← Table of contents
Hilda van Suylenburg

Front matter (continued 2)

Reading edition

Wat werd er ook weer gegeven vanavond? O, ja, de Favorite en ’t was haar als hoorde zij de banaal zinnelijke klanken reeds dier oude theatrale aria’s met hun onware liefdesuitingen. Wat was het vroeger heerlijk geweest met haar vader in de groote schouwburgen van het buitenland. Een kleine huivering van enthousiasme doortrilde haar bij het herinneren van zooveel avonden van intens genieten. Maar in het begin was het toch ook hier wel aardig geweest! Het kleine gezellige theater, al die bekende gezichten, het zoet enerveerend gevoel van bewonderd te worden, gebinocleerd, aangewezen door die menigte daar beneden in het parket, in de stalles.… zich zoo hoog en voornaam en mooi te voelen.… Een weeldedrank was het geweest die zelfs haar sterke gezonde hoofd had doen duizelen. Maar het strenge, weemoedige gezicht aan den muur durfde zij niet aanzien onder het zich bekennen dier prikkeling. Had hij dan voor niets haar het mooiste, het beste leeren kennen, dat zij zich nu nog had laten bekoren door al dat schijnmooi, en die glanzende wuftheid? O! wat was ze vandaag moe en wee van dat alles! Wat had zij in al die maanden van uitgaan gehad dat opwoog tegen een week van haar vroeger leven op reis met haar vader? Niet één onder al die vreemden tegen wie zij nu maanden lang had geglimlacht, was haar volkomen sympathiek, er was niemand onder al die menschen aan wie zij zich had kunnen hechten! En het jonge hart heeft zulk een smachtende behoefte aan liefde geven, misschien nog meer dan aan ontvangen. Daar was niemand dan de oude mevrouw Cranz en die arme Moisette, maar die twee konden haar eenzaamheid niet vullen; eenzaam was zij, en ontevreden, hongerend naar een vol en rijk leven. Maar hoe kon zij dat bereiken?

Zuchtend stond zij op, met de bewegingen van een poes, die uit een diepen slaap komt en lui het lenige lijfje rekt, als om zijn veerkracht weer te vinden.

Langzaam begon zij haar toilet voor het eten, maar haar moreele veerkracht wilde niet terugkeeren. „Waarom moet ik me nou weer aankleeên? Wat beteekent het allemaal? Wat een comedie is het leven! Daar is toch niemand, die iets om mij geeft, niemand waartegen ik zeggen kan wat ik denk, of wat ik voel! Als ik vanavond aan iemand iets liet zien van het beste dat in me is, zouên ze me vervelend of ridikuul vinden. Bewonderd en gefêteerd te worden, zooals Corry het noemt, is wel een zoet gevoeletje, maar het laat je toch eenzaam au fond, als de eerste bedwelming over is. Geen van hun allen bewonderen in mij wat het heiligste in me is! Het is mijn oppervlakkigste lachje en mijn luchtig comediewoord dat ze van me vergen, om er zich mee te amuseeren!”

En toen in eens half luid, bekende zij het zich zelf:

„Ik kan het hier nooit uithouên!”

Het was de eerste maal, dat zij onder den druk van zenuwachtige ontstemming haar onbevredigd voelen duidelijk had uitgesproken. Zij schrok er zelf even van. Maar wat dan? Waar kon zij heen gaan? Wat zou ze doen?

Het sloeg half zeven, zij moest voortmaken, maar terwijl ze in groote haast het blauwzijden kleedje aantrok, klonk in het ruischen van elke beweging: „Wat moet ik doen? Ik kan het hier toch niet uithouên!” Maar een antwoord vond ze niet.

Alleen onder het naar beneden gaan, kwam het met bitterheid in haar op: „van jonge dames werd immers alleen geëischt dat zij zich amuseerden en er lief uitzagen! Wat wilde zij dan nog meer?”

Bernard Cranz was in de opera de familie van Starren komen aanspreken, den halven avond was hij bij hen gebleven en had zich bijna uitsluitend met Hilda bezig gehouden. In het begin had zij zich stroef teruggetrokken, verlegen tegenover Eugénie, die Cranz daarenboven al van haar jeugd af kende en duidelijk alle moeite deed om zijn aandacht tot zich te trekken. Maar toen hij zich telkens weer tot Hilda had gewend en haar voortdurend in het gesprek had betrokken, had zij zich op het einde maar gewoon laten gaan. Eus moest dan maar denken wat zij wilde. Zij kon zich toch niet ridikuul stijf aanstellen tegen dien man die haar niets had gedaan, alleen omdat de nichtjes haar vanmorgen leelijke bedoelingen hadden toegeschreven. Als zij nu niet natuurlijk en beleefd tegen hem was, zou hij nog denken dat zij met hem wilde koketteeren of zich aanstellen over zijn spotten vanmiddag met haar emancipatieidees.

Onder het naar huis rijden was er geen woord gesproken. Mevrouw van Starren en Corry waren verdiept in die geschiedenis met von Görtzen, die weer druk zijn hof had gemaakt, en Eugénie had haar ergernis in stilzwijgen gehuld.

Maar den volgenden dag scheen, aan de oppervlakte althans, het hatelijke stormpje geheel te zijn voorbij gedreven. Er zouden tableaux vivants bij Valérie Vermaezen gegeven worden en de vraag welk toilet Eugénie en Corry daarbij zouden dragen had hen allen dien ganschen morgen weer schijnbaar gemoedelijk in een levendig gesprek vereenigd.

„Hilda, ga je mee vanmiddag om drie uur naar Ottilie van Heemeren?” vroeg Corry aan de koffietafel.

„Tenminste als je vandaag geen belangrijker bezoeken te maken hebt,” voegde Eugénie er bij. Haar stem klonk zacht en haar gezichtje was glad, naïef vriendelijk, en toch welk een wereld van booze, giftige verdenking lag uitgesproken in dit nauwelijks geaccentueerde: „belangrijker bezoeken.”

Wee, wanneer het fijne denkweefsel van de vrouw en haar scherpe instinct van wat wondend en wat balsemend zijn kan, gebruikt worden om te kwetsen, niet om te sparen.

„Zeker, vandaag wil ik heel graag met je mee gaan,” zeide Hilda bedaard, maar het bloed steeg toch warm naar haar voorhoofd. De slag had getroffen, maar zij was machteloos zich te verdedigen, de vijand was onzichtbaar. In hoevele huisgezinnen zijn niet op deze wijze geluk en vrede verwoest geworden, hoevele zenuwgestellen niet bedorven door de onedelmoedige schermutselingen in bedekte termen, waarin vooral de vrouw zulk een treurig meesterschap heeft verworven.

Intusschen, toen om drie uur de beide meisjes in haar glanzende equipage op den Bezuidenhout voor het huis van mevrouw van Heemeren stil hielden, zou niemand iets van een ontstemming geraden hebben. Beiden, Corry en Hilda hadden het gezicht dat de wereld van haar eischte, lachend en onbezorgd.

Ottilie van Heemeren was op dat oogenblik een beroemde beauté in haar kringen. In het begin had Hilda zich volstrekt niet tot haar aangetrokken gevoeld. Haar ongedistingeerde schoonheid, haar zonderlinge reputatie, het ruwe in haar optreden soms, vooral als er heeren bij waren, waren weinig geschikt geweest om Hilda naar een intiemere kennismaking te doen verlangen, maar onlangs, door een toeval, hadden zij elkaar op een tentoonstelling in Pulchri ontmoet en daar in een lang gesprek over kunst, hadden beiden in verwondering ontdekt dat zij in vele opzichten hetzelfde voelden en dachten, en dit had haar veel nader tot elkaar gebracht.

Zooals de jonge vrouw verteld had, was haar voorgeschreven een paar uren in den middag te rusten en in haar overspannen verlangen om vooral esthetisch te zijn, om alles „mooi te laten doen” om zich heen en alles weelderig te hebben, had zij in haar boudoir een rustbed opgericht als voor een oostersche vorstin. De lange smalle divan was geheel bedekt met een perzisch kleed, kostbaar, met zeldzaam rijke kleuren, een hoofdkussen van goudgeel fluweel ondersteunde het mooie hoofd met de vreemde zwarte haren en daarachter donker glanzend vormden breedbladerige palmen een achtergrond. Een groote, witte berenhuid op den grond, overal bloemen in kostbare, bonte vazen, spiegels met teer matte prismas van Venetiaansch glas, zilverige draperieën van oostersche, dunzijden vrouwensluiers, tallooze kleine bibelots, meubeltjes Louis XV, een empire schrijftafeltje, waarop groepjes van Saksisch porcelein, alles wat elegante rijkdom zich aan kan schaffen in deze eeuw van namaak en stijlloosheid, was er bijeen gebracht.

Op den banalen bezoeker moest het een indruk van groote weelde en pracht maken, maar voor wie zoeken naar harmonische schoonheid, was al dit opeengehoopte moois, waarvan de typen elkaar onderling zelfs hier en daar vijandig waren, bijna een marteling voor de oogen.

Hilda voelde zich bij het binnenkomen even beklemd, als bij ’t inademen van oververhitte broeikaslucht.

Ottilie stond langzaam op, elk van hare bewegingen bestudeerd, op effect berekend. Eerst kwijnend loom richtte zij zich overeind op de rustbank, haar japon met de eene hand optrekkend zoodat men het voetje met de zwartzijden kous en ’t geelfluweelen muiltje zich licht en voorzichtig op den berenhuid kon zien neerzetten en toen met een veerkrachtig opheffen stond ze in eens in haar volle lengte en ging de meisjes levendig een paar schreden te gemoet.

„Wel dat is braaf en lief van jullie, dat je me komt opzoeken!”

Zij sprak met dat weeke, half uitlandsche accent dat met slappe lippen, zonder eenige articulatie, gesproken wordt en op dat oogenblik in haar wereld bon ton was.

„Als je eens wist hoe gruwelijk ik me verveel, als ik hier zoo alleen lig. Het is haast niet dragelijk.”

„En toch heeft de dokter je zeker voorgeschreven om die paar uren absoluut rust te nemen, niet waar? zonder iemand te zien, en doen wij eigenlijk groote contrabande?” vroeg Hilda.

„Eigenlijk wel,” zeide Ottilie lachend, „mais que veux-tu? Het is niet om uit te houên, en toch moet ik het wel doen, anders ben ik ’s avonds te doodop om iets weer uit te voeren. Maar zoo’n paar visites mag wel, mijn doktertje weet ook wel dat ik er anders onder bezwijken zou, alleen heb ik haar moeten beloven dat ik geen heeren op die uren ontvangen zou, dat is te druk, begrijp je wel: met heeren is het altijd lachen en flirten, enfin .… te vermoeiend, en onder dames kun je nog es rustig over koetjes en kalfjes praten.”

„Geloof je niet dat men met heeren ook rustig en prettig kan praten?” zeide Hilda.

„Prettig zeker,” zij lachte even een korten schaterlach vol dubbelzinnigheid—„maar rustig? .… O ja, natuurlijk het kan wel, er zijn zelfs wel vrouwen, die sociale kwestie en theologie met heeren bespreken, maar je weet even goed als ik dat haast alle heeren veel liever zoo’n beetje pikante nonsens met ons praten en hoogstens wat over kunst fantaseeren en verder wat complimentjes en gekheid. Zoo es gemoedelijk praten kun je toch niet met ze, of ze zijn weer vervelend.”

Hilda zweeg; zij dacht aan de heerlijke gesprekken met haar vader en met zoo menigen vreemdeling op reis, en toen weer aan van Gaefden’s jachtgeschiedenissen eergisteren en aan Bernard Cranz’s voornamen spotlach en zij begreep dat Ottilie gelijk had, wat betreft het meerendeel der heeren uit haar kring.

„Maar zeggen jullie me nou eerst es eerlijk en vooral jij Hilda, met je uitstekenden smaak, hoe vinden jullie mijn kamer? Is het geen gezellig hokje? Vindt je ’t niet goed van toon? Vindt je niet dat die geele lapjes brocaat goed doen achter dat ouwe blauw?”

„Ik vind het prachtig, bepaald uniek mooi, voor zoover ik het, met mijn niet uitstekenden smaak, kan beoordeelen,” zeide Corry half geraakt, maar toch lachend. Hilda keek rond.

„Wie heeft die mooie bloemen daar geschilderd?” zeide zij ontwijkend, naar een groot doek wijzend met knap gedane rozen en irissen.

„O, dat heb ik vroeger eens gemaakt, je weet ik schilder zoo’n beetje, als ik tijd heb en vroeger ben ik hier zelfs op de academie geweest. Maar dezen winter was het al te druk.”

„Hoe jammer dat je er niet wat meer aan doet,” zeide Hilda in eerlijke bewondering.

„Ja mijn dokter zegt altijd dat zij wou dat ik mijn fortuin en mijn .… zooals zij het noemt, mijn schoonheid verloor, dan zou er nog een flink artist uit mij terecht komen, zegt ze. O! zie je, ze vindt het afschuwelijk van me dat ik al mijn .… enfin, gaven en al mijn vermogen gebruik om mij zelf een prettig leventje te bezorgen, zij zou willen dat ik voor de kunst ging leven en hard werken. Maar och je begrijpt, daar komt toch niets van, en al die mooie woorden van voor de kunst of de wetenschap, of de waarheid of de menschheid te leven zijn veel te hoog voor mijn gewone vrouwenverstand.”

Zij lachte in eens met een vreemde bitterheid.

„Ja, dat begrijp ik,” zei Corry gichelend, „voor de kunst leven! Ik zie je al Tilie, met ’n oud japonnetje ’s morgens om negen uur door weer en wind naar ’n atelier trekken.”

„Wie is je dokter, die zulke dingen tegen je zegt?” vroeg Hilda, peinzend naar de bloemen ziende.

„Natuurlijk Corona van Oven. Ken je haar niet? Ik heb juist hooren zeggen dat ze lijfarts van de jonge Koningin zou worden. Dat zou wel aardig voor haar zijn, en voor de Koningin ook, want ze is vreeselijk knap.”

„Ik heb haar nooit ontmoet, maar ik geloof toch wel dat iemand me haar es gewezen heeft, ze heeft zoo’n lief gezicht, niet waar?”

„Lief?” zeide Ottilie opgetogen, „nee prachtig! Een mooi, edel gezicht. Kijk daar op het tafeltje staat haar portret.”

Hilda nam het op en keek er aandachtig naar. Mooi, in de banale beteekenis van het woord als het samen gebruikt wordt met vrouw: „een mooie vrouw” was het niet, daarvoor was het gezicht te mager en de mond een beetje te groot, maar het lange, fijne profiel, het hooge voorhoofd van zeer edelen vorm en de groote, donkere oogen met hun strengen, kalmen blik onder de prachtige wenkbrauwen moesten een bijzonder diepen indruk maken. Hilda zag even op, zoekend naar een woord dat haar impressie kon weergeven.

„Een .… boeiend gezicht,” zeide zij langzaam. „Ja juist dat is het” .…

Maar op dit oogenblik werd Gladys van Praege aangediend en Ottilie hield stil om haar theatraal mooie opstaan te herhalen.

„Dag Gladys.”

„Dag Tilie. Dag freule, hoe aardig u hier te vinden. Dag Corry.”

„Ga zitten Glad, en vertel ons iets nieuws.”

Gladys glimlachte. „Dat moet je mij niet vragen, ik kom met stadsnieuwtjes altijd met de trekschuit, en het eenige nieuws dat ik zou kunnen vertellen zal jullie niet veel interesseeren.”

„Wat is het dan? Het interesseert me erg!”

„Nou alleen maar dat ze mij gevraagd hebben om presidente van de vereeniging voor vrouwenkiesrecht te worden en dat ik heb aangenomen.”

„Maar Gladys hoe kom je daar nou bij? Wat ’n idee, en wat zegt je man er van. Me dunkt dat is niks voor hem.”

„Ja die vindt het ook heel dwaas van me, maar daarom kon ik toch niet bedanken, niet waar? Ik doe altijd erg graag wat hij prettig vindt en iets voor m’n eigen plezier zou ik nooit doen als hij het niet goedkeurde, maar als hij dingen gek en verkeerd noemt, die ik volgens mijn geweten nuttig en noodig vind, dan kan ik mij toch niet heelemaal naar hem schikken.”

Zij had het aarzelend verlegen en zoo ootmoedig gezegd dat al de anderen even lachten.

„O! wat dat betreft, ik schik me al lang niet meer naar wat mijn heer gemaal goed of verkeerd of gek vindt!” zeide Ottilie met een uitdagend oplichten in haar zonderlinge oogen. „En ik geloof niet eens dat ik daarbij juist altijd mijn geweten raadpleeg. Verleden klaagde mevrouw de Mureaux er ook nog over dat met de tegenwoordige nieuwe idees van emancipatie de gehoorzaamheid aan den man heelemaal verdwijnen zou. Maar ik heb haar gezegd: die is er nooit geweest mevrouw! Vroeger zetten de bijdehandte vrouwen, die zich de weelde veroorloofden om er een eigen overtuiging en geweten op na te houên ook gewoonlijk haar wil door. Maar dan moesten ze het dikwijls door allerlei listen en slimmigheden en pijnlijke compromietjes zien te bereiken, terwijl nou, dat zij er eindelijk achter zijn gekomen dat haar opinie precies even veel waarde heeft als die van haar mannen, nou gaan ze meer eenvoudig en eerlijk haar eigen gang, en dat is voor iedereen wél zoo goed en prettig, dunkt me!”

Gladys klapte zenuwachtig in haar witgehandschoende handjes en het viel Hilda ineens op hoe aardig Ottilie kon zijn als ze maar even vergat aan haar eigen mooiheid te denken.

„Ik vind gehoorzaamheid tusschen twee vrije menschen die zich in liefde hebben vereenigd een onzedelijkheid,” zeide Gladys in plotselinge heftigheid. „Men zegt dat het in den Bijbel staat, omdat Paulus heeft gesproken van den man als het hoofd der echtvereeniging, maar Paulus was feilbaar, evengoed als ieder ander en natuurlijk had ie nog allerlei Joodsche inzichten, maar Jezus heeft nooit van die dingen een woord gezegd! Hij heeft alleen gezegd: Hebt elkander lief, en natuurlijk als je liefhebt doe je graag en van zelf wat de andere verlangt, niet waar? Maar als de man b.v. iets eischt wat de vrouw verkeerd vindt volgens haar eigen geweten en zij gehoorzaamt hem toch, dan is zij laf en onzedelijk vind ik! of als de vader iets met zijne kinderen doen wil wat de moeder, volgens haar eigen overtuiging afkeurt en zij laat hem lijdelijk en gehoorzaam begaan dan is ze een slechte moeder, en dat is het ergste wat men van een vrouw kan zeggen.”

Er was iets pijnlijks in Gladys’ heftigheid, dat de anderen even stil maakte. Men kon het aan den klank van haar stem hooren dat dit voor haar geen koel objectief te behandelen vraagstuk was, maar een dat zij zelf misschien in tranen doorworsteld had.

„Maar één moet toch de baas zijn,” wijsneusde Corry in een klein, ongemotiveerd gegichel.

„Waarom? In een gelukkig, in een mooi huwelijk zal niemand verlangen „de Baas” te zijn, in de gewone huwelijken zal de baas zijn, diegene die op een of andere manier de krachtigste is, door geldelijke positie, door knapheid, door willen, door liefde, door koppigheid, door ruwheid, of enfin door wat dan ook, en het man of vrouw zijn heeft daar niks mee te maken.”

„Dat is waar!” zeide Ottilie. „Dat wijst zich van zelf uit! Daar kan de wet toch niks van bepalen! En weet je waarom of ik dat domme artikel in ons wetboek ook zoo’n dwaze tegenstrijdigheid vind? De wet beveelt de vrouw te gehoorzamen maar daar is geen een rechter die een vrouw zou vrijspreken bij diefstal of moord als zij zich beriep op de bevelen van haar man.”

„En dan,” zeide Gladys zacht met een warme kleur, „hoe plat zou het huwelijk worden en hoe zou al het mooie en ideale er afgaan als de vrouw uit gehoorzaamheid datgene geven moest wat alleen waarde heeft als het komt uit volle, vrije liefde-overgave! Als ik man was zou ik niets door gehoorzaamheid willen ontvangen wat alleen uit liefde moet gegeven worden! O! het is een schande voor elk land dat zulke artikels in zijn wetboek heeft! Toen ik trouwde heb ik ook tegen Frederik gezegd: gehoorzamen kan ik je nooit! en ’t hinderde me vreeselijk dat ik niet hardop kon protesteeren toen ze het me op het stadhuis voorlazen. Ik had net een gevoel alsof ik met een leugen mijn huwelijk inging.”

„Ik ook,” zeide Ottilie.

„Hemeltje, wat zit jullie vandaag wijs te praten! Kom Hilda, ga je mee? wij hebben er toch geen begrip van of we willen gehoorzamen of niet,” zeide Corry.

„Dan wordt het hoog tijd dat je er begrip van krijgt! Maar Hilda moet eerst nog even m’n atelier zien, wil je? Ik laat je niet zoo dadelijk weer weg gaan. Toe Corry blijf jij ook nog maar even!”

Ottilie nam vleiend Hilda’s hand, en Corry ging weer zitten, een beetje ontstemd, want het gesprek had haar verveeld. In haar jong fin de siècle cynisme vond ze het belachelijk om zoo te zitten zaniken over gehoorzamen. Het sprak immers van zelf dat men zijn eigen zin deed, als men de vormen maar in acht nam en een beetje handig was om den man van tijd tot tijd in het zoete geloof te laten, dat hij toch de baas was.

„En dus Glad, jij bent voortaan: Mevrouw de presidente der vereeniging van vrouwenkiesrecht! Hemel, wat een lange titel, ik mag wel groote couverten koopen om je mijn kattebelletjes te zenden.”

„Je moet er mij niet mee plagen Til. Het is voor mij groote ernst,” zeide Gladys zacht, verlegen.

„Ik plaag je heusch niet. Als je er plezier in hebt waarom zou je niet presideeren? Vive la liberté, de vrijheid leve! Maar wat moet je nou doen? Speechen houên?”

„Natuurlijk van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.”

Gladys lachte, maar verlegen. Zij behoorde tot de heel dapperen als zij eens in ’t volle vuur was, maar bij kleine schermutselingen was altijd haar eerste neiging om weg te loopen en zich te verbergen.

„Wat heb je daar een prachtige fotographie van dokter van Oven!” zeide zij haastig om ’t gesprek op een ander onderwerp af te leiden.

„Ja, nie waar? Wat lijkt ze goed!”

„Is zij uw dokter ook?” vroeg Hilda.

„Ja zeker! Kent u haar freule?”

„Nee, eigenlijk nog niet, maar ik zou het wel aardig vinden.”

„Wel,” riep Ottilie, „ga op haar spreekuur en consulteer haar over een of ander kwaaltje.”

„Ik zou niet weten wat ik tegen haar zeggen moest, ik ben zoo gezond als een visch.”

„Och kom! Ik wed dat je toch hier of daar wel es een zenuwpijntje hebt!”

„Nee, heusch niet! Ik mankeer nooit iets!”

„Wat een wonder ben je dan! Ik dacht dat alle vrouwen altijd min of meer sukkelden.”

„Zoo als ’t fransche spreekwoord zegt: la femme est un animal toujours malade?” spotte Hilda.

„Ja zeker, in ernst, in onzen stand wèl. Ken jij onder onze kennissen iemand die geen staal of geen middeltjes tegen overspanning noodig heeft? Bij de volksvrouwen is het natuurlijk iets anders, die zijn te grof en te plat om onze zenuwen te kennen, maar een dame die niet een beetje lijdend is, is nou eenmaal niet denkbaar.”

„Dat bewijst alleen dat de hygiëne van onzen stand niet schitterend is, en ik ben blij dat ik volgens jou dan geene „dame” ben! Maar hoe zal ik nou kennis maken met dokter van Oven.”

Hilda lachte en nam de Morastaander weer op om het zeldzaam aantrekkelijke gezicht der jonge doktores nog eens weer te bekijken.

„U zult haar de volgende week op mijn dinertje wel zien,” antwoordde Gladys, „of liever nà het diner, want ze heeft haast nooit tijd om te komen eten, maar, als ze dan ’s avonds niet te moe is en haar bezoeken zijn afgelegd, verschijnt ze nog wel es ’n uurtje.”

„En als ze komt, Hilda, moet je es opletten wat een vorstelijke verschijning. Niemand zie je ooit zoo mooi binnen komen!” zeide Ottilie met die kinderlijke opgetogenheid die sommige vrouwen leggen in haar vriendschap voor andere vrouwen. „Wat een malle vereering toch voor zoo’n modedokter! Wat zijn jullie toch nog kinderachtig. O! Hilda, als je Til haar gang liet gaan zou ze ’n uur lang kunnen gaan zitten dweepen met die engel van ’n Corona. Als het nou nog zoo’n aardige jonge man was met mooie, zwarte, melancholieke oogen zoo als die dokter Swartz, die zoo vroeg gestorven is, dan kun je het je nog begrijpen, daar waren alle dames op gecharmeerd, maar zoo’n juffrouw! .… Het is toch eigenlijk een heel onvrouwelijk beroep voor een meisje .…”

Ottilie verliet in eens de mooie houding waarin zij tot nu toe geposeerd had en antwoordde vinnig:

Het is net als nu nog met het werk van pleegzusters en vroedvrouwen; zoo lang een arbeid nederig en slecht betaald is, vindt niemand het onvrouwelijk. Eerst toen het dokterzijn een eervolle, voordeelige betrekking was geworden met een kostbare, moeilijke studie vooraf, kwam men ineens tot de ontdekking dat er iets onvrouwelijks in was! Allons donc. Wat ’n onzin.”

„Ik geloof,” zeide Gladys zacht met haar haperend engelsch accent, „dat als een vrouw er roeping en gaven voor heeft—dat stel ik natuurlijk voorop—dit het werk bij uitnemendheid voor haar is. Zoo als bijvoorbeeld Corona van Oven onder alle standen werkt en goed doet, zou een man het nooit kunnen. Ze is zoo dol op kinderen en je kunt niet begrijpen wat ze niet verzonnen heeft toen mijn kleine Mary ziek was om haar zoet en bezig te hoûen. Altijd bedacht ze wat nieuws, wezenlijk geniaal. En verleden hoorde ik zelfs dat ze modelletjes had om kinderkleertjes lief en zuinig en hygiënisch te maken en bij jonge meisjes doet ze wonderen, schijnt het. Natuurlijk aan zoo’n zachte, beschaafde vrouw willen zij zooveel eerder alles zeggen, niet waar? Ik geloof stellig dat er honderde vrouwen en meisjes stilletjes zijn weggekwijnd, omdat ze den moed niet hadden om zich aan mannelijke artsen toe te vertrouwen. Misschien vindt je dat gek en overdreven, ik vind het niet, maar in elk geval is het zoo. En moreel ook, is het zooveel makkelijker en teerder om alles aan een vrouw te zeggen, die je met een enkel woord verstaat en die met je spreekt net als een oudere zuster! En dan … hoe kunnen de menschen toch van onfatsoenlijkheid spreken! Ieder die ooit iets gelezen of gehoord heelt van het samenstel van het menschelijk lichaam, wat een goddelijk mooi wonderwerk dat is, moest zich toch schamen om het bestudeeren van dat prachtige mechanisme, nog wel met het heiligend doel om te genezen, onvrouwelijk, onrein te noemen. Onrein is alleen preutschheid, die gichelt en bloost, in plaats van bewonderend neer te knielen! Durch Mitleid wissend! Kennen jullie een enkel werk waar het mooie woord van Wagner zoo goed op past als op dat van de doctores? De mooie bedoel ik natuurlijk, die ’t niet als een baantje, maar zoo als Corona, als een prachtige taak opvat.”

Gladys had zich onder het spreken opgewonden en als zij maar eens over haar eerste verlegenheid heen was, kon zij veel beter haar Hollandsche woorden vinden en sprak ze zelfs makkelijk.

Corry stond op, haar kindermondje in een zenuwachtig lachje wringend.

„Nou, jullie zult wel gelijk hebben, hoor! Ik heb eigenlijk nooit zoo verschrikkelijk veel over die dingen nagedacht en jullie bent ook zoo vreeselijk knap. Maar nou moet ik heusch gaan. Dag Tilie. Hilda, jij blijft zeker nog? Al die diepzinnigheid is net iets voor jou!”

Zij ging heen, een beetje kriebelig. Zij wilde maar dadelijk naar Betty de Mureaux gaan. Die vond toch ook dat het geen vrouwenwerk was om dokter te zijn en die zou het ook wel bespottelijk vinden van Tilie en Glad om zich over zoo iets zoo warm te maken.

„Kom ga nou gauw mee hier naast naar m’n atelier!” zeide Ottilie, en Gladys en Hilda volgden.

Het atelier was een groote vierkante kamer; middenin stonden drie schilderezels waarop drie groote, onvoltooide bloemstukken, en juist als in het boudoir, was ook hier weer diezelfde fantastische weelde, die stijllooze opeenstapeling van kostbare en ook mooie dingen, die bonte warreling van bloemen en glanskleurige weefsels en vazen en spiegels van draperieën.

Hilda stond een oogenblik zwijgend, probeerend te begrijpen waarom zij al dat saamgebrachte moois toch eigenlijk zoo leelijk vond.

Toen zag zij naar Ottilie die met Gladys bij een tafeltje in de hoek stond om haar een nieuw soort orchideën te laten zien en op eens begreep zij hoe het was. Elk voorwerp kon mooi zijn op zich zelf beschouwd, en kostbaar was het materiaal, maar de hand die van dit alles een geheel had gebouwd had de koortstrilling der fin-de-siècle-overspanning, de oogen die deze kleuren en lijnen hadden gekozen hadden den vaag zoekenden blik van onvoldaan rusteloos verlangen, en de geest die heerschte over dit alles, die zich in dit alles had uitgesproken, had het onzegbaar evenwichtlooze van hoogen aanleg en leeg, gemankeerd bestaan. Dat was het wat de atmosfeer in deze vertrekken zoo beklemmend maakte.

Ottilie’s schetsen en aquarellen waren aardig. Hilda beschouwde ze lang en aandachtig terwijl zij samen gezellig over kunst spraken. Iets frisch en breeds lag er in, verradend een bijzonderen aanleg, maar men zag het, er was niet gewerkt, niet hard en geduldig gearbeid, om van geboren talentje te stijgen tot kunstenares.

„Hoe jammer, kijk, die rozen daar es malsch en prachtig liggen, wat jammer Tilie dat je niet wat meer werkt. Ik begrijp niet dat je er niet alle diners en partijen voor geeft om het met jouw gaven wat verder te brengen.”

„Och het leven is niet de moeite waard om het zoo ernstig op te nemen.”

Ottilie zeide het distrait, bezig de plooien van een zilverzijden Oosterschen sluier te verschikken, en vóór zij er zich rekenschap van had gegeven. Het waren hare gewone woorden waarmee zij elke lastige opwelling van ernst uit haar leven verbande.

„Dat meen je niet Til,” zeide Gladys zacht.

Ottilie zag lachend om met hoog opgetrokken wenkbrauwen. Toen zeide zij langzaam:

„Nee, heel au fond misschien niet, maar ’t is zoo’n makkelijke spreuk! En werken? Ja soms heb ik het me wel es voorgenomen, maar er komt toch nooit van. Het leven van een huisvrouw en een vrouw van de wereld is zoo druk! Vandaag heb ik nou bijvoorbeeld den heelen morgen doorgebracht met het versieren van mijn tafel voor het diner van vanmiddag. Ik heb een nieuwe kleurcombinatie uitgevonden, o, je zult zien, het komt in de mode. Paarse, heel donkere orchideën met goudgeel satijnen linten en kleine strikjes van paars fluweel met goudpailletten. Het is heel goed geworden, goed van toon, heel rijk, maar ’t heeft natuurlijk een langen tijd genomen. En zoo is er altijd wat! Ga maar na bij je zelf. Wanneer zou ik moeten werken?”

„Ja maar dat is het juist wat mij voor me zelf ook zoo begint te hinderen. Is het niet zonde om een heel leven te gebruiken voor al zulk beuzelwerk?”

Ottilie lachte en trok even de schouders op.

„Je bent een grappig meisje, Hilda, dat heb ik wel dadelijk gesnapt! Zonde? Wie denkt daar nou over? Het leven van de vrouwen uit onze wereld is nou eenmaal zoo! Toilet en duizende mondaine plichtjes, een beetje charité, een beetje lektuur, wat boodschappen doen, teaen, passen, briefjes schrijven, tennissen, fietsen, bezoeken maken, musiceeren, ontvangen, menus samenstellen, dàt is ons werk nou eenmaal!”

„Maar de maatschappij heeft al heel weinig aan al dien arbeid. Me dunkt al dat luxewerk, om het zoo maar es te noemen, waar we ons mee aftobben, en toch eigenlijk op den duur ons onvoldaanheidsgevoel niet mee verdrijven, heeft toch voor niemand eenige waarde?”

Hilda zag vragend naar hare beide toehoorsters. Zij had het meer als een probleem dan als een meening uitgesproken, want dit alles raakte van zoo nabij haar eigen levensvraagstuk.

„Wat ’n positief droge opvatting, wie denkt er nou over of zijn arbeid voor de maatschappij waarde heeft of niet? En als ik dan vanmiddag mijn tafel in mooie kleuren zie schitteren en mijn gasten zijn verrukt en ik heb het bewustzijn dat niemand dit heele seizoen een mooiere tafelversiering heeft gehad, noem je dat allemaal niets?”

„Neen, niets! Voor een vrouw in de kracht van haar leven met jouw gaven!”

Hilda had het heftig gezegd en Gladys met haar zachte stem, voegde er bij:

„Ik geloof toch ook, Tilie, dat natuurlijk je tafel en je huis en je zelf mooi maken heel goeie dingen zijn, die je lang niet moet wegcijferen en die vooral hier de Hollandsche dames, wel es wat al te veel vergeten, maar het kan toch geen vulling zijn voor een heel volwassen-menschen-leven! ’t is allemaal wat je daar straks voor werkjes opnoemde: tijdpasseering maar geen tijdgebruiking! of is dat geen hollandsch woord?”

Ottilie staarde zonder antwoorden met vreemde, peinzende oogen naar haar doek. Toen ging Gladys weer voort, zacht, suggestief:

„En als je nou, om es ’n voorbeeld te noemen, in plaats van de vorige weken eindelooze visites te maken, die je toch niets kunnen schelen en zoo al meer, hard had gewerkt aan dit doek en er iets goeds van gemaakt had en je had het gezonden naar het kinder-ziekenhuis om hier of daar een kalen wand vroolijk te maken, geloof je niet dat je dan iets beters had gedaan? geloof je niet dat een goed schilderij en blije kindergezichtjes een mooier resultaat zijn van gebruikten tijd dan complimentjes van voorname gasten?”

Ottilie bleef een oogenblik nog zwijgen; haar lichten raadseloogen half gesluierd door de zwarte wimpers staarden strak voor zich uit en een moment, als een regenwolk die door de winden snel voort wordt gejaagd boven een zonnelandschap, kwam er over haar gezicht een uitdrukking van namelooze pijn. Toen schudde zij het hoofd en lachte weer:

„Met jullie valt niet te redeneeren! Ik geloof dat jullie nog vrouwenhervorming wilt gaan preêken. Maar ik ben veel te oud om nog bekeerd te worden! Mijn heele leven heb ik geleerd dat het de roeping van de vrouw is om te trouwen en dan haar huishoudentje te doen en een sieraad voor haar huis te zijn. Nou dacht ik al dat ik dat ideaal vrij nabij was gekomen en nu komen jullie mij vertellen dat ik eigenlijk mijn leven … verdoe! ’t is erg hard vindt je zelf niet?”

Hilda kon niet antwoorden. De huisbel had geklonken en Ottilie met een blik op de pendule riep in eens gejaagd:

„Hoe is ’t mogelijk, al half vijf! Dan is mijn rustuur voorbij en kunnen er weer bezoekers worden toegelaten. ’t Zal zeker visite zijn, en Jacob heeft misschien nog niet eens de thee binnen gebracht.”

In een oogwenk was zij voor den grooten Venetiaanschen spiegel met de vingers de donkere kroesvlokjes op haar voorhoofd friseerend, de strik verplooiend van haar ceintuur van mort doré satijn die van voren lang neerglansde over haar reebruin fluweel kleed.

„’t Is hier ook alweer, net als overal, de kwestie van het evenwicht! Een heele boel van die kleine luxewerkjes zijn heel lief en goed als je ze maar geen te groote plaats in je leven laat innemen. Visites en diners en paars fluweelen strikjes met goudpailletten zijn allerliefst als ze maar niet een levensdoel moeten voorstellen!”

Gladys had het haastig gefluisterd, want men hoorde voetstappen naderen. Hilda knikte, maar Ottilie had blijkbaar niet meer geluisterd. Toen de deur openging, en Jacob aandiende: „Mijnheer van Brehnen,” stond zij midden in de kamer, half geleund tegen een hoog marmer zuiltje, poseerend het hoofd even op zijde gebogen om de weeke ronding van hals en schouders mooi te doen uitkomen.

„Mijnheer van Brehnen, mevrouw van Praege en freule van Suylenburg hebben mij heelemaal den tijd laten vergeten, zoodat u ons komt overvallen in het atelier, maar als u ’t goed vindt, gaan we weer naar mijn boudoir, daar kunnen we prettiger praten.”

Zij reikte hem de hand en zag hem met haar zonderling bekorenden glimlach aan. Toen ging zij vóór naar het boudoir, het nauw gesnoerde bovenlijf licht wiegend op de zware heupen, een gang van ongedistingeerde gratie. Hilda volgde het laatst, huiverend in een vreemde ontstemming.

Was deze vrouw met haar sleepend uitheemsch accent, haar uitdagenden glimlach en die zonderlingen gloed in de oogen, dezelfde die straks in ’t atelier zoo eenvoudig en rustig had zitten praten? De klank van de huisbel die haar had herinnerd de buitenwereld en haar eigen rol daarin, was voor haar geweest als Klingsor’s stem als hij Kundry tot haar rampzalig werk roept. Alles was op den achtergrond getreden, alles vergeten, behalve de groote leus der mondaine: „Behagen!” En was ’t niet wezenlijk alsof een toovermacht haar daar juist had opgeroepen? Hoe kon anders deze intelligente, begaafde vrouw zich vernederen tot het willen bekoren van dien kleinen, dikken Stephaan van Brehnen, zoo’n onbeduidend jongetje met zijn wit blonde ooghaartjes en zijn fletse kleine oogen en rozig kinderteint en roodblond snorretje, waar hij verlegen telkens op probeerde te bijten.

Hilda had zelf den dorst naar succès gekend, maar op dit oogenblik had zij een klaar inzicht tot welk een vernedering hij voert als het een passie wordt. Haastig nam zij afscheid, het was haar als kon zij op eens niet meer adem halen in het geurende, bonte geglans dier kamer, en Gladys ging met haar mee.

„U komt nog al veel bij Ottilie?” vroeg Hilda toen zij op straat naast Gladys voortging.

„O ja, we wonen zoo vlak bij elkaar en ze trekt mij toch altijd weer aan. Ik heb zoo’n vreeselijk medelijden met haar. Zij verbeeldt zich dat ze zich amuseert en eigenlijk doet ze niets dan onophoudelijk bonte sluiers trekken over afgronden van verveling. Als ze maar es in iets waarachtig belang kon stellen, maar ik weet niet .… Haar opvoeding, haar man, haar kennissen, haar mooiheid, alles spant samen om haar in dat onbeduidende, gedachtelooze leven te houên, waar ze veel te goed voor is, en dus geen vrede in kan vinden, en daardoor komt ze tot allerlei verkeerde dingen. Ik geloof.……”

Ineens hield zij stil. De tram was voorbij gekomen en een lange, jonge man, toen hij Gladys had gezien, was er afgesprongen en stond voor hen.

„Dag Gladys.”

„Dag Maarten.”

„Wat een goed voorteeken, dat ik jou het eerste van alle menschen ontmoet!”

„Foei, wat bijgeloovig, wie gelooft nou aan voorteekens. Ben je al lang terug?”

„Ik ben nog geen uur in de stad.”

„Wat zie je er goed uit.”

„Niet waar? om honderd jaar te worden! Maken de kinderen het goed?”

Zij stonden voor elkaar en zagen elkaar aan met blije weerziengezichten. Toen dacht Gladys aan Hilda:

„Mijnheer van Hervoren; freule van Suylenburg.”

„Laat ik de dames niet staande houên, mag ik even mee oploopen? Hoe gaat het met de kinderen, Glad?”

En terwijl zij samen voortgingen werd aan Hilda even het verhaal gedaan van hun oude vriendschap. Als ingenieur was Maarten van Hervoren een tijd lang in Amerika werkzaam geweest en toen de intieme vriend geworden van Harry Arlington, Gladys’ jong gestorven lievelingsbroer. Dagelijks was hij toen bij hen aan huis gekomen, eigenlijk evenveel omgaande met de meisjes als met de broers op de vrije Amerikaansche manier. Maar later, toen Harry gestorven was en Hervoren naar Australië was gegaan, hadden zij elkaar bijna geheel uit het oog verloren totdat verleden voorjaar Maarten in ’t land was teruggekeerd om zijn moeder, die zeer ziek was, te bezoeken.

Toen hadden zij elkaar weer ontmoet, in blijde verwondering dat het lot hen weer had samengevoerd aan deze zijde van de groote zee en de oude jeugdvriendschap was opgebloeid. Voor Gladys vooral, in haar nieuwe vaderland, was het zoo’n vreugde geweest met iemand te kunnen spreken die haar als jong meisje, bijna nog als kind gekend had en haar ouders en vrienden en familie en ’t ouderlijke huis, en honderd herinneringen aan Maud en Harry en de andere broers had bewaard. Maar in ’t najaar was mevrouw van Hervoren gestorven en Maarten, wiens gezondheid daardoor al zeer was geschokt, had kort daarop longontsteking gekregen en, bang voor tering, had de dokter hem naar het Zuiden gezonden.

„En ben je nou heusch weer even goed als vóór je ziekte? Hoe heerlijk toch van het Zuiden!” zeide Gladys hartelijk.

„Als het kan, ben ik nog beter. Ik voel me heerlijk, zie je, en dat zal me goed te pas komen! Want ik ga nou aan ’t werk zooals ik nog nooit gewerkt heb.”

„Hoe dan? is je betrekking zoo druk?”

„O nee, ik heb helaas nog niet eens een betrekking. Maar ik ga me met hartstocht op de sociale studie toeleggen. Je zult eens zien! Mijn hoofd is vol plannen, als nou mijn beurs ook maar vol goud was om die plannen uit te voeren!”

Hij lachte met een jongen hoopvollen lach en zijn lenig, tenger lichaam rekte zich uit met een beweging van groote energie.

Hilda zag glimlachend tot hem op, maar toen ze zijn oogen ontmoette, klare, lichtblauwe oogen met scherp geteekende, zwarte randjes om het blauw, had zij een zonderling gevoel alsof hun blikken elkaar aanraakten, alsof zij iets uit het diepst van hun zelf, ze begreep niet wat, in dien blik tot elkaar voelde naderen. En het zonderlingste was dat zij die heel subtiele, intieme aanraking volstrekt niet onaangenaam vond, integendeel een week gevoel van rust was in eens over haar gekomen, alsof zij altijd zoo zou willen voortloopen in het paarsrose licht van den vroeg-voorjaars zonneondergang en van tijd tot tijd de immaterieele liefkoozing ontvangen van de oogen van dien vreemden jongen man.

„Heb je die plannen in ’t Zuiden opgedaan?” vroeg Gladys.

„Den heelen winter heb ik veel gewerkt en nagedacht, maar je weet wel, mama stelde zoo’n belang in al die sociale dingen en verleden zomer toen ik altijd bij haar was, zijn mijn oogen er eigenlijk eerst voor open gegaan en nou passioneert het me wezenlijk.”

Toen Maarten den naam van zijn moeder had uitgesproken, had hij even gewacht, en zijn stem had even getrild; het was maar een nuance geweest, maar Hilda’s oor, misschien nog meer haar instinkt om droefheid te verstaan, waar zij ze ook ontmoette, had het opgevangen, en verlangend om sympathie te geven zag ze weer tot hem op.

En weer gebeurde het zonderling ontroerende, weer boog hij zich tot haar over voorbij Gladys, aan wier anderen kant hij ging, en weer was het als of er onzichtbare draden uit hun oogen gingen, die elkaar aanraakten en wier contact haar stil gelukkig maakte.

Maar zij waren op de Heerengracht gekomen en Gladys stond stil voor het huis van de familie van Herkelen.

„Kom je vanavond thee drinken Maarten? Je moet me niet kwalijk nemen, maar ik heb beloofd hier een zieke op te zoeken.”

„Natuurlijk, derangeer je niet voor mij. Heel graag, dus tot vanavond.”

Hartelijk zeiden zij elkaar vaarwel. Toen boog hij voor Hilda, en wat zij anders nooit deed aan vreemde heeren, zij reikte hem haar hand. Het was alles zoo zonderling vandaag, alsof ze hem al jaren lang kende en als of zij heel lang geleden nog eens zoo, precies zoo, de Bezuidenhout met hem gewandeld had en hetzelfde, precies hetzelfde had gezegd en gehoord en gevoeld.

Hilda had stil naar haar kamertje willen gaan, en zelfs gehoopt dat zij niemand in de gang zou tegen komen, maar een vreemde vroolijkheid op het anders zoo deftige gezicht van den knecht, die haar open deed, en het zien van een paar groote handkoffers en reisdekens in de vestibule, gaven op eens een andere richting aan haar gedachten. Vroolijke, drukke stemmen klonken uit de kamer, en de knecht zeide haar met geheimzinnige plechtigheid:

„Freule, de jonker is onverwachts uit het Zuiden thuis gekomen. De heele familie is in het salon.”

Hilda begreep dat zij onmiddellijk naar binnen moest gaan; zij mocht niet onhartelijk schijnen, en de komst van haar neef maakte haar toch ook wel wat nieuwsgierig. Uit zijn brieven, die meestal kort en onbeduidend waren geweest, had zij zich nauwelijks een idee van hem kunnen maken, alleen zoo nu en dan was er een woord van ironie in voorgekomen dat haar aan Eugénie’s scherpe uitvallen had doen denken. De meisjes spraken bijna nooit over hem. Eugénie scheen vroeger veel met hem te hebben gekibbeld, Hilda had haar tenminste dikwijls met nadruk hooren zeggen dat zulke aankomende jongens vreeselijk lastig zijn in huis, en aan Corry was hij blijkbaar volkomen onverschillig geweest. „Aan zoo’n gymnasiumjongen heb je heelemaal niets!” die behoorde tot een categorie van wezens waarvoor zij nog geen belangstelling kon voelen. Wat hare tante betreft, deze had zij een paar malen aan kennissen een uitvoerig verhaal hooren doen van Edward’s bloedspuwing en het gevaar waarin hij verkeerd had; in dergelijke ziekteverhalen, die zij tot in de kleinste bijzonderheden mededeelde, was mevrouw van Starren onvermoeid, vooral wanneer zij vertrouwelijk met dames van haar eigen leeftijd zat te praten. Van het karakter van haar zoon had zij echter nooit gesproken, alleen scheen zij er trotsch op te zijn dat hij vlug, zonder blokken het gymnasium had afgeloopen.

Toen Hilda binnen kwam ging er juist een groot gelach op, een lachen zoo vroolijk en eerlijk als er maar zelden in den goud-purperen salon weerklonk. Edward stond midden in de kamer, gedrapeerd in een grijs geruiten plaid, een samenspraak voorstellende, die hij op reis had bijgewoond tusschen een Engelschman die bijna geen Fransch verstond en een garçon van het Grand Hôtel in Parijs. Er was een onweerstaanbare humor in de wijze waarop hij het misverstand weergaf, nu eens het snelzuivere Engelsch van den Brit met de daartusschen radeloos uitgestooten pogingen om een Fransch woord samen te stellen, en dan weer het vloeiende Fransch van den garçon, alles te zamen nog komieker klinkend door het overslaan van zijn jongensstem.

Of hij het werkelijk alles zoo had bijgewoond, of wel het meeste er op dit oogenblik bij verzon, onder den prikkel van het vleiend gevoel zoo het middelpunt te zijn, was moeielijk te zeggen, maar hij speelde aardig en Hilda bij de deur lachte mee met al de anderen tot hij zijn plaid wegwierp en haar deftig kwam begroeten.

„Ik hoef niet te vragen of je een goeie reis hebt gehad,” zei ze lachend.

„Nee, dank je, een perfecte reis. Ik ben wel een beetje eerder gekomen dan ik geschreven had, maar een paar van mijn beste kennissen daarginds gingen nu weg en toen ben ik er ook maar van door gegaan, want nou zou het er al te vervelend zijn geworden.”

„Waren die kennissen heeren of dames?” gichelde Corry.

„Heeren, natuurlijk; dames zijn nooit de moeite waard om er vroeger of later om weg te gaan.”

„C’est ça! Nice heeft je niet veel beleefder gemaakt, maar misschien ben je nog wat jong om over zulke dingen te oordeelen.”

Eugénie zeide het vinnig met een tergend lachje van bescherming.

Edward zag haar uitdagend over zijn schouder aan.

„Ja, jong in jaren ben ik zeker, genadige freule, ik zal zelfs niet ontkennen dat u mij negen jaren vóór bent, maar misschien dat mijn woorden van straks eerder van ervaring getuigen dan van al te groote jeugd!”

Eugénie kleurde even onder de toespeling op haar acht en twintig jaren.

„Kom ons nou maar niks wijsmaken, van je ervaringen te Malaga en te Nice hoor! Ervaringen van negentien jaar zijn en blijven kinderspel.”

Edward antwoordde niet en streek zijn zware, donker roodblonde snor omhoog met een lachje van geblaseerde ironie, dat volkomen beantwoordde aan zijn doel om Eugénie woedend te maken.

„Maar jongen!” zeide mijnheer van Starren, zonder aandacht te geven aan het gekibbel waaraan trouwens sinds jaren iedereen gewend was, „wat zie je er toch goed uit! Ik ben verbaasd over je! Wat is ie flink geworden, vindt je niet mama? En voel je je nou heusch weer heelemaal goed?”

Hij stond op en legde zijn hand op den schouder van zijn zoon, zijn oogen waren vochtig.

„Och ja, papa, natuurlijk ben ik weer goed. U hebt u in ’t najaar mijn toestand natuurlijk erg overdreven voorgesteld en.…”

„Jongen ja, het is een vreeselijke angst geweest!” En op eenmaal was het den ouden man als zag hij weer zijn zoon daar voor zich liggen, het bleeke ingevallen gezicht, de roode vlekken overal, en in de blauwe Japansche kom, die het eerst bij de hand was geweest, het lichtroode, schuimende longenbloed. Den geheelen winter had hem dit visioen vervolgd en nu hij hem daar weer voor zich zag, zijn trots, zijn lieveling, zoo gezond en vroolijk, voelde hij zich op eenmaal heel week worden. Zenuwachtig, met een korten snik trok hij Edward in zijn armen.

„Maar mijn hemel, papa, laten we nou in godsnaam niet sentimenteel worden! Ik zeg u immers dat het niets te beteekenen heeft gehad. Maar Cor, kun je ons niet wat thee en koekjes bezorgen of anders maar een glas port. Dat zal mij na de reis beter smaken dan al die belangstelling in mijn gezondheid.”

Mijnheer van Starren wendde zich stil af, zich schamende over zijn zwakheid, maar Hilda, die hem tot dusver alleen met zijn dochters en vrouw gezien had, en sterk gefrappeerd was door die onverwachte teederheid, zat stil in een hoekje van de canapé, schijnbaar verdiept in het opvouwen van haar voiletje, maar haar handen beefden daarbij. Een nameloos heimwee doorsidderde haar. O! als haar vader op dat oogenblik gekomen was en haar zoo in zijn armen genomen had! Wat was die Edward voor een jongen? Was het eenvoudig jongensbluf, die het onmannelijk vindt toe te geven aan eenige gemoedsaandoening, of was het gemis aan hart?

Een oogenblik, met intense nieuwsgierigheid, zat ze hem op te nemen. Hij had zich nu languit in een grooten fauteuil neergeworpen, een houding van nonchalante distinctie. De ellebogen gesteund op de stoelarmen, de bleeke tengere handen slap in elkaar gevouwen—het waren de handen zijner moeder, aristocratisch, met week-rose toppen en glanzend gepolijste nagels—de beenen over elkaar geslagen, de onberispelijk verlakte schoenen naar voren glimmend, een beeld van achtelooze zelfvoldaanheid.

En het amuseerde Hilda, want ze zag dat hij poseerde, en zijn voorname onverschilligheid, die waarschijnlijk een zorgvuldig nadoen was van een of ander hoog eleganten, levensmoeden vreemdeling, stond grappig bij zijn frisch, jong gezicht.

„Maar Eddy, nou moet je ons nog vertellen van dien mijnheer.… jonkheer .… hoe heet ie ook weer? Die Hollander dien je daar ontmoet hebt? Eerst schreef je dat je ’m te logeeren mee woudt brengen, en later dacht je toch dat het beter was van niet?”

Corry riep het nieuwsgierig van achter het theetafeltje waar zij in kleine, drukke beweginkjes de kopjes rangschikte.

„Je meent zeker Maarten van Hervoren,” antwoordde Edward, „wat wou je van hem weten Cor, of ie een goeie partij voor je zou zijn? Nee dat is ie heelemaal niet, hoor!”

„Maar Eddy, heb je nou nog al niet afgeleerd altijd zulke onhebbelijke dingen te zeggen!”

„Wel mama, waarom mag ik dat niet zeggen? Aan de Riviera heb ik den laatsten tijd weer allerlei zulke verbazende dingen gezien van „la chasse au mari!” Badplaatsen zijn niet bepaald geschikt om andere opvattingen over zulke dingen te krijgen, wat zeg jij er van, nichtje Hilda?”

Hilda voelde zich een oogenblik verward, hier in eens tot getuige te worden geroepen. Zij zag zijn driest doordringende oogen op haar gericht en de ironische glimlach die haar zoo geamuseerd had, straks bij het binnenkomen, toen hij voor garçon speelde, begon haar in eens erg te vervelen.

„Ik ben nooit lang op badplaatsen geweest, maar ik wil heel best gelooven dat je daar allerlei treurige, rare dingen ziet; maar daarom kan Corry toch wel zonder bijbedoelingen naar dien mijnheer van Hervoren vragen?”

Corry klapte in haar dikke, blanke poezelhandjes, half verbaasd dat Hilda haar partij koos. „Bravo! Hildy, bravo!”

Edward streelde zijn knevel en zag het raam uit, zijn ironisch lachje kon evengoed Hilda’s antwoord gelden als de vreemde dingen die hij gezien had. Toen zich tot zijn moeder wendend:

„Ja, een oogenblik heb ik er heusch over gedacht, mama, om hem hier mee te brengen. Het is de merkwaardigste kerel die je ooit gezien hebt. Soms kan ie geweldig mooie dingen zeggen, dan zou je denken een groot philosoof en alles heeft ie gelezen, bepaald ongeloofelijk, en soms is ie ook vroolijk, uitgelaten als een klein kind, en goed voor arme menschen en beesten! En als ie wil allemachtig amusant! Maar juist op dien avond dat ik hem dan wou vragen om bij ons te komen logeeren, kreeg ik Corry’s brief over het bal van de Mureaux en dat bracht mij weer zoo duidelijk al die uitgaanmenschen voor den geest en toevallig vertelde Hervoren mij juist ook dien avond voor het eerst van zijn omstandigheden en toen begreep ik in eens dat het een stommiteit van me zou zijn geweest om hem hier mee te brengen.”

„Waarom jongen? Waren die omstandigheden dan van dien aard .…. Enfin .…. hij is toch jonkheer van Hervoren niet waar?”

„Zeker maatje, maar hij kan daarom toch wel in benauwde omstandigheden zijn? Dat gaat best samen hoor! En toen ie er een beetje vertrouwelijker over sprak, begreep ik dan ook dat hij eigenlijk geen cent op de wereld heeft. Zijn ouders moeten vroeger schatrijk zijn geweest, maar bij den dood van zijn vader was de boel op en toen is hij, zoodra ie te Delft met zijn ingenieursstudies klaar was naar Amerika gegaan, en later nog een poos naar Australië, en daar heeft ie tenminste zooveel verdiend dat ie zich zelf en zijn moeder, die erg zwak was, kon onderhouden. Maar de groote zwaai om het fortuinrad naar zich toe te halen schijnt ie niet te hebben kunnen vinden. Verleden voorjaar is ie hier thuis gekomen omdat zijn werk in Australië toch juist was afgeloopen en zijn moeder, waar ie dol op was, zoo erg achteruit ging, en toen zij in September, geloof ik, gestorven was, had ie eigenlijk wel weer dadelijk de wijde wereld willen ingaan, maar hij kreeg longontsteking en half dood hebben ze hem naar ’t Zuiden gezonden.”

„En wat gaat ie nou doen?”

„Dat weet ik nog niet, maar hij zal er zich wel weer doorslaan, daar kunt u van op aan. U hebt nooit zoo’n kranigen kerel gezien. Als ie hier niks vindt, gaat ie maar weer de wereld in.”

„En waarom heb je hem niet gevraagd om hier te komen logeeren?” vroeg Eugénie goedig.

Edward haalde de schouders op en zag zijn moeder aan:

„Ik dacht dat jullie het gek zoudt vinden als ik zoo’n arme drommel hier meebracht. Hij mocht es verliefd op een van jullie worden, dan waren de poppen aan het dansen en dan kreeg ik er nog de schuld van.”

„Edward heeft groot gelijk gehad. Zulke individuen zijn licht geneigd van je te profiteeren als je te goed voor ze bent.”

Edward dronk kalm zijn kopje thee leeg en antwoordde niet, en ’t was Hilda op dit oogenblik alsof ze hem haten moest omdat hij de partij niet nam van den man waarover hij zoo juist met bewondering gesproken had. Wat een onrecht lag er in die laatdunkende achterdocht van haar tante, en waarom bleven al die anderen daar zoo kalmgenoegelijk onverschillig bij, in hun zelfzucht van rijken, die weten dat niemand hen ooit op die manier verdenken kan!

Stil zat zij nog een oogenblik in haar hoekje, luisterend naar de conversatie die zich weer levendig kruiste over kennissen en Haagsche nieuwtjes; toen stond zij op en ging naar boven in haar eigen kamertje en wierp zich op haar bed, groote tranen neerdruppend op haar kussen. Waarom zij weende wist zij niet. Een nameloos verlangen opwellend uit diepten in haar eigen hart die zij niet kende, niet begreep, een groot verlangen naar een onbestemd iets dat hoog en mooi zou zijn, dat haar leven zou kunnen vullen, overstelpte haar plotseling. „Vader,” snikte ze zachtjes een paar maal, maar bij het aanroepen van hem, die het middelpunt harer kinderjaren was geweest, voelde zij dat ook al had hij op dit oogenblik naast haar gestaan, hij niet vermocht zou hebben dien weemoed van haar weg te nemen. Walging van haar eigen leven, van haar omgeving, van de maanden die achter haar lagen en die nu komen zouden, was als een doffe achtergrond van dit opbruisend verlangen naar een ander, rijker leven en terwijl zij zachtjes voortweende, blij de spanning van haar onbegrepen droefheid te zien wegvloeien in die warme kristaldruppels, dacht zij aan Ottilie en Moisette en Edward en aan dien vreemde met zijn magnetische oogen en het leven scheen haar vol donkere raadsels, die, als zij oplosbaar waren, toch niets dan teleurstelling konden brengen.

Eerst het luiden van de etensbel herinnerde haar er weer aan dat het „jonge meisje” niet treuren mag in smartelijke onvoldaanheid.

„Lachen, amuseeren, schitteren, lachen,” gilden de hooge tonen van de bel, maar Hilda, onder het betten van hare roode oogen, in een plotselingen, woedenden opstand antwoordde er hardop tegen in: „Ik wil niet! Het mag niet! Dat kan niet de bestemming van het jonge vrouwenleven zijn!”

Na Hilda en Gladys’ vertrek had Ottilie van Heemeren nog verscheiden bezoeken ontvangen, meest heeren die hun digestievisites kwamen maken. Vroolijk en schitterend, met den hoogen uitdagenden klanklach, de raadselblikken der troublante oogen, de geestige boutades had zij zich bewogen in dien kleinen kring bewonderaars. Maar nu waren zij allen vertrokken; zij zag op de klok: half zes. Eerst om half acht wachtte zij hare gasten. Wat zou zij doen voor dien tijd? Doelloos stond zij voor het raam. Zij had nog geen zin zich nu al te gaan kleeden.

Maar ineens klonk het aanrollen van een rijtuig, pijlsnel, wild rennend kwam het aan en in een oogwenk was het voorbij. Alleen een visioen had het achter gelaten van koolzwarte paarden, kleine koper en kristal fonkelingen van lantaarns en daar boven, op den hoogen bok een glimlach teeder familiaar, een groet met de zweep in ’t voorbij vliegen.

Ottilie groette lachend terug en liet zich toen zinken op een van haar kleine fauteuils.

„Wat ’n dolleman is ie toch om zoo te hollen en nog wel op de Bezuidenhout die zoo smal is! Maar wat heeft ie ze flink in de hand, die wilde zwarten en keurig netjes groeten kan ie ook in zoo ééne seconde. Een echte ridder!”

Zij glimlachte, maar met een nuance van medelijden.

„Arme jongen, ik zal hem toch maar een invitatie voor Zondag zenden, anders zal ie al te ongelukkig zijn. Het schijnt een groote vlam te worden. Als ie nou maar niet lastig wordt, kan het nog wel amusant zijn, goed om den tijd door te komen tot we naar Zwitserland gaan.”

Loom stond ze op en ging naar haar schrijftafeltje met een kleine gaapbeweging vol lusteloosheid. Toen schreef ze met groote letters, zoo als de mode was van dat oogenblik, het adres: Jhr. Mr. van Smaarth. En terwijl ze de invitatie deed, glimlachte ze weer haar wreede sphinxenlachje en herhaalde met een zucht: „Poor fool! en dat noemen de dichters liefde! Boeken en boeken vol, allemaal over liefde! die .… niet bestaat! Niets dan wat zinnelijkheid en ijdelheidsstreeling en convenance, dat is de heele verhouding tusschen man en vrouw!”

Ze stond op en trad langzaam voor den grooten spiegel, de handen achter het hoofd gevouwen, en beschouwde zich lang met nieuwsgierige aandacht. Ze stond dikwijls zoo en zij vond zich mooi, ze genoot in de bekoring van haar eigen beeld.

„Als liefde bestond, had ik haar moeten ontmoeten! Beantwoord ik niet heelemaal aan het ideaal, waarvan mannen droomen als zij van vrouwelijke bekoring spreken? En toch heb ik nooit iemand ontmoet die mij waarachtig om me zelf liefhad! ’t Is niets dan een dichterleugen, liefde. Alsof niet van Smaarth alleen zich zelve, zijn eigen genot in mij liefhad, als of niet mijn man alleen een sierlijk ornament in zijn huis, een goeie huishoudster voor zijn tafel, een jong, vroolijk gezelschap in zijn leege uren in mij liefhad. Wat kan het ze allemaal schelen wat of ik voel en lijd en of ik verga van verveling, verveling, verveling!”

Zij had het woord hardop gezegd en het verlichtte haar het met hartstocht te herhalen in een gril van machtelooze wanhoop.

„En al die menschen die gelooven dat ik gelukkig ben, omdat ik jong en mooi en rijk en artistiek en bewonderd ben! Als of ik niet verging van kou en leegte en onbevrediging en verveling!”

Toen ging de deur open en mijnheer van Heemeren trad binnen. Hij was veel ouder dan Ottilie en zijn hooge magere gestalte begon zich aan de schouders wat te buigen, maar in zijn zorgvuldig geconserveerden ouderdom zag hij er zeer voornaam uit, vooral zooals nu als hij in rok en witte das was.

„Ottilie, is het geen tijd dat je je gaat kleeden? anders ben ik bang dat je je weer zoo zult moeten haasten.”

„Ja zeker ik zal dadelijk gaan,” zeide zij vriendelijk beleefd, zooals zij gewoonlijk tot hem sprak en zij ging heen nog zachtjes neuriënd „verveling.”

Maar onder het opgaan van de trap was zij reeds verdiept in de vraag wat beter zou staan bij haar nieuwe japon, haar paarlen collier of de antieke parure van amathysten.

Op het diner bij de van Praegen had Hilda Corona van Oven ontmoet. Tegen half tien was zij gekomen, een mooie verschijning, met iets zeer edels, de hooge slanke gestalte in ’t lange zwart fluweelen kleed, dat tegen het bonte lichtglanzen der andere damestoiletten streng afstak, maar mooi deed bij den zuidelijken ivoorteint en de groote grijze oogen. Zij hadden een oogenblik prettig samen gepraat en Corona had Hilda geïnviteerd om den volgenden dag bij haar te komen afternoon tea drinken. „Dat mag je wel apprecieeren!” had Gladys schertsend gezegd, „want dokter van Oven is niet gul met haar invitaties!”

Maar Corona had levendig geantwoord dat zij meende met de freule van Suylenburg bijzonder prettig te zullen kunnen praten.

Het kleine huis op het Lange Voorhout dat dokter van Oven bewoonde, was niet moeilijk te vinden. In duidelijke eenvoudige letters stond het zwart tegen het grijze huisfond: Dr. Corona van Oven, arts.

Het zag er heel gewoon uit, en toch leken zij Hilda iets heel bijzonders, die woorden die daar stonden.

Een kindermeisje, aan elke hand een klein bleek kindje, kwam juist voorbij de stoep. Het eene kleintje bukte zich om een steentje op te rapen, dat glinsterde in de zon. „Wil je wel es niet zoo ondeugend zijn, akelig nest! en die vuiligheid laten liggen,” snauwde het meisje, ruw schuddend het teere armpje. Het kind huilde niet en liep voort, misschien alleen nog iets bleeker en doffer. Een paar werklieden kwamen aan, in ’t voorbijgaan de zoele voorjaarsatmosfeer besmettend met een stroom van vuile lucht, en hun lach was nog vuiler toen zij het kindermeisje een paar gemeene woorden toeriepen. Daar ratelde een equipage voorbij, een verlept blonde vrouw, een hoed met veel rozen, witte handschoenen, van achteren gezien niets dan een kostbaar kanten parasol en het was voorbij. Hilda groette even en zag toen weer naar de letters en als een revelatie voelde zij opeens hoe de wereld schijnbaar veranderingloos in de sleur van elken dag voortleeft, terwijl er groote dingen geschieden. Kinderleed, ruwheid, smerige ellende, zonde en wufte onverschilligheid schijnen overal hun gang te gaan, maar hier als een blij zegeteeken van overwonnen veroordeel stonden een paar beteekenisvolle woorden als een belofte voor de toekomst.

De voordeur ging open en Marijken, Corona’s oude meid kwam voor.

„Is u de freule van Suylenburg?”

„Ja, de dokter wacht mij.”

„De dokter is net uitgeroepen. Dat gaat altijd zoo. Je weet nooit of ze thuis zal zijn of niet. Maar lang geloofde ze niet dat het duren zou en ze heeft me gezegd of u maar op d’r wachten woudt. Freule van Arkel is er ook al, die zou ook komen thee drinken.”

Hilda ging binnen, teleurgesteld. Zij vond het idee van daar met een vreemde dame te moeten zitten erg vervelend, en vroeg zich af wie het wel zijn kon. Zij kende aan het hof een ouden mijnheer en mevrouw van Arkel, maar die hadden geen kinderen. Waar kwam nou deze freule vandaan?

Corona’s kamer was een ruim en stil vertrek aan den achterkant van het huis, hoogst eenvoudig met iets van den grooten ernst van haar beroep. Het ameublement van mooi donker eikenhout met rood leer, de groote bureau-ministre, de kasten en tafels vol boeken, het zag er alles streng uit, maar toch ook rustgevend voor diegenen die met gefolterde zenuwen van buiten uit het gewoel tot haar kwamen. Geen enkele dier weeldeprullen waarmede de modesalons van tegenwoordig overvuld zijn, stoorde de harmonie van dit werkheiligdom. De eenige versiering, en die was vorstelijk, bestond uit een photographie van Braun naar Rafael’s Sixtijnsche madonna, origineele grootte. Overweldigend was de indruk der zwevende figuur. Zij vulde, zij verslond het heele vertrek, het verlichtend met haar reinheidsglans.

Hilda had de schilderij dikwijls en nooit zonder groote ontroering te Dresden gezien, maar vandaag frappeerde het haar bijzonder.

Dit was niet de teedere moeder die haar kindje koestert, niet de weemoedsvolle jonkvrouw, vóórvoelend de Mater Dolorosa, niet de hemelkoningin in extatisch opzien tot haar zoon, niet de heilige maagd in beate onnoozelheid. Dit was niet de incarnatie van gebed en vroomheid en jubelende Godsliefde of stille aanbiddende contemplatie zooals de primitieven hun Madonna’s hebben gemaakt, noch ook de gezocht mooie vrouw, het ideaal van vrouwelijk schoon, dat de renaissance heeft geschapen. Deze Sixtijnsche Maagd heeft haar eigen plaats. Het is de hoogreine vrouw, de glansoogen wijd geopend starend in de verre toekomst, in één blik overziende het al, de smarten der realiteit en de vreugden van het ideale streven. Zij ziet ze vóór zich, de lijdende, zondigende menschheid, smachtend naar het verlossende liefdewoord en ’t machtige voorbeeld, zij ziet de hoog heilige taak en ’t vreeselijke wee, wachtend haar kind, en toch fier, zonder aarzelen schenkt zij het der wereld. De teederdragende handen houden nauwelijks het lichaampje vast, zij bieden het aan, heel de houding is een voorspel van ’t sterke, vrijwillige offer te Golgotha volbracht; geen week weenende moeder om haar zoons physieke lijden, alleen de hooge vrouw die in den smartelijken ernst van helderziendheid, een stille vreugdeglorie om den mond, haar kind tot het hoogste wijdt. Vrouwen die iets van dezen blik hebben verstaan, zullen groote zonen opvoeden.

Een oogenblik stond Hilda midden in de kamer, getroffen, toen dacht ze aan freule van Arkel en groette. Het was een tenger meisje, niet jong meer, met kleine, bruine oogen vol intelligentie, in een kleedje van kleurloos bruin, het type der geëffaceerde distinctie, waarin Haagsche dames met weinig fortuin uitmunten.

Gedurende haar vroegere reisjaren was Hilda zorgeloos gemakkelijk in haar omgang met vreemden geweest, maar in de leerschool harer tante had zij den laatsten tijd tegenover onbekenden iets van de voorzichtige stijfheid aangeleerd, die een onaangename eigenaardigheid van veel Hollanders is.

Na een kleine banaliteitenwisseling, zette zij zich zwijgend in Corona’s stoel, terwijl Marguérite van Arkel, blijkbaar volkomen thuis, begon thee te zetten. Een poosje zaten zij bij elkaar, in een vervelend zwijgen, toen zeide Marguérite lachend, een klein beetje verlegen:

„Ik geloof, freule, dat Corona ons samen gevraagd had omdat zij dacht dat wij beiden iets aan elkaar zouden hebben. Zij heeft mij van u verteld en ik geloof dat wij prettig zouden kunnen praten. Willen we dus maar dadelijk beginnen en niet onzen tijd verliezen om onder een paar onnoozele opmerkingen te zitten wachten tot wij deftig aan elkaar zijn gepresenteerd?”

Hilda lachte, haar onweerstaanbaar jong lachen dat heel haar gezichtje verlichtte. Toen was alle reserve voorbij.

Een half uur hadden zij druk zitten praten, bijna vergetend te wachten op Corona’s komst, in de blije verwondering harer ontwakende sympathie.

„Hoe zou toch de dokter aan deze prachtige reproductie komen?” vroeg Hilda naar de Madonna wijzend.

„Dat kan ik u makkelijk vertellen, want ik heb ze haar zelf gegeven.”

„Zeker na ’n gevaarlijke ziekte? een dankoffer?”

Marguérite glimlachte met een warme kleur die aan haar stil, bleek gezichtje een gloed van jeugd teruggaf. Toen met het abandon, het spontaan vertrouwen dat zoo wonderbaar ontstaat soms tusschen vrouwen die elkaar nog vreemd zijn, maar voelen dat zij elkaar begrijpen, antwoordde zij zacht:

„Ja, voor de redding van een gevaarlijke ziekte. Een heel gevaarlijke, omdat zij moreel was. Ik heb u al gezegd dat ik het eigen nichtje ben van den adjudant der Koningin, en dat ik Fransche les geef hier aan een kostschool. Dat was mijn ziekte! Begrijpt u dat?”

Hilda’s spanningsblik liet haar dadelijk voortgaan:

„Mijn oom aan het hof, veel schatrijke familie hier, allemaal uitgaande in de hofkringen, en ik een arme schooljuffrouw! Kunt u u indenken wat dat een pijn van valsche schaamte, vernedering, afgunst was. Tot mijn twaalfde jaar was ik ook rijk geweest. Het is de oude, eeuwig zich herhalende geschiedenis der groote families, die te gronde gaan. Mijn moeder was jong gestorven, en in zorgelooze verkwisting leefde mijn vader voort in een luxe, die hij vond dat noodzakelijk bij zijn stand paste maar die zijn beurs hoe langer hoe minder toestond. Gelukkig heeft hij zijn ruïne niet lang overleefd; hij had niet in armoe kunnen leven, mijn arme papa! .… Maar ik bleef alleen achter en leerde voor mijn examens in een vochtig, kil kamertje bij vuile menschen in den kost en had niets om me te wapenen tegen de hardheid van dat nieuwe leven dan de herinnering aan prachtig speelgoed en kleeren en een eigen ponny en aan de illusie om later in wit satijn met parelen naar het hof te gaan. Toch, behalve natuurlijk de enkele oogenblikken dat ik mij zelve erg miskend en diep te beklagen vond, waren mijn meisjesjaren niet ongelukkig. Ik leerde makkelijk en er waren op de kweekschool en later op de Fransche kostschool verscheiden juffrouwen en meisjes waar ik veel van hield. Heel wat uurtjes van echt dol meisjeslachen en jong dweepen kan ik mij herinneren uit dien tijd. Eerst toen ik klaar was en toevallig hier in den Haag een betrekking kreeg, begon de verbittering en de ellende. In een echte kostschoolmeisjesonnoozelheid had ik mij zoo half voorgesteld dat ik heel goed tegelijk secondante kon zijn en aan het hof kon komen en bij al mijn familie, als ik maar geld genoeg opspaarde om een mooie japon te koopen. Ik was drie-en-twintig, en had al mijn lagere aktes en die van hoofdonderwijzeres en middelbaar fransch a. De laatste jaren waren dus niets dan hard leeren geweest. Van de wereldverhoudingen kende ik niets. O! ik ben wel een echt specimen geweest van die akelige halfontwikkeling die de tegenwoordige opvoedingsmethode kweekt: aan den eenen kant een bergenhooge opeenstapeling van schoolboekengeleerdheid en aan den anderen kant volkomen onkunde van het leven, volkomen gebrek aan inzicht en begrijpen, waar het in de wereld toch juist op aan komt. Natuurlijk was ik trotsch op mijn akten en ik stelde mij voor dat mijn familie in den Haag ook trotsch op mij zou zijn, en ik daar allemaal hartelijke menschen zou vinden die hun eenzaam nichtje dat zoo hard gewerkt had en zoo knap was, met liefde zouden overladen.”

Zij lachte even, het rustige lachje van overwonnen leed.

„Toen kwam natuurlijk de ontgoocheling. De meesten kenden mij niet meer, namen geen notitie van mijn bestaan. Mijn bezoeken werden onbeantwoord gelaten. Enkelen groetten mij hoog beschermend, de meeste wendden het hoofd om, alleen een oude nicht zond mij vijftig gulden en den raad om nu goed mijn positie te leeren inzien en te begrijpen dat ik, een van Arkel die haar brood moest verdienen, in zekeren zin een schande voor de familie was, hoe verdienstelijk het ook zijn mocht dat ik mij onafhankelijk had gemaakt, en zij raadde mij aan voortaan het „freule” er maar af te laten en als juffrouw van Arkel mijn carrière te volgen.”

„En wat hebt u gedaan?” vroeg Hilda gespannen. Met haar sterke vrouwenintuïtie had zij onmiddellijk het beeld van Marguérite’s toestand in zich opgenomen. Zij had ze in haar eigen hart gevoeld, de brandende teleurstelling in de menschheid, de opstand, de bitterheid die het secondantetje deze eerste jaren moest hebben geleden.

„Ik heb haar het bankje teruggezonden met de woorden: Met dank aan jonkvrouwe Brigitte van Arkel, van jonkvrouwe Marguérite van Arkel.”

De beide meisjes lachten, maar Marguérite ging ernstig voort, het was een stuk uit haar leven zoo vol pijn, dat zij het ernstig behandelen moest:

„Natuurlijk, het trotsche bloed van mijn vader zat in mij en ik betaalde hun hoogmoed met gelijke munt, en wreekte mij waar ik kon op dezelfde kleingeestige, hatelijke manier als zullie mij vernederden, maar dat maakte mij nog ellendiger, al dacht ik ook dat het mij voldoening gaf, en soms als ik zoo’n equipage zag aankomen met mijn wapen op het portier, kwam er een woede in mij op die me slecht maakte, bepaald slecht, freule, een passie van haat en afgunst. Er waren oogenblikken dat ik met vreugde een ongeluk zou hebben gebracht in die trotsche, rijke huizen waar men weelde en geluk had en de arme schooljuffrouw verachtte, en dan schold ik op de hoogere standen en verlustigde me bepaald in de praatjes van hun schandalen die ik hier of daar opving. En soms ook weer had ik er een laf, heimelijk genot in om me toch niettegenstaande alles zoo nauw verwant te gevoelen aan die machtige menschen die toch zoo onbereikbaar hoog waren, dat ze mij, hoe ik me ook schrap zette, onder hun neerzien konden verpletteren. O! het waren zulke ontzettende jaren.

Alles verbitterde me, overal zag ik een vernedering in. Achterdocht en jaloezie maakten alles zwart. Voortdurend was ik in opstand over het domme onrecht van de wereld die mij, die ’t zelfde bloed in de aderen had en veel knapper en energieker was, zoo ver beneden mijn trotsche familie stelde, omdat ze meer geld bezat. Mijn werk zou ik wel prettig hebben gevonden, want de kinderen hielden van mij en ik doceer graag, maar dat was juist de ellende, een werkkring, waarom ik door mijn familie veracht werd, kon ik niet hoog stellen. Ik schaamde er mij over en de rampzalige strijd begon tusschen voort te moeten om te leven en zich diep vernederd te voelen door dat werken. Mijn zelfachting, de achting voor mijn werk begon heelemaal te zinken, en ik geloof, dat ik toen in staat zou zijn geweest een laagheid te doen, een huwelijk uit raison of zoo iets, om mij op te heffen uit wat ik toen mijn vernedering noemde.

Toen kwam Corona en zij lachte mij uit tot ik mij schaamde over mijn valsche schaamte! Haar voorbeeld deed eigenlijk nog meer; ik zag hoe zij rustig en hard voortwerkte, haar werk heilig houdend, hoe zij kalm glimlachte bij de kleingeestig beschermende hoogheid waarmee sommige dames haar trachtten te behandelen, ik zag hoe zij van dag tot dag meer achting en vereering won door de suggestieve overtuiging waarmede zij haar roeping volbracht en op eens als een zonnestraal in een kamer, waarvan de luiken lang toe zijn geweest, kwam het besef tot mij dat er nog een ander soort aristocratie is, dan die van rijkdom en luxe, een aristocratie van geest en hooge beschaving, die voor mij open stond als ik mijn best deed, en waar ik mij gelukkiger in zou gevoelen, dan in die van equipages en niets-doen.”

Beide meisjes zwegen, even voortsoezend over de beelden, die Marguérite’s lange verhaal had opgewekt.

„Hoe heerlijk dat u juist toen dokter Corona heeft ontmoet,” zeide Hilda.

„Ja, heerlijk! En ik wou dat ik u kon herhalen wat zij in zulke dagen tegen mij zeide. Ik wou dat ik haar woorden had opgeschreven en ze nu kon uitgeven, want al dragen ook niet veel meisjes zoo’n lastigen naam als de mijne, mijn strijd in alle nuancen en graden wordt nog iederen dag gestreden door honderden vrouwen, die door den nood gedrongen zijn om geld te verdienen, terwijl fatsoen en deftigheid werken voor geld verbieden. Dat geeft het schandevol hunkeren naar een huwelijk, het eerste het beste, en het tot den laatsten dag uitstellen om te gaan verdienen van meisjes die het hoog noodig hebben, maar die liever in den uitersten nood, de goede jaren en gelegenheden laten voorbijgaan dan tot dat gevreesde te besluiten! Het is de groote factor van zedeloosheid en energieverslapping onder de onbemiddelde vrouwen! En o! als zij het toch maar wilden begrijpen, dat nu de tijd voorbij moet zijn, dat het eervoller voor het jonge meisje is, haar leven in onhandige philantropie of in de enerveerend drukke leegheid van uitgaan te verbeuzelen of hoogstens in onbemiddelde huishoudens meidenwerk te doen, dan flink te arbeiden en zich zelve een vrij bestaan te verdienen ten nutte van het algemeen. Want dit moet het principe van werken worden, zoowel voor mannen als voor vrouwen: Nuttig zijn, iets beteekenen voor de gemeenschap! Omdat leven zonder werken niet fatsoenlijk, maar eerloos is en ook omdat er toch geen heerlijker, glorieuser, moreeler geld is dan het zelf verdiende!”

In groote opwinding had Marguérite voortgesproken, het stille gezichtje één leven. Hilda voelde zich meegesleept; het was haar op eenmaal als viel er een nieuw licht op haar vaag onbevredigd voelen van den laatsten tijd. Zij was verlegen wat te antwoorden. Marguérite had zoo vreeselijk groot gelijk, maar wat kon zij antwoorden, zij met haar beuzelleven?

Maar ze behoefde niets te zeggen. Marguérite had haar een nieuw kopje thee gebracht en bleef voor haar staan. Aarzelend, kinderlijk lief, vatte zij haar hand:

„Vindt u het niet gek van me, freule van Suylenburg, dat ik u dat allemaal zoo bij onze eerste kennismaking heb verteld? Maar! u kunt niet gelooven hoe deze kwestie mij passioneert, en uw vraag over de Madonna bracht er mij zoo van zelf op. Ik zou soms willen uitgaan en er hardop over preeken! Ik zou het onze jonge meisjes met hartstocht willen toeroepen tot ze ’t eindelijk verstonden: Ga uit en werk en grijp je aan! Gebruik dan toch je gaven en krachten, die God je er voor gegeven heeft! Stel je niet tevreden met dien toestand van te veel geld om te verhongeren en te weinig om echt van te leven, waarin zoovelen nu nog treurig voortsoezelen, werk uit al je macht in alle richtingen, je hebt evengoed als je broers recht op een onafhankelijk, werkzaam leven!”

Hilda zag tot haar op met haar sympathiek jonge glimlach van opgetogenheid.

„O! Waarom doet u het niet! Waarom gaat u niet uit preeken? Ik geloof dat u ons allemaal zou kunnen meeslepen!”

Maar Marguérite, met iets mats in eens na de opwinding van haar spreken, schudde het hoofd.

„Later misschien. Eerst moet ik zelf nog een boel leeren en lezen en denken en dan.…. Waarschijnlijk kom ik later aan het hoofd van de kostschool en als ik er dan een opvoedingsinrichting van gemaakt heb, zooals ik mij die voorstel, waar wij denkende, voelende vrouwen zullen klaarmaken, inplaats van zooals nu, welgemanierde volleerde jonge dames—wat een grappig veelbeteekenend woord nietwaar: volleerd?—dan ga ik misschien uit om te preeken.”

Op dit oogenblik kwam Corona binnen. Zij had blijkbaar hard geloopen en zag er onder het strooien voorjaarshoedje met de animatie van het snelle gaan, jonger en vroolijker uit dan den vorigen avond.

„Preeken, Maggy? Wou je gaan preeken? Maar je doet je heele leven niets anders, kind! Is ze niet al te zwaar op de hand geweest, freule?”

Marguérite antwoordde met gezochte deftigheid, maar om haar oogen wemelde het van lachtrekjes.

„Je moest je schamen, Corona van Oven. Eerst laat je je gasten alleen zitten en dan luister je aan de deur wat zij zeggen. Maar hier in deze zelfde kamer heb ik zooveel preekjes van jou gehad, dat ik hier gerust durf zeggen dat ik op mijn beurt ook eens zou willen gaan preeken.”

Hilda stond op; het was laat geworden en zij moest uit eten.

„Ik hou erg veel van die soort van preeken!” zeide zij lachend. „Mag ik er nog eens meer een komen hooren?”

„Ik hoop, dat u heel dikwijls komen zult!” zeide Corona hartelijk.

En terwijl Hilda naar huis ging, vreemd ontroerd door dien blik op een leven vol werk en strijd, dat haar nieuw was en boeiend scheen, zeide Marguérite van Arkel:

„Ik geloof dat je gelijk hebt, Cora mia, er zit iets heel aardigs in dat meisje. Het zou zonde van haar zijn, als zij verloren ging in het fladder-leven van niets-doen.”

„Ik geloof het ook! Heb je nog iets dieper met haar kunnen gaan dan de gewone praatjes?”

„Ja, het kwam zoo van zelf. Zij vroeg hoe je aan de Madonna kwam, en toen heb ik haar het heele verhaal van mijn ziekte gedaan.”

„En geloof je dat het haar pakte; dat zij het begreep?”

„Ik geloof het zeker. Maar hoe heb je haar gisterenavond in dat korte oogenblik eigenlijk zoo ineens ontdekt onder al die menschen?”

„Ik had al van haar gehoord door mevrouw Cranz en door Gladys van Praege, en gisteravond viel het mij op, hoe koel zij was tegen den jongen Cranz, die haar blijkbaar erg het hof maakte, en toen begreep ik dat zij bepaald anders moest zijn, dan de meeste, om zoo’n prachtige partij niet vriendelijker te behandelen.”

„Misschien was het koketterie?” zeide Marguérite aarzelend.

„Neen, Maggy, dat kun je toch wel dadelijk zien, ze ziet er niet uit als een kokette, vindt je niet?”

„Neen, maar met die echte uitgaan-meisjes kun je ’t nooit weten, ze zien er soms zoo lief en onschuldig uit en ondertusschen .…”

„Nee!” zeide Corona warm, „van die comediantjes heeft Hilda heelemaal niets. En dan toch Maggy, al kunnen die listige onnoozelheidjes ook nog zoo makkelijk haar dupes onder de heeren maken, geloof je dat wij er ooit een van beiden zouden inloopen? Vrouwen zien onder elkaar zoo oneindig scherp.”

„Ja, dat is waar, en je zult wel gelijk hebben dat Suylenburgje beter dan de meesten is, eigenlijk geloof ik het zelf ook wel, en wij kunnen ons best voor haar doen, maar geloof je heusch, Cora dat het ooit gelukken zal om een meisje uit die wereld tot werken te krijgen?”

„Wij moeten het in elk geval probeeren. Het kan niet lang duren of zij zal zich onbevredigd gaan voelen. Misschien doet ze ’t nu al, en dan zullen we zien! Het moet er toch eenmaal toe komen dat de rijke en voorname vrouwen aan het werk trekken. De vrouwenzaak zou er zoo oneindig hooger door worden wanneer principes en niet alleen meer geldnood de meisjes aan den arbeid deed gaan!”

„Amen!” zeide Marguérite. En in een elan van dartele teederheid hare beide armen om Corona heenslaande:

„O! Corretje, ik wou dat ik rijk was! Niet meer om naar ’t hof te gaan in wit satijn met parelen, maar om een groote school op te richten waar ik meisjes tot geëmancipeerde vrouwen zou willen opvoeden! Zie je, niet zoo als de domme wereld van ons denkt als we van emancipatie spreken, dat we vrouwen tot mannen willen maken, maar vrouwen tot waarachtige vrouwen, niet meer, zooals nu de meesten zijn opgevoed tot vrouwelijke kinderen, die alleen maar lichamelijk volwassen zijn. En dan zou ik aan de heele wereld willen zeggen: zie jullie het wel? Ik ben schatrijk en toch blijf ik „schoolmamzel”. Het is heerlijk om elken dag een vaste taak te volbrengen, waar je in geloofd en waar je je geschikt voor voelt. Heerlijk om trotsch te zijn, op ernstig plichtgetrouw werken!”

Corona bukte zich, zachtjes glimlachend, en kuste haar op het voorhoofd. Toen, met een vreemd vertrekken van pijn in haar bleeke gezichtje fluisterde zij:

„Blijf je bij mij eten, lieveling? Ik wou je spreken .… Ik wou je laten lezen .…. Ik heb een brief van Frank .….”

Sedert Edwards thuiskomst was er in huis een vroolijke gezelligheid gekomen die Hilda er tot nog toe niet gekend had. Niet dat hij zooveel thuis was: Scheveningen en zijn nieuwe rijpaard namen hem een groot gedeelte van den dag in beslag, maar aan tafel, nu de stilte van het zomerseizoen begon en men dikwijls alleen onder elkaar was, vulden zijn komieke verhalen en grapwoorden heel wat stille oogenblikjes aan.

Mijnheer van Starren vertoonde zich meer in den huiskring, mevrouw scheen minder koelvormelijk als Eddy haar liet lachen en met Corry kon hij stoeien langs de trappen en door de kamers als een paar jonge honden. Alleen Eugénie was in zijn bijzijn nog scherper in haar replieken dan vroeger. Woorden van boosaardige geestesscherpte, van wreed koud spotten en hatelijkheden in bedekte termen werden er voortdurend tusschen hen gewisseld. Het was een antipathie die zich reeds als kinderen bij hen had doen gevoelen, en die zich bij het groeien van hun vernuft en het zich weinig ontwikkelen van hun gemoedsleven noodwendig moest accentueeren. Maar Eugénie bleef den laatsten tijd veel alleen op haar kamer en haar afwezigheid, misschien nog meer dan Edwards bijzijn, gaf iets van rust en gezelligheid in de huiskamer.

Veel zat zij alleen, maar niemand bekommerde er zich over wat zij daar eigenlijk al die uren uitvoerde. Niemand nam er eenige notitie van als zij zoo lang wegbleef en niemand wist dat zij dan soms stil ineengezonken, uren lang in haar stoel zat, hopeloos dof voor zich uitstarend met een slap slaperig gevoel in haar hoofd, alsof het leeg was, tot haar oogen toevielen en onder de neergeslagen wimpers tranen weggleden en de bovenlip zich met kleine kramptrekjes optrok als van lachen, akelig lachen. Soms ook zat zij te lezen met brandend roode vlekken van inspanning op de wangen, voorover gebogen, ademloos het gif inzuigend van romans uit een leesbibliotheek, die zij zorgvuldig, zelfs voor Corry, verborgen hield. En als zij dan beneden kwam in gezelschap, soms mat en klagend over hoofdpijn, soms koortsig opgewonden, was er niemand die acht gaf op die vreemd afwisselende stemmingen.

De huisgenooten vonden haar lastig en prikkelbaar, maar niemand verdiepte zich in de oorzaak daarvan. In hoeveel gezinnen leven niet de familieleden geestelijk verder van elkander verwijderd, dan wanneer zij vele dagreizen van elkaar gescheiden waren? Wat zij aan zouden doen, waar zij heen zouden gaan, om zich te amuseeren, en wat zij af te keuren vonden in hun wederzijdsche kennissen, dat waren de eenige punten van belangstelling in elkaars voelen en denken, die de van Starren’s kenden.

Juni was heet en droog dat jaar. Brandend scheen de zon op de kiezelpaadjes van den tuin en honderde rozen kaatsten de stralen terug in verblindenden kleurengloed. Hilda en Corry zaten in de veranda, warme geurende lucht stroomde bedwelmend binnen, maar de groote marquise hield den zonnegloed buiten en met de donker gehouden tuinkamer tot achtergrond, de afhangende varens, de beide meisjes in haar lichte zomerkleedjes, lag er iets feestelijk rustigs in de geheele omgeving.

„Hê, wat heb jullie ’t hier lekker! Zeg meisjes, twee nieuwtjes, is dat niet veel voor zoo’n snikheeten morgen, dat je al je verstand voelt wegsmelten?”

Edward wierp zich languit op de rieten sofa. Keurig, bijna fatterig zag hij er uit in zijn nieuw fluweelen rijpak, met de lichtgele, leeren slopkousen, toegegespt tot aan de knie en de kokette jockeypet, waarop hij ijdel was als een kostschoolmeisje.

„Twee nieuwtjes, Eddy?”

„Ja, eigenlijk zelfs drie, maar dat derde beteekent minder voor jullie, dat is alleen maar, dat Maarten van Hervoren weer een goeie betrekking gekregen heeft, en nog wel hier in de stad, aan de fabriek van Lagrange en Co.”

Een zacht gichelen liet zich in de donkere achterkamer hooren, waar Eugénie en Betty de Mureaux bij de piano muziek aan het doorbladeren waren. Edward sprong op:

„Neem me niet kwalijk, freule! Ik had u in de schemering niet zoo gauw gezien.”

„Toch geen godenschemering?” vroeg Betty, op den klank afgaande, want zij had geen flauw besef wat het woord beteekende.

„Een godinnenschemering!” zeide Edward met de mooiste buiging uit zijn flirtrepertoire, maar zijn koel ironische glimlach zeide het dubbelzinnige van zijn antwoord.

Betty echter nam het als een compliment op en lachte een behaagziek lachje.

Het was een klein dik meisje met zwaar plompe bewegingen. Het dunne gladde haar, licht blond, was van achteren in een armoedig knoopje gewonden, het geheele gezichtje, wasachtig rose, onbeduidend, had Hilda dikwijls herinnerd aan een boerennaaistertje te Suylenburg. Het waren de zware vormen van den landbouwstand, de matte teint en de stijve bewegingen van een zittend leven en zij had zich verwonderd hoe deze erfgename van het oude refugié-geslacht, dat zich sinds eeuwen in weelde had kunnen verfijnen, dit grove type kon aanbieden. Toch hield zij wel van Betty, iedereen hield van haar. Zij was zoo goedig en zacht, vooral onder meisjes alleen, want als er heeren bij waren, had zij soms iets nerveus dat haar onnatuurlijk maakte.

„Maar vertelt u nou gauw uw nieuwtjes, of zijn het geheimen voor mij?” zeide Betty, met een poging in haar fletse oogen om schalks te kijken.

„Nee, zeker niet freule, ze zullen u ook interesseeren, denk ik. Wel, het eerste is, dat Valérie Vermaezen begin September trouwt op hun buiten te Wassenaar, en dat er groote feesten komen, waar iedereen op gevraagd wordt.”

„Hoe aardig!” riep Corry bijna juichend. „Zij was eerst van plan om in November te trouwen en dan hier in de stad, maar buiten zal het veel aardiger zijn!”

„Nou, dat groote nieuws had ik jullie ook wel kunnen vertellen! Als of ik, die haar bruidsmeisje zal zijn, dat niet al lang wist!” Eugénie zeide het met tergende minachting.

„En waarom vertel je het dan ook niet? Je bent altijd zoo gewichtig en geheimzinnig, als je zoo iets hoort!” zeide Edward, boos dat zijn nieuwtje bekend was.

„Och, ik vind dat nou zoo belangrijk niet. Ik maak niet zoo’n drukte over zoo’n bruiloft.” Koud sarrend, uit de hoogte klonk Eugénie’s antwoord.

Edward stoof op.

„En wat vindt de freule dan wél belangrijk? Wat is er ooit belangrijk voor vrouwenhersens, dan de partijen die er zullen zijn en de toiletten, die zij zelve en haar vriendinnen zullen aanhebben en de heeren die ze daar zullen ontmoeten? Dat is jullie heele leven! En dat geeft zich dan nog airs van zoo’n trouwfeest niet hare aandacht waardig te keuren.”

Betty zag vleiend teeder tot hem op, maar hij lette niet op haar.

„Maar mijnheer van Starren, waarom spreekt u nou zoo in ’t algemeen? Corry en ik vonden uw nieuwtje heel belangrijk. En dan .… wij stellen toch ook nog in een heele boel andere dingen, dan die u daar opnoemde, belang!”

Eugénie en Edward stonden tegenover elkander, elkaar strak uitdagend aanziende; hij vuurrood in die machtelooze drift, waarin Eugénie hem telkens wist te prikkelen, zij zeer bleek, het hoofd achterover, de koude oogen, de opgetrokken bovenlip éen tergende minachting. Buiten zich zelve barstte hij uit:

„Nou, die heele boel andere dingen zullen allemaal wel even interessant zijn als de japonnen kwesties. Alsof dames zich ooit interesseerden voor ernstiger dingen! Daar hebben ze immers geen hoofd en geen tijd voor! Zooals Schopenhauer zegt: de vrouw is maar een tusschenwezen, tusschen man en kind!”

Driftig, persoonlijk beleedigend, slingerde hij zijn woorden naar Eugénie.

„Maar, dat moet u ons niet verwijten, dat kunnen wij toch niet helpen!” riep Betty koket pruilend. Het scheen niet in haar op te komen, dat Schopenhauer’s uitspraak minder juist kon zijn.

„Eddy, Eddy, wat hol je door!” Zacht legde Hilda haar hand op zijn arm.

„Edward, lieve jongen, je bent een echte parvenu!” zeide Eugénie ijzig kalm.

Het kwam striemend op hem neer, hem treffend in zijn teerste gevoel. Sinds maanden was al wat chic en elegant was, zijn hoogste streven geweest, met jonge naïviteit had hij genoten van het bewustzijn een van Starren te zijn, en rijk en voornaam.

„Hoe meen je dat?” vroeg hij onthutst, heftig kleurend.

„Parvenus, beste jongen, zijn menschen die een weelde hebben verworven, die zij nog niet sterk genoeg zijn, om in volkomen evenwicht te dragen. En nu schijnen het dons op hun bovenlip en een hoopje boeken in hun hoofd voor sommige jonge heeren zulke verbazende schatten te zijn, dat zij die niet zonder bluf kunnen bezitten en op iedereen neerzien, die het niet zoo ver kan brengen. Later als je er wat aan gewend bent, zul je dat parvenuachtige superieurvoelen wel afleeren.”

Betty de Mureaux stond op, pijnlijk verlegen onder dat gekibbel en haar afscheidnemen voorkwam een nieuwen uitval van Edward.

Hilda liet haar uit en toen zij weer binnen kwam, waren de beide meisjes verdwenen en Edward stond in de veranda te bladeren in het boek, waarin zij had zitten lezen. Hij was nog woedend.

„En Eddy, nou het tweede nieuwtje!”

Hij keek op, wantrouwend. Haar oogen waren groot open, vol vriendelijkheid, zonder leedvermaak over Eugénie’s vernederende terechtwijzing.

Dat scheen hem op eens tot rust te brengen, weer in zijn goed humeur.

„Kan het je heusch iets schelen?”

Hilda stelde op dit oogenblik er meer belang in, om zijn gekwetst gevoel te verzachten, dan in hetgeen hij te vertellen had, maar lachend knikte zij ja.

„Wel, ik heb vanmorgen een invitatie gekregen van Lord Hampden, je weet wel, dien ik aan de Riviera heb ontmoet, om van den winter op zijn jacht mee naar Japan te gaan.”

„O Eddy, hoe heerlijk!” riep zij hartelijk.

„Ja, maar nou de meisjes het toevallig niet gehoord hebben, moet je er maar liever met niemand over spreken, want ik denk dat papa het niet makkelijk goed zal vinden. Hij rekent er zoo stellig op, dat ik nou ga studeeren, en daarom zal ik m’n nieuwtje maar liever tot Augustus voor me houên, tot we kamers gaan zoeken in Utrecht. Dan is het nog tijd genoeg om met het gezanik te beginnen. Maar Hildy, waar haal je dat boek vandaan?”

„Ik heb het van Corona geleend. Het is prachtig, ik zou willen dat iedereen het las.”

Edward glimlachte, zijn aangeleerd quasi voornaam cynisch glimlachje, dat hij had afgezien op reis van oudere mannen, die het leven waarlijk cynisch had gemaakt.

„L’Histoire morale des femmes, Legouvé. Zoo, lees je over vrouwenemancipatie! gut Hildy, ga je daar toch maar niet mee vermoeien.”

„Waarom niet?”

Edward schudde het hoofd.

„Je krijgt het toch niet gedaan, dat de meisjes zich wezenlijk gaan interesseeren voor de groote vraagstukken van onzen tijd, en dan is het maar beter dat ze niet te veel over vrijheid en rechten hooren.”

Hilda zag in de verte naar den zonglanzenden tuin. Daar fonkelden de donker roode rozen en de geelwitte met mat zijden reflets, alle hadden groote scherpe doornen, en daar was het koele schaduwplekje onder de kastanje, en verder was alles gehuld in het levenbrengende licht. Dat was de wereld met licht en schaduw, met pijn en vreugde en hier binnen heerschte voorname schemer. De marquise scheidde die beide werelden. Als de marquise werd opgetrokken op dit oogenblik, zou de veranda juist zijn als de tuinen daarbuiten, vol scherp licht en zwarte schaduw. Kon ook die andere marquise, geweven uit onverschilligheid, onkunde, wuftheid en fatsoen, in wier droomerig schemerlicht de meeste dier vrouwen nu voortsuften, die niet door nood het leven in waren gedrongen, niet ook eens opgetrokken worden? Dan zouden vanzelf de sluimerende verandabewoonsters wakker worden en zich midden in het leven voelen, niet meer als daar buiten staande toeschouwsters.

„Waarom zouden meisjes geen belang kunnen leeren stellen in de vraagstukken van haar tijd? Ik doe het toch ook wel.”

„Ja, maar jij bent ook een uitzondering, die den regel bewijst.”

„Dat geloof ik niet, ik heb alleen maar een beetje ruimer en ernstiger opvoeding gehad. Ik geloof zeker dat, als er nu bij de meeste vrouwen nog zoo weinig belangstelling is, dat komt omdat men haar geleerd heeft dat het lief en braaf en vrouwelijk is, om zich niet te bemoeien met dingen van algemeen belang. Want aan alle groote bewegingen die haar tijd in beroering brachten, het Christendom, de Fransche revolutie, de Amerikaansche slavenemancipatie, enz., enz. hebben de vrouwen altijd met hartstocht deelgenomen, en tegenwoordig is er toch ook eigenlijk geen eene ernstige beweging op welk gebied ook, die niet haar vrouwelijke kampioenen heeft.”

„Nou, ik geloof toch nooit dat je er zulke meisjes”—met een hoofdknik wees Edward naar de plaats waar zooeven Betty de Mureaux en zijn zusters gestaan hadden—„toe krijgt om zich voor iets anders dan haar prulbelangetjes te interesseeren. En dat is immers maar goed ook, de wereld kan het best zonder ze stellen.”

„Nee, ’t is volstrekt niet goed! al die millioenen onverschilligen werken zoo belemmerend voor ieder die een beetje vooruit wil! ’t Zijn net wollen dekens waar elke kreet van enthousiasme of verontwaardiging in gesmoord wordt. Elk mensch behoorde zich tenminste voor één van de problemen, die dezen tijd in ontroering brengen, warm te maken! en voor de vrouwen zelf zou het ook zoo’n boel beter zijn als ze aan alles deelnamen.”

„Geloof je? Nou ik weet het niet hoor! voor haar zelf zou het ze maar pedant maken als ze overal in wouen mee praten en geloof je nou heusch, dat er zoo veel reden tot verontwaardiging is? Ik vind het toch nog zoo kwaad niet, in de wereld.”

Hilda lachte.

„Nee, in zoo’n mooi pakje, met zulke prachtige rijlaarzen en een heerlijk egyptisch cigaretje, is het voor jou ook heusch „nog zoo kwaad niet.” Maar als je vindt, dat de toestanden wezenlijk goed zijn, dan zou ik haast zeggen, dat jij je ook nog niet hard voor de vraagstukken van je tijd hebt geïnteresseerd!”

„Je bent veel te bijdehand, Hilda.”

Zij lachte weer haar zachten zonnigen lach, die altijd ontwapende, maar toen heel ernstig:

„Nee maar, heusch, Eddy, geloof je nou ook niet, dat Eugénie bijvoorbeeld heel anders zou zijn als zij iets had, dat haar leven vulde, waarvoor zij haar intelligentie nuttig kon gebruiken, dat haar afleidde van haar eigen kleine bittere gedachtetjes? Ik geloof, dat zij dikwijls zoo onaangenaam is, alleen omdat ze niet weet, wat ze met zich zelf moet aanvangen.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings