrouw met een arm zieleleven nooit kan bezitten.

Maarten stond getroffen en bij het elkaar onverwacht ontmoeten van hun blikken was er een duizeling van weelde in hen beiden.

Een oogenblik was het maar, toen raakte ze verward, niet begrijpend ineens hoe ze daar zoo heftig had durven staan spreken, tusschen al die vijandige gezichten, en wat Maarten daar zoo in eens kwam doen, en met een schuwheid, waar ze later woedend over was, vluchtte ze hem voorbij, de kamer in en naar boven.

Het stuipachtig dolle gelach der anderen had langzaam opgehouden, verkild in de plechtigheid van Hilda’s woorden, en zwijgend, onhandig stonden ze nu bij elkaar.

„Mevrouw, ik hoop niet dat ik u stoor? De knecht zei me, dat ik u in den tuin zou vinden. Ik kom direkt van Vreugdhof met ’n lijstje benoodigdheden, die de freule Eugénie me dringend heeft gevraagd om dadelijk mee terug te brengen. Ze zijn aan het repeteeren van den cotillon voor vanavond, maar er kwam nog allerlei te kort.”

„O! geeft u mij ’t lijstje maar!” zeide Corry. „Laat es zien? Tien meter rood tarlatan, spelden, twee vel goudpapier .…” mompelend las ze even voort en holde toen weg, om alles klaar te maken.

„U kwam juist in op de speech van de freule van Suylenburg, niet waar?” lachte Betty.

„Was de freule aan ’t speechen?”

Er was bij sommigen een oogenblik van aarzelen. Maarten’s reputatie van politiek verschrikkelijk rood zijn, maakte von Görtzen en van Smaarth wantrouwend om het gesprek in zijn bijzijn voort te zetten.

Maar Mathilde van de Bransen was vol opgewonden bereidwilligheid om inlichtingen te geven:

„Ja, hebt u ’t niet gehoord? We hadden haar ’n beetje geplaagd .… o! we hebben ons ziek gelachen, omdat ze advocaat wil worden, en toen hield ze ’n woedende speech.”

„Advocaat?”

„Ja, wat ’n idee, he?”

„Miserabel!” zeide von Görtzen. „Waar moet het heen als meisjes uit onze kringen zoo’n voorbeeld gaan geven? Ze zullen al haar bekoorlijkheid gaan verliezen, en wat dan? ’t is horrible.”

Maarten lachte ironisch:

„Nou, bekoorlijk zullen ze wel altijd blijven, ’t zou alleen kunnen zijn, dat ze zich ’n beetje minder moeite gingen geven om ons te willen bekoren! Maar tot dusver heb ik juist dikwijls gevonden, dat vrouwen, die zich hadden aangepakt, bijzonder aantrekkelijk waren. En kom, von Görtzen, laten we het ook maar niet zoo veel beter willen weten dan de natuur, die de vrouw net zoo goed hersenen als handen heeft gegeven, toch om ze te gebruiken, veronderstel ik. Waarom zou de provisiekamer, de keuken en het salon nou eigenlijk zooveel betere kweekplaats van bekoorlijkheid zijn dan de studeerkamer? Het is ’n beetje onlogisch om te denken dat intelligentiewerk den man zou veredelen en de vrouw zou doen ontaarden.”

„Nou, ik vind het dan toch maar allesbehalve aantrekkelijk zoo’n basbleu met inkt aan haar vingers .…”

„Daar zijn we ’t over eens, handen moeten gewasschen worden, maar hoe denk je over rooie gesprongen handjes door ’t opdoen van de wasch?”

Op dit oogenblik kwam Corry terug.

„Alles is in uw rijtuig, mijnheer van Hervoren, alles wat op ’t lijstje stond, is er.”

„Freule, ik dank u zeer.”

Maarten ging heen, maar mevrouw van Starren zag hem na met een lach van boosaardigheid:

„Ik wensch hem van harte toe, dat ie nog es ’n vrouw krijgt, die haar kindertjes ba ba leert zeggen in ’t Grieksch.”

Allen proestten het uit, maar in hun schateren was iets gedwongens, het wilde niet vol meer klinken, er was een barstje in de stemming gekomen, en zij bleven in den tuin doelloos om elkaar heen drentelen, tot het ook voor hen tijd was om naar Vreugdhof te rijden.

Maarten stond beneden aan het hooge terras, waar de rijtuigen vóór reden en hielp de dames uitstijgen. Eerst kwam de groote landauer met mevrouw van Starren en Corry en von Görtzen en van Smaarth en vlak daarachter de coupé met Betty en Mathilde en Hilda.

„Hebt u nog dansen, freule?”

Hilda glimlachte en gaf Maarten haar balkaartje. Het souper en de twee dansen daarvóór waren nog open.

„Mag ik die alle drie hebben?”

Zij knikte, blij dat hij zoo onbehoorlijk veel durfde vragen, en ging toen de trappen op van het terras, naar de balzaal, aan den arm van Charles Pankaert, die den eersten dans van haar had en al op haar had staan wachten.

Het was alles mooi als een sprookje in huis: de vestibule en de lange gangen met donker dennengroen en lichte art-muslins versierd, vroolijk als een reusachtig meisjesboudoir, en de balzaal, zuiver empire, alles wit en goud, vol bloemen en palmen en honderden waskaarslichten. Chrysanthen en rozen, Valérie’s lievelingsbloemen, waren overal aangebracht; zij klommen langs de wanden en hingen af van de luchters, omlijstten de deuren, stonden hoog op tegen het palmengroen achter de sofas, en weerkaatsten zich in groote Japansche vazen in de spiegels der hoeken.

Hilda was opgetogen. Alles wat er artistieks in haar was, ontroerde bij deze geurende feeërie. De oude betoovering van den vorigen winter was weer over haar, maar een beetje anders nu toch; ze genoot er van, maar met open oogen, niet meer bedwelmd.

„Hoe mooi!” zeide ze zacht.

„Ja, prachtig.”

Zij wandelden verder, Charles druk pratend, maar zij luisterde niet. Ze vond hem vervelend, hij had een ironische hoffelijkheid, die haar niet op haar gemak maakte, een manier om neerbuigend over „de dames”, „dames-smaken” en „dames-gewoonten” te praten, die haar ergerde, vooral als ze aan die twee stille vrouwen dacht, op het bovenhuisje in de van Speykstraat.

De avondlucht, zoel vochtig, zware geuren meedragend van late zomerbloemen en gevallen blâren stroomde binnen door de vijf wijd opengeslagen deuren, die op een balkon uitkwamen, dat met breede trappen, naar beneden, naar het park voerde.

En heerlijk lui onderging Hilda al deze weelde-indrukken van licht en vroolijkheid. Ze voelde zich bijkomen van de schokkende emotie van die scène straks, na het eten. De opstand, die nog lang in haar had nagebruist, begon zachtjes weg te zakken, ze voelde zich onbezorgd worden, ontheven van dat drukkende verantwoordelijkheidsbesef van ergens voor te moeten strijden, en met een verstrooiden glimlach liep ze mee, prettig voortsoesend, in de glanzende rijen.

En toen begon de muziek, en het rythmisch bewegen. Ze danste gaarne en ze deed het goed en vanavond was zij er juist in een stemming voor.

In de quadrille d’honneur der beide bruidsparen zouden Hilda met van Smaarth en Corry met von Görtzen vis à vis zijn. Het was al lang afgesproken, en er was niets aan te veranderen, maar, na het geterg der anderen en haar eigen heftigheid van straks, vond Hilda het wel heel vervelend, toen het oogenblik gekomen was om de carrés te vormen.

„Nun Hildchen? Dit is toch ’n betere plaats voor jonge dames dan de collegekamer? Vindt je zelf niet dat dansen ’n vrouwelijker werkje is dan wetten inpompen?”

Sarrend fluisterde von Görtzen het haar toe, terwijl zij diep voor elkaâr bogen. Zij antwoordde niet, naar haar plaats terug gevoerd vóór ze iets kon zeggen, maar ze zag hoe hij aan den overkant even Corry iets toefluisterde en hoe zij toen beiden giegelend haar van het hoofd tot de voeten opnamen.

Toen was het zorgeloos genieten ineens weer voorbij. De blije stemming van al het mooie om haar heen was weg, ze voelde weer het vermoeiende van zich te moeten verdedigen, en in een pijnlijk ontwaken zag ze rond op al die bewegende figuren.

Was het niet een parodie op den ernst der tijden, zoo vol leed en getwijfel en met geweldige stormen aanbruisende van beneden uit de diepten van het volk, om de feestzaal de eigenlijke plaats voor het jonge meisje te noemen? Afleiding en pretzoeken de voornaamste bezigheid van de aanstaande moeders van een nieuw geslacht? Allons donc! O! het meerendeel van de menschen hier, beschouwde het nog zoo, maar wat was dan daarvan ook het resultaat? Dat de meesten dezer schepseltjes zich verbeeldden echt vrouwelijk te zijn, omdat zij zich goed kleedden, en lief glimlachten en koketteerden met zachte stemmetjes in vreemde talen, en zelfs geen begrip hadden van wat een echte vrouw zijn kan en moet!

Sommigen harer waren heel bekoorlijk, zeker, en vrouwenbekoorlijkheid kan zijn als ’n zonnestraal, koesterend, levenwekkend, maar wanneer zij niet gelouterd is door ernstige levensopvatting is ze als ’n dwaallichtje, dat danst boven vergiftuitdampende moerassen en domme menschen verwarren die beiden soms, en noemen zonnestraal en dwaallichtje bij denzelfden naam!

En wat zouden al deze meisjes eens voor hare omgeving beteekenen? Er waren er hier bijeen uit alle steden van het land! Bijna allen behoorden tot de invloedrijkste families, bijna allen hadden fortuin en sommigen waren door de natuur mild genoeg begaafd. Zij zouden een geweldige macht ten goede hebben kunnen zijn. Elke beweging om de wereld een beetje beter en mooier te maken zou in haar een enthousiaste voorspraak hebben moeten vinden, maar hoe weinigen van deze allen voelden hare verantwoordelijkheid! Haar krachten gingen immers onder in versnippering en zelfzuchtige amusementenjacht! O! zonder twijfel, mooiheid, en vreugde en feestelijkheid in verfijnd artistieken vorm, zijn noodig in elk harmonisch leven, even noodig als voeding en arbeid. Maar waarom wisten de menschen nog altijd niet, dat het op evenwicht aan komt! Daar buiten, duizenden, in wier leven nog bijna nooit een vreugdezonnestraal valt, en hier binnen, zoo velen in wie het beste gedood was door uitsluitend feestvieren! Was feestgenot niet als suikergoed in een kinderleven: blijdschap als het van tijd tot tijd wordt gegeven, bederf en ziekte als het in overvloed wordt gebruikt!

De quadrille was uit en Hilda zat alleen op de sofa in een der hoeken. Ze had er op aangedrongen dat van Smaarth, Eugénie, met wie hij dezen dans had, niet zou laten wachten: „ze kon best even alleen blijven, mijnheer van Hervoren zou wel zoo dadelijk komen.”

Maar Maarten bleef lang weg en ze begon zich te verwonderen. Toen zag ze hem ineens naderen, vlug, voorzichtig, tusschen de dansende paren.

„O! freule, hoe naar, dat ik u heb laten wachten .…”

Zij keek naar hem op, glimlachend, maar toen merkte ze dat hij sterk ontroerd was.

„Wat is er?”

„Ik heb juist ’n telegram gekregen. In Chemnitz, in één van de fabrieken, waar de onze veel zaken mee doet, is vóór ’n paar dagen een ontzettende werkstaking uitgebroken. De meeste arbeiders zijn socialisten en gedragen zich heel rustig en goed, maar ’n opgewonden jongen van achttien jaar heeft gisteravond den fabrikant ergens opgewacht en dood geslagen, en nou is er geweldige gisting.”

„O! mijn God!”

Huiverend stond zij naast hem. Het was haar plotseling duizelig, alsof al het feestelijk mooie om haar heen maar een vertooning was, een stuk dat men opvoerde, en dat het reëele leven dát was, van daarginds, vol ellende, verbittering, misdaad.

„Laten we naar buiten gaan!”

Hij knikte en gaf haar zijn arm, en zij drongen door de rythmisch slingerende golving der dansers en stonden op het balkon. In een onbewuste beweging van gewoonte stak Maarten zijn sigaar op.

„Kijk, hoe ze dansen!” zeide Hilda zacht. „Zulke menschen hebben alles vóór om zich te ontwikkelen en waarachtig superieur te worden en een zegen te zijn, maar ze dansen liever .… altijd maar door .… op een vulkaan .…”

Maarten hoorde eerst alleen haar stem, die hij mooi vond, maar haar laatste woorden verstond hij, en toen keerde ook onmiddellijk zijn aandacht weer volkomen tot haar terug. Hij wierp zijn sigaar weg:

„Is het waar, dat u advocaat wilt worden?”

„Ja.”

„Waarom? .… Den meesten advocaten is het niet te doen om te zien wat recht is, maar om hun client recht te bezorgen! Ik zou het jammer vinden als vrouwen zich ook met zulke dingen gingen bezoedelen.”

„Mij is het te doen,” zeide ze eenvoudig, „om onze wetten goed te leeren kennen, en dan met kennis van zaken te protesteeren tegen het verouderde, het onrecht er in, en al de zwakken te helpen. Er zijn nu in den blinddoek van Themis veel verraderlijke gaatjes, en ik weet wel, dat ik maar ’n heel gewoon meisje ben, zonder veel gave of macht, maar ik zal er mijn leven aan wijden, om die gaatjes, al waren ’t er maar een paar, toe te maken!”

Hij zag haar aan met een langen peinzenden blik, die haar verlegen maakte. Hij dacht na hoe dit mooie blonde kind in haar sierlijk witte kleedje in deze omgeving tot zoo’n besluit had kunnen komen. Toen zeide hij ineens met die weeke emotie, die een krachtigen man zoo boeiend kan maken in de oogen eener vrouw:

„De eerste opera die ik ooit gehoord heb, was de Tannhäuser, met mijn moeder, te Bayreuth, in den tijd, toen we nog rijk waren. En als Tannhäuser dan zijn ontzettende zonde bekend heeft, bedekken al de edelvrouwen haar gelaat met handen en sluiers en vluchten weg, verschrikt en verontwaardigd. Slechts Elisabeth blijft, alleen tusschen de toornige mannen, en beschermt den vreeselijken zondaar, en vraagt boetedoening in plaats van vergelding! En toen zei m’n moeder, ik zal het nooit vergeten: „Die vrouwen, die daar zoo hoogst fatsoenlijk zijn weggevlucht zullen Elisabeth wel erg onordentelijk, misschien wel onvrouwelijk hebben gevonden, want zij was de eenige geëmancipeerde onder haar, die in plaats van de traditioneele braafheid vrij haar geweten en hart durfde volgen, maar zij was dan ook de eenige van wie redding en loutering uitging!”

Hilda zag naar hem op met haar jong stralenden glimlach, maar toen ineens waren haar oogen vol tranen. Het greep haar aan, met een trilling van geluk dat hij haar had begrepen en haar plan goed vond.

Zij stonden nu naast elkaar en zagen op het park neer en iets van den mystieken vrede van het avondlandschap drong door in hunne ziel.

„Had hij kinderen?” vroeg ze zacht.

„Wie?”

„Die fabrikant die vermoord is?”

„Ja, een vrouw en twee kleine kinderen, maar de jonge moordenaar heeft een gebrekkige ouwe grootmoeder, en twee ziekelijke zusjes van vijf en zes, die hij onderhield!”

Hilda huiverde weer.

„Was ie goed voor z’n volk?”

Hij schudde het hoofd.

„En z’n vrouw?”

„Och ja, ze waren niet kwaad. Ze gaven wel de kleeren die ze afgedragen hadden, en soms wat geld, maar zij had ’t te druk met h’r huishouden en hij met z’n zaken, ze hadden geen tijd om aan de ellende om zich heen te denken!”

Hij zeide het heel eenvoudig, maar Hilda verstond de bitterheid.

„Zal hij zwaar gestraft worden, die jongen?”

„Ik denk het wel! Al de magistraten van Europa leeren geschiedenis, d.w.z. ’n hoop data en koningsnamen, maar van de lessen der wereldgeschiedenis hebben de meesten van hen niets verstaan. Zulke gevallen worden allemaal als op zich zelf staande misdaden beschouwd en gestraft; van de ellende en verbittering waarin zoo’n jongen van kind afaan is opgegroeid, hebben ze geen besef, en ze begrijpen ook maar niet, dat zoolang ze de schreeuwende misstanden, waaruit deze gruwelen voortkomen, niet verbeteren, het niets geeft, om van tijd tot tijd, als het tot een uitbarsting is gekomen, een stuk of wat menschen te guillotineeren of levenslang op te sluiten! Wat helpt het om de giftige champignons van tijd tot tijd weg te schoffelen, als je den mesthoop, waarop ze groeien, niet wegruimt!”

Zachtjes, bijna schuw, legde ze haar hand op zijn arm, en toen snel sprekend, half verlegen, half plechtig, zeide ze:

„Mijnheer van Hervoren, Edward heeft me verteld dat u u veel bezig houdt met de sociale vraagstukken. Maar ik heb dikwijls gedacht dat de sociale kwestie voor het grootste deel in de vrouwenkwestie lag besloten. Zoolang de vrouwen, het talrijkste deel der bevolking, en door de kinderopvoeding het invloedrijkste, dom en onverschillig voor ’t algemeen welzijn blijven, kunnen geen bonden, geen vereenigingen, geen werkstakingen, geen vergaderingen, geen wetten de maatschappij in evenwicht brengen. De vrouw, die achterlijk gehouden wordt, wreekt zich onbewust, op ontzaglijke wijze. Elke poging tot vooruitgang en verbetering, vindt in haar, in de kern van het gezin, een onzichtbaren maar onverzettelijken tegenstand, en daarom geloof ik dat het groote woord van sociale hervorming zijn moest: de vrouw te emancipeeren, dat is: te vormen tot een ernstige arbeidster in het groote gezin der menschheid. De prachtigste staathuishoudkundige theorieën zullen altijd schipbreuk lijden, zoolang de menschen die ze toepassen niet beter zijn, en hoe krijg je betere menschen? Alleen door goede moeders. In de moeders ligt voor mij de oplossing der sociale kwestie en wat werd er tot dusver voor haar opvoeding gedaan?”

Maarten nam haar hand voorzichtig in zijn beide handen, en hield die een oogenblik vast.

Maar nu was de muziek binnen plotseling stil.

„De dans is uit, iedereen zal hier zeker dadelijk ’n luchtje komen scheppen. Vindt u ’t niet naar om even het park door te loopen?”

„Heel graag.”

Zij wond haar wit kanten mantilla, die ze uit Italië had meegebracht om het hoofd, op de wijze der Milaneesche meisjes, en hand in hand holden zij de trappen af, tot in een van de donkere laantjes. Toen liepen zij heel langzaam voort over de zwarte guipure die het maanlicht door de boomblaadjes op den grond borduurde, en spraken heel lang nog over de ernstige tijden die komen zouden, en hoe zij hard wilden werken om een beetje meer recht en meer vreugde in de wereld te brengen, tot zij op het laatst vergaten dat er leed en onrecht was, en heel hun ziel vervuld werd met een jong en groot geluk.

Hilda was den volgenden morgen vroeg uitgegaan en had een lange les gehad over Romeinsche antiquiteiten. Het schoot heerlijk op met de studie, alle leeraars zeiden, dat ze het volgende jaar makkelijk het staatsexamen zou kunnen doen.

Maar toen zij thuis kwam, was er als een zonderlinge benauwing, die op haar neerviel. Het oude gezicht van Johan, die haar open deed, stond geheimzinnig strak; op het groote portaal van den bel etage, waren de keukenmeid en de werkmeid aan ’t fluisteren, die, toen zij haar zagen, schuw ieder een kant opgingen; op de trap naar de eerste verdieping, kwam ze haar tante tegen, die snel voorbij ging, met verschrikte oogen, en Hilda had niet gedacht, dat die koele vrouw, met haar slappen gang, zich nog ooit zoo vlug zou bewegen. Boven op den overloop stonden Edward en Corry, zacht sprekend met onthutste gezichten; Corry vertelde iets en Hilda ging naar hen toe met het plotselinge gevoel, dat er een groot ongeluk was gekomen.

„Wat is er toch?”

„Eus doet zoo akelig. Ze wil haar bed niet uit, en ze doet niks als huilen.”

„Is de dokter al geroepen?”

„Mama heeft h’m net ’n briefje geschreven. Ga zelf maar es kijken. Misschien kun jij iets uit haar krijgen.”

Hilda ging de kamer in, waar Eugénie in bed lag, doodelijk wit, met zwarte kringen om de bloedelooze oogen.

Zij zette zich bij haar neer en zei zachtjes een paar vriendelijke woorden, maar Eugénie antwoordde niet en bleef haar aankijken met loerende blikken. Toen ineens sloeg ze het dek weg en sprong uit het bed en liep de kamer door, met wilde handen haar nachtkleed van boven open rukkend, tot de knoopjes er afvlogen en het diep inscheurde.

„Wat is ’t hier toch benauwd!”

Ze ging naar de deur, maar Hilda greep haar vast:

„Gut, Eus, je kunt zoo de kamer niet af, klee je dan eerst wat aan.”

„Laat me toch los .…”

Zij worstelden even, Hilda zich verbazend over de kracht van dat teere lichaam, en weer had ze intens denzelfden indruk van eenige weken geleden, dat er een vreemd, wreed, wild wezen door Eugénie’s oogen haar aanzag, maar zij wist nu wat het was: het was de blik van de waanzin.

Maar na een kort moment waren Eugénie’s krachten toch uitgeput, en slap liet ze zich weer in bed brengen.

„Kom Eus, het is niks, je bent maar ’n beetje overspannen! Ga wat uitrusten, dan zul je wel weer zóó beter zijn. Je hebt je gisteravond ook zoo vreeselijk opgewonden!”

Ze zeide het sussend als tot een klein kind.

Eugénie huilde nu stil, van tijd tot tijd opziende met haar loerenden blik van onder uit de oogleden. Toen zeide ze op eens:

„Hildy, is het waar, dat je gisteravond tegen al die menschen hebt durven zeggen: Lach jullie maar! Denk je dat ik de desolatie niet ken van je leeg, zenuwachtig bestaan!”

„Ja, dat is waar.”

„O! ja, dat is het: Desolatie! De-solatie! de-so-la-tie!”

Langzaam, klagend snikte ze het uit, en Hilda zat naast haar en ook zij huilde nu van weemoed om dit gebroken meisjesleven.

De huisdokter kwam, ’n oude onbeduidende man, die haast dadelijk weer heen ging. En Hilda nam weer haar plaats bij het bed in; zij durfde haar niet alleen laten.

„Hilda, ga nou toch weg! Laat me nou maar stil. Ik wil toch nooit meer uit m’n bed komen, al bleef je hier honderd jaar zitten.”

„Je hoeft er ook niet uit te komen! Blijf maar eerst heerlijk wat uitrusten!”

„Weet je wat het is Hil? Ze hebben altijd tegen me gezegd van klein kind afaan: Eus, je zult wel gauw trouwen! je bent mooi, je zult makkelijk trouwen! En ik werd altijd geplaagd met iedereen, o! dat vervloekte plagen, dat je verbeelding al maar door opwindt, en zie je daarom moet ik nou zoo vreeselijk huilen! Ik heb in geen tien nachten geslapen, en gisteren, onder het dansen, dacht ik bij elken pas: „trouwen”, en dat heeft me, geloof ik, zoo vermoeid .…”

Hilda streelde zacht haar hand.

„Arm kindje! arm, arm kindje!”

Maar na een poos werd Eugénie weer onrustig. Met wilde handen begon ze opnieuw haar nachtkleed van boven open te trekken, en weer wou ze het bed uit.

Hilda hield haar tegen, angstig gespannen. Toen ging de deur open en mevrouw van Starren kwam binnen met Corona en achter haar de oude huisdokter en een lange blonde man, de dokter van het krankzinnigengesticht.

Hilda ging stil heen; de deur vlak tegenover stond aan, het was Edward’s kamer en ze ging binnen. Edward zat schuin op de tafel, vreeselijk zenuwachtig.

„Zou ze heusch gek worden? Hoe zou dat nou toch ineens zoo zijn gekomen?”

„Het is niet ineens gekomen! Het is heel langzaam, al deze jaren door, zachtjes aangeslopen .…”

Maar nu zweeg ze, luisterend. In de kamer daar tegenover klonk akelig snikken, en het doffe, lage geluid van een mannenstem. Toen was alles stil, en de doodsche stilte in huis viel plotseling beangstigend op hen neer. De achterdeur beneden sloeg toe met een zwaren slag, Hilda huiverde. Toen zag zij Corona en de beide doktoren de kamer uitkomen, ernstig, zwijgend. Zij liepen achter elkaar het portaal over naar mevrouw van Starren’s boudoir. Daar zouden zij consult houden.

„En zij is al de zesde! in dat éene jaar dat ik hier ben! Het zesde jonge meisje van onze kennissen dat deze soort ziekte krijgt!”

„’t Is waar! Hoe zou dat nou toch komen?”

„Het moet komen! Als je er ’n beetje aanleg voor hebt, moet zoo’n opvoeding en leven er toe lijden!”

„Hoe had ze dan anders moeten leven?”

„Ze had meubels moeten boenen, of den grond moeten omspitten, en bloemen kweeken, of sterrekunde leeren, of in een Kindergarten gaan, weet ik het, als ze maar iets gewerkt had en goed!”

„Waarom naaide ze dan ook niet wat meer? Ik heb het mama verleden nog hooren zeggen, dat ze h’r eigen onderlijfjes moest maken, met eigen gehaakte kantjes, net als Betty, maar ze wou niet.”

„Natuurlijk niet! Zoo iets is ook goed voor zoo’n gansje als Betty, maar geloof je dat een meisje met een vluggen geest, en sterke verbeelding, zooals Eugénie, er bevrediging in kan vinden, om daar dagen voor zich zelf te zitten pikken, aldoor met het gevoel, dat ze in een kwartier, precies dezelfde dingen, die ze maakt, heelemaal klaar kan koopen, nog mooier gewerkt en bijna voor ’t zelfde geld? Och kom!”

Maar opeens klonken fluisterstemmen, en voetstappen gingen voorbij. Het waren de dokters, die samen vertrokken. Corona stond voor Eugénie’s deur en Hilda greep haar beide handen met een beweging van angstig vragen.

„Wat denk je er van?”

„Misschien loopt het dezen keer nog al af. Maar ik voor mij zie het heel ernstig in. Ze moet absolute rust hebben, afzondering, liggen, en dokter van Meeuwen meende wel dat het dan na ’n paar maanden over zou zijn. Maar dan? Als ze dan hier weer terugkomt, wordt ze hopeloos wèer zoo! O! dat ellendige gemis aan evenwicht! De helft van m’n patiënten zijn slachtoffers van het overwerken en de andere helft van het overnietsdoen! Voor een poosje, toen ik je tante met Eugénie es bij Gladys ontmoette, zei ik al tegen mevrouw: „uw dochter ziet er slecht uit; ik geloof dat haar zenuwen veel geleden hebben. Kunt u haar niet hier of daar heenzenden? Ik bedoel geen pretbadplaats, maar ergens, waar ze wat te doen heeft, waar ze haar hart aan kan geven, waar ze zich voor iets in moet spannen!” „Och! wat zou ze kunnen doen?” zei je tante, „’k zou niet weten waar ze geschikt voor zou zijn! En ’t zal ook met haar zenuwen wel zoo’n vaart niet loopen.”

„Typisch!” zeide Hilda. „Zulke dames als tante zijn overtuigd dat ze ’n schitterende opvoeding aan haar meisjes hebben gegeven, maar als ’t er op aan komt, erkennen ze dood leuk dat ze nergens geschikt voor zijn.”

„Nergens!” zeide Corona peinzend. „En toch is het de drang van elke vrouw, waar iets in zit, om zich aan iets te geven. Al is het maar dat ze kousjes breien voor de negerkindertjes in de Congo: ze moeten iets doen! En natuurlijk, als ze geen voedsel krijgen voor dien drang, die op zich zelf toch zoo mooi is, gaan ze allerlei verkeerde dingen doen, kwaaltjes aankweeken, en emotietjes en gedachten opzoeken, die haar zenuwleven vermoorden!”

„En wat zal er nu gebeuren?”

„Dokter van Meeuwen zal dadelijk twee pleegzusters zenden. Ze moet zoo gauw mogelijk naar de Boschjes getransporteerd worden, en ik heb op me genomen om het alles even met je tante te regelen. Is ze hier?”

Corona ging binnen en Hilda keerde terug in Edward’s kamer, de deur open, om te luisteren.

Edward zat nog altijd op een punt van de tafel en slingerde zenuwachtig met zijn éene been op en neer. Mijnheer van Starren kwam even boven, erg onthutst, maar ging dadelijk weer weg, in een wrevelig verdenken, dat het maar kuurtjes waren. Corry was een poos geleden al naar mevrouw van Gaefden gereden, waar ze moest gaan lunchen. Zij geloofde ook au fond, dat al die drukte maar wat aanstellerij was van Eus.

Toen ritselden de zwarte mantels van twee pleegzusters door de stilte van het portaal, de deur van de ziekenkamer ging open, even met een naar klein gepiep, en toen, na een kort geruisch van sprekende stemmen was er een gil, die Hilda sidderend naar binnen joeg.

Eugénie lag worstelend op den grond, zich krampachtig aan het bed klemmend, terwijl de verpleegsters tevergeefs probeerden haar aan te kleeden.

„Wat is er lieveling? wees maar rustig. Huil maar, dat zal je goed doen! .…”

Hilda nam haar sussend in de armen en drukte haar warm tegen zich aan, in een passie van ontferming. En ’t was alsof de zieke zich plotseling veilig voelde in de omarming dier sterke jonge vrouw. Zachtjes snikkend liet ze nu toe dat men haar kousen en schoenen aantrok, en in een grooten mantel wikkelde, en Hilda steunde haar half dragend de trap af tot in het rijtuig, dat haar wegbracht met Corona en de beide zusters.

Daarop stonden zij zwijgend tegenover elkaar, in den gang, mevrouw van Starren en Hilda, en bittere woorden zwollen in haar op, tegen de deftige, door de wereld geëerde matrone, die haar kind had opgevoed tot deze ruïne.

Maar het was maar één oogenblik, toen vloog Hilda haar voorbij de trap op naar haar kamer: „het hoogste was immers om niet bitter te zijn maar rechtvaardig!”

En daar, neergevallen op den rand van haar bed, nog trillend van ontroering, gebroken door den aangrijpenden weemoed van dit verloren leven, zeide ze zacht voor zich heen:

„Vergeef het haar! Zij wist niet wat ze deed, toen zij haar dochters opvoedde! Maar de nieuwe vrouw zal anders over hare kinderen weten te waken!”

Hilda dwaalde lusteloos door het leege huis. Er was vanavond op het Kurhaus een Schumann-Concert; zij hadden er vroeger om gegeten en dadelijk na tafel waren mijnheer en mevrouw van Starren weggereden met Corry en von Görtzen, die „een culte” voor Schumann zei te hebben.

Hilda was alleen achtergebleven en liep rond door de stille kamers met een gevoel, dat haar ongewoon was, van niet te weten wat ze wilde doen. Ze had den geheelen dag hard gewerkt, wiskunde, en ze voelde zich wat moe om nog te gaan lezen. Ze verlangde naar buitenlucht, ze had wel naar ’t strand willen gaan, als het niet al te gek was geweest, op dit uur voor een meisje alleen. En rondslenterend van de eene kamer in de andere, dacht ze er aan hoe de gewone sleur van gedachtenloos voortleven, die een oogenblik door Eugénie’s onverwachte ziekte verstoord was geworden, nu alweer was teruggekeerd na zes en een halven dag!

De berichten uit de inrichting in de Boschjes waren goed: de freule mocht nog niemand zien, maar ze was rustig en at en sliep wat beter. En iedereen was nu gekalmeerd. Mevrouw van Starren vooral deed haar best om de zaak luchtigjes voor te stellen. Nu, met Corry’s bruiloft op handen, moesten de menschen niet denken dat er een ernstig ziektegeval in de familie was. „’t Was alleen maar wat oververmoeidheid,” zeide ze, „na al de drukten van Valéries huwelijk. Eus was ook altijd zoo consciëntieus in alles wat ze deed, en als bruidsmeisje had ze zich zeker wat veel ingespannen. Maar ernstig was ’t volstrekt niet.”

Hilda liep den tuin in, maar ze vond vanavond de perkjes vervelend klein en de schutting erg hoog; driemaal liep ze al de nette kiezelpaadjes door, maar toen kon ze het niet meer uithouden. Het was vreeselijk onbehoorlijk wat ze doen ging, maar in hemelsnaam, ze verlangde zoo naar lucht!

Ze vloog naar boven om hoed en handschoenen te halen en toen met groote vaste stappen, liep ze het Nassauplein af, de Laan Copes door, toen in het pontje het kanaal over, en den Waalsdorpschen weg op.

Alles was hier eenzaam op dit oogenblik, en hoe verder ze kwam, hoe rustiger ze ging, gelukkig als een oproerig kind, dat ontsnapt is aan zijn strafkamer.

Door een paadje dwars door het kreupelhout ging ze de duinen in. Wat was het mooi hier! Een zoete, sterke geur steeg op uit het eikenhout, en hier en daar waren kleine blanke duinpannen, omzoomd door helm, die zachtjes wuifde boven warm gekleurd mos, als blonde kinderharen, die golven over donker fluweelen kleedjes.

Hilda voelde zich blij. Het heidekind was in haar wakker, het was heerlijk haar jonge lichaam te strekken in die wijde eenzaamheid, en dan een poosje achterover te liggen, opziend naar de wolkjes boven, die de avondzon in gloed had gezet.

Hoe grappig toch, dat, wat ze nou deed, eigenlijk zoo iets heel verschrikkelijks was. O! als haar tante of mevrouw de Mureaux het eens wisten! Maar waarom begreep men dan toch ook niet dat een jonge vrouw, even goed als een jonge man, soms behoefte kan voelen aan beweging en lucht en vergezichten, en dat die behoefte niet altijd juist alleen komt, als men iemand ter begeleiding bij de hand heeft. Die goeie natuur had toch het meisje geen longen en beenen gegeven om ze alleen te gebruiken op een deftig gechaperonneerd wandelingetje of bij wat boodschappen in volle straten!

Wat was het dan anders in Amerika, waar toch zooveel van de ruwste, bedorvenste elementen uit het oude Europa zijn heen gestroomd, maar waar elke vrouw, zonder het minste gevaar voor haar reputatie, vrij en veilig kan gaan waarheen en wanneer zij wil. Wat was het hier toch eigenlijk vermoeiend met al die belemmeringen! en wat waren die belemmeringen ten slotte alleen maar een kwestie van vooroordeel en gewoonte!

Hilda liep voort in stille jubeling. Het blondgroene landschap was zoo vol mysterieuze bekoring bij deze avondverlichting. Maar toen stond ze ineens stil, luisterend met snelleren hartklop. Er werd ergens gepraat .… een mannenstem, die lachte! Wat voor menschen zouden hier zijn op dit oogenblik? Soldaten, die iets vergeten hadden, ’s morgens bij de exercitie .… of stroopers .… of .…? Ze luisterde scherp, meer ontroerd dan ze zich zelf wilde bekennen. De wind woei de klanken zachtjes naar haar toe .… het was dáár, achter dat boschje! Maar nu was er ook een vrouwenstem, een uitdagende, hooge lach. Waar had ze dien meer gehoord? En plotseling had ze vóór zich een paar lichte, brutale oogen en zwarte haren .… Ottilie van Heemeren? .… was het mogelijk dat het haar lachen was geweest?

Voorzichtig sloop Hilda tegen het duin op; daarachter moest een pan zijn, waaruit de stemmen kwamen, en zonder zich af te vragen of het ook gevaarlijk kon zijn, ging ze door het kreupelhout tot aan den rand van het duin, waar het met sterke glooiing een kleine diepte vormde.

En ja, het was Ottilie. Daar lag ze in het mollige zand, nog lauw warm van de zon, en naast haar zat Edward, over haar heen gebogen, haar rechterarm, waarvan hij de mouw had opgestroopt, kussend met wild gretige lippen. En zij lachte .…

Hilda zag toe, één seconde, toen rende ze het duintje af, wegvluchtend in razenden opstand.

„Eddy dus ook al, die goeie lobbes van ’n Eddy! Zoo’n jongentje nog! Wat heeft ze er aan, Til, om hèm ook al naar de diepte te halen! Maar ze kan het niet meer laten! Is het niet om bij te huilen, ’n vrouw met zoo’n rijken aanleg au fond? O! Corona had het in ’t voorjaar wel gezegd: als Ottilie nu de kracht niet heeft zich flink aan te grijpen en ’n omwenteling in haar leven te brengen, gaat ze onherroepelijk hoe langer hoe lager zinken! En zoo zou ze nou voortgaan, anderen bezoedelend, en op haar beurt bezoedeld wordend, anderen martelend en op haar beurt gemarteld wordend .…”

„Hoe vreeselijk! hoe vreeselijk!” herhaalde Hilda in een walging, die een oogenblik alles donker in haar maakte. „En zoo zijn er duizenden, millioenen, wel met allerlei nuancen en uiterlijke verschillen, maar in den grond van hetzelfde type. Overal zijn ze, in alle landstreken! in alle standen, waar men zich maar even de luxe kan permitteeren om de meisjes de traditioneele opvoeding van nietsdoen te geven! Want uit hartstocht wordt op deze wijze betrekkelijk zelden gezondigd, uit lediggang, en het daaruit geboren verlangen naar prikkeling, veel!”

Hilda liep driftig voort, in sterke physieke beweging rust zoekend na dezen schok. Eindelijk op een hoogen duintop, waar de zeewind koelte aanwoei, zette ze zich neer. Het beeld van Ottilie vervolgde haar, ’t was alsof er ergens een groote zwarte vlek was gevallen op het blank vredige van dit avonduur.

En terwijl zij daar neerzat, hoorde ze ineens als in een hallucinatie weer het hatelijke: „onvrouwelijk”, dat men haar den laatsten tijd in alle schakeeringen van toon had toegeroepen. „Wat een dwaasheid toch dat iedereen zich dadelijk zoo angstig maakte over onvrouwelijkheid, terwijl men onverschillig bleef bij zooveel vrouwen-onwaardigheid, als daar was in de wereld!”

En met groote duidelijkheid rees toen weer plotseling het moment voor haar op, nu acht dagen geleden, op het bal bij de Vermaezens, toen ze, wachtend op Maarten, alles om zich heen rustig had zitten opnemen. Daar stond weer Valérie, in bestudeerde achteloosheid tegen den muur geleund, het gouden haar, onder den lichtarm vlak boven haar hoofd, waasde om het kopje als zondoorgloeide wolkjes, de volle roode lippen waren geopend van opwinding, die haar adem sneller deed gaan. Zij was heel mooi zoo, en van Gaefden zag haar aan, trotsch glimlachend, want het is streelend voor ijdelheid zich de toekomstige bezitter van zooveel moois te voelen. Maar Valérie stond half van hem afgewend, haar oogen lachten tegen een jongen zeeofficier, die zich door de rondwandelende paren heen, naar haar toedrong.

De muziek begon weer: een wals. Daar was hij, een buiging heel diep en eerbiedig, toen een beweging nonchalant familjaar, de arm om haar middel, ’n paar fluisterwoorden, die haar erg deden lachen, met ’n onwillekeurig even omzien naar van Gaefden, en daar zweefden ze heen, jong, slank, sierlijk in hun omstrengeling .… en toch .… Daar kwamen ze aan, vlak langs Hilda, Valérie’s arm lag blank en week op de donkere uniform, en haar oogen waren wijd open van opwinding. Wat ’n prachtige bacchante zou men van haar hebben kunnen maken! En wilder sleepten de tonen hen voort en vager werd haar blik en de jonge officier greep haar sterker vast, en boog zich over haar heen, daar waren ze weer, vlak bij Hilda, en zij verstond wat er gezegd werd en .… walgde. Maar Valérie danste lachend en blozend voort, haar goudvlokkige haren fladderden op tegen het gezicht van haar danseur en zijn gloeiende adem was op haar voorhoofd.

Bah! Dit waren dan de toekomstvrouwen, die staan zouden te midden der woelingen die naderden? Het volgend jaar zou Valérie misschien al een kindje in haar armen houden en dit was haar voorbereiding geweest!

Hilda zat met de kin rustend op de handen, de ellebogen op de knieën gesteund. Langzaam, onder het voortpeinzen over deze dingen, voelde ze de onrust van haar schrik wegglijden.

Toen zag ze ineens, naast zich op den grond, een lange zwarte schaduw zich bewegen; ze keek op met ’n kleinen schok van vrees, die overging in blijheid.

„Goeien avond, freule. Gut, bent u hier heel alleen?”

„Goeien avond, mijnheer van Hervoren. Ja ik had zoo’n behoefte aan wat lucht en beweging, vindt u het heel erg … ongepast?”

„Ik vind het heel erg .… begrijpelijk! Als u nou toch maar zoo alleen niet al te ver de duinen ingaat!”

„Ik ben op m’n terugweg.”

„Mag ik ’n eindje met u meegaan?”

Zij knikte met een stralenden glimlach.

„Wat ’n heerlijk toeval, dat ik u vanavond nog even kan spreken, want morgen vroeg moet ik naar Chemnitz.”

„Naar Chemnitz? .… Denkt u voor lang?”

„Dat zal er van afhangen. Nou de fabrikant dood is, hebben de werkstakers alleen met de weduwe en den toezienden voogd van de kinderen te doen, en die toeziende voogd is toevallig juist iemand, waar ik vroeger in Amerika, mee aan hetzelfde werk ben geweest en goed mee opschieten kon. En nou wou ik zien of ik met hem den boel niet gauw weer op orde kon krijgen, en zóo dat de positie van de arbeiders wezenlijk ’n flink stuk verbetert, want hun grieven waren billijk.”

„Zal het lang duren?” herhaalde Hilda.

„Ik weet niet, ik hoop het niet! Maar ik heb onbepaald verlof hier van de fabriek, omdat er hun hier ook veel aan gelegen is, dat het werk daarginds weer gauw doorgaat.”

Hilda liep zwijgend voort. Iets kilgrijs was ineens over de naaste toekomst gegleden. Eugénie weg, Corry’s huwelijk op handen: dagen van leugenachtige feestelijkheid, nou dit ook weer met Eddy .… en dan nog Maarten weg .… ze huiverde terug voor die eenzaamheid.

„Als u terugkomt, zult u mij hier niet meer ontmoeten!”

Ze zeide het onder een plotselingen drang, vóór ze nog goed had nagedacht.

„Gaat u dan weg .… freule?”

„Ja.”

„Waarheen?”

„Naar Amsterdam. Ik kan het hier niet meer uithouên. Ik zal Corona vragen of ze geschikte kamers voor me weet. ’t Volgende jaar, zou ik toch gegaan zijn voor de Academie, en nou ga ’k maar liever wat vroeger.”

„Vindt uw oom het goed?”

„Hij weet het nog niet. Ik heb het vanavond pas bedacht, maar ik denk dat ze ’t thuis heel prettig zullen vinden, nou ik toch zulke overdreven denkbeelden heb!”

Ze glimlachte, met een nuance bitterheid om den mond.

Hervoren zag haar aan. Ze was zoo mooi, vanavond en zoo jong, zoo aristocratisch in de hooge beteekenis van verfijnde beschaving, zoo fier en zoo teer!

En Maarten, die de laatste maanden overal met vuur had verkondigd dat vrouwen de wereld in moeten even goed als mannen, dat de maatschappij nooit in haar evenwicht kon komen vóór het vrouwelijk element er volkomen een gelijke plaats naast het mannelijke heeft ingenomen, Maarten voelde zich zwak worden in dit moment, vol angst om haar, die zoo onervaren en broos ineens zou staan midden in de branding. Een oogenblik kende hij die vrees, die velen van de edelste, genereuste mannen het onrecht laat begaan van de vrouw terug te dringen, ver van het groote leven. Maar toen viel hem een woord van zijn moeder in: „Het is zoo natuurlijk, dat een man, die de worsteling, de wreedheid, het gevaar van den levensstrijd kent, als hij een meisje ziet mooi en rein, haar ver uit het gedrang zou willen wegvoeren, ergens, in een veilige burcht met hooge muren. Maar laat hij niet vergeten, dat binnen die muren wel eens doodelijk vergiftige bloemen konden staan van verveling, en onvoldaanheid, en bekrompenheid en heimwee naar meer ruimte! Elke man, die uit angst dat haar engelenvleugels zullen worden bezoedeld, een vrouw zou willen opsluiten in een kooitje, al was het van goud en fluweel, zou na een poosje merken, dat haar vleugels verdord en verslapt zijn en dat hier of daar duivelenhorentjes zijn gegroeid.”

Hij nam zachtjes haar hand, zonderling ontroerd. In godsnaam, dit kindje moest het volle leven dan ook maar ingaan, zooals toch eigenlijk alle grooten onder de menschen gedaan hebben, en waar zij komen zou, zou ’n beetje meer liefde en vreugde zijn!

„Maar wanneer zie ik u dan weer? Zal ik u dan vooreerst nergens meer kunnen ontmoeten?”

Zij zag hem vol aan met haar groote oogen, en met een glimlach vol wonderbare belofte, zeide ze heel eenvoudig:

„O! ja zeker, alle Zondagen zal ik thuis zijn voor mijn vrienden. U moet me gauw komen opzoeken! Gladys zal u mijn adres wel geven .… vaarwel .…”

Alles was nog donker en stil in huis, toen Hilda thuis kwam, alleen in de keuken werd gelachen, de luide lach van dienstboden, die visite hebben en hun meesters uit weten.

In de kamers kroop de schemering geheimzinnig uit de hoeken en wischte de omtrekken der meubels uit, in de serre slechts viel nog wat licht van den wolkenloozen avondhemel, waaraan de zon haar glans nog maar kort van te voren had onttrokken.

Hilda zette zich neer in haar gewone schommelstoeltje; de eenzaamheid en donkerte van het huis lieten haar onverschillig, alles was licht in haar, alles vol stralende levensblijheid.

De gedachte dat Maarten wegging, misschien voor een langen tijd, was haar op dit oogenblik zelfs niet eens meer pijnlijk. Hij ging om daar ginds goed te doen, onrecht te herstellen! En in haar enthousiaste meisjesverbeelding zag ze hem staan met zijn klare magnetische oogen en blonde haren, midden tusschen de zwart dreigende figuren der fabriekwerkers te Chemnitz, en als hij sprak zouden de harde trekken zich verzachten, hij zou hun weten te geven, dat, wat voor velen, in deze bange tijden van worsteling en argwaan, een hooge weldaad is: het volle vertrouwen in éen dien zij geestelijk boven zich voelen. En dan zou hij hun toestand verbeteren, alles regelen. Ze had het den laatsten tijd van alle kanten gehoord, hij was zoo vreeselijk knap, en zoo goed! O! ze was trotsch op hem! En in liefde is het hoogste weelde, trotsch te kunnen zijn! En in dien tijd zou zij in Amsterdam haar kamers inrichten: één heel eenvoudig slaapkamertje met veel zon en veel lucht en een zitkamer .… O! heel anders dan hier al die meisjesboudoirs met hun overlading van prullen, stijl twee-guldens-bazaar! Het zou een mooie kamer zijn, met die voorname, zeldzame mooiheid die elke beurs kan bekostigen, n. l. afwezigheid van alles wat leelijk is. Het zou eenvoudig, bijna streng zijn, maar alles wat er was moest goed van kleur, van vorm, van lijn wezen! Het moest alles getuigen van een intens verlangen naar harmonie; de dagelijksche omgeving oefent immers onbewust een grooten invloed op ons uit, en wie de mooiheid verwaarloost in de kleine werktuigen van het bestaan—meubels, kleeding, versierselen—kan nooit volkomen naderen tot die hartstochtelijke liefde tot mooiheid in alles, mooiheid in het zichtbare om ons heen, mooiheid in het onzichtbare van denken en voelen, die ten slotte voert tot een hoog menschenleven!

Hilda stond op, in een ontroering van vreugde: „En als dan haar kamer heel mooi was geworden, zou Maarten komen .… op ’n Zondag .…”

Zij stak een kandelaar aan op den schoorsteen om mee naar boven te gaan. Maar bij het opvlammen van het licht zag ze ineens in den spiegel het schilderij daar tegenover, het portret van een overgrootmoeder van Suylenburg, geheimzinnig stralend in de donkere kamer in haar hofkleed van het eerste keizerrijk, wit satijn met den manteau de cour van goud brocaat.

Het was een prachtige vrouw, ze was een Française geweest, een gravin de Grandonne, die een schitterende rol had gespeeld aan het hof van Joséphine. De familie-legende zeide, dat alle beroemdheden van dien tijd aan haar voeten hadden gelegen, zelfs Napoleon zou een tijd lang haar gunst hebben gezocht, maar na zijn tweede huwelijk was ze in ongenade gevallen, en getrouwd kort daarop met den generaal van Suylenburg, die haar naar Holland had gevoerd.

Hilda draaide zich om en stond voor het portret, den kandelaar hoog houdend om het mooie kopje te zien, maar nu ineens voelde ze de stilte van het huis doodsch om zich heen, en kreeg ze ’n zonderling dringende behoefte iets te uiten van haar trillende emoties.

„Het zijn heel andere tijden, grootmama!” zeide ze lachend, „heel anders, nietwaar? Andere politiek, andere zeden, andere illusies, andere vrouwen! Wat hebt u uw haar kunstig gefriseerd. In m’n volgend leven zal ik geen tijd hebben om zooveel zorg aan mijn kapsels te geven, dat moet u me maar niet kwalijk nemen, ik neem u immers ook niet kwalijk dat u er zoo veel tijd aan hebt besteed? Wij moeten elkaar met rechtvaardige toegefelijkheid zien te beschouwen, ieder in de lijst van onzen eigen tijd, eigen omgeving, eigen opvoeding. En heusch, ik zal u geen schande aandoen, al zouden in uw oogen mijn opvattingen, als u ze had kunnen voorzien, al heel erg zonderling zijn geweest! Waarom kijkt u zoo strak in den spiegel met dien vagen trotschen lach? Omdat de held van Austerlitz u heeft liefgehad? Maar ook ik heb de liefde van een held, verstaat u dat? en de beroemdsten zijn niet altijd de grootsten! Er zijn zooveel soorten van helden, nietwaar? dat zult u nu ook wel weten, nu u van uit de hoogte neerziet op al het kleinmenschelijk gezwoeg om ’n beetje meer eer en macht. En ik ben blij mevrouw, dat mijn held geen zwarte oogen en bloedige handen heeft, en lauwerkransen, maar een vredepalm en de haren en den glimlach van een jongen zonnegod.” En in de opwinding van haar ontwakende liefde, genoot Hilda bijna kinderachtig van deze gevonden vergelijking, toen ging ze weer voort:—„Alles, alles verandert, nietwaar? Alleen jeugd en liefde en verlangen naar geluk blijven hetzelfde, en ik beloof het u, ik zal er mijn deel van nemen, al zal ik soms de toga en den baret dragen, zooals u vroeger uw manteau de cour! Bonsoir, grootmama. Blijft u maar gerust zoo trotsch staan lachen. Ik heb zoo’n idée, dat ik meer zal genieten, van wat het leven waarachtig heerlijks en moois te geven heeft, dan u het ooit hebt gedaan!”

Toen ging Hilda naar boven en onder het opgaan van de trap zong ze neuriënd een van die naïef teere Italiaansche liefdesliedjes, die men in zuidelijke nachten, in de verte hoort zingen, en ze glimlachte tegen de duisternis.

Gladys lag stil achterover op haar rustbed. Kleine trekjes van pijn gleden soms even over het vermagerde gezichtje, maar de oogleden, met de lange wimpers lagen mat gesloten, alsof ze sliep.

Ze lag te peinzen, zooals ze tegenwoordig zoo dikwijls deed, in haar lange gedwongen rusturen; ze dacht aan haar huwelijk en hoe het zachtjes aan een ruïne was geworden, in plaats van de tempel, dien ze gewild had. Eerst was ze toch gelukkig geweest, wel al heel gauw met oogenblikken van pijnlijke verwondering, maar ze had altijd honderd soorten excuses voor Frederik kunnen vinden: z’n opvoeding was ook zoo oppervlakkig geweest, en z’n vrienden zoo ruw! Hij had ook geen zusters gehad, hoe kon ie dan weten, hoe licht een fijnvoelende vrouw gewond is, hoe kon hij haar dan begrijpen, als ze zich soms ineens gekrenkt terugtrok, of smachtend bij hem kwam, zwijgend bedelend om woorden, die hij nooit zei.

Maar toen, langzamerhand, was ie hoe langer hoe ruwer geworden, en ze was bang beginnen te zijn, en vreemd, ze had een korten tijd er een akelig genot in gevonden om voor hem te vreezen.

Maar op een avond, had ze hem in de naaste kamer tegen vrienden hooren bluffen over de beste manier om een vrouw te regeeren. „De Rus, die z’n vrouw met den knout geeft,” had ie gezegd, „was veel beter menschenkenner dan de Amerikaan, die haar als z’n gelijke behandelt, want de vrouw is nou eenmaal de geboren onderdane, ze geeft alleen liefde aan wie haar angst inboezemt, als ze verliefd is, heeft ze behoefte om op haar knieën te dienen.”

O! wat had ze dien avond gehuild, uren en uren lang! Maar toen had ze ook begrepen waarom Frederik’s theorie in sommige huisgezinnen schijnbaar opging en hoe ze er hem zelf mogelijk wel in had versterkt. Oorspronkelijk toch is er in elk jong, onbedorven mensch, zoowel man als vrouw, een instinct gelegd om zich slechts aan den besten den edelsten te geven. Dit is het ingeschapen principe van zelfbehoud van het ras, dat zich doet gelden overal, waar de huwelijkskeus niet bepaald wordt door wat iemand bezit aan fortuin of rang, overal waar niet door sociale wanverhoudingen van eeuwen dit instinct te zeer is verbasterd. Bij elk paar, dat elkaar lief heeft, vindt men er de uiting van in een eigenaardige behoefte om elkaar te verheerlijken: de man ziet in zijn verloofde een feetje of een heilige, waarvoor hij zou willen knielen, de vrouw ziet in haar man een held, waartegen ze zou willen opzien in een gelukkig gevoel van ontzag.—En misschien is dit wel de groote les van het leven over de verhouding tusschen man en vrouw, dat in de oogenblikken van hoogste intimiteit, waarin het twee individuen gegeven is, elkaar te naderen, zij zich beiden aanbiddend voor elkaar voelen neerbuigen, in een onbewust raden van het goddelijke dat in hen is.—Maar in een maatschappij als de onze, met zooveel onwaarheid en verwrongenheid, valt dikwijls van dien oorspronkelijk mooien drang niets meer te bespeuren dan de karikatuurachtige echo er van, in de zinnetjes van den banalen hofmaker, of in de laffe onderdanigheidsphrases van energielooze vrouwen, en menigmaal geeft zelfbedrog den leugennaam van eerbied en hoog opzien aan wat slechts is: misdadig zwak toegeven en vreezen. Ja, dat was het! Het vreezen van de vrouw, en er een soort voldoening in vinden was de karikatuur, de ontaarding van haar ingeboren verlangen om hoog te houden den vader van haar kinderen! In veel huisgezinnen, waar de man door flinkheid meent te regeeren, dankt hij zijn prestige alleen aan dat onbewuste verlangen van de vrouw, en veel van de macht, die de man tot dusver bekleed heeft, was daaraan alleen te wijten! Want zoo menige vrouw, in een uiterst pogen om in de platheid van het dagelijksch leven, in haar man, dien zij scherpzinnig genoeg is om in al zijn kleinheid te hebben doorzien, toch den held harer jeugdidealen te redden, zoekt een leugenachtige bevrediging in vreezen, als hoog opzien niet meer mogelijk is.

Gladys bleef stil liggen peinzen. Ja, zoo was het ook met haar gegaan, maar na die korte periode van angst waren de lange jaren gekomen van geduldig, droevig worstelen, tot ze overwonnen was verleden .… op dien nacht.

Met een zacht gekreun verlegde ze het moeë hoofd.

Maud kwam binnen, voorzichtig, met haar onhoorbaren hospitaalstap, en zette zich aan het raam neer, met een pas begonnen babysokje. Maar ze haakte niet, met strak turende oogen en onrustplooien dwars over het voorhoofd, keek ze de straat in.

„Er was ’n boodschap gekomen .… ontzettend! .… Frederik was van z’n paard gevallen, ’n wild jong dier, dat ie verleden week gekocht had, en men had hem bewusteloos, met gebroken sleutelbeen naar ’t ziekenhuis gebracht. Er was groot gevaar, maar hoe kon ze het aan Gladys vertellen? Nou juist op dit moment .…”

„Maudy, ben je daar?”

„Ja lieveling, wat is er? Ik dacht dat je sliep.”

„Kom es hier! Ik heb zoo’n afschuwelijke hoofdpijn, en ik voel me zoo angstig!”

Maud stond op en knielde naast de rustbank. „Ze kon het nu toch niet vertellen? Gladys moest eerst kalmer zijn.”

„O! Maud, ik ben zoo bang.”

„Wat is er dat mijn kleine vrouwtje beangstigt? Herinner je je nog wel onze Fransche gouvernante, die ons altijd bang maakte voor spoken? ik geloof heusch om nog ’n beetje „poëzie” in ons te redden, omdat ze beweerde dat onze Amerikaansche opvoeding, „le charme poétique de la femme”, in ons zou verderven. Ik geloofde nooit ’n woord van haar griezelige geschiedenissen, maar jij was dikwijls erg onder den indruk, en dan moest ik je zóó in m’n armen nemen, zóo, niet waar? om je te bedaren. Zullen we es probeeren of het ouwe middel nog helpt?”

Maud sprak gewild vroolijk, om haar af te leiden, maar de jonge vrouw drukte angstig steunzoekend het hoofdje vast tegen haar schouder.

„Maud, ik heb gedroomd, dat ik en het kindje stierven, en ik was blij dat het kindje ook dood ging, want wat is een klein menschje zonder moeder! Maar de twee anderen bleven achter, zoo teer, met zulke fijne zieltjes, en zoo jong en zoo heel alleen .… Begrijp je niet, dat het me met doodsangst vervult!”

„Zie je wel, dat het maar spoken waren? Wie gelooft nou aan droomen?”

Maud dwong zich om luchtig te schijnen, maar een kille angst was in haar borst.

Gladys zag haar aan met de grijze kinderoogen groot van ontzetting.

„Ik kan het niet verdragen, dat je er om probeert te lachen. Er sterven immers zoo veel vrouwen aan! .… Het helpt niks of je er over heen praat! O! als ik ze alleen moest laten .…”

Maud voelde het teere lichaam in haar armen sidderen van angst.

„O! als ik ze jou maar kon toe vertrouwen, Maudy, .… dan zou ik wel rustig kunnen afwachten .… maar .… O! mijn God, mijn God! .…”

„Lieveling wind je toch niet zoo op!”

Gladys haalde diep adem, als om kracht in te nemen voor het smartelijke, dat ze zeggen moest.

„Misschien heb je wel gemerkt, Maud .… ons huwelijk is .… niet geworden .… wat ik gehoopt had! O, Frederik heeft heel veel goeds .… hij is bijvoorbeeld honderdmaal beter dan z’n broer Henk, die ruwe cavalerist, maar .…”

Zij kleurde, bang om iets kwaads te zeggen, en toch zoo bitter verlangend om de angst van haar ziel uit te spreken. Smeekend zag ze op, maar toen ze Maud’s oogen ontmoette vol treurig begrijpen, brak ineens haar zelfbeheersching. Ze sloeg de armen om haar hals en snikte wild, als vroeger, in de dagen van groot kinderverdriet.

„O! Maud! als ik ze jou toch maar kon laten! Frederik heeft zulke heel andere denkbeelden over opvoeding .… Vooral over broertje .… Het is zoo’n goed kind, maar niet makkelijk te regeeren, zooals de menschen dat noemen!—alsof het ons bij het opvoeden te doen moest zijn, om ze te regeeren!—Als Frederik in z’n jeugd niet zoo geregeerd, gedrild was geweest, zou ie nou misschien heel anders zijn. Maar ze hebben hem in z’n kindsheid, al zijn wil—men noemde het koppigheid—er uit geslagen, tot ie ’n onderdanig, willoos jongetje was geworden, met alleen angst voor straf tot moreel richtsnoer, en natuurlijk, is ie nou later, toen ie z’n eigen meester werd, een willooze, zwakke man geworden. Maar dat ziet ie niet in. Zijn slap heen en weer slingeren door allerlei hartstochten, houdt ie voor mannelijkheid en originaliteit, en als ik er niet was, zou ie Hajo ook weer met den stok willen opvoeden, hem klein krijgen, zooals ie ’t uitdrukt, en ik weet zeker, dat dan alle energie en zelfvertrouwen in ’t kind verloren zouên gaan, en die zal ie juist met z’n onstuimig karaktertje zoo vreeselijk noodig hebben. O! Maud, als jij maar bij ze kondt blijven! en hen leeren zich zelf te beheerschen, en zich rekenschap te geven van wat ze willen en of dat goed is, en dan ook te volbrengen, wat ze zich voorgenomen hebben .…”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings