← Table of contents
Hilda van Suylenburg

Front matter (continued 3)

Reading edition

Edward zag haar even strak verwonderd aan. Hij had er zich nooit rekenschap van probeeren te geven, waarom Eugénie zoo hatelijk in haar eigen kring, zoo lief en geestig bij vreemden kon zijn.

„Laat ze dan trouwen, dat is toch het natuurlijkste voor een meisje. Dan heeft ze bezigheid en afleiding.”

Hilda trok de schouders op, ongeduldig over het eeuwige argument.

„Zij kan toch zoo maar niet eens trouwen, bij wijze van een bezigheid te zoeken! Er dient zich toch ook eerst een partner voor te doen.”

Edward lachte zijn ruwen lach:

„Ja, dat is waar! Het arme kind! Na al die jaren nog geen man kunnen vinden, en toch zoo veel kleedgeld, en zooveel lieve lachjes! De jacht schijnt moeielijk tegenwoordig! Zeker weinig wild.”

Hilda kleurde onder zijn grove woorden, en even had zij lust om weg te loopen. Toen zeide ze warm:

„Eddy, hoe kun je nou toch zoo iets zeggen? Dat is juist de ellende van den heelen toestand. Als wij dringend wijzen op de wenschelijkheid van te werken, van deel te nemen aan alles wat in de wereld omgaat, dan zegt men ons: Trouw! het huwelijk is de plicht en de plaats van de vrouw! Maar o wee, als we dan toonen dat we graag trouwen willen, dat we ons best doen om die plaats te veroveren, die ons geleerd is onze uitsluitende bestemming te zijn! Het is een contradictie, die als een vloek over het bestaan van het jongemeisjesleven ligt. Trouwen is de bestemming! Ja maar om die bestemming te bereiken mag men geen hand uitsteken zonder ridikuul, bijna verachtelijk te zijn, terwijl het toch in de natuur ligt van elk jong mensch om te streven naar wat zijn bestemming heet te zijn! Waarom leert men ons niet liever: „Werk en wees nuttig, hetzij in, hetzij buiten het huwelijk, ontwikkel je gaven! Overal kun je nuttig zijn als je een goed en verstandig mensch bent. Overal in de wereld is er behoefte aan consciëntieuze arbeidsters!” Dat is iets waar iedereen naar streven kan, begrijp je? dat ligt in ieders macht. Als ze dat aan de meisjes leerden zouden zij vroolijk en dapper aan het werk kunnen gaan in plaats van nou onbevredigd te zitten hunkeren.”

Edward zag haar even aan, heel ernstig nu, blijkbaar gefrappeerd. Toen keek hij weer in het boek en bleef bladeren terwijl Hilda zachtjes op en neer wippend in haar schommelstoel hem heimelijk bestudeerde.

Van den beginne af aan had zij geloofd dat er onder zijn jongensbluf, veel goedhartigheid en intelligentie scholen. Maar hoe langer hoe meer had zij sterk het gevoel dat het heel jammer van hem was als hij zoo voortging op dien weg!

Op eenmaal stond hij weer voor haar.

„Hildy geloof je dat het uit is tusschen Rooselaar en Corry?”

Hilda zag zeer ernstig.

„Ik weet het niet, maar ik vrees dat ze verschrikkelijk met hem gespeeld heeft en nog speelt. Eergisteren aan het strand kwam hij ons aanspreken en was ze weer erg lief tegen hem. Ik had kunnen huilen toen ik zag hoe gelukkig ie daardoor was, en gisterenavond, je hebt zelf gezien hoe ze toen weer met von Görtzen deed!”

Edward draaide zich in eens om: „Verdomd!” zeide hij tusschen zijn tanden en liep fluitend den tuin in.

Hilda zag hem na, en voor het eerst voelde zij iets als vriendschap in zich opwellen voor een van haar huisgenooten.

Eugénie had gelijk: Hij was nog parvenu, parvenu van geest en van leeftijd, pedant en overmoedig, maar hij kon tenminste nog ernstig zijn en onder zijn geaffecteerd cynisme lag waarschijnlijk meer gemoed dan onder de snoezigste glimlachjes van zijn zusters.

Dokter van Oven’s coupétje had lang staan wachten voor het Diaconessenhuis van Bronovo. Corona had er een paar zware patiënten en het was al bij half elf toen zij vlug de trappen afkwam en onder het instappen den koetsier toeriep:

„Pankaert van Hozen.”

Het rijtuig rolde weg, de caoutchouc banden verdoofden het geluid, alleen de hoefslagen van het paard klonken snelvolgend en licht over de Laan van Meerdervoort. In de van Speykstraat voor een der kleine bovenhuizen met smal gele deur hield het coupétje stil. Corona was al op de stoep en belde, even in haar notitieboekje naziende waar zij vervolgens naar toe moest gaan.

De deur werd open getrokken en boven aan de trap stond een oude vrouw, gebukt, met zwakke oogen naar beneden turend en vrij onvriendelijk roepend:

„Wie is daar?”

„Ik ben het, mevrouwtje! Ik kwam nog es even zien hoe het gaat,” antwoordde Corona onder het klimmen.

„O dokter, hoe lief van u. Ik zag u zoo gauw niet. Neemt u me niet kwalijk! Het is veel beter en Belle zal erg blij zijn.”

Het was een lange magere vrouw. In het ingezonken verlepte gezicht waren nog sporen van vroegere schoonheid, in de houding, de beweging waarmede zij Corona binnen leidde lag nog een spoor van vroegere hoogheid, maar de ruwe handen met korte dikhoornige nagels, het vuilzwarte kleed met het ros geworden tresband spraken van tegenwoordige ellende. Van ellende, van pijnlijke, fatsoenlijke ellende sprak ook de kleine suite waar Corona nu inging. Een paar groote mahoniehouten meubels, die blijkbaar hun diensttijd in veel ruimere omgeving begonnen waren, vulden het grootste gedeelte der kleine ruimte met aanmatigende leelijkheid. In een hoek stond een tafel, glad blinkend geboend, met allerlei fotografieën en kleine kunst- en waardelooze ornamentjes, een jammerlijke imitatie der kostbare etalages in rijke salons. Een paar groote gravures van academischen wansmaak, voorstellende: geloof, hoop en liefde en een schildersgroep uit de zeventiende eeuw, trokken de aandacht naar het burgerlijke behangsel; aan den anderen wand hingen een paar teekeningen naar de gewone ouderwetsche voorbeelden: een bouwvallig huisje bij een waterval en een paar smachtende jonge dames met rozen in de hand, die een kapel nastaren. Zij waren voluit onderteekend met groot kinderlijk schrift: Charles Pankaert van Hozen.

Aan de tafel, midden in de kamer, met het roode tafelkleed, waarop zich akelig zwarte bloemen kransten, zat een bleek schepseltje, een groote mand met maaswerk vóór zich. Bij Corona’s binnenkomen sprong zij op, kinderlijk onstuimig haar omhelzend, en toen, half verlegen, half dwepend opgetogen zich tegen haar aan vleiend:

„Hoe lief van u, ik was al bang, dat u niet meer komen zoudt, toen het zoo laat begon te worden.”

„Dwaas kindje! Ik had het immers beloofd! En het is maar goed ook, dat ik kom zien, of je zoet bent. Is dat nou werk voor een herstellende? Mevrouwtje, u moest uw dochter wat beter onder den duim hoûen, en haar niet toestaan, om zulk fijn werk te doen.”

Isabelle kleurde, het bleekrose anemische kleurtje, dat telkens ging en kwam. Onrustig glimlachend zag zij naar haar moeder op. Het was een klein tenger gebouwd meisje, wier teere vormen en sluik vaallicht haar, haar veel jonger deden schijnen dan haar een en twintig jaar. Vóór op het voorhoofd waren een paar dunne armoedige vlokjes, kunstmatig tot kroezen gedwongen, de mond was groot, niet mooi met de bleeke bloedelooze lippen en leelijke tanden, de neus klein en dik gezwollen, en de oogen, haar eenige schoonheid, vriendelijke zachtgrijze oogen, waren met roode randen. Zij was het type van het bloedarme scrofuleuze aristocratenkind, de laatste uit een geslacht, waarvan sinds vele generaties de vrouwen door ongezonde kleeding en verweekelijking, de mannen door elegante zonden hun levenskrachten hebben uitgeput. Corona had er velen zoo onder haar praktijk, maar hier was de toestand nog dubbel treurig, omdat de middelen ontbraken, om een beetje nieuw leven aan het kwijnende plantje te geven.

„Gelooft u wezenlijk, dat het haar vermoeien zal?” vroeg mevrouw Pankaert. „Het zijn sokken van Charles, hij heeft er al tweemaal om geschreven. Door Belle’s ziekte is alles blijven liggen en ik kan het niet meer zien met m’n ouwe oogen.”

„Wat is het fijn!” zeide Corona, de sok waaraan Belle bezig was, opnemend.

„O! ik stop het ook maar, als de gaten een beetje groot zijn. Mazen zou niet te doen zijn, en Charles kan geen grove velen.”

Corona schudde het hoofd.

„En heb je trouw melk gedronken en elken dag naar Scheveningen geweest?”

Het meisje kleurde weer, met een hulpeloozen blik op haar moeder.

„Ik zal u zeggen dokter, elken dag is wat veel. Het wandelen vermoeit haar nog zoo en trammen loopt zoo op.”

„Ik wou dat ze zeebaden ging nemen, dat zou erg goed voor haar zijn en misschien is ze dan tegen den winter weer heelemaal flink.”

„O! ik zou het heerlijk vinden dokter, ik heb er altijd naar verlangd om es in zee te gaan. Maar het zal moeielijk zijn, nietwaar moeder? Charles heeft van den winter een nieuwen rok gehad en gisteren vroeg hij weer erg dringend om geld. En zeebaden zijn zoo duur!”

Mevrouw Pankaert zuchtte zwaar.

„Als het moet, zal het natuurlijk gebeuren, kind. Maar het zal misschien ook wel zonder kunnen. Later als Charles klaar is en zelf verdient, dan kunnen we voor je gezondheid gaan leven.”

Corona glimlachte treurig. Zij, die aan zoovele sterfbedden gestaan had, kende de ijdelheid van het woord: „later.”

„Hoe gaat het met Charles? Hoe ver is ie nu al?”

„Hij maakt het best. Het volgend jaar hoopt ie zijn doktoraal te doen.” Iets warm gelukkigs kwam in haar oude oogen, als mevrouw Pankaert over haar zoon sprak.

„Het volgend jaar pas? Ik dacht .…”

„Ja, misschien had ie het wel iets vlugger kunnen doen, maar u begrijpt, zoo’n jong mensch moet toch ook wat genieten van zijn jonge leven .…”

Corona zag op eenmaal met de groote glansoogen tot haar op:

„Dat ben ik met u eens mevrouw, dat jonge menschen zooveel mogelijk, vóór de zorgentijd komt, van hun jonge leven moeten genieten. Maar als u het zoo natuurlijk vindt, dat Charles zich daar in Utrecht amuseert, waarom vindt u het dan ook natuurlijk dat Isabelle hier dag aan dag flanelletjes zit te naaien en kousen zit te mazen en stil vreugdeloos in saaiheid voort leeft?”

„Dokter!” riep de oude mevrouw bitter gegriefd. „Hoe kunt u nou toch zoo hard zijn. Als of ik niet mijn leven zou geven om Belle ook wat gelukkiger te maken! Maar u weet dat ik het geld niet heb!”

„Uw leven is niet noodig, een beetje rechtvaardigheid tusschen uw zoon en dochter zou voldoende zijn!” zeide Corona met haar rustigen glimlach, waarmede zij gewend was de moeilijkste dingen te zeggen.

„Dat kan men immers niet zoo uitmeten. Charlie is een man, die moet zijn stand ophoûen; wat wij vrouwen hier binnenshuis uitvoeren en hoe wij ’t hebben, gaat niemand aan. Hij is een man, hij moet het leven leeren kennen.…”

„Het leven leeren kennen!” herhaalde Corona haar strak aanziende. „Het leven dat u hem nu, ten koste van alle opofferingen in staat stelt te leeren kennen, kan misschien zijn gezondheid, misschien zijn teerste edelste voelen vernietigen, maar het leert hem niets van het waarachtige leven. Het is niet precies in café chantants, op rijpartijen en jolige avondjes dat men het Leven leert kennen! Het is komiek, die uitdrukking zoo opgevat. Misschien dat Isabelle, hier over haar maaswerk en met een boek naast zich, er nog meer van heeft verstaan dan hij.”

„Maar wat wilt u dan toch dokter? Dat ik hem minder geld geef? Hij moet toch al zoo dikwijls tevergeefs vragen, de arme jongen.”

„Vindt u het billijk, lieve mevrouw, dat terwijl Charlie misschien op dit oogenblik in Utrecht rond rijdt, Isabelle het te duur vindt om te trammen? of terwijl hij misschien nog slaperig is van den wijn van gisteravond, zij tegen de onkosten opziet om een beetje levenskracht in de zee te gaan halen?”

Mevrouw Pankaert zat zwijgend voor zich uit te staren, met den strak harden blik van hen die niet overtuigd willen worden. Er werd gebeld. Zij stond op, verlegen:

„Vergeef me, dokter, de meid is niet thuis.”

En zij ging, de hooge hoekige gestalte stijf opgericht, inwendig woedend om Corona’s opmerking.

Toen zij vertrokken was, legde Isabelle schuchter streelend haar handje op Corona’s arm.

„Toe dokter, spreekt u nou maar nooit meer over die dingen tegen mama. Het doet haar zoo’n verdriet. Ze houdt heusch misschien wel evenveel van mij als van Charles, maar het is eenmaal zoo, overal immers, de zoon is numero één. Bij de van Stratens, bij de Horenraads, bij de Heyelaars en bij iedereen immers.”

„Ja, dat weet ik wel, maar daar vecht ik er ook altijd tegen. Ik kan het niet verdragen! Hoe wil je het onrecht in de maatschappij tegengaan, als het in het huisgezin stelselmatig wordt aangekweekt?”

„Weet u hoe het komt? Ik geloof dat zelfopoffering een van de hoogste deugden is en misschien is het daarom heel gelukkig voor de vrouwen, dat zij van kind af aan er in geoefend worden.”

Corona nam het bleeke magere handje en kuste het even; toen zeide zij plagend:

„Foei Belle, als je die deugd de hoogste vindt, mag je niet zoo egoïst zijn om ze alleen voor de vrouwen te houden, dan moet je er ook vóór zijn dat de jonge mannen er zich bijtijds in oefenen. Het hoogste mag je niet voor je zelf hoûen!”

Isabelle glimlachte even, maar ging voort:

„En dan .… misschien is er toch wel iets rechtvaardigs in, dat alles aan de opvoeding en de pret van de jongens wordt opgeofferd, want al verteren zij eerst wat meer, later moeten zij ook soms hun zuster onderhouden .….”

Corona zag zeer ernstig.

„Vind je dat rechtvaardig Belle? Dat, waar geen fortuin is, de man alleen in staat wordt gesteld om later behoorlijk in zijn onderhoud te voorzien, en het meisje in de vernederende pijnlijke positie wordt gelaten om later van de meer of minder delicate edelmoedigheid van haar broer af te hangen! Ken je de freules van Ysselen niet, hier, op haar bovenhuisje in de Da Costastraat? Groote hemel, wat een bestaan! En toch kan men het haar broer, met zijn eigen gezin niet kwalijk nemen dat hij niet méér voor haar doet. Voor hem zijn die zusters even bezwarend als het voor haar ellendig is om van hem af te hangen. En vind je dat rechtvaardig, Belle? en natuurlijk?”

Isabelle wendde het hoofd om. Groote tranen zwollen op tusschen de neergeslagen oogleden en drupten langzaam op haar verschoten blauwkatoenen kleedje. Corona zag ze vallen, groote heete diamanten, geluidloos neerglijdend, als Belle’s leven zelf, rein, vol warme toewijding, zonder een enkele klacht wegvlietend. Zij hield nog altijd haar handje vast, en zij drukte en koesterde het in beide haar handen, zwijgend in grooten weemoed. Want dat was juist het smartelijke van haar taak, dat zij berusting, onderwerping prediken moest, bij de groote beproevingen van dood en lijden, die elk menschenleven moet doorworstelen, en zoo dikwijls vond zij daar bitterheid, wilde vertwijfeling. En daarentegen bij het leed dat geleden wordt, niet door de onvermijdelijke levenswetten, maar door bekrompen kleinmenschelijke opvattingen van conventie en fatsoen, en ouderwetsche ongerechtigheid tusschen geslachten en standen, dáár moest zij opstand en verzet prediken en ontmoette maar al te dikwijls energielooze dofheid.

„Och dokter, het zou allemaal niks zijn, ik wil me immers wel voor Charlie opofferen, omdat mama het nou eenmaal zoo inziet, maar weet u wat ik nooit heb kunnen begrijpen en altijd vreeselijk hard zal vinden?”—zij hield even op, snakkend naar lucht om de opbruischende emotie te bedwingen—„dat is dat Charles wel vioolles heeft gekregen en dat mama mij geen zangles wil geven. Hij speelt nou zoo mooi, ik wou dat u hem eens kondt hooren! En mama is er zoo trotsch op! En verleden zei ze weer: Als een jongen muzikaal is hoort muziek bij zijn opvoeding! Maar voor mij vindt ze het te duur. En toch zou ik het zoo heerlijk vinden. Het is het eenige waar ik naar verlang. U moet het niet kinderachtig van me vinden, maar soms ’s avonds zing ik alleen op m’n eigen hokje boven van die lange tonen, die opzwellen en zachtjes wegvloeien, en dan is het net of al het donker vervelende uit mijn leven weggaat.”

„Wil ik er straks nog eens met je mama over spreken? Maar ik heb het al es meer gedaan en het geeft niets.”

„O! nee dokter, doet u het toch niet meer. Er is niets aan te doen, en u ziet immers dat ik zóó ook heel gelukkig en tevreden ben.”

Maar de tranen, die op nieuw begonnen te stroomen, zeiden heel andere dingen. Toen gleed ze op eens voor Corona op den grond, het hoofd op haar schoot verborgen en zachtjes snikkend ging ze voort:

„U moet het niet pedant van me vinden, maar ik geloof heusch dat ik een mooie stem heb gekregen, en als ik les had, zou ik later mijn geld daarmee kunnen verdienen, en dan zou ik niet afhankelijk van Charles hoeven te blijven, en later geen last voor hem zijn, en ik zou rijk worden en mama allerlei dingen kunnen geven, die ze nou niet hebben kan .… en ze zou niet meer zoo angstig naar een rijk huwelijk voor me hoeven uit te zien, want ik wil niet trouwen om maar geborgen te zijn .… en ik ben ook veel te leelijk om te trouwen .… Maar mama verlangt er zoo naar, en dat is zoo akelig .… en ik zou zoo graag willen leeren zingen, omdat het zoo verrukkelijk is .…”

Op dit oogenblik kwam mevrouw Pankaert terug. Stroef, achterdochtig zag zij naar de omstrengeling der beide jonge vrouwen. Zij hield veel van Corona, in Belle’s ziekte was deze als een kleine voorzienigheid voor haar geweest, maar op het punt van Charlie, haar lieveling, werden zij het nooit eens, en de meerdere gelijkstelling die Corona eischte tusschen hem en Isabelle ergerde haar nog des te meer, omdat zij in stilte de rechtvaardigheid er van voelde. Zij bleef vlak voor de tafel staan en heel haar houding scheen te vragen: „Ben je, toen ik weg was, mijn dochter tegen mij aan het opstoken geweest?” Isabelle, ofschoon met den rug naar de deur gekeerd, scheen het als bij intuïtie te raden. Corona voelde een schrikschokje haar doortrillen toen haar moeder binnen kwam. Zij sprong op, haastig haar tranen drogend. Ook Corona stond op, de oude mevrouw met haar gewonen rustigen glimlach aanziende:

„Ik zou mijn tijd nog verpraten en de andere zieken, die op me wachten, haast vergeten bij deze kleine meid. Maar laat ons nog eens even afspreken! Dus niet vermoeien, nietwaar? U ziet wel aan de waterlanders, mevrouwtje, dat de zenuwen nog lang niet sterk zijn. Niet langer dan vijftien minuten mazen, hoor, als Charles dan absoluut z’n fijne sokjes moet hebben, en dan stuur ik je morgen een abonnementskaart van twintig zeebaden om te beginnen, en een paar tramboekjes. Is dat goed? Zul je dan trouw baden?”

Isabelle, verward, opgetogen, kleurend haar heftig opjagend en wegzinkend kleurtje van anemie, zeide niets, haar hoofd op Corona’s schouder. Weer zwollen er tranen op. Mevrouw Pankaert keek nog stroef. Het plotseling genereuze aanbod van Corona zag er uit als een verwijt voor haar zelve. Maar Charlie’s brief, daàr in haar sleutelmandje, stelde haar gerust. Hij, met zijn naam en uiterlijk en dolguitig karakter, kon niet zuiniger leven dan hij deed, en hij vroeg al weer om geld .… Belle’s ziekte had haar toch al meer gekost, dan waar zij op gerekend had in dit voorjaar, nee, ze was heusch niet in staat Belle te laten baden en dus kon ze het voor haar geweten gerust aannemen.

Zij zag op. Corona keek haar aan, open en vriendelijk zooals gewoonlijk. Bij haar kon goedheid geen hatelijkheid beduiden, en in eens, ontwapend, met groote hartelijkheid, drukte zij haar bij het heengaan de hand.

Druk was het dien morgen geweest voor Corona, verscheidene zware zieken hadden haar grootste zorgen vereischt en toch was het beeld der kleine bleeke Isabelle haar bijgebleven. „Als ik dien Charles es ergens tegenkom, moet ik toch eens zien, of het jonge onnadenkendheid of bepaald grove zelfzucht is, dat hij die twee vrouwen zoo laat krom liggen voor zijn eigen amusementjes. Het zal wel, zooals bij de meesten, beide tegelijk zijn. Maar ondertusschen zal ik toch probeeren, om het meisje zangles te bezorgen.”

Peinzend in de kussens geleund, zag zij het raampje uit. Daar liep Marguérite van Arkel, de kleine veerkrachtige gestalte in het kleurlooze kleedje. Zij zag op, met een blijden lach van herkennen, en riep den koetsier om even op te houden. Dit gebeurde heel dikwijls. Wanneer de beide vriendinnen elkaar zoo ontmoetten, stapte Marguérite meestal in, om even een grappig woord of een ernstige gedachte mee te deelen; soms reed zij een paar straten ver mee, soms ook stapte Corona uit en liepen zij samen een oogenblik voort, zich wederzijds verfrisschend in de altijd nieuwe bekoring harer vriendschap.

„Cora mia,” zeide Marguérite onder het instijgen, „hoe gezellig, dat ik je juist heb getroffen. Ik liep net te lachen in me zelve, om een amusant tafreeltje, dat ik straks heb bijgewoond. Vandaag had ik maar tot elf uur les en na de school was ik bij mevrouw de Mureaux, om over litteratuur-lessen te spreken, die ik aan Betty geven zou.”

„Wezenlijk? Dat kleine domme ding, litteratuur-les? Hoe komen zij daarbij?”

„Ja, er moet een scenetje geweest zijn tusschen Betty en Hilda van Suylenburg. O! je moet hooren, het is heel grappig. Betty was begonnen te lachen, schijnt het, over een dame, die in Amsterdam in de philosophie moet zijn gepromoveerd en toen schijnt Hilda zich te hebben opgewonden en zich heftig te hebben uitgelaten over de onontwikkeling van de meeste meisjes, die zoogenaamd een „brillante educatie” hebben gehad, maar eigenlijk niets hebben gekregen dan ’n schijnvernisje van kennis om er de ontzettende leegheid van haar hersenen onder te verbergen. „Jullie weet niets dan wat talen, om in vier verschillende spraken dezelfde nonsens te spreken,” moet zij hebben gezegd, „maar wat in die talen voor groots en heerlijks is gesproken en geschreven, daar heb je zelfs geen vermoeden van”, en in ééne drift schijnt zij zoo te zijn voortgegaan. Natuurlijk is zij toen even heftig door Betty en de nichtjes van Starren en mama de Mureaux, die er allen bij waren, aangevallen, maar de jonge van Starren, die nog al invloed bij moeder en dochter de Mureaux schijnt te hebben, is in eens Hilda te hulp gekomen, door uit te schateren: „Diezelfde nonsens praatjes in vier verschillende talen en geen notie van de geweldige dingen die in die talen gezegd zijn. O! Hildy, die is goed! Dat is juist het type der volleerde jonge dame! Wat kun je toch grappig zijn!”—En daarmee schijnt het besluit te zijn genomen, om Betty met een extra litteratuursausje te overgieten.”

Corona lachte, genietend in Marguérite’s levendig verhaal:

„O! Maggy, wat een komieke, treurig komieke wereld toch!”

„Ja, Corretje, maar nou komt nog het aardigste, nou moet je hooren! Ik was dan straks bij mevrouw de Mureaux, die me op het hart drukte, om haar dochter alles van de Fransche litteratuur te leeren, dat zij er flink over mee zou kunnen praten, maar vooral niets onordentelijks te laten lezen, omdat zij niet van emancipatie hield. Toen zegt Betty in eens met haar gemaakt onnoozel stemmetje: „Wat is toch eigenlijk vrouwenemancipatie, waar tegenwoordig zoo dikwijls over gesproken wordt, ma?”—„Wat dat is, kind?” zegt mevrouw, „ja, dat is nou zoo’n idee, om de vrouw mannelijk te maken en met ’n sigaar in den mond naar de stembus te laten gaan, terwijl de man thuis de kinderen verschoont.” En toen proestte ze het uit.”

„Zei ze dat wezenlijk?” riep Corona, ongeloovig. Voor haar, wie de vrouwenkwestie hoogheilige ernst was, scheen Marguérite’s verhaal een grapje uit de Fliegende Blätter.

„Ik verzeker het je, Cora? Ik kan het je plechtig verzekeren.”

„En wat heb jij toen gezegd?”

„Niets natuurlijk. Hoe kon ik nog iets toevoegen aan zoo’n meesterlijk geteekend beeld? Maar weet je wat, Cora? Nou moet jij ook een formule bedenken. Iets korts en duidelijks, om, als het weer es voorkomt, zoo’n vraag te beantwoorden.”

Corona staarde peinzend voor zich uit. Weer zag ze Isabelle vóór zich, en daarnaast Charles Pankaert, zoo als zij hem een poos geleden, ’s avonds, toen zij laat terugkeerde van een consult te Amsterdam, had gezien met een troepje vrienden. Toen zeide zij, beheerscht door die twee beelden:

„Vrouwenemancipatie beteekent vrijheid voor de beide geslachten, om in hun jeugdjaren te genieten van het leven. Niet de man alleen, terwijl het meisje in benauwde omstandigheden versuft.”

„Maar Corretje, waar denk je aan? Al ons streven is juist om de vrouw wat beters te leeren dan pretzoeken in haar jeugd, dan die amusementenjacht waarin ze dikwijls haar beste jaren verliest, en wil jij nou .…”

„Ik dacht niet aan de gefortuneerde vrouwen, ik dacht aan die massa families met bekrompen middelen, waar alles van de meisjes, opvoeding en genot, wordt opgeofferd aan de zoons. Ik ben vanmorgen bij Pankaert geweest, Maggy, en het ergert me telkens op nieuw.”

„O, natuurlijk, die toestand is ook ergerlijk, maar de formule die ik van je hebben wou, Cora mia, moet op de geheele emancipatie slaan, niet op een gedeelte daarvan. Maar wat zijn we al ver doorgereden! Adieu, denk aan mijn opdracht hoor, de formule, goed zoeken!”

Zij drukte op de knop, die den koetsier waarschuwde en vloog het coupétje uit, nog voor het heelemaal stilstond. Nog een vriendelijke blik der trouwe intelligente oogjes, nog een glimlach uit het rijtuig en beide jonge vrouwen gingen weer ieder haar weg, om de zware dagtaak met alle energie te volbrengen.

Corona stond voor het open venster van haar stille werkkamer, en heel langzaam en diep ademde zij de zoet aanwaaiende avondlucht in. Er was een zwaar onweer gevallen, en aromatische geuren van uitwasemende planten en aarde stroomden frischheid en verkwikking in de kamer waar de zware hitte van den dag nog hing.

Een gevoel van verlangen naar buiten, naar het wijde, lichte van den zomeravondhemel vervulde haar. Haar kamer leek haar zoo klein op eens, en zoo stil, en de stilte, die zij er anders zoo lief had, maakte haar nu benauwd.

Het gaf haar een vreemde bangheid van eenzaam zijn, toen ze daar zoo stond. Waarom kwam Marguérite niet es even aan? Als zij maar met iemand had kunnen praten, zou het wel over zijn gegaan. Zoo heel alleen is toch treurig! dacht zij, ik moest toch maar met Maggy gaan samen wonen! Maar in de groote gewoontemacht van haar streng, zelfbeheerscht leven, ging ze zooals altijd aan het werk en weldra zat ze met alle aandacht zich verdiepend in een Duitsch medisch geschrift, dat ze zich voorgenomen had dien avond uit te lezen.

Eindelijk na een doodstil uur van werken, kwam de meid haar storen:

„Dokter, hier is een brief voor u, en de koetsier vraagt, hoe laat ie vanavond vóór moet zijn?”

Corona nam den brief, en een gevoel van jubelende vreugde doorhuiverde haar, toen zij de hand herkende. Het waren maar een paar regels: „Liefste, zooeven ben ik hier aangekomen, kun je me om half negen wachten?”

Frank.

„Zeg aan Jacob, dat ie onmiddellijk vóór komt, ik ga dadelijk uit Marijken, en als er soms bezoek voor mij komt in dien tijd, laat dan wachten, ik ben vroeg terug.”

Toen stond ze weer voor het raam. Warm doortrilde haar de heftig opgewekte ontroering. Zij zag op haar horloge. Het was bij achten. Als Jacob wat hard aanreed, en zij ging alleen bij de ernstigste zieken, kon ze wel ongeveer half negen thuis zijn. „De anderen zal ik vanavond dan maar laten. Daar is niets geen bezwaar bij,” zeide ze bij zich zelve, en zij dwong zich, niettegenstaande de opwinding, die telkens met bedwelmenden gloed in haar opsteeg, nauwkeurig haar notitieboekje in te zien.

Nooit in het sterke gevoel van haar roeping had zelfs de grootste emotie haar een oogenblik hare zieken doen vergeten.

Niet minder bewogen dan Corona een half uur geleden het huis verlaten had, stond thans op haar stoep een jonge man. De slap vilten hoed, de groote kraagjas, die zijn forsche gestalte in reusachtige plooien hulde, het gladgeschoren gezicht met de levendige zwarte oogen en het donker krullende haar, lieten hem bij den eersten aanblik als een vreemdeling herkennen. Toch werd hij door de oude Marijken, die hem open deed, als een bekende begroet.

„Dokter is nog niet thuis, mijnheer van Soeterwolde, maar ze dacht wel vroeg terug te zijn vanavond. Wil u maar naar boven op de studeerkamer gaan, en even wachten! Wil meneer ook thee hebben?”

In het intense geluksgevoel, dat hem bij het binnenkomen in dit huis doorstroomde, glimlachte hij haar vroolijk toe, en antwoordde, nauwelijks wetend wat zij gevraagd had:

„Heel graag Marijken.”

In Corona’s kamer was niets veranderd sinds zijn laatste bezoek, nu zoowat een jaar geleden. Dezelfde weldadige rust, dezelfde machtige madonna-verschijning, dezelfde strenge eenvoud, zonder koû of leegheid. Een groot boeket rozenknopjes stond op haar schrijftafel, een cadeau dien morgen van een harer patiëntjes, het geopende boek, waar zij straks in had zitten lezen, lag nog op de tafel en daarnaast een paar vergeten handschoenen.

De jonge man stond een oogenblik midden in de kamer, in groote ontroering dit alles beschouwende. Toen ging hij zitten in den armstoel bij het raam, waar Marguérite van Arkel ook altijd in kwam praten, en strijdend met het koortsig verlangen, dat hem het wachten bijna ondragelijk maakte, dwong hij zich stil te blijven, gespannen luisterend naar elk geluid dat Corona’s komst kon aankondigen.

Frank van Soeterwolde was de eenige zoon van een vrij gefortuneerde en deftige familie, die van vader op zoon de rechterlijke toga had gedragen. Ook hij was in zijn jeugd bestemd geweest om in de rechten te studeeren, maar van zijne moeder, een geestig, artistiek zeer begaafd Fransch vrouwtje, had hij een hartstocht voor litteratuur en vooral voor het tooneel geërfd, die hem al vroeg in stilte het besluit had doen nemen, om zich aan de dramatische kunst te wijden. Groote moeilijkheden had hij echter te doorworstelen gehad. Zijn vader was het type dier plichtmatige onkreukbare magistraten, waarop Nederland terecht trotsch is, maar naast de groote zedelijke deugden van dien stand, bezat hij er ook al de bekrompen zelfgenoegzaamheid van die zich uit in antipathie en achterdocht tegen alles wat afwijkt van den gewonen Hollandsch burgerlijken gang. Het woord kunstenaar was voor hem niet, zooals het sinds eeuwen aan vele Duitsche en Italiaansche hoven geklonken heeft, een adelbrief, die zelfs den laagst geborene vrijheid verleent, om met de grooten des lands als gelijken om te gaan en hem aanspraak geeft op hunne hulp, voor hem en zijn kring van bekrompen braafheid en angstvallige fatsoenlijkheids-theorieën stond het gelijk met een brevet van losse zeden en half wijze daden, en dat zijn zoon tot deze lage kaste wilde afdalen, was voor hem een ontzettende ergernis. Jaren lang bleef hij volhouden, Frank zou en moest studeeren. Droevige jaren waren het, van wederzijdsche verbittering. Frank werkte niet en droop voor alle examens, hij werd driftig en somber, de huiselijke omgang werd onmogelijk. Van alle voorkomende gelegenheden, maakte zijn vader gebruik, om hatelijkheden tegen artisten en tegen het tooneel te zeggen, hetgeen natuurlijk alleen tengevolge had, dat Frank ijveriger dan ooit argumenten zocht om hem te weerleggen, en steeds meer overtuigd werd, dat hij zijn roeping volgen moest. Het eenige wat hem in die tijden voor de eene of andere booze daad van vertwijfeling behoedde, was de begrijpende liefde zijner moeder en de uurtjes met haar na het eten, wanneer zijn vader uit was, en hij verzen voor haar reciteerde of drama’s met haar las. Dit waren uren van onzegbaar genot voor hem. Oppervlakkig schenen zij niets dan een uitspanning, maar inderdaad waren zij de eenige, waarin hij met bezielde inspanning werkte. Dan namen zij dikwijls ieder een exemplaar van het een of ander drama vóór zich en lazen hardop de groote dialogen, beiden geheel in hun rol verdiept, tot zij eindelijk de woorden van buiten kennend, de boeken wegwierpen en de scène werkelijk acteerend afspeelden.

Zoo had op een avond mijnheer van Soeterwolde hen gevonden. Zij speelden toen de laatste acte van de Hernani en bij het binnenkomen klonken hem reeds de liefdesklachten der stervende jonggehuwden tegen:

O! béni soit le ciel qui m’a fait une vie

D’abîmes entourée et de spectres suivie,

Mais qui permet que, las d’un si rude chemin

Je puisse m’endormir ma bouche sur ta main!

„God-sta-me-bij!” zeide hij donderend met een ruwen vloek. „Nou weet ik waar die jongen zijn ellendige nonsens vandaan haalt. Maar ga je gang maar mevrouw, we zullen zien wie de sterkste is.”

Het stervende paartje sprong op, schokschrikkend, en Frank heel bleek, de oogen brutaal vlammend, stond vlak voor zijn vader:

„Papa, u hoeft niet boos op mama te zijn. Als ik nog niet lang uit dit huis ben weggeloopen, is het alleen om haar. Waarom mag zij me niet dit ééne uurtje na het eten gelukkig maken, als u dan absoluut wilt dat ik mijn heele verdere leven ongelukkig zal zijn!”

Maar met opgeheven arm stond zijn vader en wees hem de deur, en Frank, sidderend van woede, in machteloos verlangen om zijn moeder te beschermen, had de kamer moeten verlaten. Toen, met het hoofd tegen de deur gedrongen, had hij staan luisteren in zulk een razernij van opstand, dat hij tot alles in staat zou zijn geweest wanneer een enkel geluid in de kamer hem had gewaarschuwd, dat zijn moeder in drift mishandeld werd.

Maar geen klacht werd gehoord, en in pijnigende angst, de hand aan de kruk om binnen te vliegen, de slapen bonzend, de gehoorzenuwen tot het uiterste geprikkeld, om elken klank op te vangen, trachtte hij zich voor te stellen, wat daar achter die deur voorviel. Zou zijn moeder, het tengere vrouwtje, nu bleek en sidderend bij de tafel staan? Of zou ze stil op de canape liggen, het hoofd in het oude grijze kussen, om haar snikken te smooren?

Het was vreeselijk wat zijn vader zeide. Al de ruwe woorden, al de onrechtvaardigheden, die drift ingeeft, krijschten door de kamer, uitingen van onbeheerschte woede. Hij meende immers ook verraad in zijn vrouw ontdekt te hebben, als had zij heimelijk zijn zoon gesterkt in zijn opstand. Hij kon immers ook niet weten, hoe zij den jongen voortdurend had gesmeekt den wil van zijn vader te doen, hoe deze uurtjes van samen lezen en spelen alleen als belooning of aanmoediging voor ander werk werden toegestaan.

Eindelijk zweeg de toornende stem; toen klonk heel zacht zijn moeders stem met het lief zangerig uitlandsch accent:

„Louis, ik zal me niet verdedigen, je moest me beter kennen dan om me te verdenken van tusschen jou en hem zoo’n dubbelzinnige rol te hebben gespeeld. Maar al heb ik bij hem altijd trouw jouw wenschen geëerbiedigd, nou zal ik het je eerlijk zeggen, Louis, ik geloof dat je groote zonde doet met jouw eigenmachtigen wil, tegenover den zieledrang van het kind te stellen. Het is slecht, Louis, de ingeboren roeping van een kind aan familietradities of zulke dingen op te offeren.”

„Praatjes, we zullen eens zien of we die ingeboren roeping er niet uit zullen krijgen.” Het klonk dreigend, schor, als van nieuw opstijgende drift.

„O! Louis,” zeide de zachte stem weer. „Waarom wil je niet toegeven? Je hebt het nou lang genoeg geprobeerd, en je ziet immers dat je niets vordert. En wat is er toch tegen het tooneel dan wat vooroordeel? Artiesten zijn slecht van zeden, zegt men, maar ik moet altijd lachen, als ik de menschen over zedeloosheid aan het tooneel hoor spreken. Kijk es naar de academies, geloof je, dat studentjes en advocaatjes, en ingenieurs, en officieren in deugd zooveel hooger staan dan acteurs? Wie uit braafheid neerziet op tooneelspelers is een huichelaar, of heeft al een heel naïef optimisme over de zedelijkheid van de menschen van zijn eigen kring.”

Frank luisterde angstig. Hoe kon zij de moed hebben om zoo tot dien driftigen man te spreken? Maar het bleef even doodstil, toen ging ze weer voort met vaster stemklank:

„En wat betreft aanzien en fortuin, als Frank een groot tooneelspeler wordt, zal hij gauw vrij wat rijker en aanzienlijker zijn, dan de meeste van die advocaatjes, die hier rondloopen, maar naar een baantje hunkerend, en op hun dertigste jaar nog niet eens in staat zijn om zich te bedruipen. Of het leven van een kunstenaar glorieus of armzalig zal zijn, hangt er ten slotte heelemaal van af, of hij waarachtig talent heeft, en Louis, heb je straks niet gehoord, hoe hij zei:

Mais qui permet que, las d’un si rude chemin,

Je puisse m’endormir ma bouche sur ta main.

Als een kind van zijn jaren dat zóó zeggen kan, is er in hem een groot kunstenaar.”

Verder had Frank niet gehoord. Naar boven was hij gegaan, naar zijn kamertje, in een hartstochtelijk jubelen van heel zijn ziel. „Een groot kunstenaar,” had zijn moeder gezegd, en haar woorden hadden hem tot kunstenaar gewijd. Een blij zelfvertrouwen in eigen gave hadden zij plotseling in hem gewekt, dat heerlijk gelooven in eigen kracht, dat zoo ver staat van pedanterie, en waaruit alleen elk groot willen en kunnen geboren wordt.

Twee maanden later was Frank aan de tooneelschool te Amsterdam. Hoe zijn moeder het er eindelijk had doorgekregen, had hij nooit kunnen te weten komen en in de zelfzucht van zijn jong opgaan in het nieuwe leven, had hij er misschien ook weinig over nagedacht. Eerst veel later had hij begrepen aan welk een rijkdom van overredingskracht, aan welk een stillen heldenmoed hij de inwilliging van zijn wenschen te danken had. Zij was kort na zijn vertrek onverwacht gestorven, en haar heengaan had een plekje van ongeneeselijk verlangen in hem achtergelaten. Twee jaren had hij hard gewerkt en daarna besloten, verder te Parijs zijn studie te voltooien. Toen had zijn grootmoeder van vaderszijde, die nog sterker dan zijn vader al de vooroordeelen tegen het tooneel bezat, hem in de vakantie bij zich gevraagd, en vol van schrikbeelden over Parijsche losbandigheid, had zij hem voortdurend samengebracht met een jong buurmeisje en niet gerust voor er een huwelijk was tot stand gebracht tusschen deze beide onervaren kinderen.

Zij was een vroolijk schepseltje, Eva Lofner, en Frank kon zich later niet meer herinneren wat hem eigenlijk verliefd had gemaakt, de blonde krulletjes, of het lachkuiltje in de kin, of het fluweeltje, dat haar hals omsloot boven het uitgesneden lijfje. Een domme jongensverliefdheid was het geweest, maar zijn grootmoeder had er bitteren ernst van gemaakt.

Getrouwd was hij naar Parijs vertrokken, maar nog geen maand na zijn huwelijk, had hij het reeds begrepen hoe dit meisje, dat hem als schutsengel was opgedrongen, in het woelige glansleven der wereldstad veel grootere gevaren liep dan hij. O! de wreede onnoozelheid van zijn grootmoeder, te meenen dat een huwelijk op zich zelf ooit een waarborg kon zijn voor deugd! Het was de treurige herhaling geworden van zoo ontelbaar vele huwelijken, waarin op korte verliefdheid lange bittere teleurstelling volgt. In zijn studie, en nu en dan bij het kleine meisje, dat hun in ’t tweede huwelijksjaar geboren was, had Frank zijn troost gezocht, terwijl zijn vrouw, oppervlakkig en egoïst, opging in futiliteit en zelfaanbidding.

Hij had willen scheiden, Frank; het samenzijn met deze vrouw was hem een marteling geworden die hij dikwijls de kracht niet voelde te doorstaan. Maar Eva, met het scherpe instinkt van eigenbelang, had in hem erkend den kunstenaar, die binnen enkele jaren grooten naam en groot fortuin gaat maken, en ze weigerde te scheiden.

Noch beloften, noch bedreigingen, noch smeekingen hadden iets vermocht; zij bleef weigeren. Zoo had Frank verscheiden jaren doorleefd, terwijl zijn teere kunstenaarsziel in smachtend verlangen naar mededeelen en begrepen worden, in peillooze eenzaamheid verkwijnde.

Toen op een plekje in Zwitserland, waar beiden wat rust en nieuwe kracht kwamen zoeken, had hij Corona van Oven ontmoet. Het kon niet anders, een groote liefde was ontstaan uit hun samenzijn. Enkele weken, mooi als een droom, met al het eterisch ideale, al het vluchtig toekomstlooze van een visioen, hadden zij samen doorgebracht, toen was elk in ’t harde werkleven teruggekeerd, veel rijker aan voelen en denken, veel rijker vooral ook aan smart. Zij kenden nu het geluk, dat zij onbewust jaren gezocht hadden, en wisten dat zij elkaar niet toebehooren mochten, zoolang zijn vrouw tusschen hen in stond.

Alleen vriendschap mocht het zijn, en de brieven, die zij elkaar zonden, vele, lange brieven, hun eenige troost, stonden vol van dat woord; maar beiden wisten er de onwaarheid van.

Frank zat stil in den ouden armstoel bij het raam. Hij dacht over dit alles en voelde in de verteedering van dit uur al het heerlijke, dat er lag in zijn verlangensleed, en dat hij het niet meer zou hebben willen ruilen voor zijn vroegere ontzettende eenzaamheid.

Daar klonk de doffe slag van de voordeur, lichte stappen naderden, hij sprong op, bevend over al zijn leden, en zij stonden tegenover elkander, Corona’s beide handen vastgesloten in de zijne en zij zeiden niets, daar waren geen woorden, zij zagen elkaar slechts aan.

Eindelijk zich bewust wordend van het gevaar dat er lag in dien langen, duizelend vollen blik, in de ontroering der weerziensvreugd, trok zij voorzichtig, als was zij bang hem pijn te doen, haar handje terug.

„Frank, ga je mee naar buiten? ’t Is hier zoo warm,” zeide zij geagiteerd.

„Waarom, lieveling? buiten is het vol menschen, en hier zijn we zoo rustig.”

„Nee, hier hangt de onweerszoelte nog in de kamer, kom ga mee Frank, het rijtuig wacht beneden, dan rijên we naar Scheveningen, aan ’t strand is nou haast niemand. De groote avondhemel is beter voor ons samenzijn.”

En zij liep de trap af, snel, verward, worstelend om haar zelfbeheersching te hervinden. Hij volgde, teleurgesteld om die storing in hun weerzien en toch gelukkig door haar zichtbare ontroering. De vorige malen, toen hij haar bezocht had, had hij geleden onder haar ijzig zelfbedwang.

Zij zaten naast elkander in het rijtuig, Corona stil, achterovergeleund in een weekheid vol pijn en zaligheid die haar bang maakte, omdat ze haar zoo nieuw was. Frank praatte druk, verlangend om veel, om alles te zeggen en boos op zich zelf omdat hij niets vond dan dingen van de oppervlakte van zijn leven, van zijn troep, en hoe die overmorgen te Brussel spelen zou, en hoe hij toen een paar dagen vooruit was gereisd om haar te zien. Eerst, toen zij samen het strand langs liepen in den plechtigen weemoed van den zonneondergang vonden zij elkaar wéer in de oude harmonie.

Het was laat toen zij terugkeerden, te voet langs den Scheveningschen weg, hun woorden en gedachten gewiegd op de rythmische beweging van hun voortgaan naast elkaar. Soms ook liepen zij zwijgend, hand in hand in het flauwe licht dat de lantaarns van den straatweg door de bladeren en takken heen op den hoogen weg wierpen. Voor Corona’s huis stonden zij stil.

„Mag ik morgen weer komen?” vroeg Frank.

Zij dacht even na.

„Er zijn juist zoo vreeselijk veel zieken op het oogenblik. Maar kom morgen koffie drinken, dan hebben we een rustig uur samen, en morgen avond zal ik zien vrij te zijn.”

„Maar dan blijven we hier thuis, ja? Ik zal je mooie dingen komen voorlezen, en dan vraag je er niemand bij, nietwaar?”

„Waarom niet?” zeide ze verlegen. „Waarom mag Marguérite niet komen? je kent haar, en zij zal zoo genieten van je lectuur.”

„Waarom Cora?” vroeg hij dringend. „Waarom altijd iemand er bij? Waarom mogen we dezen eenen avond niet genieten in samen alleen zijn? Of is het dat je bang bent voor je reputatie?”

Zij zag hem even aan met haar trotschen glimlach.

„O! Frank, het zou al heel onnoozel van me zijn geweest, als ik me niet sinds lang mondig had verklaard van de voogdijschap die de wereld zoo graag over ons uitoefent. In mijn eigen huis ontvang ik wien en wanneer ik wil. En als men zich werkelijk niets te verwijten heeft, heb ik ook altijd opgemerkt, dat de menschen gauw genoeg geneigd zijn te ontzien, wie toonen zich niet veel om hun oordeel te bekommeren.”

„Maar waarom dan?” vroeg Frank, haar handje grijpend in hartstochtelijken druk.

„Omdat het beter is zóó!” zeide zij heel zacht opeens en week. „Omdat het ons zwak maakt, Frank, lang samen alleen te zijn. Als er anderen bij zijn blijft het gesprek meer algemeen, ik bedoel over de dingen waar we allebei veel belang in stellen, maar die ons persoonlijk niet aangaan, en als we samen alleen zijn, praten we te veel over ons zelve, voelen we te duidelijk wat we missen, wat we zouden willen en niet kunnen hebben, en dat maakt ons zwak, Frank, en we moeten sterk zijn.”

Het was de eerste maal dat zij erkende, hoe hun omgang, ook voor haar niet meer als in het begin, enkel groot intellectueel genot was, hoe hij ook voor haar strijd en smart was geworden. Zij voelde zijn handen zich krampachtig om de hare sluiten, zij zag zijn groote gestalte sidderen. Toen nam hij zijn hoed af met iets plechtigs, een koninklijke beweging, en zich bukkend, kuste hij haar hand heel even, heel licht, heel eerbiedig, en ging toen heen. Maar in de stilte klonk een dof geluid, als van pijngekreun en Corona wist dat het het snikken was van een man die zwaar leed.

O! waarom hadden zij elkaar leeren kennen? Moesten die enkele uren vol sympathiegeluk zoo duur worden gekocht?

„Het rijtuig is vóór, mevrouw.”

„Goed Johan,” zeide mevrouw van Starren, zich nog even een kopje thee inschenkend, en toen met een onrustigen blik op de pendule, terwijl ze haar nieuwe witte handschoenen voorzichtig vinger voor vinger begon aan te schuiven: „Waar blijft nou toch Eugénie weer. Ze is tegenwoordig verschrikkelijk langzaam. Wat ze al die uren uitvoert op haar kamer, mag de hemel weten. Maar luister es even Henri, vind jij ook niet dat ze er den laatsten tijd erg slecht uit ziet?”

Mijnheer van Starren zag even op van zijn courant.

„Nee, eigenlijk is ’t me niet opgevallen. Ja toch, misschien is ze wat magerder geworden, maar je moet niet vergeten, ze wordt ook al een jaartje ouwer.”

In groote ergernis trok mevrouw een knoopje van haar handschoen af. Hoe was het nou toch mogelijk om dat zoo onverschillig te zeggen. Had hij dan geen hart voor zijn dochters? Alsof niet een „jaartje ouder worden”, voor Eugénie hetzelfde was, als verlies van charmes en daardoor van kans om te trouwen.

Gelukkig de jonge vrouw, voor wie „ouder worden” beteekent: rijpen in denken en voelen, maar voor de Eugénie van Starrens beteekent het: het verlies van succes, dat is namelooze leegte in een bestaan waarin alles op dat succes is gericht.

Maar op dit oogenblik kwam Eugénie binnen. In haar zilvergrijs nieuw voorjaarspakje, met de breede revers van licht lila moiré zag zij er toch nog snoezig uit, en zoo gedistingeerd. Onwillekeurig zagen mijnheer en mevrouw beiden haar aan met dien onderzoekenden blik, dien zij zich van kind af herinnerde. Vroeger was hij haar een streeling geweest, die blik die haar duidelijk zeide: „Wat is onze dochter toch mooi,” nu vervulde hij haar met onrust en wrevel. Zij was bang er teleurstelling of medelijden in te vinden.

„Wat heb je me lang laten wachten, Eus,” zeide mevrouw, maar niet onvriendelijk. Zij was verteederd omdat zij haar vanavond toch weer „zoo beelderig” vond.

Zij zouden mevrouw de Mureaux en Betty gaan afhalen om wat door de boschjes te toeren.

„Och mama,” zeide Eugénie, voor den spiegel, verdiept in het vastspelden van haar voiletje, „Mevrouw de Mureaux is toch nooit klaar, als we komen. We kunnen best wat later zijn dan de afspraak.”

„Maar ik verkies niet dat je de paarden zoo’n eeuw laat wachten!” riep mijnheer van Starren op eens heftig, met de opstuivende knorrigheid van goedige naturen, als zij in hun zwak gegrepen zijn; en voor hem waren zijn paarden een groot zwak.

Hilda kwam juist binnen. De onvriendelijke toon harer huisgenooten onderling was altijd nog een pijniging voor haar; weifelend bleef zij even aan de deur staan.

„Zoo, Hilda, waar ga jij naar toe? met hoed en handschoenen? We kunnen je niet meenemen kind, we hebben met mevrouw de Mureaux en Betty afspraak gemaakt, en dus zijn we al vier in ’t rijtuig.”

„Als u ’t goed vindt, tante, wou ik vanavond gaan thee drinken bij Corona van Oven.”

„Alweer!” zeide Eugénie, en een wereld van vijandige aanmerking en tegenstand lag in dat ééne woord.

„Ja, mij dunkt ook, je gaat er wel wat heel druk naar toe,” zeide mevrouw. „Ik houd niet van die drukke vriendschappen met menschen zoo buiten onze côterie. Ik wil niks tegen het meisje zeggen, en als onze ouwe dokter zijn praktijk neerlegt, zou ik er zelf sterk over denken om haar te nemen, maar het is geen omgang voor freule van Suylenburg.”

Hilda stond verlegen. Het bruischte even in haar op, ze had heftige woorden op de lippen. Maar wat kon haar tante, die gewend was de waarde harer kennissen te berekenen naar geboorte, relatie, en fortuin, verstaan van het heerlijke wat er lag in een intiemeren omgang met Corona?

Maar mijnheer van Starren kwam goedig tusschen beiden:

„Wel Hermine, laat Hilda toch gaan waar ze het prettig vindt! Corona van Oven is een heel achtenswaardig meisje. En ze is van goeie familie. Haar moeder was een van Plooze, en die haar moeder een freule van Brosselen, je weet wel, van de ouwe, de Overijselsche tak.”

Hilda lachte even; zij kon het niet helpen. In haar gedachte zag zij weer Corona’s vorstelijke gestalte, en het fijne edele hoofd. Zij dacht aan dit hooge rijke vrouwenleven van studie en barmhartigheid, en zij lachte, even hard op, dat er een adelijke grootmoeder bij te pas moest komen, om te weten, of zij met haar intiemer om mocht gaan of niet. Hoe komiek waren toch die maatschappelijke appreciaties! En toen zij hare tante en Eugénie in het rijtuig had zien stappen en zelf vlug den weg naar ’t Voorhout in sloeg, lachte ze nog voort. En deze wereld, waarin eerst gevraagd wordt naar de familierelaties en geboorte dergenen aan wie men zijn vriendschap wil geven, durfde zich nog christelijk noemen en ontwikkeld? Christelijk naar Hem die tollenaren en zondaren, niet de grooten van zijn volk opzocht, en ontwikkeld, terwijl het beginsel van elke ontwikkeling is, naar de innerlijke waarde van menschen en dingen te vragen, niet naar de uiterlijke omstandigheden.

Op de stoep bij Corona ontmoette zij Marguérite van Arkel.

„Kom je ook vanavond? Dat is heerlijk. Het zal mooi zijn. Frank van Soeterwolde zal voorlezen.”

Hilda schrok een beetje van den beroemden naam.

„Wat bedoel je? zal die vanavond bij Corona lezen? die acteur? Maar dan ga ik niet binnen. Ik ben niet gevraagd, ik kwam zoo maar, en het zou indiscreet zijn .….”

„Ik weet zeker dat Cora blij zal zijn je te zien, kom, ga maar gerust mee. Soeterwolde is een groot vriend van Corona, en ze zal het heel prettig vinden dat je hem ook hoort. Heb je hem ooit zien spelen?”

„Ja,” zeide Hilda, en haar enthousiasme overwon het aarzelen van bescheidenheid. „Het is de grootste speler van onzen tijd. In Parijs heb ik hem gezien, het is heerlijk!” En opgewonden volgde ze Marguérite naar de studeerkamer.

In plaats van een paar stille uurtjes met Corona, vol van dat psychologisch bespiegelen, wat denkende vrouwen zoo lief is, wanneer zij vertrouwelijk te zamen zijn, zou ze dus nu in eens dien grooten kunstenaar terug zien! Als Corona haar nu maar niet indiscreet vond! Maar dokter Van Oven’s welkom getuigde genoeg van het tegendeel. Er was den laatsten tijd een groote vriendschap tusschen haar ontbloeid.

„Waarom heb je toch zoo gelachen, Cora?” vroeg Marguérite, toen zij allen gezeten waren. „Straks op de gang, toen we onze hoeden afzetten, hoorden we je schaterlachen, is het niet Hilda?”

Corona lachte weer en het verwonderde Hilda, hoe jong zij er uitzag dien avond.

„Mijnheer van Soeterwolde vertelde me van ’n bezoek, dat hij vanmorgen gemaakt heeft bij zijn tante, mevrouw van Remstra, je weet wel, die vrome douairière in de Nassaulaan, en hoe ze hem eerst uit de hoogte heeft ontvangen en hem toen zalvend over de zonden van zijn carrière heeft onderhouden.”

„En natuurlijk,” voegde Frank er bij, „was ze nooit in haar leven in de comedie geweest en had zelfs geen flauw besef dat er ook op het tooneel verschillende geestesrichtingen zijn, die elkander beoorlogen. Van symbolisme en naturalisme had zij natuurlijk nooit gehoord, of van het Theatre Libre, of L’Oeuvre, of van ons troepje, Le Petit Theatre Vrai; misschien gelooft ze niet eens dat er verschil bestaat tusschen een vaudeville en een drama van Shakespeare. Maar voor sommige vromen schijnt het ’n geloofsartikel te zijn, om het tooneel voor zondig te houden.”

„En toch zijn juist op het tooneel altijd de nobelste gedachten uitgesproken,” zeide Hilda levendig. „Als men denkt aan Sophocles, en de andere klassieken, of aan Corneille, Racine, Shakespeare, Lessing, Molière, Vondel, Ibsen, Maeterlinck, Goethe, Wagner, zou dat allemaal zonde zijn?”

Allen lachten. Het klonk grappig naïef, die combinatie van „allemaal zonde” en de opsomming, enthousiast in éen adem, dier groote dichternamen.

„Het is de eeuwig oude geschiedenis,” zeide Marguérite peinzend, „van de holle phrases, die men elkaar maar na zegt. Menschen die nooit over sociale toestanden hebben nagedacht, er nooit één fatsoenlijk werk over gelezen hebben, hoort men aan alle kanten zeggen: het volk is nog niet rijp voor meer rechten, armoe is eenmaal noodzakelijk, socialisten zijn allemaal boeven enz.; menschen die nooit één seconde waarachtig hebben geworsteld om een eerlijke geloofsovertuiging hoor je zeggen: godsdienst is allemaal larie, daar is geen God en geen mysterie; menschen voor wie de vrouwenzaak nooit een ernstige vraag is geweest, niets dan een bespottelijke grap, kun je deftig hooren vertellen wat precies vrouwelijk, en wat het niet is, en juist, die soort zijn het knapste om te weten wat „de vrouw” eigenlijk voor een wezen is. En zoo is het zeker ook met het tooneel. Die nooit in een schouwburg zijn geweest, weten natuurlijk het best hoe zondig het daar is.”

„Het is een oude paradox, die mijn vader en ik eens in een grieksch boekje hebben gevonden,” lachte Hilda: „Alleen absolute onwetendheid kan met zekerheid een oordeel vellen.”

Frank had zwijgend geluisterd met een lach, maar op eens kwam er hartstochtelijke ernst over zijn gezicht.

„Het tooneel is dikwijls geweest, en moest het altijd zijn, de plaats waar men in artistieken en levenden vorm de groote levensvragen kon zien behandelen, waar men ze objectief kon komen beoordeelen, omdat, wanneer de dichter en de acteur beiden iets beteekenen, men tegenover hun spel staat, als tegenover een realiteit die men meeleeft, waarin men mee voelt, maar zonder dien persoonlijken, verblindenden hartstocht, die ons gewoonlijk verhindert om koel na te denken, wanneer wij de drama’s om ons heen in onze eigen omgeving zich zien afspelen. Het tooneel moest zijn een hoogeschool van wijsbegeerte, waar de groote problemen worden behandeld in schertsenden of in ernstigen vorm, al naar het genie van den schrijver. Het moest zijn een hoogeschool van zeden, van schoonheid, van nieuwe gedachten en van de altijd zich vernieuwenden vormen, die de oude waarheden in den evolutiegang der tijden aannemen.”

En toen ineens direct tot Corona gewend, ging hij voort:

„O! Cora, zie je, ik wou dat je madame Tachilde leerde kennen. Mijn troepje is nog jong en heeft dus allerlei jeugdgebreken, maar we streven ernstig naar dat ideaal, en je weet niet wat ze daarbij een steun voor me is. Met haar prachtig talent en strenge eischen en haar voorbeeldig gedrag, zal ze eenmaal een macht zijn in de artistieke wereld van Frankrijk. Als wij het nou nog maar een paar jaar kunnen volhoûen finantieel, dan hoû ik het er voor, dat we ons een vast kringetje van artistiek, fijn, waar denkend publiek hebben veroverd van waaruit zich ook een betere smaak bij de groote massa zal ontwikkelen! Het is misselijk tegenwoordig, die idiote stukken die men geeft, of nog erger, die successtukken, waarin de acteurs en vooral de actrices zich eigenlijk verlagen tot, ja, wel wat rijker gekleede en deftiger sprekende, maar daarom toch niet minder café chantantmenschen. Maar dat die prulstukken zoo’n opgang maken, is juist voor ’n deel de schuld van de ernstigen en beschaafden onder het publiek. Als die in grooten getale opkwamen zoodra er een goed stuk gegeven werd en wegbleven bij de slechte dingen, zouden de theater-directies, voor wie het alleen een geldkwestie is, wel voor betere stukken gaan zorgen.”

„Heeft u dat allemaal tegen mevrouw van Remstra gezegd?” vroeg Hilda vroolijk.

„Nee, ik geloof niet dat ze me met veel belangstelling zou hebben aangehoord. Ze is nou eenmaal overtuigd dat alle artiesten goddelooze onzedelijke menschen zijn.”

„En de heeren en dames uit de groote wereld dan, die zij aan haar tafel ontvangt? Zeker allemaal incarnaties van deugd?” lachte Marguérite.

Frank van Soeterwolde had geen nieuwe lectuur meegebracht. Alles wat er merkwaardigs uitkwam en hem passioneerde, stuurde hij aan Corona en zij bespraken het in hun brieven. Wat hij nu bij zich had, was, behalve enkele verzen van een jong onbekend dichter die hem interesseerde, Richard Wagner’s: Jesus von Nasareth, de onafgewerkte schets van een drama, dat nooit voltooid werd, omdat de schrijver zich ten slotte niet machtig genoeg voelde, om de hoogheid van zulk een onderwerp te beheerschen.

Niettegenstaande Frank zich de laatste jaren, eerst aan het Parijsche conservatoire, later als acteur aan het Odéon, en nu aan het hoofd van zijn eigen troepje, uitsluitend verdiept had in Fransche taal en Fransche werken, las hij uitstekend Duitsch. Zwijgend zaten de drie jonge vrouwen om hem heen, in spanning hem volgend door dit labyrinth van hooge gedachten.

Eerst kwam de schets der handeling, zooals die zich zou hebben moeten ontwikkelen, toen meer uitgewerkte fragmenten, teksten en verklaringen.

Corona, in machteloos week voelen, leunde achter in haar stoel. De opgewonden vroolijkheid, die Hilda straks had verbaasd, was weggegleden; in de drukke conversatie was het zoo veel makkelijker de emotie tot zwijgen te brengen, dan nu onder het stille luisteren. Zij dwong zich te verstaan, maar soms hoorde ze minuten lang niets dan de klank van zijn stem en voelde alleen het weëe bewustzijn, dat hij morgen weer weg zou zijn, dat zij beiden weer de ontzettende eenzaamheid in moesten.

Op eens echter werd ze gewaarschuwd om scherper op te letten; er was een verandering in Frank’s rustig voorlezen gekomen, in zijn stem klonk ontroering. Hij las nu de woorden over huwelijkswet en liefde, en zichtbaar greep het hem aan.

Frank legde het boek neer, en bleef er even in bladeren, toen tot Marguérite gewend—naar Corona’s kant durfde hij zelfs niet kijken op dit oogenblik:

„Goed, vindt u niet? Een huwelijk zonder liefde echtbreuk te noemen! En wat een ellendige idees hebben de meeste menschen toch nog over die dingen! Aan alle kanten zie je dagelijksch huwelijken sluiten om geld en positie en relaties en protectie en uit angst om ongetrouwd te blijven en uit gemakzucht, en onwetendheid, en verveling van het kamerleven, en dépit, en door pressie van familieleden enz. enz. en zulke paren, wier verbintenis „tegen Gods gebod” is, omdat zij tegen de liefde zondigt, worden door de wet voor onscheidbaar verklaard! Is het geen schande?”

„Weet je hoe men dat makkelijk zou kunnen verklaren?” zeide Marguérite glimlachend. „Ik geloof dat er onder de zoogenaamde Christenen heel wat meer afgodendienaars zijn dan men denkt, en zij, die geld, aanzien, gemak, en al die dingen meer, tot hun godheid hebben gemaakt, kunnen dan logisch, zich houdend aan het ouwe Bijbelwoord: „Wat God vereenigd heeft zal de mensch niet scheiden,” verklaren dat zulke huwelijken niet gescheiden mogen worden, want .… hun (af)god heeft ze verbonden!”

Frank glimlachte even met een verren peinzenden blik, toen zeide hij zacht:

„Het is een mooi woord: Wat God vereenigd heeft, mag de mensch niet scheiden! Maar gewoonlijk wordt het zoo heel verdraaid opgevat. Allerlei verbintenissen, ook die door de laagste drijfveeren zijn gesloten, zoodra zij maar in den burgerlijken stand zijn ingeschreven, worden als heilig en daardoor als onverbreekbaar beschouwd en daarentegen zie je dagelijksch dat gemis aan fortuin, ongelijkheid van stand, verschil van godsdienst en nationaliteit velen scheiden, die werkelijk goddelijk verbonden zijn, d.i. door de Liefde, want wat anders is God dan hoogste liefde macht?” En toen op eens met al den hartstocht van persoonlijk lijden ging hij voort—: „Voor mij bestaan er maar twee soorten van huwelijken: die uit God en die uit den Satan, om het oude kernachtige beeld te gebruiken. Voor het goddelijke huwelijk, dat uit liefde, hoeft men geen bindende wetten te maken. Wat zich in waarachtige liefde heeft vereenigd, wil één blijven, de mensch mag het niet scheiden en kan het niet scheiden, omdat die band door het samen deelen en strijden, het elkaar aanvullen, het samen dragen van de verantwoordelijkheid der toekomst, dat is: de kinderen, hoe langer hoe vaster worden moet. Het andere is het satanische huwelijk van niet-liefde, en elke wet die deze immoreele verhouding sanctionneert en verhindert dat er een einde aan komt, is slecht, is onzedelijk!”

„Dus u bent een apostel van de Vrije Liefde?” vroeg Hilda, in een naïef zich nieuwsgierig voelen naar iemand die in vollen ernst idees durfde verkondigen, welke men in haar kring voor zoo hoogst gevaarlijk verklaarde. Wèl gingen er in het salongefluister heel wat verhalen rond van vreemde vrijheden die men zich permitteerde, maar deze werden blijkbaar officieel niet gevaarlijk gevonden, omdat zij heimelijk werden gepleegd en onder leugen en bedrog.

Frank haalde even de schouders op:

„Vrije liefde? Och nee, waarom? Waarom zou een jong paar, dat in ernst besloten is het leven samen door te gaan, samen de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor het gezin dat uit hun liefde kan voortkomen—en over menschen die met andere plannen trouwen spreken wij nu niet, nietwaar? dat is maar ’n vermomd soort van prostitutie—waarom zou zoo’n paar niet op den dag van zijn vereeniging naar een aangewezen gebouw gaan, en zijn handteekening zetten? Er is iets aardigs in, dat het daardoor aan de geheele wereld bekent, voortaan samen te willen zijn, één, en ofschoon ik niet inzie waarom het juist altijd de vrouw zou moeten zijn die haar naam opgeeft, als symbool is het wel lief dat één der partijen zijn naam verliest en men voortaan samen slechts onder één vlag tegenover de buitenwereld optreedt. Het teekenen op het stadhuis is een maatregel van orde, die goed is en noodig, in een maatschappij als de onze, getuige de ellendige verwarringen in die landen, waar de burgerlijke stand nog niet is ingevoerd. Maar dit teekenen te maken tot een keten, die onder alle levenswisselingen en omstandigheden onverbreekbaar is, dat is het, waartegen wij met alle kracht moeten protesteeren!”

„Ik ben het heelemaal met je eens!” zeide Marguérite warm.

„Administratief kan de inschrijving in den burgerlijken stand zeker een nuttige maatregel zijn! Alles wordt immers in de natuur, naar vaste wetten en in groote orde geregeerd, en het is een van de sterkste neigingen, ook van ons menschen, om onze handelingen, onze verhouding tot anderen aan vaste regelen te willen binden. Overal hebben we ons zelf rythen en verordeningen geschapen, en zoo zal het altijd blijven. Als de oude wetten zullen zijn te niet gedaan, zullen er nieuwe komen, altijd en altijd weer. Trouwens zoo als nu ook de toestanden nog zijn in onze maatschappij, vind ik het vrije huwelijk heel verkeerd om de kinderen die er uit kunnen geboren worden. De wereld is nog wreed voor het onwettige kind! We kunnen het betreuren, ontkennen kunnen wij het niet. En nu is het heel goed voor twee menschen om in enthousiasme, sterk door het gevoel van wederzijdsche liefde, zich voor een idee ten offer te brengen, en vrijwillig de wereldschande te trotseeren, maar wie zal zeggen of het kind, dat uit die liefde voortkomt, willig en krachtig genoeg zal zijn om blijmoedig den zwaren last te aanvaarden, die men bij de geboorte heeft neergelegd op zijn teere schoudertjes? Iets heel anders is het echter om van zoo’n huwelijksakte een levenslang drukkenden band te maken! Dat is ontegenzeggelijk ellendig!”

Somber peinzend staarde ze een oogenblik voor zich heen. Het beeld van een jeugdvriendin rees voor haar op, die kort geleden getrouwd was, onder den dubbelen drang van armoede en van het drijven eener gebrekkige moeder, die haar onophoudelijk het huwelijk als eenige uitkomst had voorgehouden. In wanhoop teerde zij nu weg. Geen berouw, geen heilige voornemens konden haar meer redden. Levenslang was zij gebonden aan een man dien zij verachtte. En zoo’n huwelijk, aangegaan in zwakheid, voortgezet in misdaad, werd door de wet in naam der zedelijkheid onverbreekbaar verklaard!

„Maar, er zijn toch scheidingswetten!” riep Hilda, toen een vreemd, drukkend zwijgen was ingetreden.

„Ja zeker,” zeide Frank. „Als het zoo erg is dat het een publiek schandaal is geworden, bij bewezen echtbreuk, en bij levensgevaarlijke mishandelingen, kan men scheiden, of als een van de partijen heel lang weggaat, met het klaarblijkelijke doel om de andere te verlaten, of als men het samen eens is, om voor goed uit elkaar te gaan, en men speelt ’n schandaalcomedietje. En daar moeten we heusch al heel dankbaar voor zijn! Maar zoo’n geval, als ik gisteren bijvoorbeeld weer hoorde van een advocaat, die ’s avonds uit de sociëteit gewoonlijk half dronken thuis komt en dan zijn vrouw op alle manieren zulke mishandelingen laat ondergaan, dat het arme schepsel door angst en verdriet, tweemaal achtereen een idioot kindje heeft ter wereld gebracht, zulke bagatellen rekent de wet niet als scheidingsredenen. Leve het onverbreekbare huwelijk!”

Huiverend van afschuw zat Hilda een oogenblik stil, toen zeide ze, in peinzend aarzelen:

„Maar bent u niet bang, mijnheer van Soeterwolde, dat, als de scheidingswetten makkelijker werden, het in de maatschappij een chaos zou zijn van scheidende en hertrouwende paren?”

Frank zag haar doordringend aan:

„Gelooft u aan liefde, freule, en aan een gelukkig huwelijk?”

Hilda kleurde even en zacht zeide zij:

„Ja.”

„En wat gelooft u dan dat de goeie huwelijken nou bij elkaar houdt, de wet of de onderlinge liefde?”

„De liefde natuurlijk!”

„Ja .…. dat is waar!” .…. zeide Hilda langzaam, en toch kwam nog weer twijfel in haar op: „maar gelooft u toch niet dat er dan veel vrouwen schandelijk verlaten zullen worden die jaren lang trouw voor haar huisgezin hebben geleefd en later als zij oud en niet meer bekoorlijk zijn, voor het eerste beste aardige gezichtje zullen worden vergeten?”

„O! freule, wat ’n zwarte verdenking tegen den man!” zeide Frank lachend. „Nee, daar ben ik heusch niet bang voor, want wie zoo laag staat, dat hij na jaren van gelukkig getrouwd zijn, de moeder van zijn kinderen voor een aardig gezichtje vergeet, zal dan ook zonder makkelijke scheidingswetten zijn vrijheid wel weten te nemen, daar zijn voorbeelden bij duizenden van! En wat dunkt u ontzettender voor een vrouw, de man, die haar zoo onwaardig is eerlijk van zich te zien scheiden, of wettelijk aan hem verbonden te blijven, terwijl hij haar telkens bedriegt?”

„Trouwens,” hernam Marguérite, „hiervan geldt ook wat je straks hebt gezegd. Als de scheidingswetten makkelijker waren, zou menigeen zich wel langer bedenken om toe te geven aan een „caprice,” zooals de elegante wereld het luchtigjes noemt. Er zou heel wat minder met vuur gespeeld worden als het niet meer was zoo als nu, dat, met ’n beetje voorzichtigheid in de vormen, de ontrouw rustig zijn gang kan gaan, zonder dat de beleedigde partij zich los kan maken.”

„Maar de kinderen,” zeide Hilda, „wat moet er met al de kinderen gebeuren van al die gescheiden paren?”

Frank lachte. „Al die gescheiden paren! Freule? U denkt, geloof ik, dat ik ze bij millioenen wil laten scheiden. Wat worden er naar verhouding niet weinig engagementen verbroken, waar men toch volkomen vrij is, en omdat de ouwe gildewetten niet meer den schoenmaker dwingen bij zijn schoenen en den smid bij zijn smeedwerk te blijven, ziet men toch niet dagelijks alle werklui van hun vak veranderen, en alle menschen, die wonen kunnen waar zij willen, verhuizen toch niet elken maand! Maar voor de kinderen van waarlijk rampzalige gezinnen, geloof mij, freule, zal het oneindig beter zijn bij eén van de beide ouders alleen of desnoods onder vreemden te worden opgevoed, dan hun sterke jeugdimpressies te ontvangen in zoo’n hel van wederzijdsch elkaar niet begrijpen, niet verdragen!”

Hilda zweeg, in intense spanning van denken. Zij voelde de waarheid dier voor haar nieuwe gedachten, en toch zocht ze onrustig naar tegen-argumenten. Het was het behoudende dat in elke menschennatuur ligt, dat aarzelend ons vast doet klampen aan den ouden gewonen vorm der dingen, ook al trekken ons de nieuwe aan, het was het knipoogend zich omwenden naar de duisternis, ook al is het nieuwe licht ons welkom.

Toen met een lach, blij omdat zij een oplossing meende gevonden te hebben, zeide ze:

„Maar zou het niet beter zijn, in plaats van voor betere scheidingswetten alle krachten in te spannen, om door opvoeding en lectuur, de menschen zooveel wijzer en hooger te maken, dat zij geen slechte huwelijken meer aangingen?”

Frank sprong op, driftig:

„Het eeuwige argument der optimistische moralisten! Wel zeker, als de wereld volmaakt was, hadden we geen divorcewetten noodig! Maar dan ook evenmin huwelijkswetten, nietwaar? Dan konden we immers het heele wetboek wel missen? Maar in afwachting van die gouden eeuw, wier komst juist zoo vertraagd wordt door de millioenen arme schepsels, geboren uit onzedelijke samenleving, hetzij in, hetzij buiten het huwelijk, wat te doen?”

Met groote stappen ging hij de kamer op en neer, in een plotselinge gejaagdheid, die Hilda verlegen maakte, omdat haar woorden die hadden opgewekt, zonder dat ze begreep waarom.

„Welzeker!” herhaalde hij heftig. „Er moest niet zoo lichtvaardig getrouwd worden! Maar dat is toch al een heel goedkoop oppervlakkig antwoord op die duizende angstkreten, die overal opgaan uit ellendige gezinnen. Wel zeker, genoegelijke idealisten, jullie hebt groot gelijk! O! het is erbarmelijk te denken hoe groot gelijk jullie hebt! Maar om niet eens te spreken van de huwelijken uit ambitie of armoede, en al zulke drijfveeren meer, zoolang er verstandige ouders zijn, of .…”—plotseling stond hij stil voor Corona en zag op haar neer met oogen donker van hartstocht en pijn—„of zooals in mijn geval, onverstandige grootouders, en zoolang heel jonge mannen zoo wanhopend gauw en dom verliefd worden en jonge meisjes zoo erg gauw klaar zijn met haar „ja,” allemaal categorieën van menschen, dat stem ik volkomen toe, die in een wijzere wereld niet moesten voorkomen, maar die nog wel de eerste eeuwen zullen bestaan, zoolang moest de huwelijksband niet voor het leven bindend zijn! Niet omdat breken goed is,” vervolgde hij hoe langer hoe heftiger, „maar omdat samenblijven slecht is, als liefde is heengegaan. Een wet die twee menschen aan elkaar bindt, uit wier samenzijn het hooge heilige is weggevallen, is immoreel, afgrijselijk immoreel!”

Hilda huiverde; zij voelde het duizelen van iemand, die lang langs een afgrond gegaan is, zonder het te weten en plotseling vlak bij zich de zwarte diepten ontdekt.

Corona’s doodsbleek zwijgen en Soeterwolde’s hartstochtelijke uitval,.… was daar niet vóór haar een drama van zwaar menschenlijden gespeeld, terwijl zij kalm wat meende te philosopheeren? Een groot warm medevoelen steeg in haar op.

„Frank!” zeide Corona, maar met een stem zoo zwak als van een zieke. „Wil je ons het boek niet uitlezen?”

„Ja zeker!” zeide hij bedaard. Bij den zachten klaagklank van haar stem was alle opwinding in hem verdwenen. In machtig zelfbeheerschen ging hij naar zijn plaats terug en las.

Maar geen van allen kon toch meer de vroolijkheid van het begin terughuichelen en het was Hilda een verlichting toen de knecht werd aangekondigd om haar te halen.

„Adieu, lieve, ik vond het erg gezellig dat je vanavond gekomen bent,” zeide Corona, en Hilda was dankbaar voor dat woord, dat haar zeide, dat, mocht zij iets geraden hebben, men haar niet als een indringster beschouwde.

„Dank je wel, Cora, dank je wel!” fluisterde ze gejaagd in een plotseling verlangen om de armen om haar heen te slaan en met haar te weenen.

Wat waren haar handjes ijskoud! en op het hooge voorhoofd, waar het bleek ivoor licht beschaduwd werd door het donker haargegolf, parelden kleine angstdropjes. Corona was angstig voor het eerst in haar leven. Zij voelde dat de ure van bange beslissing dáár was.

Hilda en Marguérite waren weg gegaan, en zwijgend stonden Soeterwolde en de jonge doktores tegenover elkaar. Zij durfde hem niet aan zien, geloovende met vreemde intuïtie dat als hun blikken elkaar nu ontmoetten er iets vreeselijks gebeuren zou.

„Cora!” zeide hij eindelijk heel zacht.

Zij ging een stap van hem af en viel neer op een stoel. Zij kon niet meer staan door het beven, en over haar kwam die radelooze krachtsinzinking, die ook de sterksten, misschien juist de sterksten, een moment lang kan vernietigen. Als Frank haar op dit oogenblik in zijn armen had genomen en tot haar had gesproken de overstelpende woorden, die als een tooverdrank werken op de vrouw die liefheeft, in slaap wiegend alle denken, alle willen, misschien zou zij niet bijtijds tot zelfbeheersching zijn teruggekeerd. En het is vreemd te denken dat in de momenten van strijd tusschen het sterke en het zwakke geslacht, het juist aan de vrouw is, om sterk te zijn, wil niet de uitkomst rampzalig wezen. En hoevele vrouwen werden opgevoed tot kracht? Was niet tot dusver de leidende hoofdgedachte der meisjesopvoeding: toegeven, volgen, dienen, gehoorzamen, onderworpen zijn? En als dan, in het oogenblik van hoogste worsteling het meisje niet heeft weten te heerschen over zich zelf en den sterke, tot wien men haar geleerd heeft op te zien, dan werpt in huichelachtige wreedheid de wereld haar den steen toe.

Maar Frank stond voor haar en zag neer op het smartvolle gezichtje in grooten teederen eerbied, en zachtjes dringend herhaalde hij:

„Cora, wij kunnen immers ons leven zoo niet langer voortslepen, het kan niet! Die paar keer op een jaar dat ik zoo es even kan overkomen en onze arme brieven zijn maar broodkruimels, we sterven daarbij van den honger. Laten we niet meer scheiden! Cora, liefste ga met me mee!”

Zij sloot de oogen en schudde zachtjes het hoofd.

„Waarom niet? Corona? Waarom zoûen we niet gelukkig samen zijn? Is dan niet wat ons samen heeft gebonden van den eersten dag af aan dat we elkaar gezien hebben, juist die goddelijke band, die niet verbroken mag worden! Zijn onze zielen niet tot elkaar getrokken door dien onzegbaar mysterieuzen drang, dien de dieren niet kennen en de lage naturen kunnen loochenen, maar dien wij erkennen, niet waar? die drang die door het beste wat in ons is, ons tot elkaar voert, niettegenstaande we ver van elkaar hebben geleefd, en we beiden geworsteld hebben om ons los te maken van een liefde die we vooruit wisten dat ons zooveel ellende geven zou?”

„Ja, we hebben wèl geworsteld!” zeide ze in een mat fluistergeklaag. „We hebben getracht op te gaan in ons werk met alle kracht, maar het geeft allemaal niets!”

„Nee, Cora, ’t geeft niets! We behooren bij elkaar voor altijd! Waarom geloof je me niet? en wat is er dan toch dat ons scheidt? ’n stuk papier daar ginds op het Stadhuis te Rotterdam, dat mij bindt aan een vrouw, die ik niet lief heb, en die mij niet lief heeft, die alleen in mij den kunstenaar wil exploiteeren!”

Hij sprong op en liep de kamer op en neer met zware heftige stappen. Een oogenblik, zonder dat hij het merkte, volgden hem Corona’s oogen en langzaam keerde in haar blik het geestkrachtsklare terug:

„Nee, Frank, niet dat papier scheidt ons! geloof je dat zoo’n akte, waarvan wij allebeide het onzedelijke hebben erkend, mij zou kunnen beletten je te volgen, als ik dacht dat het goed was?”

Met een ruk draaide hij zich om.

„En waarom denk je dat het niet goed zou zijn? Hebben we elkaar niet lief? Zijn onze levens niet vernietigd als we zoo gescheiden voort moeten gaan? Vullen we elkaar niet aan, zoo als man en vrouw dat behooren te doen?”

Zij boog het hoofd en staarde op de samengeperste handen. De angstsmeeking in zijn oogen kon ze niet zien en ze zocht naar woorden. In zijn nabijheid vol hartstocht en teederheid, hoe koud en vaag schenen op eens al de argumenten die ze zoo dikwijls bij zich zelf herhaald had in volle overtuiging.

„Frank je gelooft in je roeping als kunstenaar niet waar? Je gelooft dat elk mensch den roep moet volgen die in hem is, waardoor alleen hij aan de gemeenschap kan geven wat hij het beste in zich heeft?”

Hij knikte even en bleef haar strak onrustig aanzien.

„Zoo is er voor mij ook een roeping hier, die ik vervullen moet, en als ik je nou volgde Frank, zou ik daar ontrouw aan worden, en dat kan niet?”

„Wat voor roeping? Overal zijn immers zieken, genezen en helpen kun je immers overal?”

Ze schudde het hoofd.

„Dat bedoel ik niet! Frank! Ik meen niet dat ik als dokter hier moet blijven. Maar voor velen ben ik hier iets heel anders geworden, een steun een raad-, een leidsvrouw, en ik weet dat als ik nou met je weg ging, ik die allen een onherstelbaar kwaad zou doen. Want wat zal de wereld zeggen van ons? Niet dat we vijf jaar lang in groote kracht geworsteld hebben, en toen eindelijk erkennende dat de band die ons verbonden houdt, heilig en onverbreekbaar is, ons vereenigd hebben in naam van een hoogere moraal dan die van het wetboek. Zij zal van ons zeggen .…”—een donkere gloed golfde heen over het koud witte gezichtje—„dat doktoresje is er van door met ’n acteur! en ik hoor het gelach en gefluister al, en al de geestigheden op de heerensociëteiten en de commentaren die bij zulke gevallen niet uitblijven: „Dat heb je nou van die geëmancipeerde vrouwen. Ik heb het altijd wel gezegd! Hoe geleerder en onafhankelijker hoe lichtzinniger!” Begrijp je niet Frank, dat waar ik hier jaren lang gewerkt heb om al die onzinnige vooroordeelen te overwinnen, ik dat alles niet in éen slag mag vernietigen door in de wereldoogen een grooten val te doen?”

„Maar men zou ook kunnen zeggen, dat, als jij met je grooten invloed en vlekkelooze reputatie aan de wereld toonde, dat er voor jou een heel andere, hoogere zedelijkheid bestaat dan die van verouderde wetten, je voorbeeld in die richting een weldaad voor de menschheid zou zijn! Wat kan de wereld beter overtuigen, dan dat een vrouw als jij haar den weg wijst? Toon door je daad dat je neerziet op degenen die hun zelfgemaakt wetboekje hooger stellen dan de eeuwige wet van de Liefde! en kom bij me, Corona!”

Vol verwachting zag hij haar aan. Maar zij schudde droevig het hoofd.

„George Eliot en George Sand en zooveel anderen hebben dat voorbeeld al gegeven, en wat hebben zij bereikt? Hoogstens zou men van mij zeggen: „Dat had ik nooit van haar gedacht!” De wereld zou nooit gelooven dat ik uit een hoog beginsel zou hebben gehandeld, zij zou alleen gelooven aan zwakheid, en dat mag niet, Frank! Vlekkeloos moet ik blijven om met alle kracht invloed te kunnen uitoefenen. Als mijn stem van protest tegen het onzedelijke onzer wetten, en tegen zooveel onrecht en domheid luide weerklinken zal, moet ik op een voetstuk blijven en niet eerst me zelf in de wereldopinie verlagen.”

Zonder te spreken, hervatte Frank zijn heen en weer loopen. De handen in de zakken, het hoofd diep op de borst gebogen, ging hij telkens langs haar heen.

Eindelijk hoorde ze hem zeggen, schor fluisterend tusschen de tanden:

„Wereldopinie! dus toch angst voor de wereldpraatjes!”

„Niet voor mij zelf, Frank!” riep ze smeekend tot hem opziend, bang voor misverstand. „Begrijp me toch, voor mij zelf ben ik onverschillig voor de wereld! Heb ik niet mijn heele moeielijke leven door alleen dat gedaan, wat ik zelf voor plicht en goed hield, zonder mij om allerlei opinies te bekommeren? Maar voor de anderen hier, mag ik niet, Frank, toe geloof me, ik mag niet!”

Hij antwoordde niet, en zij, zacht pleitend ging voort:

„O! als je ’t wist, hoe er onder de armen hier meisjes zijn, die alleen het geloof in reinheid en goed zijn terug hebben gekregen, doordat ze in mij geloofden, en uit de hoogere standen, hoeveel ik er gered heb van het akelig luie leven van wachten op een man, doordat ze in mijn werk leerden gelooven. O! Frank, dan zou je zelf inzien dat ik dat geloof niet mag breken door een zondeschijn op me te nemen.”

„Maar, mijn God, Corona, wat kunnen me al die anderen schelen! Zoo’n handjevol Haagsche meisjes, wier deugd zoo zwak is dat ze valt of staat met jouw voorbeeld, is dat de moeite waard, om ons heerlijke geluk aan op te offeren?”

„Ja Frank,” zeide ze met iets warm plechtigs. „Tenminste, als je gelooft, zoo als ik, dat het doel van het leven niet is geluk, maar volmaking, dan is het de moeite waard dat wij ons geluk van dit oogenblik opgeven voor diegenen, al waren het er maar tien, maar vijf, maar drie, voor wie een teleurstelling in mij een verlies van vertrouwen in al het goede zou zijn!”

„Dwaasheid,” zeide hij bijna grof. „Niemand is onontbeerlijk, dus jij ook niet. Het is hoogmoed van je, Cora, om zoo te spreken.”

Zij sloeg de oogen neer, peilend in haar eigen hart, zich onderzoekend in grooten angst, en het frappeerde hem op eens toen hij op haar neer zag, hoe sterk zij geleek, zoo, in het licht van de lamp, de donkere wimpers blauwzwart kringend op de bleeke wang, op een Madonnakopje, dat hem eens in een oude kerk in Italië getroffen had.

Maar toen begon ze weer te spreken, de groote glansoogen tot hem opgeslagen:

„Ik geloof niet dat het hoogmoed is, want als in de physische wereld het een bekend feit is, dat het kleinste stofje dat zich verplaatst duizende en duizende bewegingen en tegenbewegingen in de wereld van het onzichtbaar kleine wekt, dan moet dat in de moreele wereld ook zoo zijn, en ik weet zeker, dat, als ik nu met je wegging, ik over heel Nederland duizende cynische lachjes en hoonwoorden zou oproepen, die aan ontelbare vrouwen den strijd zouden verzwaren voor een onafhankelijker waardiger leven! Ik hoor het al: „Daar heb je nou weer die doktores, in den Haag, die er van door is met ’n getrouwd man! Nou zie je weer es, waar die emancipatie toe leidt!” En nu mag het waar zijn, dat er dagelijks alles behalve geëmancipeerde vrouwen geschaakt worden en bedriegen en zondigen, met logica houdt zich de wereldopinie niet op, en het feit dat ik gestudeerd heb en .… „er van door was” .… zou weer als wapen dienen tegen heel wat vrouwen die worstelen om haar eigen weg te mogen volgen.”

Zwijgend, in wrevelopstand tegen alles wat ze zeide bleef hij de kamer rondloopen, woedend op zich zelf en haar, dat hij geen afdoende weerlegging kon vinden. Toen begon ze weer, dringend, vol pijn om zijn niet overtuigd zijn:

„Luister Frank, toen ik pas aan de academie kwam, studeerde daar ook een Oostersch meisje, dat wil zeggen van een Hollandschen vader en een Javaansche huishoudster. Het was een vreemd kind, vol wilde hartstochten, ook wel met iets goeds en aardigs in haar impulsies, maar opgevoed zonder beginsel, zonder eenige zelfbeheersching, of liever niet opgevoed, alleen opgegroeid. Als zij niet gestudeerd had en tot ’n gewoon suf meisjesbestaan was veroordeeld geweest, zou ze al lang den verkeerden weg zijn opgegaan, daar ben ik zeker van. Alleen haar hartstochtelijke belangstelling in de studie, en haar kinderachtig plezier om boven al de studenten uit te blinken heeft haar een tijd lang tegen zich zelf beschermt. Zoolang ze intens opging in haar werk, sliep het zinnelijke in haar, dat heeft ze me dikwijls gezegd. Zij was bijzonder knap, de professoren, zelfs de conservatiefsten hadden plezier in haar en de jonge lui waren bepaald onder den indruk van de vlugheid en ’t gemak waarmee ze haar twee eerste examens had gedaan. Toen kwam op een dag een Spaansche violist op een concert spelen, een jonge man nog, met het gewone zuidelijke virtuosentype, donkere oogen en lange genieharen en toen .… enfin, ’n paar dagen daarna hoorde men dat het meisje verdwenen was en dat ze te Brussel en later te Londen in zijn gezelschap gezien was, en jaren daarna heb ik eens gehoord dat zij, natuurlijk door dien man verlaten, in de grootste ellende moreel en physiek, in Parijs in een hospitaal is gestorven. En nou zul je wel zeggen dat het een ouwe geschiedenis is en dat te allen tijde meisjes van allerlei stand en aanleg zich hebben weggeworpen, maar als je het schandaal aan de academie had bijgewoond zou je gezien hebben dat daaraan op dat oogenblik niemand scheen te denken, en dat ook niemand zich scheen af te vragen of ook de immoraliteit van haar geboorte, dus haar vader de causa remota van haar lichtzinnigheid kon zijn. Het was de studeerende vrouw, die in haar werd gegeeseld, het was de emancipatie die de schuld van alles kreeg! Wil je wel gelooven Frank, dat in die dagen, een professor, die altijd heel voorkomend was geweest, mij zoo onbeschaamd behandelde alsof ik zelf het weggeloopen meisje was? En onder de studenten, die tot dus ver volkomen correct waren geweest, waren er toen, die in mijn tegenwoordigheid aardigheden begonnen te vertellen, waar ik nog van walg, als ik er aan denk! De aureool van de vrouw-student was vernietigd door dat ééne wilde kind en het heeft wel een half jaar geduurd vóór ik m’n prestige geheel terug had. Kun je niet begrijpen dat ik me zelf toen heilig beloofd heb om anderen door mijn schuld nooit aan te doen wat ik toen heb doorstaan! Een paar nichtjes van me, waarvan de eene in de theologie, de andere in de pharmacie zouen studeeren, kregen na dat geval geen permissie van haar vader meer, met dat gevolg dat eene van haar aan ’n treurige zenuwziekte is weggekwijnd na een jaar of drie voortgesleept te zijn in het gewone leven van haakwerkjesknutselen, suikerpotjesvullen, visitetjesloopen, romannetjeslezen, stofjesafnemen van een hoogst fatsoenlijke jonge dame. O! Frank, er zijn oogenblikken waarin ik alle vrouwen zou willen toeroepen met een stem zoo geweldig dat het tot in haar binnenste doordrong: In deze overgangstijden, waarin de vrouw nog haar goed recht te bewijzen en te veroveren heeft om niet meer volgens een conventioneel plan, maar in vrijheid haar eigen leven te leven, laat toch allen, die de kracht in zich voelen baanbreeksters te zijn, haar naam smetteloos bewaren en zelfs den schijn van het kwade vermijden! Laat haar licht zijn als een baak, waarop andere zwakkeren zich in vertrouwen kunnen richten! Haar verantwoordelijkheid is vertienvoudigd sinds de groote massa naar elk harer daden niet haar alleen, maar haar principes en haar streven zal veroordeelen! Begrijp je nou waarom ik niet met je mee mag gaan?”

Maar Frank antwoordde niet en bleef gejaagd op en neer loopen. Een oogenblik was het doodstil, en het zware getik van de pendule drong in haar hoofd, pijnlijk enerveerend, als het geklop van een groot menschenhart.

Suf zat Corona er even naar te luisteren, zonder ander bewustzijn dan een vagen wensch, om de pendule te laten stilhouden, maar ze verroerde zich niet en volgde met starende oogen, de altijd heen en weer gaande gestalte. Eindelijk in wild aangroeiend verlangen om toch iets van hem te hooren, begon ze weer zachtjes te spreken:

„Toe, Frank, waarom zeg je niets! Zie je niet dat ik gelijk heb! .… O! als ik met je mee ging, zou het geluk wel heel groot zijn! Heel groot!”—en alsof haar lippen het heerlijk vonden even van dat geluk te mogen spreken, herhaalden ze nog een paar maal: „Heel groot!”—„Maar hoe lang zou het duren? Een half, misschien ’n heel jaar, misschien twee, zoûen we ons hier of daar kunnen begraven en dan? .… dan zouên we beiden, in de volle kracht van ons leven, gewend om te werken, terug verlangen naar een breederen levenskring. Genieten alleen kan ’n menschenleven niet lang vullen! We zouden terug verlangen naar strijd en werk en dan .… O! Frank het is afschuwelijk zoo verstandig te zitten praten als je zoo heel anders voelt, maar ik heb mij deze dingen zoo dikwijls met alle kracht voorgehouden, omdat ik wist dat dit uur van beslissing eens komen moest! En zie je, als we dan in de maatschappij terug keerden, wat zou dan onze positie zijn? .… Iedereen zou op ons neerzien .… en je kindje, Frank .… ik zou het niet kunnen verdragen, dat je kindje de vrouw verachtte, die jouw liefde bezat.”

„Dat zou ze niet!” riep hij heftig. „We zouden haar samen opvoeden, Cora, we zouden haar leeren naar ’n hooger moraal te oordeelen, dan naar die van ’n verouderd menschenwetboekje? Mijn God! Gebonden te zijn aan die men niet, en gescheiden te zijn van die men wèl liefheeft! en dat zedelijkheid te noemen! Weet je waar die wettelijke huwelijksdwang op lijkt? Op die rotte huizen in de achterbuurten, die door stutten zoowat bijeen worden gehouden! Alsof dat nog ooit gezonde vroolijke woningen konden worden!”

Maar toen op eens voor haar staan blijvend, greep hij haar handje, dat op tafel zenuwachtig met ’n vouwbeen lag te spelen, en zeide, schor met een vreemde stem: „Dus ik heb het goed van je verstaan, Corona, je weigert bij me te komen, tenzij dat gevloekte contract is verbroken en ik je mijn wettige vrouw kan maken? Goed, het zal gebeuren, zooals je wilt! Heel best, maar dan moet ik haar dwingen, de ellendige, die tusschen ons staat, en ik zal haar mishandelen, slaan zal ik haar, als het moet, tot ze op haàr beurt, me om scheiding komt smeeken. Dan kunnen we met wederzijdsch goedvinden ’n comedietje van overspel of zoo iets opvoeren,—in de rechtzaal nemen ze ’t zoo nauw niet met de waarheid—en dan .… mooi zoo, eerst ’n correcte divorce en daarna ’n correct huwelijk! Dan is de wereld tevreden, ben jij het dan ook, liefste?”

Corona zag angstig tot hem op. Zijn gezicht was vlak boven het hare, vol wreede passies van nameloos wee, dat met zich zelve spot. Zij trachtte haar hand los te maken, maar hij greep ook de andere, vlak om de polsen en drukte ze alsof hij ze verbrijzelen wilde.

„Frank, zeg toch zulke dingen niet! Was dat niet juist het heerlijke in onze liefde, dat als we thuis kwamen, moe en ziek van al het wreede, lage, booze dat in de wereld is, we toch zeker wisten, dat er ergens op die wereld een mensch leefde, die in groote liefde aan ons dacht en in wien we gelooven konden met een vroom hoog opzien! Je weet niet hoe dikwijls me de gedachte getroost heeft, dat je groot en sterk waart! Als ik wist dat je die vrouw mishandelde zou ik rampzaliger zijn dan ik nog ooit geweest ben! Maar je meent het niet, je bent er niet toe in staat.”

„Misschien niet! Maar wat wil je dan toch in Godsnaam! Moeten we er ons maar kalmpjes bij neerleggen en ons prachtige geluk zoo lamlendig opgeven?”

„O! Frank!” riep ze in een korten, tranenloozen snik. „Je maakt het me zoo zwaar! Ja, we moeten geduld hebben. Die vrouw zal toch wel ééns toegeven. Daar kunnen allerlei omstandigheden komen,.… ik weet niet,.… je moet blijven aandringen, ze kan toch onmogelijk haar weigeren volhoûen.…”

„Waarom niet? Ze kan ons geduld immers nog jarenlang tergen. En ik wil geen geduld meer hebben! Zie je dan niet dat het me krankzinnig maakt als ik zoo voort moet leven? O! je hebt misschien groot gelijk dat je weggaan valsch zou worden uitgelegd en dat het daardoor aan een boel vrouwen kwaad zou doen! Maar als je mij liefhadt zou je niet om al die vreemden geven. Wat kan haar ellende in vergelijking met de onze zijn? Cora, zoolang je je liefde niet boven dat alles stelt, geloof ik dat ze een leugen is.”

Zij kromp ineen, met een stijve beweging harer armen hem afwerend, toen hij hartstochtelijk zich over haar heen boog. Het was het groote gevaarlijke woord, dat sinds eeuwen vrouwen zwak heeft gemaakt. Want de vrouw die liefheeft kan beter alles verdragen, dan dat er getwijfeld wordt aan wat zij op dat oogenblik het sterkst, het heiligst in zich voelt. Op eens ging er brandende koortstgloed door haar lichaam, een krankzinnig verlangen om hem te toonen, dat zij hem wèl lief had:

„Frank!.…”

Maar toen in eens, in een krampachtig samentrekken van haar wil, in het besef dat het uiterste moment dààr was en zwakheid niet zijn mocht, zeide ze met een vreemde stem, snijdend van ironie:

„Dat is een theaterphrase, Frank, waar de premier amoureux gewoon is de jeune première mee te vangen. Als je werkelijk aan mijn liefde twijfelt, ga dan maar weg.”

In een oogwenk lag hij geknield voor haar neer, haar handen bedekkend met kussen:

„Vergeef me, Cora! Maar het is zoo vreeselijk geen uitweg te vinden!”

„Vaarwel!” zeide zij zacht, nog bleeker wordend, terwijl zij langzaam opstond.

Verder spraken zij niet meer. Hij had haar in zijn armen genomen, en zij met een reine beweging van overgave had haar hoofdje tegen zijn borst gelegd, en een oogenblik schreiden zij zoo samen. Nog nooit als bij deze eerste omarming hadden zij zoo fel het peillooze wee van hun verlangen en eenzaam-zijn gevoeld en toch was er weelde in dit zwaar lijden samen. Toen nam hij haar hoofd voorzichtig tusschen zijn beide handen en kuste even het koude voorhoofd en was weggegaan vóór zij het vermoedde.

Den volgenden morgen al vroeg stond Marguérite van Arkel voor Corona’s bed.

„Wat is er Maggy? O! wee, heb ik me verslapen? Hoe laat is het al?” Zij schrok wakker, nog half bedwelmd door den zwaren morgenslaap, die volgt op een nacht van groote uitputting.

„Nee, rustig maar kindje, ’t is pas zes uur, en Marijken wou je juist gaan roepen. Maar ik kwam even naar je kijken. Ik heb vannacht zoo ontzettend met je mee geleden! Hoe is het gegaan Cora mia?”

Corona richtte zich half overeind, steunend op haar elleboog, en zag op tot Marguérite, de dof vermoeide oogen vol leedschaduwen. Toen zeide ze met vaag klanklooze stem als of ze met haar gedachten ver weg was: „Hoe het gegaan is, Maggy? Slecht, heel slecht, Maggy, heel slecht!”

„Hoe bedoel je dat?” zeide Marguérite angstig.

„Het kon niet anders, het beslissende oogenblik was gekomen en we hebben een rampzalige explicatie gehad. Hij wou me mee nemen, en niettegenstaande alle conventies gelukkig zijn, en hij had gelijk! en ik wou niet met hem mee gaan en iedereen teleurstellen, en ik had ook gelijk! En van de twee heb ik helaas getriomfeerd?”

„Goddank!” zeide Marguérite.

Corona liet zich weer achterover vallen in bed in een beweging van moedeloosheid en bitter vroeg zij:

„Och, waarom? Niemand is onmisbaar!”

„Cora! Schaam je je niet! Jij hebt me zelf de les vol raadsels ingeprent, dat niemand onmisbaar is en dat toch ieder een zware verantwoordelijkheid is opgelegd. Heb je me niet dikwijls gezegd hoe je geloofde dat ieder van ons bewust of onbewust een partij in ’t groote wereldconcert heeft te vervullen, al was het ook maar eén enkele vioolstreek of paukenslag en dat ieder, die iets begrepen heeft van die taak van medespeler in het wonderbare geheel, en eerlijk zijn gewetensdrang volgt, die partij ook op zich zal nemen al zou het hem alles kosten!”

Een moe glimlachje schemerde even over Corona’s gezicht. Het was haar een vreemde satisfactie, Frank’s argument van gisterenavond nu zelf te gebruiken en weerlegd te worden met bijna haar eigen woorden. Toen zuchtte zij lang:

„Ik wou dat ik vandaag maar in bed kon blijven! Zoo den heelen dag, zonder denken, zonder bewust zijn, als of ik dood was. Het is alles zoo afgrijselijk! Toe laat me maar liggen, Maggy!”

Marguérite kende die oogenblikken, waarin het leven zoo zwaar is, dat het ons toeschijnt als of het boven onze krachten gaat om voor een nieuwen dag den smartelijken last weer op te nemen. Zij zette zich neer op den rand van het bed en streelde Corona’s hand.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings