← Table of contents
Hilda van Suylenburg

Front matter (continued 7)

Reading edition

„Ik weet niet of mama dat wel goed zal vinden! .…”

„Wat? Dat je gaat zingen, of dat je geld aanneemt? Het laatste zou ik haar maar niet eens vertellen. Als ouders heel lief zijn, maar in hun opvattingen bekrompen ouderwetsch, verdienen ze dat men hun niet alles zegt. Maar hoe vindt jij het voorstel?”

„O! ik? .…” In eens gleed ze neer voor Marion, het hoofd verbergend in haar schoot, en zachtjes snikkend nam ze haar hand en bedekte ze met kussen. „Ik vind het zalig!”

„Dan is het goed!” zeide de jonge vrouw, blij met den uitslag van haar voorstel. „Maar nog hard studeeren hoor! Je bent wel ’n zangvogeltje bij de gratie Gods, maar er moet toch nog hard gewerkt worden.”

„Je weet wel dat ik niks liever doe!” zeide Bella hartstochtelijk, opstaand met een beetje valsche schaamte om haar onstuimigheid. „O! Marion, wat ben je toch vreeselijk goed voor me! .…”

Maar Marion onttrok zich lachend aan een tweede scène van dankbaarheid, die ze zag aankomen:

„Dag, meisjelief! Ik ga gauw m’n vuilpoesje wasschen. Dag! Denk aan dien triller, hoor!”

En met de hand even wuivend, liep ze snel de kamer uit met Nelly in haar armen.

Isabelle kwam hollend de trappen van Marion’s bovenhuisje af. Zij merkte vandaag niet eens dat zij nauw en steil waren, ze vloog naar beneden en toen de straat over, in gespannen verlangen om thuis te zijn en van de Columbusstraat naar huis, naar de van Speykstraat was een heel eind loopen. De zon brandde warm in de straten, maar de eerste oogenblikken vond ze het weldadig; ze rilde koud van opwinding.

„O! Maatje, ik moet u even omhelzen! Ik heb u toch zoo iets verrukkelijks te vertellen! Nee, legt u nou even die pen neer. Ik moet het u dadelijk zeggen!”

Mevrouw Pankaert glimlachte flauw, meer verbaasd dan meegesleept door de ongewone vroolijkheid:

„Wat ben je toch nog ’n kind, Belle, om zoo te komen binnenvliegen! Kijk, je hebt m’n lijstje laten vallen. Wat is er nou toch eigenlijk?”

Zij had juist haar kleine trommeltje met effecten nagezien en de coupons geknipt, en nu zat ze met een stapeltje rekeningen vóór zich, waarvan er verscheiden dringend moesten worden afgedaan. Maar de vraag, welke nog wat konden wachten, en welke nu het eerst absoluut moesten worden betaald, eischte een subtiliteit van overwegen, een toepassing van menschenkennis, waarvan niemand begrip heeft, die geen fatsoenlijke armoede heeft gekend. Het maakte haar altijd zenuwachtig en Belle’s hijgend binnenstormen werkte prikkelend op haar humeur.

„O! ik wist niet, dat u bezig was! Nee, dan zal ik het straks wel vertellen!”

Belle voelde dat het ’t verkeerde oogenblik was geweest en ging stil de kamer uit. Maar de bitterheid van het zich eenzaam voelen door ongedeelde vreugde zwol op in haar keel onder het trapopgaan.

En boven, in haar kamertje ook was het in eens of de geluksstemming van straks was weggezonken. Dat kleine momentje van gekrenkte teederheid had in eens de vreugdevuren gedoofd. Ze was ook zoo akelig fijngevoelig! Corona had gezegd: dat was een gave, en zooals alle gaven kon men haar goed of slecht gebruiken. Precies door haar te raden wat anderen kon kwetsen of troosten, was haar goed gebruiken, door haar zich te verdiepen in elken kleinen pijnlijken indruk die men ontvangen heeft, was misbruik van haar maken. Maar het was moeielijk om zich juist aan die grenzen te houden! En o! straks was het zoo heerlijk geweest! Toen ze naar huis ging was het alsof ze door wolken van geluk werd gedragen. Te zullen zingen in een groote zaal met achter zich violen en cellos, die haar stem in hun zwevende klankenvlucht zouden opnemen en hoog wegdragen, ver over de hoofden van honderden menschen, wat een droom! Ze had straks het sprookjesachtige gevoel gehad van het onbereikbare te hebben gegrepen!

Maar nu, na mama’s stroeven glimlach was alles in eens heel anders. Zij moest denken aan haar toilet, ’n heel nieuw en kostbaar misschien, waar al het geld, dat ze verdienen zou, wel aan weg kon gaan. En wat zou ze aantrekken? Niets stond haar toch eigenlijk goed! En met akeligen angst dacht ze er aan hoe honderden oogen haar zouden aanzien en zich teleurgesteld zouden afwenden, omdat zij zoo leelijk was. Maar misschien, als ze nu eens goed gekleed en gekapt was? .… Marion vond toch ook dat ze den laatsten tijd, nou ze zooveel gezonder werd, er beter begon uit te zien. En als ze dan maar zóó mooi zong dat de menschen vergaten naar haar te kijken en alleen luisterden .…

En toen, ineens, dacht ze weer aan dien triller op de hooge b, op het eind van dien langen zin, waar nergens adem mocht worden gehaald. Straks bij Marion ging ie goed, maar zou ze hem nou ook nog kennen? Ze vloog de trap af, naar de eerste verdieping, waar de piano stond, gejaagd door het idée fixe van dien triller. ’t Was haast als een bijgeloof dat alles er van af zou hangen of hij nou goed ging of niet. En ja, het ging, alleen de naslag kwam er nog ’n beetje benauwd uit, maar den tweeden keer ging het beter en toen begon ze de heele aria van begin afaan met intense aandacht te studeeren.

„Belle, Belle, hoor je niet?”

„Ja, ma, wat is er nou weer?” Ongeduldig, buiten zichzelf om de storing, die al haar zenuwen liet trillen, gilde ze terug.

„Belle!” riep mevrouw Pankaert weer, heel hoog nu, schel slepend op de eerste lettergreep, want ze had het antwoord niet gehoord.

„Ja, ma, wat blieft u toch?”

„Daar is net ’n briefkaart van Charly dat ie vanmiddag thuis komt. Toe, kun jij nou nog niet es gauw dat poddinkje à la Reine maken, waar ie zooveel van houdt?”

„Och, ma, dat is zoo’n werk, kunnen we dat morgen niet doen? ’t is al zoo laat en ik studeer juist zoo heerlijk. Laten we vandaag maar wat flensjes geven, daar houdt ie toch ook van.”

„Och, altijd met die bezwaren! Morgen is ie misschien weer uit eten, met z’n vrienden. Kom doe het nou maar gauw!”

Met een zwaren zucht sloot Isabelle de piano. Zoo was het nou altijd! Altijd werd ze gestoord, en van haar werk geroepen, dan voor het een en dan voor het ander! Als Charles naar zijn kamer ging, al was het maar met ’n romannetje, en tegen mama zei dat ie ging werken, was zelfs de wasch wel es blijven staan om hem door het stommelen op zolder niet te storen, maar zij moest altijd maar klaar staan voor alles. Charles sprak dikwijls met minachting over dameszenuwen, maar hij mocht wel es bedenken, wat er voortdurend van die zoogenaamd zwakkere vrouwenzenuwen gevergd werd, dat aan den man gespaard blijft. Waarom kon men haar studies ook niet wat respekteeren? Zij had toch ook een ernstig doel. Maar dat was het juist, men geloofde maar half aan haar doel.

In opgewonden ergernis, met driftige bewegingen begon ze het eiwit te kloppen. O! vroeger toen ze niets bepaalds uitvoerde, was het immers heel goed geweest dat men haar voor alles gebruikte. Soms was het zelfs ’n welkome afleiding geweest en licht dat zij tenminste al die kleinigheden deed in haar werkeloos bestaan! Maar tegenwoordig, nu ze toch ook haar studie had! .… Enfin, Corona had het verleden immers ook nog zoo goed gezegd: In de meeste families wordt het meisje nog beschouwd door de broers, als een min of meer gewillig of amusant slavinnetje, door de mamas als ’n hartelijk soort van juffrouw van gezelschap en door de heele verdere familie als ’n factotum, over wie men bij ziekte en schoonmaak en bruiloft gewoon beschikken kan. En vroeger was dat ook natuurlijk, toen ongetrouwd blijven een uitzondering was, en het meisje dus in de korte jaren vóór haar huwelijk door al die dienstjes heel wat ervaring en handigheid leerde. Maar tegenwoordig, nu de ongetrouwde vrouwen bij duizenden worden geteld, is het akelig om te zien in hoe weinig gezinnen men zelfs nog maar vermoedt dat een meisje evengoed als een jongen behoefte heeft aan een eigen werkkring, en een eigen individualiteit heeft, met eischen en rechten, welke gerespekteerd behooren te worden en met gewoonlijk nog wel andere verlangens in haar hart dan om voor alle mogelijke familiebelangetjes en familietroubles te worden gebruikt.

Maar Isabelle, onder het bedenken van al die dingen, terwijl zachtjesaan haar kloppen een rythme had gekregen, waaruit melodietjes opwelden, die geneuried wilden worden, begon haar gewoon geduldige stemming terug te vinden.

Ze legde nu even de klopvork neer; haar rechterarm begon zoo’n pijn te doen en ze wou het links toch es probeeren. Maar links was ze veel minder handig. In eens, met een onwillekeurige krampbeweging, vloog de vork over het bord en een lange witschuimende slier lag over de keukentafel.

„Guns, freule, wat zonde! Wil ik nou es kloppen? U ziet heelemaal rood!”

„Nee, dank je wel, Mijntje, ga jij nou maar gauw de slagroom halen, anders kan ik straks niet voort. Die moet ook nog heelemaal geklopt worden.”

„Zal u dan effe op de bel letten? Maar gaat u toch bij ’t raam in den tocht staan, anders krijgt u ’t nooit nie stijf. ’t Is toch al zoo heet vandaag, en dan in dit benauwde keukentje! .…”

Isabelle, vlak bij ’t raam, klopte voort: Ze was toch nog niet sterk na de diphteritis van den winter, want vroeger werd ze er nooit zóo moe van. Het zweet gudste neer langs heel haar lichaam, en zij zette de tanden vast op elkaar om de pijnlijke spieren van haar schouderblad beter tot hun werk te dwingen.

Toen, zachtjes roepend, klonk het van beneden uit het tuintje:

„Pst, Pst, Belle .…”

Ze leunde het raam uit en lachte met veel knikjes op schoolmeisjesmanier:

„Dag Jettie! Wat is er?”

„Wat doe je daar?”

„Ik klop eiwit.”

„’n Lekker werkje voor zoo’n heeten dag.”

„Ja, dat geloof ik.”

„Zal ik je es wat zeggen? Ze komt vandaag.”

„Wie?”

„Je vriendin, je afgod.”

„Corona van Oven?”

„Ja, ik ben gisteren bij haar geweest en heb haar m’n hart uitgestort, en vanmiddag zou ze er met mama over komen spreken.”

„Zal het helpen, denk je?”

„Weet ik het? Maar als ze niet naar haar luisteren, is het hun eigen schuld als ik gek word.”

„Hê, Jettie, zeg toch zulke dingen niet.”

„Nou, is ’t niet beleefd van me dat ik tenminste van te voren waarschuw?”

„Hoe kun je daar nou mee spotten, Jet?”

„Ik spot niet, ik lach maar ’n beetje, omdat ik geen raad weet met mezelf van angst. Moet je nog lang kloppen?”

„Ja, natuurlijk, tot het stijf is.”

„Wil ik je komen helpen? Toe ja, ik verveel me zoo vreeselijk!”

„Moet je je lessen niet leeren?”

„Hê Belle, wat zeur je toch. Ik krijg al hoofdpijn, als ik aan die akelige boeken denk. Geloof je dat het me iets kan schelen hoe al die bergen in Azië heeten? Toe, mag ik komen?”

„Nou, heel graag dan, want m’n arm is nou al lam.”

Het waren Indische menschen, die het benedenhuisje onder mevrouw Pankaert bewoonden, dat wil zeggen, mijnheer de Snoek was lang in Indië geweest en mevrouw had sterk het type van het gemengde bloed en had dat weer aan haar vier meisjes gegeven. Jettie was de jongste en de mooiste van de vier; ze had de groote bruine oogen van het land waar de zon gloeit, maar ze was blanker dan de anderen en forscher gebouwd.

Fluisterend en gichelend stonden de twee meisjes samen in het keukentje en Jettie met haar lenige, bruine handjes klopte prachtig, terwijl Belle de melk aan den kook bracht.

„Vond Corona dat je gelijk had?”

„Natuurlijk! Ik ben gisteren naar haar toe gegaan, en ik heb gezegd: juffrouw .… wat zeg jij, juffrouw of dokter?”

„Dokter natuurlijk.”

„O! .… nou, ik heb juffrouw gezegd en ze scheen het toch niet kwalijk te nemen, want ze was dadelijk heel vriendelijk, vooral toen ik zei, dat ik op jouw raad kwam.”

„Hoe aardig van haar, en wat heb je toen gezegd?”

„Juffrouw,” heb ik gezegd, „het is bij ons een heele arme boel! En daar heeft me nou onze goeie lieve beste papa zoo’n administratief baantje opgescharreld, waar ie elken morgen door weer en wind heen moet gaan om er voor ons nog maar wat bij te verdienen, ofschoon ie door z’n leverkwaal, ziet u, dikwijls erg naar is? En later als ie dood is en we verliezen z’n pensioen, zullen we ons verschrikkelijk moeten bekrimpen! En weet u wat wij nou doen met ons vieren zusters, jonge gezonde stevige meisjes? Niks! O! ik kan het niet langer aanzien. Is het niet hemeltergend, dat die goeie ouwe man zich uitslooft en dat wij langs de straat slenteren! O! we zitten niet met de handen over elkaar den heelen dag, dat begrijpt u. Vooral Nonnie en Kate zijn heel handig en maken haar japonnetjes zelf, maar ik vraag het u, wat is dat nou voor werk voor volwassen meisjes, om zoowat toiletjes in elkaar te flodderen. Ik ben de jongste, juffrouw, net zeventien en met kerstmis zou ik van school afgaan, maar ik bedank er voor, om dan net als de drie anderen te gaan doen, zoo’n beetje je tijd te verleuteren en kizze bizzen, altijd maar op den zoek van ’n man, die zoo goed wil zijn om ons te onderhoûen! Want dat doen ze, juffrouw, al worden ze woedend, als je het tegen ze zegt, en wil ik u es wat zeggen? Als je dat ééns hebt ingezien, dan lijkt de heele wereld je in eens ’n reusachtige slavinnenmarkt, waar al de meisjes zonder geld zich te koop komen aanbieden.”

„En wat zei Corona?”

„Ze schoot ineens in den lach en zei: „Gebruikt u altijd zulke sterke uitdrukkingen?””

„Lachte ze je dan uit?”

„Nee zeker niet! Want dadelijk daarop vroeg ze heel lief: „En wat wilt u nu gaan doen?” En toen heb ik het haar alles heel eerlijk verteld: dat natuurlijk het eenige wat voor meisjes van onzen stand openstaat het onderwijs is of ziekenverpleging of juffrouw van gezelschap, maar dat ik dat alle drie even afschuwelijk zou vinden. Voor de twee laatste baantjes ben ik nou eenmaal volstrekt niet geschikt en als je bij het onderwijs ’n beetje vooruit wilt komen, moet je ’n boel aktes hebben en om daar jaren te gaan zitten blokken, lijkt me ’n gruwel! Ik heb niks geen leerhoofd.”

„En natuurlijk vond Corona dat je gelijk hadt, want ik weet dat ze ’t heel verkeerd vindt als menschen, die er geen lust voor hebben, bij de verpleging of het onderwijs gaan, en toen?”

„O! toen vroeg ze of ik dan nergens anders lust in had, en toen heb ik tegen haar gezegd: Juffrouw, zeg ik, ik ben dol, dol, dol op kleine kinderen. Het verveelt en vermoeit me nooit om met ze te spelen. Ik ben ’n geboren kinderjuffrouw en dat zou ik ook willen worden! Maar mama vindt het natuurlijk ver beneden m’n stand en ze worden thuis allemaal boos als ik er over spreek. En weet je wat ze toen zei? O zie je, je hebt gelijk, ’t is ’n schat van ’n mensch, en ze pakte zóo m’n hand …”

„O! Jettie, het ei, pas op dan toch!” gilde Isabelle in eens, want in de opwinding van haar verhaal was de klopper stil gebleven en Jettie hield de schotel met eiwit heel schuin.

„Hê, wat ’n schrik! Als ik het had laten vallen, zou je me zeker het raam hebben uitgegooid?”

Belle lachte:

„Nee, maar ik had geen raad geweten, we hebben geen éen ei meer in huis, en ’t is toch al zoo’n dure pudding.”

„Ja, ’t zit er aan bij jullie! Zulke lekkere schoteltjes!”

„O! ’t is voor Charles. Mama vindt het zoo heerlijk om hem te trakteeren. Dat is ook onze eenige luxe.”

Zij bukte zich even, heel diep, over het pannetje met smeltende gelatine, bang dat Jettie haar kleur had gezien en de bitterheid in haar woorden had begrepen.

„Nou hoor, als ik zoo’n broer had, die heel alleen voor z’n eigen plezier leefde, zou ik hem niet zulke dure lekkere dingetjes klaarmaken! Maar goddank dat ik er geen bezit, en ik heb er dus misschien ook geen verstand van, hoe je zulke monsters moet behandelen.”

„Hê, Jettie, wat ben je weer aan den gang, kom vertel nou gauw verder.”

„Wel, toen heeft ze zoo lief tegen me gesproken, engelachtig, zie je! Kinderjuffrouw, zei ze, dat is ’n heel gewichtige, interessante betrekking, als men er roeping voor heeft, en waar niemand op neer mag zien! De indrukken van de eerste jeugd kunnen dikwijls ’n beslissenden invloed op het heele leven hebben en hoe meer men nu in gaat zien, hoe gewichtig daarom de vraag is, aan wie die eerste jaren zullen worden toevertrouwd, hoe hooger men de werkkring van de kinderjuffrouw zal gaan stellen. Ik ken hier een paar rijke vrouwtjes, die geen tijd en lust hebben om zich veel met haar kinderen bezig te houden, maar wie ik toch genoeg aan haar verstand heb gebracht, wat haar kleintjes toekomt, dat zij met genoegen vijf, zes honderd gulden zouden geven, als ze een echt superieure kinderjuffrouw konden vinden!—Stel je voor, Belle, vijf, zes honderd gulden, zou het niet verrukkelijk zijn?—maar dan moet je ook uitmunten in je werk! zei ze. Als dames zoogenaamd minder werk gaan doen, moeten ze het baantje naar zich optrekken, er iets moois van maken, en niet afdalen naar het lage peil waarop het nu staat! In Engeland zijn tegenwoordig zelfs dames, die gewoon meid worden in gezinnen, waar men er wat voor over heeft om werkelijk beschaafde, in haar vak knappe vrouwen tot hulp der huismoeder te nemen. En dat vind ik ’n groote stap vooruit. Want men beweert wel es, dat de dames geen concurrentie moeten aandoen aan de volksmeisjes, maar dat is maar een drogreden. Als de beschaafde vrouw, door haar werk, toont wat een goeie dienstbode kan en moet zijn, verheft ze daardoor de betrekking, waar zich nu elk onervaren slonzig volkskind goed genoeg voor vindt, en daardoor worden de eischen hooger gesteld, hetgeen weer tengevolge heeft dat men duidelijker de behoefte zal gaan beseffen aan huishoudscholen en vakonderwijs voor dienstmeisjes en dat ook de loonen zullen stijgen. Ik ken nu Engelsche meisjes van heel goeie familie die in groote adelijke huizen keukenmeid en kamenier zijn en daar vrij wat meer verdienen en meer vrijheid genieten dan onze arme juffrouwen van gezelschap of verpleegsters tegen wil en dank! En zoo zou het met u ook moeten zijn. Als het u ernst is, moet u bijvoorbeeld naar Dresden naar een model Fröbelinrichting gaan of iets dergelijks, en grondig, niet zoo’n beetje Fröbelspelletje leeren, maar diep u in de geniale opvoedingsleer van Fröbel inwerken. En die studies zoûen u niet zwaar vallen; dingen waar het hart in is, leert men gemakkelijk! En als u dan ’n model kinderjuffrouw bent geworden, kunt u op mij rekenen. Dan zal ik wel zorgen dat u ’n betrekking krijgt, waar men u moreel en finantieel te apprecieeren weet!”

„En heeft ze toen beloofd om er met je mama over te komen spreken?”

„Ja, en ze heeft me ook nog iets gegeven .…” Met ’n beweging van dwepend bakvischje haalde Jettie een papiertje uit haar zak en kuste het, kleurend en lachend. „Ik heb het wel honderd maal gelezen, sinds gisteren, want het zegt precies wat ik altijd heb gevoeld, maar ik kon het nooit goed uitdrukken.”

Belle leunde verlangend over het geknuffelde stukje papier, terwijl zij beiden bijna de podding vergaten:

„Laat es zien!”

Het is onuitsprekelijk welk een troost die gedachte mij heeft geschonken bij al mijn verdrietelijkheden, gedurende de jaren dat wij in die wildernis hebben geleefd, waar twee mijner onmiddellijke voorgangsters waren gek geworden, en de derde aan den drank was geraakt!”

„Heeft ze dat voor je over geschreven?”

„Nee, ze had verscheiden van die velletjes, ook nog met andere dingen er op, in een laadje liggen, en toen ze ’t me gaf zei ze lachend, dat ze die dikwijls in plaats van recepten uitdeelde, en dat ze soms beter hielpen dan drankjes. „Dat moet u nu maar es aan uw mama laten lezen,” zei ze, „en het zelf dikwijls inkijken, tot u er heelemaal van doordrongen bent, en bij alle gesprekken moet u u op dát standpunt plaatsen, want het is het standpunt van waaruit men in de toekomst alle werk zal beoordeelen: Een kinderjuffrouw, die knap studie van haar vak heeft gemaakt, en er de echte roeping voor heeft, staat honderdmaal hooger dan een prulschilderes of een onderwijzeres zonder liefde voor kinderen, of een juffrouw van gezelschap, die maar in conditie is gegaan omdat zij nergens voor bekwaam is. Elk werk, wat het ook is, als het knap, consciëntieus en met toewijding wordt gedaan, is mooi! En dat geldt voor mannen-, net zoo goed als voor vrouwenwerk, en in de toekomst zal niemand meer laag neer zien op de eene of andere betrekking, alleen op de menschen die hun betrekking niet goed vervullen!”

„En zou ze dat nou vandaag ook bij je mama komen vertellen?”

„Ja, zie je, en ik ben wel bang dat ma er niet veel van zal begrijpen, maar als ze daar zoo bij je zit, Corona, met die groote oogen, en ze praat zoo aardig, moet ze toch op iedereen wel indruk maken, dunkt me, en wie weet of ze het er niet voor me doorkrijgt. Maar .… daar zul je ze hebben .…”

De korte hoefslagen van een paard, dat wordt ingehouden, klonken even, toen een bel in het benedenhuis, en Jettie holde weg, terwijl Isabelle achter bleef in het benauwde keukentje en glimlachend voortklopte. Ook voor haar was de brief van Lady Carlyle een kleine steun geweest, en toen ze de podding in den vorm in ’n schotel had gezet met ruw ijs en zout, om haar bijtijds te laten afkoelen, ging ze in haar gewone geduldige stemming naar binnen, aan de koffie.

Maar toen ineens, voelde ze eigenlijk pas hoe erg het haar had aangepakt, de hitte en het vermoeiende geklop. Lusteloos hing ze op haar stoel, niet in staat om te eten, en nadat ze de kopjes, met loome handbewegingen had afgewasschen, viel ze neer in een hoekje van de canapé, zonder moed om iets meer te doen.

Mevrouw Pankaert was dadelijk naar boven gegaan. Zij ook was wat zenuwachtig van de warmte, en het onverwachte bezoek van Charles, ofschoon ze zich wijs maakte dat ze ’t verrukkelijk vond, agiteerde haar ’n beetje, heimelijk vermoedde ze dat ie weer om geld kwam vragen. Zwijgend hadden zij aan tafel tegenover elkaar gezeten; mevrouw had niets gevraagd en Belle had niets van Marion’s voorstel durven zeggen.

Maar toen ze ineen gedoken een poosje op de canapé gezeten had, slap, alsof ze nooit haar veerkracht meer terug zou vinden, kwam langzamerhand een plannetje weer spanning in haar willen brengen. Ze was te moe om te zingen of accompagnementen te studeeren, maar daar was de goeie japon van mama die ’n nieuwe stootskant moest hebben. Als zij dat nou vanmiddag deed, zou ze morgenochtend misschien es heusch een rustigen morgen kunnen hebben om heerlijk te studeeren!

Zij stond op, een klein beetje energieker van beweging, als ’n kind, dat onder belofte van ’n chocolaadje weer met meer moed een vervelende thema gaat afmaken. Maar bij de deur hoorde ze het geroep weer, dat haar tegenwoordig zoo agiteerde:

„Belle!”

Zij hijgde de trap op:

„Ja ma, wat is er?”

„Kom je je aankleeden, kind? Ik wou ’n paar visites gaan maken.”

„Hê, ma, met die hitte? Ik wou juist uw japon onder handen nemen.”

„Dat kun je net zoo goed morgenochtend doen. Ik wou maar even bij de freules van IJsselen en bij mevrouw de Mureaux gaan.”

„Toe, laat mij dan thuis blijven! Dat kleine eindje naar de Laan van Meerdervoort kunt u best alleen loopen, en ik heb toch niks aan die ouwe dames en zullie niet aan mij. Laat ik nou uw japon vanmiddag maar doen, dan kan ik morgenochtend es goed studeeren.”

„Ik begrijp niet wat je tegenwoordig mankeert! In mijn tijd zou ik het niet in m’n hoofd hebben gekregen om tegen mijn moeder te zeggen, dat ik het vervelend vond om visites te maken. Ik deed wat ze goed vond en daarmee uit. Maar goed dan, blijf dan maar thuis, dan zal ik wel alleen gaan!”

Isabelle barstte in tranen uit. De reactie der vermoeienis van dien morgen kwam in eens over haar, en de tweestrijd, die zulke meisjeslevens martelt, tusschen het besef dat het mooi en goed is zich zelf te vergeten, en dat het toch ook recht is en hoog noodig om voor zich zelf tijd en vrijheid te veroveren, verscheurde in eens alle zelfbeheersching, tot ze het radeloos uitsnikte.

Mevrouw Pankaert bleef haar een oogenblik onthutst staan aankijken:

„Kom Belle, stel je nou niet zoo aan! Wat kinderachtig om daar zoo te staan huilen.”

Maar Isabelle snikte voort, zich voelend wegzinken in een onmetelijke diepte van alleenzijn en treurigheid. „Ik zal immers wel met u mee gaan, als u ’t graag hebt, maar ’t was maar omdat ik morgenochtend es rustig wou studeeren!”

En toen, ineens, kon ze het niet langer stilzwijgen, al vreesde ze ook dat misschien dit niet het juiste oogenblik was. Het verhaal van Marion’s voorstel drong zich met geweld door haar lippen, en stortte zich uit opeens, tusschen haar snikken door, met woorden van bitterheid over haar kleurlooze leven, over haar angst om afhankelijk te blijven en ook met woorden van trillend enthousiasme over haar zingen en muziek.

Mevrouw Pankaert luisterde, eerst met haar gewone achterdocht tegen alles wat nieuw was in haar enge levenskringetje; maar langzamerhand, meegesleept door Belle’s stijgende opwinding kwam er iets warmers van belangstelling in haar gezicht.

„Is het niet innig lief van Marion? En u vindt het toch zeker goed, dat ik het doe?” eindigde Belle.

Mevrouw Pankaert dacht even na.

„Het treft heerlijk, dat Charly vanmiddag komt, dan kunnen we hem dadelijk vragen wat hij er van denkt.”

„Hê, waarom hij nou weer! Wat heeft hij daar nou over te zeggen! Als u en mevrouw Noorman en ik zelf het nou goed vinden .…”

„Ja maar hij is toch altijd ’n man, en die weten beter wat er in de wereld te koop is en of het kan dat jij in ’t publiek optreedt.”

„Gut, ma, maar juist omdat ie zoo precies weet wat er in de wereld te koop is, zit ie ook vol valsche schaamte en praatjesvrees. Hij zal het wel vervelend vinden tegenover z’n chique vrienden dat z’n zuster voor geld op concerten zingt, maar dat mag toch voor mij geen reden zijn om het te laten! Als hij het oneervol voor ’n vrouw vindt om te werken, en ik vind het oneervol om te luieren met allerlei prulbezigheidjes, hoef ik me toch niet naar hem te schikken .…”

Maar toen zweeg ze. Mevrouw Pankaert had weer die kille strak stroeve uitdrukking, die als een masker over haar gezicht trok, wanneer er iets gezegd werd van haar lieveling dat haar niet beviel.

En stil, met een langen, moeden zucht ging Isabelle de kamer uit naar haar eigen kabinetje, en begon zich aan te kleeden. Als mama bij die ouwe freules van IJsselen ging, bleef ze er altijd tot in ’t oneindige zitten praten. Het zou weer ’n echt vervelende middag worden! Verschrikkelijk vervelend! Charles zou zeggen: „’t is niet om te doen!” Daarmee maakte hij zich eenvoudig overal van af, waar ie geen zin in had! Maar van haar werd het niet meer dan natuurlijk gevonden, als ze zich voor al die dingen leende.

Maar dat was ook heel best, men moest immers met liefde wat voor elkaar over hebben, en ze wou immers alles doen voor mama! O! als mama dan toch ook maar ’n klein beetje begrijpen wou dat zij, behalve dochter- en zusterliefde ook nog wel persoonlijk wat behoeften en verlangens in haar jonge hart had. Als mama maar ’n klein beetje eerbied wou hebben voor haar werk .…

Charly was gekomen, vlak voor het eten en Isabelle had haar best gedaan om hem hartelijk, als altijd te begroeten, maar nu zij wist dat ie straks misschien het vonnis zou uitspreken over haar mooie plan, was er ’n klein beetje bitterheid achter haar glimlachjes.

Wat zag ie er toch knap uit, met zijn fijne trekken, haast al te tenger en te klein voor ’n man, maar toch zoo chic en voornaam. Geen wonder dat mama trotsch op hem was. Wat rook zijn haar weer heerlijk naar dat fijne dure haarwatertje, dat ie verleden ook bij zich had, en wat had ie ’n mooie das aan, en verlakte schoenen! O! ze gunde hem heel graag wat luxe en mooie kleeren. Maar ’t was toch allemaal van geld dat zij en mama zich uitsloofden om voor hem te besparen, en ’t was heel best dat hij genoot en misschien wel aan fooitjes en cigaren en dassen en borreltjes meer geld uitgaf dan waarvan zij een heel jaar lang gekleed en gevoed werd! Maar er was op den duur toch iets hards in, dat het zoo heelemaal van zelf sprak dat alles voor hem was en voor haar bijna niets, heel alleen omdat hij een jongen was en zij een meisje.

En dadelijk, aan tafel, had mama het teere onderwerp aangeroerd en ’t was alles heel pijnlijk en heftig gegaan.

Charles vond wel dat ze zingen mocht, dat kon men tegenwoordig heusch wel doen, maar dan moest er op het programma staan: met welwillende medewerking van jonkvrouwe P. v. H., dat beteekende dat zij geen geld aannam. Want dàt mocht niet! Hij verkoos het niet! Ze moest al heel blij zijn dat ie ’t zingen goed vond, maar voor geld zoud’ ie nooit toestaan!

En Isabelle had zich verdedigd, hakkelend, naar woorden zoekend in haar ongeoefendheid van meisje om duidelijk haar gedachten uit te spreken, te geagiteerd om tegen Charly’s debatingclubmaniertjes op te kunnen. Zij wilde juist voor geld zingen, want later wou ze haar brood er mee verdienen, en het zou dus bespottelijk zijn om zich eerst te gaan aanstellen alsof ze zich te voornaam vond om iets aan te nemen. ’t Was ook volstrekt geen schande om geld te verdienen! en niemand had het recht haar daarvan af te houên!

Maar Charly had zijn schouders opgehaald, met sarrende lachplooitjes om de mondhoeken.

Dat waren allemaal theorieën van die Corona van Oven en haar soort, die zij maar napraatte, en hij raadde haar aan zich liever niet van die kost-verdien-idees in ’t hoofd te halen! Het was veel mooier en prettiger voor een vrouw om stil rustig thuis te blijven. Hij zou later immers wel voor haar zorgen, en zoo lang mama leefde kon ze immers kalmpjes bij haar blijven.

Toen was Isabelle driftig geworden. Zoolang ie zoo meesterachtig sprak, kon ze het nog verdragen, daar was ze aan gewend, maar toen ie op zoo’n toontje van bescherming zei, dat ie later wel voor haar zou zorgen, werd ze razend van bitterheid.

Ze bedankte er voor om van zijn vriendelijkheid af te hangen. Tot dusver had ie niets gedaan, dan zooveel mogelijk profiteeren, zonder er zich ooit om te bekommeren hoe zij en mama voor hem krom lagen! Zij bedankte voor het heerlijke genot om later af te hangen van iemand, die met de grootste onverschilligheid het als zijn recht beschouwde, dat alles voor hem werd opgeofferd. Zij bedankte er voor! Dat moest ie maar goed weten! O! ze had het verleden wel alles verstaan, boven in haar kabinetje, toen ie daarnaast op zijn kamer met z’n vrienden van die flauwe, grappen had zitten zeggen: „Dat meisjes niks in haar hoofd hebben dan trouwen, en dat je maar hoefde te fluiten, dan kwamen ze bij troepen aangehold.” Als dat waar was, zou ’t waarachtig geen wonder zijn, zoolang ze overal zoo werden tegengewerkt om op haar eigen beenen te staan. Maar zij wou niet op een man wachten! en wèl geldverdienen! Verstond ie dat? En ze wou nooit, nooit, nooit, trouwen, tenzij met iemand waar ze van hield en geen genadebrood eten!

Zij had het uitgegild, de anderen overschreeuwend die haar probeerden in de rede te vallen. Zachte, geduldige naturen als de hare kunnen niet rustig strijden. Om zich te verdedigen moeten ze zich opwinden tot ze buiten zich zelve zijn.

Charles had eerst driftig gepoogd haar te onderbreken, toen was hij, met een diepe plooi van minachting om den mond, begonnen te spelen met den grooten zegelring van zijn vader, die veel te wijd was voor zijn tengere vingers. Eindelijk, toen ze uitgeput even ophield, zeide hij in tergende bedaardheid:

„Zóó heb ik je nog nooit hooren spreken, Belle, ik moet zeggen, die muziek schijnt je humeur niet te verbeteren.”

„Nee, dat is waar! sinds al dat zingen is ze lang niet in haar voordeel veranderd,” zeide mevrouw.

Isabelle sprong op, haar servet met eene beweging van exasperatie neersmijtend:

„Natuurlijk, zoolang als ik poddingjes maak en kousen maas voor jullie, ben ik goed, maar zoodra ik voor me zelf iets vraag, heb ik ’n slecht humeur.”

Snikkend vloog ze de kamer uit, de trap op, om alleen te zijn, weg van hun vijandig verbaasde blikken.

Marion had het verleden wel gezegd: „Alles wat goed is, wordt in tranen geboren en in deze overgangstijden kunnen de meesten van ons haar eigenlijke volle leven pas ingaan na een periode vol strijd en wee.”

Met trillende handen nam ze haar pen en een velletje papier en het inktfleschje uit haar kast, en toen op den rand van haar bed, een dik boek op den schoot—haar gewone correspondentiehouding, want voor ’n stoel was geen plaats in het kabinetje, en voor een tafel nog minder—schreef ze haastig, terwijl het bloed kokend heet opgutste in haar halsaderen en heel warme tranen neerdrupten, die vlekjes knoeiden op haar schrift:

„Lieve, lieve, engelachtige Marion!

Ik ben diep ongelukkig, maar het kan me niet schelen. Ik zal probeeren sterk te zijn. Mama vond natuurlijk dat Charles zeggen moest of ik kon zingen of niet! Natuurlijk, zoo’n jongen, die niets als dwaasheden doet, en ons handen met geld kost, is en blijft een orakel van wijsheid in familieaangelegenheden omdat … hij een jongen is. Zoo worden ze stelselmatig tot huistirannen opgevoed, weet je! En natuurlijk, tegenover zijn vriendjes enz. enz., vindt hij het niet goed, dat ik geld zal aannemen; dat wist ik wel vooruit! Maar ik zal het toch doen! en ik bid je innig, lieve beste Marion, om voor mij aan die zangvereenigingen te schrijven. Het moet maar uit zijn, dat het eervoller is, om te zitten armoe lijden op een bovenhuisje, in een leelijke nieuwe straat, dan het kapitaal, dat je van den hemel gekregen hebt te laten rendeeren! Je weet hoe zalig ik ben in de hoop van misschien een goede zangeres te zullen worden, maar al vond ik die carrière maar half zoo verrukkelijk, en al vielen me de schaduwkanten, die je me voorspeld hebt, heel verschrikkelijk tegen, dan nog zou ik het heerlijk vinden juist om te verdienen! O! Marion, wat zal het innig prettig zijn, om zooveel muziek te kunnen koopen als je wilt, en mooie boeken en je handschoenen te laten wasschen (ik vind die benzine zoo’n naar gevoel aan mijn handen) en om voor jou bloemen en speelgoed voor je kleintjes te kunnen koopen, en om mama’s zorgen te verlichten! Wie weet, als ik haar ’n boel attenties kon geven, desnoods rekeningen voor Charles kon betalen, of zij niet een klein beetje meer van mij houden zou .…”

Maar toen braken de tranen, die bij het zich uiten in schrift, een oogenblik kalmer gevloeid hadden, weer met wanhoopsheftigheid uit. Heel het onderdrukte smachten van haar jeugd stond plotseling voor haar op in klaarheid. Jarenlang had zij het stil geduld, omdat zij meende dat het zoo zijn moest, dat de eerste plaats in huis, beter onderwijs, meer vrijheid, meer genot, aan den jongen toekwamen en dat voor het meisje de zorgen waren, om ze met mama te deelen, in geduldig zelfverloochenen. Maar nu ze wist, dat het anders zijn moest, en dat het anders worden zou, als de menschen de gerechtigheid een beetje gingen liefhebben, nu begreep ze ineens hoe ontzettend ze eigenlijk geleden had onder mama’s voorliefde voor Charles en zijn naïeve tirannie over haar van bedorven jongen.

„Hij is wel veel mooier,” fluisterde ze snikkend, „maar hij heeft nooit zoo z’n best gedaan om goed en lief te zijn als ik, en mama plezier te doen, en toch werd hij altijd voorgetrokken! Maar ik zal het doorzetten, en als ik dan veel geld heb verdiend en veel prachtige dingen aan mama heb gegeven, en beroemd ben geworden, zal ze misschien eindelijk ook wel trotsch op mij worden.”

Toen schreef ze verder, de linkerhand, die ’t inktfleschje vasthield, krampachtig toegeknepen van opgewonden energie:

„Lieve Marion, al mijn wilskracht, die ik tot dusver gebruikt heb om stil en geduldig te zijn, mijn eigen persoonlijkheid te onderdrukken, niets te zijn dan wat zij goedvonden, zal ik nu aanwenden om mijzelf te worden en ons prachtige plan door te zetten. Ik ben strakjes schandelijk driftig geweest, maar ik zal voortaan wel zorgen dat ik me beter beheersch, want ik weet nu dat de tijd van een heel hardnekkigen strijd gekomen is, waarin ik niet wil ondergaan. En o! als je me maar een beetje helpt, dan zal het ook best gaan. Mama zal mij, om Charles, nu wel vreeselijk tegenwerken, maar later, als ik succes mag hebben, zal ze me toch gelijk geven, en dan zal al deze ellende vergeten zijn. Je onuitsprekelijk liefhebbende

Isabelle.

Gladys van Praege lichtte even den kristallen deksel op om zich te overtuigen of de bowl wel heel geurig was, en toen liep ze de veranda uit, den tuin in tot aan de kastanje, waar een kring gemakkelijke stoelen klaar stond voor de gasten die vanavond zouden komen.

Maud Arlington, haar zuster uit Amerika, die was overgekomen om, in de moeielijke uren, die naderden, bij haar te zijn, lag achterover in een der fauteuils en zag glimlachend op, toen ze haar op het grind hoorde aankomen.

„Well Glady, dear, waar ben je zoo lang gebleven?”

„Ik wou Hajo nog even in z’n bedje goeie nacht zoenen, maar toen ik binnen kwam, had ie weer een van z’n ouwe driftbuien, en moest ik wel bij hem blijven tot het heelemaal over was. Het is toch zoo aardig om te zien hoe zoo’n kind langzamerhand het besef krijgt van wat zelfbeheersching is, en hoe ie nou z’n best doet, als ik z’n handjes vast hou, en zachtjes tegen hem spreek, om z’n drift te bedwingen. Zelfs de juffrouw, die ’t vroeger, geloof ik, heel overdreven van me vond dat ik niet wou hebben dat ze hem in zoo’n bui es flink door elkaar schudde, was er vanavond door gefrappeerd.

Maud glimlachte, haar moederlijke glimlach, waarmee ze al Gladys’ eindelooze kinderverhalen aanhoorde.

Het was een statige, groote vrouw, heel knap nog, niettegenstaande het drukke leven van eerste geneesheer aan een groot ziekenhuis, haar zware zwarte haren met veel zilver had doorstreept. Zij had intelligente oogen, donkerbruin, met den fluweelen gloed der zuidelijken en sterk gewelfde roode lippen, en vormde een groot contrast met Gladys, die veel kleiner en vijftien jaren jonger was en van haar Canadeesche moeder het blonde Engelsche type had geërfd, terwijl Maud de volle erfgename was harer Floridasche voorvaders.

Langzamerhand kwamen nu de gasten den tuin in. Eerst een troepje heeren dat nog even in Frederik’s rookkamer was geweest om de portretten van een Engelsch paard te zien, dat dien zomer den grand prix te Parijs had gewonnen. Maarten van Hervoren kwam voorop, den hartelijken groet van jeugdvriendschap wisselend met Gladys en Maud, en daarna kwamen van Smaarth en Stephan van Brehnen met von Görtzen en een paar jonge cavalerieofficieren, mijnheer en mevrouw de Mureaux met Betty en twee Fransche logeetjes, Isabelle en Charles Pankaert, Edward van Starren na eenige oogenblikken gevolgd door zijn zusters met Hilda, en eindelijk Valérie Vermaezen met haar moeder en van Gaefden, haar aanstaande, en nog ten laatste Frederik’s oudere broer, ritmeester bij de cavalerie, de zoogenaamde „Dolle Henk van Praege.”

Hilda had Maarten van Hervoren, na hun eerste wandeling, met Gladys, langs den Bezuidenhout, nog verscheiden malen ontmoet, maar altijd heel vluchtig, in volle salons, op het Kurhaus of op straat.

Mevrouw van Starren, nu zij wist, dat Hervoren als vriend bij de van Praeges aan huis kwam en bij de Vermaezens dineerde, had aan het verlangen van Edward toegegeven en Maarten’s kaartje met een invitatie beantwoord. Maar den dag dat hij was komen eten, was Hilda toevallig voor een paar dagen uit logeeren geweest, zoodat zij hem niet gezien had, en het feit dat zij hem nooit rustig had gesproken, na hun eerste ontmoeting, maakte misschien juist dat zij dikwijls aan hem had gedacht met een soort nieuwsgierige sympathie.

Bij ’t binnen komen in den tuin, toen ze hem naast Maud zag staan, was er een kleine aandoening van iets prettigs in haar. Onwillekeurig kwam ze vlak in zijn nabijheid, om gauw door hem begroet te worden, zooals de vorige keeren, met de eigenaardige liefkoozing van zijn oogen. Maar hinderlijk kalm, alsof hij haar niet had opgemerkt, bleef hij voortpraten met Maud:

„Ja zeker, de Middellandsche zee is wel heel bekoorlijk, maar ik vind toch ook de Noordzee veel boeiender .…”

„Freule van Suylenburg, houdt u evenveel van koekjes als uw nichtje Corry?”

Stephan van Brehnen stond voor haar met een schotel gebakjes.

„Zeker, dat is een van onze grootste punten van sympathie.”

Hilda zeide het luid, haar woorden éen voor éen uitzendend naar Maarten’s kant, om door haar stem zijn aandacht te trekken.

Maar hij bleef rustig voortpraten:

„O! Ja, prachtig, zoo’n zonsondergang in Scheveningen …”

Hilda maakte een beweging van ongeduld en een van haar lange handschoenen gleed neer op den grond. Toen ineens, ofschoon hij van haar afgewend had gestaan, en zij meende dat hij haar niet zien kon, bukte hij zich haastig en raapte hem op. Maar toen hij dien groetend aan haar overreikte, was er ijzige strakheid in zijn gezicht.

Hilda schrok even, als iemand, die meent een warmen dronk te ontvangen en plotseling ijswater tegen de tanden voelt. Een pijnlijke sensatie van iets vijandigs, dat zij niet kende, waarvan zij niet wist waar het vandaan kwam, maar dat haar beloerde ergens, met nijdige oogen, doorhuiverde haar. Maar toen dadelijk richtte zich haar meisjestrots weer op, die zich even onder haar verlangen had neergebogen, en ze ging weg, naar de oude mevrouw Vermaezen, met wie ze levendig ging zitten praten.

Het was ook zoo’n nonsens van haar om uit die vluchtige ontmoetinkjes zich een illusie van sympathie te hebben gevormd. Waarom zou hij niet deftig en koel zijn? ’t was immers heel natuurlijk, dat ie vanavond liever met z’n ouwe vriendin Maud bleef praten. Eigenlijk had ze toch ook maar nauwelijks drie woorden met hem gewisseld, die iets meer dan klanken beteekenden en ze had het zich zeker maar verbeeld, dat er soms iets als een geheime verstandhouding, die zij zelf niet goed begrepen, in hun blikken was geweest. Maar ze zou het zich niet aantrekken als ie koel wou zijn. Het kon haar geen greintje schelen, alleen … ’t was net alsof ze straks iets beleedigends in die koude oogen en stroeve buiging had gevoeld, en ze zou toch wel es, voor de curiositeit, hebben willen weten of hij iets bepaalds tegen haar had? .…

„O, kijk, daar is Mary. Laat je haar nog zoo lang op, Gladys?” zeide mevrouw Vermaezen.

„Nee, anders ligt ze altijd om acht uur in bed. Maar vandaag is ze gaan eten bij Corona van Oven om ’n beetje te spelen met dat meisje van Soeterwolde, u weet wel, dat kindje van haar Parijsche vrienden, dat ze bij zich in huis heeft genomen. Voor zoo’n enkele keer mag het wel es wat later worden. Veel plezier gehad, Mary?”

Het kind kwam den tuin in, feeënmooi in haar witte kleedje en ging in welopgevoede gedweeheid den kring der gasten rond, aan iedereen handjes gevend en zich latend kussen door de dames.

„Krijg ik ook een zoentje?” vroeg Henk van Praege.

Zij schudde het hoofd, haar groote donker fluweelen oogen vol onvriendelijkheid. Van klein kind afaan had ze een antipathie tegen hem gehad.

„Gauw Mary, geef oom een zoentje,” commandeerde Frederik.

Het meisje ging, angstig naar haar vader ziende, en gaf schuw haar wangetje. Toen vluchtte ze bij Gladys terug, zich dicht tegen haar aandrukkend.

De ritmeester lachte zijn harden luidruchtigen lach:

„Nou, Frederik, als ze zoo voort gaat, zul je niet lang voor gedienstige papaatje hoeven te spelen. Als er iemand weinig kans heeft om ouwe jonge juffrouw te worden, dan is zij het wel. Wat een prachtkind!”

Hij keek naar haar met zijn taxeerende vrouwenkennersblik vol platte bewondering.

Maar Gladys, met een hartstochtelijk gebaar van bescherming, legde haar armen vast om kleine Mary.

Toen zag zij op naar haar man en mevrouw de Mureaux en mevrouw Vermaezen, die naast haar zaten. Zij allen glimlachten, instemmend als een compliment met Henk’s woorden, en een bittere opstand rees in haar hart van jonge moeder.

O! zij wist het wel, de meeste vrouwen waren gevleid, als men zulke dingen van haar dochters zeide, maar ze voelde het als een heiligschennis dat men haar kindje hulde meende te brengen, door te zeggen, dat haar schoonheid wel gauw door een man zou worden begeerd! Henk meende het misschien zoo kwaad niet; hij stond alleen nog op het ouderwetsche hatelijke standpunt, vanwaar uit men vroeger het meisje beschouwde, als zou een man vinden voor haar het hoogste geluk zijn! Maar was het niet afschuwelijk, dat de eerste gedachte, die dit aangrijpend mooie kopje bij de wereld opwekte deze was: zij zal wel makkelijk een huwelijk kunnen doen? Had dan ook het mooiste rijkst begaafde vrouwenleven geen andere bestemming dan om aan een man toe te behooren? En deze opvatting was toch die van velen en voortaan zou men telkens de reine ziel van haar kind bespatten met die woorden van bezoedelende hulde: „Wat ben je mooi! Je zult makkelijk kunnen bekoren, veroveren?” En later zou Mary in den spiegel de echos dier complimentjes terug vinden, en bij God, daarvoor had zij haar kind te lief, om behagen en trouwen als hoogste illusie te zien wonen, onder dat blanke voorhoofd!

„Kom Mary, ga nou maar gauw naar bed, ’t is al veel te laat voor zoo’n heel klein meisje!”

Onwillekeurig drukte zij op „heel klein”, in een sterk verlangen om het kind nog lang onder haar bescherming te kunnen houden, en toen Mary was heengegaan, bleef ze even zitten, droomerig haar gastvrouwopgewektheid vergetend.

O! zeker, ze had er dikwijls aan gedacht, dat er misschien een dag zou komen, dat er naast haar kinderen vreemden zouden staan, die meer voor hen zouden zijn, dan zij met al haar groote moederliefde en dan had zij vurig gehoopt, dat, als eens de liefde tot hen komen zou, het zou zijn om hun leven rijker en mooier te maken, want liefde bracht ook dikwijls pijn .…

En zij had zich verdiept in die toekomst! Moeders, als zij, denken veel aan de toekomst, en misschien is daarom juist moederliefde wel de hoogste, omdat zij niet alleen van het oogenblik geniet, maar vooruit denkt en waakt en zorgt, en daardoor, ook na de geboorte van het kind, opnieuw elken dag scheppingswerk verricht.

Maar in haar toekomstdroomen had Gladys nooit het huwelijk voor haar kinderen gewenscht! Natuurlijk, het leven samen door gaan, hand in hand, met éen, die ons volkomen lief is, wie zou dat geen groot geluk noemen? maar een gewoon huwelijk, zooals er millioenen zijn, het zich vereenigen van den eenen of anderen man met de eene of andere vrouw, onder min of meer gunstige omstandigheden, zij had het altijd van moeders een onzedelijke illusie gevonden.

Toen, opeens waakte zij op uit haar nagedroom.

Zij hoorde het Maud zeggen, en aan alle kanten om haar heen, vlamden ineens gesprekjes op, waarin telkens het woord „vrouwenkiesrecht” klonk. Zij luisterde.

„Maar u bent er toch niet voor?” zeide van Gaefden tegen Hilda, op dien toon vol ongeloovige afkeuring, die het soms heel verleidelijk maakt, om maar met een uitvluchtje zijn opinie te verbergen.

Maar Hilda dwong zich om eerlijk te zijn:

„O! ja, ik ben er erg voor!”

„Gnädiges Fräulein, is dàt waar? Bent u voor vrouwenkiesrecht?” schaterde von Görtzen van den overkant.

Iedereen lachte en sprak tegelijk in kleine groepjes, en Gladys zat zwijgend middenin, aan haar bowltafeltje, glimlachend, blij om het animo dat dit woord nu gewekt had. Er was een tijd dat het alleen onverschilligheid en een beetje spottende verwondering ontmoette in haar kringen, en beter vijandige tegenstand, die bewijst dat men er rekening mede begint te houden, dan doodzwijgen.

Toen vroeg Edward haar ineens:

„Is het waar, mevrouw van Praege, bent u nog wel presidente van de Vrouwenkiesrecht-Vereeniging?”

„Ja,” zeide ze zacht. „Ik vind de toestanden in dit land zoo akelig! Ik geloof dat het erg goed zou zijn, als men ook es wat verstandige flinke vrouwen, die er plezier en tijd voor hebben, aan het regeeringswerk kon zetten!”

Henk van Praege lachte hardop, heel even, en bedwong zich toen, beleefd:

„Geloof je heusch, Gladys, dat de boel goed zou gaan, als er vrouwen mee regeerden? Wat ’n gebabbel zou dat geven.”

„Het is onmogelijk dat dames meer praten dan heeren!” zeide zij snel. „Ben je wel es in de Tweede Kamer gaan kijken? In Parijs ben ik in de Chambre des députés geweest en in Londen in ’t Lager Huis, en ik ben overtuigd dat het physiek onmogelijk is om nog meer te praten dan daar gedaan wordt. En mijn vader zei ook altijd: „op dameskransjes wordt veel gebabbeld, maar op heerensociëteiten zeker niet minder!””

„Ik ben het erg met mevrouw van Praege eens!” riep Maarten van den anderen kant van den kring, midden uit zijn gesprek met Maud. „En het zou uitstekend zijn, als de heeren zich ’n beetje lieten helpen en raden door hun moeders en zusters en vrouwen. Bijna geen man die niet ondervonden heeft, wat vrouwenraad en vrouwentoewijding zijn kan! En toch gaan we maar stelselmatig voort, met haar hulp voor het algemeene belang te versmaden! En heusch, we hebben geen reden om zoo naïef zelfvoldaan te zijn op onze eigen regeeringskunst, alsof wij alleen daartoe waren uitverkoren! De heele wereldgeschiedenis is vol van de onhandigheden, domheden, oneerlijkheden, en gruwelen van keizers, koningen, volksleiders, ministers, commissies en besturen. We konden gerust es probeeren of het niet iets beter zou gaan door de samenwerking met zooveel vrouwen wier krachten en gaven nu voor ’n groot gedeelte ongebruikt, en voor de maatschappij waardeloos blijven rusten!”

Hilda klapte in de handen, verrukt dat hij aan haar kant stond.

Maar weer zag hij haar aan met dien ijzigen blik van straks, die elk toenaderen afsneed, en wendde zich langzaam tot Gladys en glimlachte tegen haar.

Hilda richtte zich strak op onder den duidelijken indruk eener beleediging. Wat was er tusschen hen gebeurd? Enfin; ’t kon haar immers niets schelen? alleen was het vervelend, woedend vervelend, dat zij de vorige keeren zoo vriendelijk tegen hem geweest was.

Maar Gladys ging weer voort:

„Ja, natuurlijk! En tot dus ver hebben er wel vrouwen geregeerd doordat ze den eenen of anderen man geheel onder haar invloed hadden, maar indirecten invloed uitoefenen op iets, door het bewerken van personen, door suggereeren en intrigeeren, is altijd een groot gevaar! De vrouwen moeten eerlijk, met volle verantwoordelijkheid, niet achter de schermen door kunstjes en slimmigheden, de belangen van haar volk mee kunnen behartigen! En vooral haar eigen belangen, want Gladstone, de groote Engelsche minister heeft het zelf gezegd: de belangen van hen, die geen eigen vertegenwoordigers in de regeering hebben, worden rustig verwaarloosd! De afgevaardigden trachten natuurlijk hun kiezers tevreden te stellen; waarom zouden ze zich vermoeien voor degenen die toch nooit een stem op hen kunnen uitbrengen? En zoo komt het dan ook dat er voor de vakopleiding van de volksmeisjes geen geld te vinden is, dat de moeder geen lid mag zijn van een familieraad, (of haar kind krankzinnig verklaard of onder curateelen geplaatst zal worden en wie voortaan de belangen van dat kind zullen behartigen, wordt buiten haar om beslist!) en dat de huwelijkswetten voor de vrouw allerellendigst zijn .…”

Maar toen viel mevrouw de Mureaux haar in eens in de rede:

„Nee hoor es, Gladys, dat wordt nou tegenwoordig telkens beweerd! maar ik begrijp het volstrekt niet, hoor! Ik kan je dan zeggen dat ik heelemaal niet ontevreden over de huwelijkswetten ben! En ik kan er over meepraten, de andere maand ben ik vier en twintig jaar getrouwd.”

Allen lachten, de meesten goedkeurend, maar Hilda, terwijl zij haar aanzag, had plotseling een visioen, dat haar liet huiveren.

Daar zat die goedige dikke mevrouw, gemakkelijk achterover in haar grooten stoel, prettig, zelfvoldaan als een poes in het zonnetje, de vette blanke handjes met den zwaren trouwring gevouwen op haar maag, haar vriendelijk gezicht, met het nog frissche teint en het glanzend bruine haar, dat haar als een mahoniehouten lijstje om het lage voorhoofd sloot. Maar achter haar stond vrouw Zwalve, doodsbleek met de bloedroode striem over haar voorhoofd en de hol ingevallen slapen! En Hilda voelde ineens dat ze al die vriendelijke dikke dames zou kunnen haten!

O! God, het was tien uur! .… en al deze dames lachten! Lachten .… omdat er gezegd was dat er verbetering moest komen in de toestanden! En wat gebeurde er misschien op dit oogenblik in het huisje in de Zorgvlietstraat? Wat waren al die goedige menschen toch wreed, in hun zelfzuchtige kalmte en luiheid van: Ik heb het goed in de wereld, wat kan mij de rest dan schelen? O! deze dames lachten? Voor haar waren de woorden: vrouwenemancipatie, en één der middelen daartoe: kiesrecht, verkiesbaarheid, niets dan bespottelijke klanken! Door haar pantser van genoeglijke zelfvoldaanheid had zelfs de vraaggedachte niet kunnen doordringen of er ook een ideaal streven mee bedoeld werd om de maatschappij wat beter en mooier te maken!

Maar Frederik van Praege was opgesprongen, zenuwachtig, ongeduldig.

„Nou, ga jullie je gang hoor, als je plezier hebt in zulke diepe bespiegelingen, maar mij wordt het ’n beetje te hoog! Wie gaat er mee om m’n jachthond te zien, dien ik gisteren uit Engeland gekregen heb? Een prachtexemplaar.” En toen, onder het heengaan, minachtend over zijn schouder:

„Er kan toch nooit iets van vrouwenkiesrecht komen! De man verdedigt het land en geeft er zijn leven voor als ’t noodig is, en dus mag en moet hij altijd meer rechten hebben dan de vrouw! Dat is billijk!”

Gladys zag hem zwijgend een oogenblik na. De meeste heeren en een paar jonge meisjes waren met hem mee gegaan. Toen zeide ze zacht voor zich heen:

„De man geeft zijn leven tot instandhouding van de grenzen, maar de vrouw geeft het hare tot instandhouding van het ras! en heel wat meer vrouwen zijn in de grootste smarten gestorven om een nieuw leven aan de maatschappij te geven, dan mannen om het land te verdedigen. Als de oorlogen, als een overblijfsel uit de barbaarsche tijden, lang zullen zijn afgeschaft, zal de vrouw haar levensbelasting aan de gemeenschap blijven betalen! Mij dunkt het zou dus billijk zijn, juist de vrouwen in de eerste plaats haar belangen te laten voordragen, want ten slotte zijn haar belangen die van het heele volk, juist omdat zij de voortbrengster is!”

En toen, zich plotseling opwindend, zonder meer notitie te nemen van de onthutste gezichten om haar heen:

„O! weet je, er zit voor mij een ontzettende domheid in, als ik moeders hoor zeggen, dat ze hartstochtelijk belang in haar kinderen stellen, als ik ze met tranen in de oogen over haar kleintjes hoor spreken, en haar op ’t zelfde oogenblik volkomen onverschillig zie voor de maatschappelijke toestanden, waaronder haar kinderen zullen opgroeien! De vrouw, die waarachtig belangstelt, niet in de rokjes en broekjes van haar kinderen, maar in hun toekomst, moet zich ook warm maken voor de groote vragen van den dag en voor die, welke een beslissenden invloed op het lot van haar kinderen kunnen hebben! Duizende menschen zijn op dit moment de slachtoffers van slechte scheidings- en huwelijkswetten, van ongezonde woningen, van drankmisbruik, van onvoldoende of slecht opgevat onderwijs, van misbruik van ouderlijke macht, van werkeloosheid en uitbuiting en onvoldoende bescherming van den arbeid, van belastingen, die het volk neerdrukken, om legers en vloten staande te hoûen voor een toekomstoorlog, die, als hij ooit komt, de zonen dier onverschillige vrouwen, bij millioenen zal slachten! Waarachtig, de lange onderdrukking moet ons wel suf hebben gemaakt om ons niet met meer kracht te laten verlangen om ook stem in de lands- en gemeente-regeeringen te mogen hebben, om te kunnen waken over de belangen van onze kinderen!”

Een pijnlijk verlegen zwijgen volgde even. Hilda jubelde inwendig, maar ze wist niet goed, in die drukkende stilte, hoe het te uiten. De meeste dames keken strak, bijna persoonlijk gekrenkt, en Gladys schaamde zich een beetje, als gastvrouw, over haar heftigheid, die ze in dat kringetje toch hoogst waarschijnlijk verspild had. Maar soms kon ze het ook niet laten! De woorden stroomden dan ineens te gloeiend naar haar lippen om ze te kunnen inhouden. Maar zij dwong zich nu om weer kalm te zijn, en heel zacht, de stem weer vleiend lief door haar zelfbeheersching van wereldvrouw, vroeg ze opstaand:

„Maar wilt u ook de honden niet es even gaan bekijken? ’t Is heusch ’n prachtig beest, en Frederik zou ’t erg leelijk van me vinden, als ik u hier aan den praat hield, in plaats van z’n nieuwen aankoop te laten zien.”

Iedereen stond op, blijkbaar verlicht, om achter in den tuin naar de hondenhokken te gaan.

„Wat gek toch van Gladys, om altijd zoo woedend bij zulke gesprekken te worden! ’t Is toch heusch de moeite niet waard!” zeide Betty de Mureaux tegen van Brehnen.

Maud liep vlak achter hen met Corry en antwoordde luid:

„Vindt u ook niet, freule van Starren? Dat is juist in de wereld één van de dingen om het woedendst over te zijn, dat maar zoo weinigen het de moeite waard vinden om woedend te worden over verkeerde dingen?”

Corry had Betty’s woorden niet verstaan en begreep dus niets van Maud’s uitval. Op goed geluk af antwoordde zij met het kirrend schaterlachje, dat haar overal voor diende. Henk van Praege, die den geheelen avond in Hilda’s nabijheid was gebleven, kwam naast haar loopen:

„Freule van Suylenburg, ik wist heusch niet dat u zoo vreeselijk vooruitstrevend was. Maar u gaat toch niet aan politiek doen? Politiek maakt de vrouwen leelijk?”

Lachend, luchtigjes zag ze naar hem op, haar oogen vol uitdagenden spot:

„Misschien, als de vrouwen er aan gaan doen, wordt de politiek nog es mooi!”

Achteraan kwamen Hervoren en Gladys.

„Maarten, zeg es, ik heb me toch niet te veel opgewonden?”

„Je hebt prachtig en braaf gesproken, Glad! Het is heel goed, dat ze ’t es hooren! En er waren twee dames tenminste, die ’t in stilte erg met je eens waren, geloof ik.”

„Wie dan? Belle Pankaert zeker?”

„Ja, en freule van Suylenburg.”

„O! Hilda! .… ja, die is het heelemaal met ons eens .…”

„Zoo? .… En ik dacht dat ze zoo wat geëngageerd was met Bernard Cranz.”

„Met Cranz van Rosenhagen? Maar Maarten, hoe kom je er bij?”

„Ik dacht het.”

„Wel nee, zijn moeder heeft me juist gezegd dat ie verleden week, Zaterdag geloof ik, naar Parijs is gegaan, omdat ie zich hier zoo vreeselijk begon te vervelen.”

Maarten stond ineens stil.

„Dan heeft ze hem bedankt!”

„Geloof je? Ja, dat kan best zijn, want hij heeft haar nog al het hof gemaakt en .…”

„God, Gladys, wat kan iemand toch ’n vervloekte ezel zijn. Natuurlijk heeft ze hem bedankt en ik, die dacht .… en daar als ’n idioot .…”

Gladys zag vragend naar hem op, maar haastig liep hij voort en zij glimlachte, toen ze hem dadelijk door den kring van menschen zag heen dringen, naar de plaats, waar Hilda den nieuwen jachthond stond te streelen.

„Houdt u van honden, freule!”

Heel zacht, met den vroegeren warmen klank in zijn stem had hij het gezegd, en boog zich tot haar over.

Maar Hilda zag niet op en ging voort den gladden kop van het dier te liefkoozen. Wat beteekende dit vreemde gedrag? Wou ie met haar spelen? Ze zocht naar een scherp woord, iets heel uit de hoogte, om hem te toonen, dat ze dat niet met zich doen liet. Maar zij vond niets dat trotsch genoeg was, en ineens, heel zacht, met een nuance weemoed, die hem pijnlijker trof, dan haar bitterste woord, kwam het vanzelf over haar lippen:

„O! ja, heel veel! Men kan meer op ze aan dan op menschen.”

Toen draaide ze zich om, weg van het hok, en ging naar Isabelle, die ze naar haar zingen vroeg.

Gladys’ gasten waren weggegaan, de avond was goed geëindigd, en bij het afscheidnemen was het haar geweest alsof mijnheer de Mureaux, en Edward van Starren, zij meende zelfs van Smaarth, bijzonder eerbiedig voor haar gebogen hadden.

En terwijl zij binnen haar mooie glaswerk nog even nazag, of het goed in de keuken gewasschen was, dacht de jonge vrouw met een klein beetje ironie aan die tegenstrijdigheid, die zij meermalen ontmoet had bij heeren, die beweerden dat vrouwen geen eigen opinies moesten hebben, maar die toch altijd bijzonder veel bewondering toonden, juist voor haar, die flink voor haar gedachten durfden uitkomen.

Maud was naar haar kamer gegaan, om nog een brief af te maken en Frederik was niet meer binnen geweest sinds hij de laatste gasten had uitgelaten. Maar nu hoorde ze z’n stap, en toen de deur openging, wendde ze zich vroolijk om, in de opwekking van haar goed afgeloopen avond.

„Free, luister es! Zal ik je es ’n nieuwtje vertellen? Ik geloof heusch dat Maarten en Hilda .…”

Maar toen zweeg ze, met een mat gevoel van teleurstelling; van Praege stond midden in de kamer, de handen in de zakken, de diep ingezonken oogen norsch, de wenkbrauwen saamgetrokken tot zij elkander raakten:

„Wat scheelde je nou toch vanavond om zulke theorieën te zitten verkondigen over vrouwenkiesrecht? Je weet, dat ik het al vervelend vind dat je je met dien boel inlaat, maar in mijn huis, wil ik er tenminste niet van hooren.”

Zij leed even onder zijn krenkend mijn huis, waarmede hij haar ook al vroeger dikwijls had laten voelen, dat hij de meester was, en zij de ondergeschikte, aan wie geen greintje meer macht toekwam dan hij goed vond haar te verleenen.

„Je weet ook wel, Freddy, dat ik nooit over die kwesties uit me zelf begin, als jij er bij bent, maar als er in mijn tegenwoordigheid over gelachen wordt, mag ik toch wel m’n opinie zeggen. Waarom zoûen al die menschen, die er nooit een minuut ernstig over hebben nagedacht, er wel over mogen spreken en zou ik moeten zwijgen?”

„Maar voel je dan niet, dat je je eigen ridikuul maakt? en .… mij er bij!”

Hij liep een paar keer de kamer door met korte gejaagde passen, tusschen zijn tanden een straatorgeldeuntje sissend, en ging toen ineens de deur uit.

Gladys belde om te sluiten en klom stil naar haar slaapkamer.

„O! wat een wanbegrippen toch aan alle kanten over de verhouding tusschen man en vrouw! Hoeveel honderden jaren zouden er nog moeten verloopen eer de onderlinge relatie der geslachten zuiver zou worden opgevat? Nu ook hier weer: Frederik was bang om ridikuul te zijn door ’t geen zij had gezegd! Alsof hij verantwoordelijk was tegenover de wereld voor haar woorden. Dus altijd nog dat oude principe, dat de vrouw een onmondig wezen is, voor wier daden en woorden de man, de meester, heeft in te staan! In sommige kringen ging dat idee immers zoo ver dat de man op zijn eigen ontrouw luchtigjes mocht bluffen en er door zijn vrienden volstrekt niet om veracht werd, terwijl de ontrouw van zijn vrouw hem onteerde, tenzij hij die wreekte op barbaarsch bloedige wijze. Waren zulke begrippen, die uit een tijd stammen, toen de verhoudingen zoo heel anders waren, niet belachelijk nu? Als Pollux, de nieuwe jachthond, straks uit zijn hok losbrak, en bij de buren kattekwaad deed, was het heel best dat Frederik, zijn baas, voor hem werd aangesproken als de verantwoordelijke persoon, maar waar twee vrije gelijken zich verbinden om samen het leven door te gaan—en dat zou toch voortaan het huwelijk zijn—is het ergerlijk en ridikuul dat daar de man voor de mogelijke dwaasheden of zonden van zijn vrouw aansprakelijk wordt gesteld!

Maar dat alles daargelaten, had ze zich heusch vanavond bespottelijk gemaakt? Ze geloofde het niet, alleen, in zulke gezelschappen wordt het altijd dwaas gevonden als men zich warm maakt voor een idee. Maar dan moesten ze haar maar dwaas vinden. Het is laf om bang te zijn voor een beetje spot en zij mocht niet laf zijn, zij, die twee kinderen had op te voeden, misschien wel gauw drie!

Maar er klonken stappen over het portaal en zij luisterde. Het was Frederik, die naar zijn kleedkamer ging; zou ie weer uitgaan? Ze luisterde gespannen, na een oogenblik kraakte de trap en toen sloeg de voordeur toe. „Dus weer uit!”

Ze stond onbewegelijk en luisterde nog, ofschoon ze wist dat ze niets meer hooren kon. Waar was ie heen gegaan? Waar ging ie toch altijd naar toe? Ze had het hem niet durven vragen, hij was tegenwoordig zoo vreeselijk prikkelbaar, en hij zou het haar immers toch ook niet gezegd hebben? En toen weer begonnen de folteringen van al de laatste tijden. Ze verweet zich zoo, dat ze jaloersch en kwaaddenkend was en dat ze hem onrecht deed en toch altijd weer kwamen de ergste vermoedens haar beangstigen.

Ze liep even de kamer op en neer, als om haar gedachten te ontvluchten en kuste voorzichtig de slapende kinderen. Maar toen ze haar japon had uitgetrokken en de nachtlucht verkoelend voelde neerglijden langs haar koortsig brandende huid, ging ze stil zitten, de bloote armen gekruist op de tafel en het hoofd voorover op de armen gesteund.

Ze kon het altijd nog maar niet gelooven, dat haar mooie geluk, waar ze zoo vast op gerekend had, hopeloos was verloren! Toen ze met haar ouders in Europa had gereisd en in Zwitserland Frederik had leeren kennen, wat een geluksdroom, wat een overmoedig vertrouwen op de toekomst, wat een jubel! Zou wel één meisje, bij ’t ontwaken van haar liefde zich zóó zalig gevoeld hebben? Zou het waar zijn, dat die droom niets was geweest dan een .… vergissing .… een leugen? En een leugen ook het beeld, dat ze zich van haar man had gemaakt? Haar acht droevige huwelijksjaren hadden niets gebracht dan desillusie na desillusie, en toch wilde ze niet aan het bankroet van haar leven gelooven. O! God, zij wilde het niet! Maar langzaam begon toch de troostelooze waarheid tot haar door te dringen.

Zou hij heelemaal niet meer van haar hoûen? Maar had ie ’t eigenlijk wel ooit gedaan? Waarom had ie haar dan getrouwd? Kon het mogelijk zijn dat die man, in wien zij zóo sterk geloofd had, alleen haar geld had verlangd? En wat deed ie met haar geld? Den laatsten tijd had ze heel goed gemerkt dat ie dikwijls slecht bij kas was. Kon ze zich werkelijk zoo onvergeeflijk dom in hem vergist hebben, dat hij, wien ze haar jonge leven in zoo vol vertrouwen had gegeven, niets was dan een …? ze durfde het woord niet denken, en toch zeurde het door haar hoofd, en telkens weer.

Maar in eens voelde ze langs haar blooten hals een tocht, die de losse haren opblies. De deur was open gegaan en van Praege stond op den drempel.

„Wat is dat nou voor nonsens, Gladys? Waarom ben je nog niet in bed?”

Ze stond op, ineens recht overeind, een beetje verschrikt alsof ze uit een droom kwam.

„Ik weet het niet; ik heb hier maar zoo’n beetje zitten denken.”

„Ik zou je anders niet gestoord hebben, Gladys, maar ik wou je even vragen .… Ik wou die ƒ 500 even hebben, die Maud gisteren voor broertje’s verjaardag gegeven heeft.”

„Waarom? .… die zijn immers voor z’n spaarpot? Je hebt verleden maand pas het geld van de pachten gehad.”

„Dat vraag ik je niet, nietwaar? Geef me nou gauw even dat geld. Ik heb heusch geen tijd, en ik moet het noodig hebben.”

„Waarom?” zeide ze met bevende knieën, voelend dat het bange moment van explicatie plotseling gekomen was.

Hij zag haar even aan, verbaasd en onrustig:

„Waarom? Sinds wanneer moet ik je rekenschap geven van elk dubbeltje, dat ik uitgeef?”

„Je weet heel goed, dat ik je nooit rekenschap heb gevraagd!” zeide ze zacht. „Maar je hebt pas het geld van de pachten gehad, en als je nou al niets meer over hebt, waar heb je het dan gelaten?”

Hij was onthutst over hare schijnbare kalmte en haar vragen, die hij niet verwacht had. Zenuwachtig probeerde hij luchtigjes te spreken.

„Ik heb gespeeld, en vanavond had ik geen veine, zoodat ik niet genoeg bij me had. Geef me het geld nou maar gauw, Gladys, ze zullen ginds niet weten waar ik zoo lang blijf.”

„Heb je al dat geld verspeeld?”

„Nou ja, wat zou dat? begin nou in hemelsnaam niet te zeuren, Glad. Geef me het geld nou als je blieft.”

„Ik zal het je geven, natuurlijk, als je het noodig hebt, maar op éen conditie.”

„En die is?”

„Dat je me belooft om niet meer te spelen.”

„Hoe verzin je het! Ik heb niks te beloven en jij hebt geen condities te maken, dunkt me. Wie is hier de baas? Van wie is het geld, van jou of van mij?”

„Van broertje,” zeide ze zacht.

„Nonsens, een minderjarig kind. Alles, versta je, alles is hier van mij! alles, en ik zal er mee doen wat ik wil. Ik zal me niet door jou op den kop laten zitten!”

Hij begon zich op te winden, trachtend indruk op haar te maken. Maar uiterlijk bleef ze kalm, al trilde ze van ’t hoofd tot de voeten.

„Frederik, je weet best, dat er bij mij geen sprake is van op den kop zitten, maar ik wil de kinderen niet door je laten ruïneeren.”

„Wat ’n overdrijving altijd met die vrouwen. Die vijfhonderd meer of minder zal de kinderen niks doen. Wil je ze me nou geven? Anders neem ik ze .… Ik zou je raden m’n geduld niet langer op de proef te stellen .…”

Gladys ging zwijgend naar haar kast om het geld te krijgen. Ze zocht naar iets om hem te zeggen, iets liefs, of iets ernstigs, of iets strengs dat hem kon laten voelen dat zijn spelen slecht was, maar ze vond zoo gauw niets in haar bonzende hoofd.

Ze gaf hem het bankpapier en toen heel zacht, bijna smeekend zeide ze:

„Freddy, geloof je toch niet dat het zondig is voor een vader van drie kinderen, om te spelen?”

De allusie op het ongeboren kindje leek haar het teerste, dringendste wat ze zeggen kon, maar het scheen hem niet te treffen. Met ’n zekere haast stak hij de banknoten in zijn zak en ging de kamer uit.

En weer luisterde ze hem na, maar ze hoorde de deur niet toeslaan. Nu ie het geld had, scheen z’n haast om terug te gaan niet zoo groot meer.

Toen, langzaam daalde in haar neer de kille doodsangst van het onherstelbare. Haar huwelijk een failure, haar liefde, haar geloof in geluk verwoest! Ja, dat was het woord: Verwoesting! Alles verwoest! En machteloos was ze! machteloos, als een klein kind in gevaar. En in de verte stond het grijnzende schrikbeeld van armoede. O! als het nog maar voor haar zelf was geweest! Wat kwam het er voor haar nog op aan, nou toch alles uit was! Maar voor de kinderen! Ze mocht het niet lijdelijk afwachten dat ze geruïneerd werden. Maar wat kon ze doen?

Zij snikte onder de duldelooze wreedheid van machteloos te zijn en toch zich verantwoordelijk te voelen! Maar de wetten in dit land veronderstelden niet eens dat een moeder zich verantwoordelijk kan voelen! Die eischten van de vrouw alleen gehoorzaamheid, en aan den man gaven ze de macht, alsof niet in negentig van de honderd gevallen van ruïne en ondergang de man de schuldige was!

Zij pakte haar hoofd met beide handen en snoerde het vast in haar krampachtige vingers alsof ze het dwingen wilde tot klaarder denken. Ze had wel eens gehoord dat men een man wegens verkwisting onder curateele kon laten zetten, maar tot wien moest men zich dan wenden? En ze kon toch niet zoo maar een aanklacht indienen, zonder zeker te weten of zijn spelen wel verkwisten was. O! voor zich zelf was ze er vanavond zeker van! Allerlei kleine dingen hadden het haar al lang laten vermoeden dat ie speelde en dat hun fortuin sterk was achteruit gegaan. Maar hoe kon ze ooit zekerheid krijgen? Hij zou haar niet antwoorden als ze er naar vroeg, en ze kon toch niet stilletjes de brandkast openbreken om te zien wat er nog over was? Maar waren er dan geen wetten die de vrouw beschermden tegen den man als hij haar eigen aangebrachte fortuin wilde doorbrengen? Nee, straks had ie ’t immers al gezegd: alles, alles behoorde hem; de getrouwde vrouw bezit niets!

Maar ze was toch met huwelijksvoorwaarden getrouwd. Haar vader had het absoluut gewild! O! Frederik was er wel woedend tegen geweest, en zij had er zich toen ook tegen verzet omdat hij arm was en zij rijk. En ze had gelachen om den wensch van haar vader en ze was er boos om geworden, omdat ze in die voorwaarden iets ondelicaats, als van wantrouwen tegenover Freddy vond! Ze was immers zoo trotsch en gelukkig geweest om hem alles te kunnen geven wat ze had. Hoe kan een jonge vrouw, die haar eigen reine leven, haar toekomst vol visioenen van geluk aan een man toevertrouwt, voorzorgen tegen hem kennen voor haar geld?

O! wel moest men ter kwader trouw zijn of verregaand onnoozel in menschenkennis om in ernst te beweren dat het billijk is om het min of meer voordeelige van de finantieele positie der getrouwde vrouw, te laten afhangen van haar meerder of minder practisch doorzicht in dit moment van hoogste illusie en hoogst vertrouwen! Maar haar vader had doorgezet. Een groot gedeelte van haar bruidschat had hij haar in land gegeven en bij huwelijksvoorwaarde bedongen dat dit niet zonder hare medewerking zou kunnen worden vervreemd of bezwaard.

Meer had hij niet kunnen doen, want ofschoon de wet toestaat dat de vrouw ook kan bedingen: het beheer over haar roerende en onroerende goederen, mitsgaders het vrije genot harer inkomsten, Frederik had hiertegen zoo heftig geprotesteerd, er zich zoo diep beleedigd door getoond, en Gladys zelf, bedroefd dat men zulke maatregelen van wantrouwen tegen haar man wilde doordrijven, had zoo gesmeekt en gehuild, dat haar vader het bij die eene voorwaarde had moeten laten.

Gladys dacht aan dit alles. Veel wist ze niet van geld en wetten, maar door haar practische Amerikaansche opvoeding had ze toch meer begrip van zaken dan de meeste Hollandsche vrouwen. En uit dien akeligen tijd, toen ze zoo ellendig had gestaan tusschen haar vader en Frederik, kwam haar vanavond alles weer duidelijk voor den geest. Ze herinnerde zich nu dat men haar gezegd had, dat zonder die voorwaarde van Praege onherroepelijk alles met haar vermogen kon doen wat hij wilde, het verspelen, of .… nog erger, alles, alles! Maar nu kon hij tenminste dat land niet weg maken zonder haar wil. Op de effecten had ze geen oog kunnen houden, sinds hun huwelijk had hij die al zoo dikwijls verkocht en weer andere ingekocht, dat het niet meer uit te maken was, welke van haar geld waren, maar het land was veilig, goddank! Die goeie, wijze papa! Misschien zou het nou nog blijken dat juist zijn voorzichtigheid, waar ze toen zoo boos om geweest was, haar kinderen voor armoede zou behoeden.

En de tranen, die ze straks, in haar angst niet had kunnen vinden, kwamen nu zachtjes op, onder de verteedering van dat denken aan de zorgende liefde van haar vader. Het was of de gedachte aan dat land haar ineens van haar grootste angst had bevrijd.

Maar ze hoorde de trap weer kraken, langzaam, geheimzinnig, alsof iemand voorzichtig naar boven sloop. Ze luisterde, bang, het moest Frederik zijn, want de huisdeur was nog niet toegeslagen. Kwam hij weer bij haar?

Toen van Praege straks naar beneden was gegaan met het geld in zijn zak en een zeer voldaan gevoel over zijn handigheid, dat hij het met zoo weinig scènes en gezeur van Gladys had weten te krijgen, was het hem ineens ingevallen dat de heeren daarginds wel een oogenblikje konden wachten: ze bleven toch nog uren bij elkaar, en misschien was het nou wel het goeie moment om den knoop maar door te hakken met Gladys, over die kwestie, die hij toch al lang had willen afdoen. Hij had er wat tegenop gezien, maar vanavond voelde hij zich juist heel flink, na zijn gemakkelijk zegenvieren over haar.

„Gladys,” zeide hij binnenkomend, met een soort verlegen deftigheid, die haar dadelijk met argwaan vervulde. „Nou we toch over die vervelende geldzaken gesproken hebben, wou ik je nog even vragen .… ik wou je maar even zeggen .… dat, niet door mijn spelen .… volstrekt niet, maar enfin, door Amerikaansche fondsen en daling van effecten, enfin .… daar hebben vrouwen zoo geen verstand van, maar door allerlei omstandigheden is ons fortuin wel erg ingekrompen en nou zou het ’t beste zijn, dat we ons land bij Gouda maar verkochten, omdat de pachten zoo laag zijn tegenwoordig, en dan kunnen we daarvoor in de plaats effecten koopen, die hooge rente geven. Begrijp je me? Ik zou je er niet mee lastig vallen, maar het land is van jou en pro forma moet je dus je handteekening geven. Dat vind je toch zeker goed? Ik heb er al met den notaris over gesproken.”

Gladys slikte met kracht de worgende angst neer, die haar keel samenkneep. Ze wist dat hij loog, dat hij het land wou verkoopen om het geld in zijn macht te krijgen, om het vrij, naar zijn eigen wil te kunnen gebruiken en dat zijn naïeve poging om de zaak luchtig voor te stellen, bedrog was.

„Nee!” zeide ze zacht. „Ik hecht erg aan dat land, dat ik van papa gekregen heb ik wil het liever niet verkoopen. En Maud zegt dat soliede effecten nou toch ook niet veel rente geven, dus dan kunnen we het best zoo laten.”

„Maud weet er niks van!” zeide hij ineens driftig. „Vrouwen hebben geen verstand van geldzaken. En als ik zeg, dat het beter is om het land te verkoopen, dan is het zoo! Ik vraag je niet om raad, nietwaar? Alleen maar om je handteekening.”

Gladys kneep de handen samen tot de nagels diep in haar vleesch drongen. Voor haar beteekende strijd: pijn en vermoeienis, die ze haatte, maar ze moest wel, nietwaar? voor haar kinderen?

„Maar ik wil juist m’n handteekening niet geven, Frederik, heusch niet, ik kan dat land niet verkoopen. Laten we er maar niet meer over spreken.”

„Ja, waarachtig wel! Als ik het verkoopen wil, dan gebeurt het, versta je? Ik weet niet wat je tegenwoordig bezielt om me het leven zoo lastig te maken. Maar als ik je nou zeg dat het bepaald noodig is, zul je wel teekenen, nietwaar?”

Zij schudde het hoofd en keek hem aan met groote, droevige oogen.

Toen lachte hij, en ineens was hij bij haar en had haar in zijn armen genomen en bedekte met kussen haar bloote schouders:

„Kom Glady dear, wil je me dat pleizier niet doen?”

Maar zij weerde hem af, heftig, krimpend als van physieke pijn. Dat was het ergste wat zij nog geleden had, van den man, in wiens liefdekussen ze geloofd had, deze valsche liefkoozing. Een oogenblik werd ze woedend onder de beleediging.

„Nee, ik wil niet teekenen. En ik verbied je het me ooit weer te vragen.”

„En waarom?” vroeg hij dreigend.

„Omdat je speelt, je hebt het me straks zelf gezegd, en je wilt het land verkoopen en het geld opmaken.”

„En wat zou dat? als ik het doen wil, zal ik het doen, zonder jou permissie te vragen. Ik heb geld noodig en ik zal het hebben.”

„Zonder mijn handteekening kun je het niet krijgen!”

Hij lachte even, boosaardig, en ze werd bang, ofschoon ze trotsch voor hem bleef staan.

„Ja zeker, je vader dacht heel slim te zijn en je met die voorwaarden en dat land een zekere macht over je fortuin te geven, maar de wetten hier geven mij een heel andere macht! Ik kan je dwingen .…”

„Je kunt me nooit dwingen te teekenen!”

„Dat zullen we es zien! Als je me niet oogenblikkelijk belooft om te teekenen gaat Mary morgen naar ’n kostschool.”

„Mary?” Ze zag hulpeloos om zich heen. De verwoesting in haar ziel en overal rondom, werd hoe langer hoe grooter. Ze was een oogenblik half bedwelmd door de onverwachte wending van zijn aanval.

„Ja, en als je dan nog weigert, gaat Hajo ook de deur uit. We zullen es zien of je dan niet buigen zult.”

Versuft boog ze het hoofd, en ’t was haar, duizelend, alsof ie straks ook nog dreigen zou om het kindje dat ze in zich droeg, van haar weg te nemen. Toen echter stroomde het bloed in brandende stroomen naar haar hoofd.

„Je zoudt het hart niet hebben, Frederik, om mij van de kinderen te scheiden! Je hebt er het recht niet toe!”

„Ik heb het recht en de macht om alles te doen wat ik wil met mijn kinderen!”

„Jouw kinderen?” riep ze hartstochtelijk. „Maar het zijn niet jouw kinderen! Het zijn de mijne! We hebben ze samen het leven gegeven, maar ik heb ze gedragen en gekoesterd en lief gehad vóór de wereld nog iets van hun bestaan vermoedde, ik heb ze gebaard in smarten waar jij geen begrip van hebt, ik heb ze gevoed, versta je, met het bloed uit mijn aderen, ik heb koûe nachten bij ze gewaakt en ze opgepast als ze ziek waren! Welk recht heb je om ze van mij af te nemen?”

„Alle rechten volgens de wet!” zeide hij koud, wetend dat hij overwinnaar was.

Zij duizelde en streek met haar hand langs het voorhoofd, dat leeg voelde als of ze krankzinnig zou worden. Wat voor mannen waren dat dan toch geweest, die zulke wetten hadden gemaakt, die de moeder met machteloosheid vloekten? Wisten die mannen dan geen van allen, dat er ook verstandige moeders en lichtzinnige vaders kunnen zijn? Ze voelde zich als in een net, dat hoe langer hoe meer wordt dicht gehaald. Als ze beloofde te teekenen gaf ze haar kinderen aan armoe over, en als ze weigerde .… Zonder haar liefde konden die jonge teere schepseltjes immers niet leven?

Een oogenblik dacht ze er aan om zich voor Frederik op de knieën te gooien om hem desnoods met liefkoozingen te verbidden, maar ze wist dat het toch niets geven zou. Het moest al een lang, vast plan bij hem zijn geweest: hij wou het geld hebben. Waarom zou ze zich dan die ontzettende vernedering nog opleggen?

„Gladys beloof je dat je teekenen zult?”

Ze wrong haar handen, radeloos zwijgend.

„Beloof je het? .… anders .… gaat morgen Mary! Dat verzeker ik je!”

Hij stond vlak bij haar nu, en zijn dreigend fluisteren klonk sissend in haar hoofd.

„Ja .…”

Hij lachte, en wond zijn knevel omhoog en stond nog even naast haar, dralend.

Maar zij zag niet op. Het was haar alsof ze krankzinnig zou zijn geworden als ze hem nu had moeten aanzien.

Toen begreep hij dat ze elkander niets meer te zeggen hadden en ging vlug naar beneden, en een oogenblik later sloeg de voordeur toe.

Hilda slenterde langzaam de trappen af, een beetje zenuwachtig, want ze was op weg naar haar oom om hem haar groote besluit mee te deelen en, nu het oogenblik gekomen was, zag ze er ineens vreeselijk tegen op.

Daarenboven was ze vanmorgen toch al uit haar evenwicht. Die ontmoeting gisteravond met Hervoren hinderde haar en ze was boos op zich zelf, juist omdat ze het zich zoo aantrok. Onder al de sterke emoties die den laatsten tijd haar rustige levensdeining tot hooge golving hadden opgezweept, had ze den indruk van Maarten’s vluchtige ontmoetingen nooit in volle klaarheid bij zich zelf kunnen nagaan. Zijn beeld had dikwijls, sinds hun eerste samenzijn, voor haar geest gestaan, maar vaag, zooals men dingen ziet in de bedding van een woeligen stroom, waar het bruischende water den bodem telkens onzichtbaar maakt. De herinnering aan zijn elegant energieke bewegingen en de geheimzinnige teerheid waarmee hij haar plotseling kon aanzien, wekte tevens een klein gevoel van blijdschap in haar op, maar dat heel vaag toch nog was; alleen soms, tusschen al haar onstuimige impressies door, had ze aan hem gedacht zooals ze vroeger, toen ze kind was, dacht aan een mooi nieuw boek, dat ze straks mocht gaan lezen, als ze haar moeielijke sommen afhad.

Maar zijn zonderling gedrag van gisteravond had haar in eens wakker geschrokken. Eerst zijn krenkende koelheid, toen bij ’t hondenhok zijn vraag, weer met dien eigenaardige klank in zijn stem, die van den beginne afaan, voor haar aan zijn gewoonste woorden beteekenis had gegeven, en toen, bij ’t afscheid nemen zijn gewild eerbiedigen groet en zijn blik waarin iets zeer smeekends was geweest. Het had haar erg getroffen en ze was boos op zich zelf, dat het haar zoo vervulde. Maar straks had ze immers haar Latijnsche boeken uitgepakt, en als ze nu met oom gesproken had, ging ze dadelijk aan ’t werk. Dan, meende ze, zouden al die dwaze fantasiën wel gauw weer op de vlucht zijn gejaagd.

„Wel Eddy, wat heb je voor bijzonders op die tegels ontdekt?”

Edward stond voor de groote tegelschilderij, beneden in de gang, met de handen diep in de zakken en gebogen rug.

„Och niks, ik sta maar zoo’n beetje.”

Zij kwam naar hem toe en legde haar hand op zijn schouder; kleine zenuwrillinkjes kropen langs haar ruggestreng en gaven een slap wankelig gevoel in haar beenen. Zij bleef bij hem staan, eigenlijk om zich zelf nog een oogenblik uitstel te geven. Maar toen merkte ze plotseling dat Edward ook geagiteerd was.

„Wat is er Eddy?”

„Och, al dat gezeur over m’n studeeren! Morgen wil papa naar Utrecht om kamers te gaan zoeken. En nou moet ik wel met het reisplan van Lord Hampden voor den dag komen en .…”

„Waarom zie je daar toch zoo tegen op? Je papa is zoo goedig, ik geloof dat ie je niks weigeren kan.”

„O! als het geld was of zoo iets, zou ik ’t ook gerust durven vragen, maar hij is er nou eenmaal zoo bespottelijk op gesteld dat ik ’n mooie carrière zal maken en, je zult zien, als ik hem vraag of ik een jaar later aan de academie mag komen, dan krijg je de poppen aan ’t dansen.”

„Willen we samen gaan? Ik heb hem ook wat te vragen wat ik ’n beetje .… vervelend vind.”

„Dat is ’n idee, Hildy.”

Vertrouwelijk stak hij zijn arm door den hare; hij voelde in den grond wel, dat zij dapperder was dan hij zelf, en ’t was ook veel gezelliger om al die onvermijdelijke wijze lessen niet zoo alleen te moeten aanhooren.

„Zul je me helpen? Je kunt zoo goed soms in eens iets zeggen.”

Hilda lachte even. Gewoonlijk was hij zoo zelfbewust, vol kleinachting voor „de meisjes.” Zijn nederig vragen om haar hulp, en het complimentje, dat er zoo benauwd uitkwam, gaven haar een kleine ondeugende voldoening, die haar eigen onrust verminderde.

„Ja maar dan moet je mij ook helpen.”

Hij knikte met een lachje van verstandhouding.

Hilda had tot nu toe, over haar weigering aan Cranz, alleen met Eugénie gesproken en deze had er zich tegen niemand over uitgelaten. Eigenlijk waren dus allen nog in het onzekere daarover en Edward bracht onmiddellijk dit gesprek, waar Hilda zoo tegen opzag in verband met den gezegelden brief, dien zijn moeder een poosje geleden gezien had.

„Laten we maar niet gearmd binnen gaan, anders denkt je papa nog dat we samen om zijn zegen komen vragen!” zeide ze lachend om haar zenuwachtigheid te verbergen.

Mijnheer van Starren zat midden in zijn kamer aan het groote bureau ministre dat altijd bedekt was met heraldische boeken, aanteekeningen, oude perkamenten en handschriften. Van zijn jeugd afaan waren deze genealogische studies zijn liefhebberij geweest: dat geduldig en scherpzinnig wroeten in oude familiezaken om met kleine gegevens groote geslachtsboomen te reconstrueeren. En hoe ouder hij was geworden, hoe hartstochtelijker het hem was gaan interesseeren. Van zijn eigen familie wist hij nu bijna alles, van af den eersten van Starren, die met Lodewijk den Heilige in 1248 naar ’t Heilige Land was gegaan, tot aan zijn vader, die in ’t jaar dertig was uitgetrokken. Alle geslachten volgden elkaar regelmatig op en het archief met de schenkbrieven, oorkonden en doopceelen, was prachtig in orde. Alleen één schakel ontbrak: ergens in ’t begin van 1600 was een Godefriedus van Starren van wien men maar niet bewijzen kon, dat hij getrouwd was geweest en kinderen had gehad, en dan volgde een Diederik van Starren van wien men maar niet kon zeggen of hij wezenlijk een kind of een kleinkind van dien Godefriedus was, ofschoon men het logisch moest aannemen. Al de laatste jaren had mijnheer van Starren hier naar gezocht en gevorscht, en ook op dit oogenblik zat hij diep voorovergebogen over een moeilijk te ontcijferen handschrift, dat misschien eenig licht over die zaak zou kunnen geven.

„Oom, mogen we u even storen? We wouen u zoo graag wat vragen.”

„Ja, wat is er?”

Voorzichtig legde hij de loep neer, waarmee hij het oude document had zitten bekijken, en zag haar onrustig aan. Maar toen hij merkte dat Edward achter haar was, ontrimpelde zich zijn voorhoofd. Edward mocht hier altijd binnenkomen. Hij was de voortzetting van die rij machtige voorouders, die in hem weer in nieuwen luister moesten opbloeien! Zijn bijzijn was dus nooit storend hier in dit kapelletje van eeredienst, aan het luisterrijk verleden gewijd.

Op rijperen leeftijd eerst was bij mijnheer van Starren de grenzelooze familieeerzucht ontwaakt, welke nu zijn eenige passie was. Heftig had hij toen betreurd, een moment zelfs tot tobbens toe, zijn in pretmaken verloren jeugd en zijn maatschappelijke onbeduidendheid, die daarvan het gevolg was geweest. Men had hem even candidaat voor den gemeenteraad gesteld, maar toen, bij de verkiezingen na zooveel moeite en kosten, de overwinning, niet behaald was, had hij zich ontmoedigd voor goed teruggetrokken, al zijn ambitie overdragend op zijn eenigen zoon, voor wien hij de stoutste toekomstplannen maakte.

„Papa,” begon Edward, een beetje haperend, onbeholpen, „ik wou u vragen laten we maar liever niet naar Utrecht gaan .… Ik heb een invitatie gekregen van lord Hampden om van den winter, op zijn jacht naar Japan te gaan, en u begrijpt .… dat zou ik erg leuk vinden .… ’t is toch ook eigenlijk precies hetzelfde of ik nou een jaar later naar de Academie ga .…”

Een lang moment zwegen ze allen, toen zeide mijnheer van Starren langzaam:

„Dat ben ik niet met je eens, Edward. Het is nou al éen jaar om je gezondheid uitgesteld, en zoo komt het van het een op het ander. Je moest die invitatie maar afschrijven.”

„Maar ’t is ’n eenige gelegenheid! En wat komt het er nou op aan of ik eén jaar vroeger of later klaar ben?”

„Maar ’t overvolgende jaar is er misschien weer wat anders, en ik heb je gezegd dat ik er op gesteld ben dat je flink afstudeert.”

„Dat zal ik ook wel, als u me nou maar laat gaan.”

„Het andere jaar is er de maskerade, dan komt er weer niet van studeeren, en zoo raak je in ’n sleur van pretmaken en luieren, en als je dan eindelijk aan den gang wilt gaan, ben je er heelemaal uit en komt er niks meer van werken.”

„Nee, heusch papa .…”

„Och, jongen, ik heb het immers zoo dikwijls gezien!”—en toen, met een plotselinge expansie van gemoedelijkheid, die vreemd afstak tegen zijn gewonen ironischen toon:—„Natuurlijk, ik begrijp wel dat je ’t nou goed meent, maar ik heb het zelf immers ondervonden hoe het gaat. Ik ben ook begonnen, toen ik pas aan de Academie was, met niets uit te voeren, en later kon ik er niet meer toe komen; maar ’t heeft me, toen ik ouder werd, altijd razend gespeten! De richting van onzen tijd is nou eenmaal, dat het ouderwetsche voorname nietsdoen een schande begint te zijn in de publieke opinie. De man die iets beteekenen wil, niet in de oogen van z’n leveranciers of van ’n troepje pretmakers, maar in die van de menschen in ’t algemeen, moet nog iets meer zijn dan de bezitter van een ouden naam of een volle brandkast! Zoo is het eenmaal, Edward! En je weet, dat ik allesbehalve met de tegenwoordige democratische richting dweep, maar in dit opzicht is ze toch logisch. Onze voorvaderen, die ons geslacht machtig en groot hebben gemaakt, waren ook onder hun tijdgenooten haantjes de voorsten. Het is onzin om te zeggen dat God de standen heeft ingesteld. De eerste van een groot geslacht, was altijd iemand, die slimmer, of sterker, of wreeder, of wijzer, of brutaler, of rechtvaardiger was dan zijn buren en daardoor macht over hen kreeg. Het is dus volkomen logisch, dat, als we die macht willen handhaven, we ook op de eene of andere manier moeten uitmunten. En daarom moet jij werken Edward, versta je, hard werken! Van die invitatie wil ik niets meer hooren. Ik verkies niet dat jij zoo’n nul in de maatschappij gaat worden als ik zelf ben.”

Hij zeide het met een verlegen lachje, als om het pijnlijke uit zijn woorden weg te lachen, maar zij wisten dat hij het meende in bitteren ernst.

Edward stond zwijgend, spijtig, aan zijn snor plukkend, zonder iets tot verdediging van zijn plan te vinden.

Toen vroeg Hilda zacht:

„Oom, de van Starrens waren vroeger zeker ’n heel flink en eervol geslacht?”

„Ja, waarachtig!”

„En niemand zou het in zijn hoofd hebben gekregen om aan hun eerewoord te twijfelen?”

„Nee, stellig niet! Wat denk je wel? Maar waarom .…”

„Maar als Eddy, die zijn familie zeker geen schande zal aandoen, u nu zijn eerewoord geeft, dat hij het volgend jaar hard zal werken en zijn examens zal doen, kunt u hem dan niet laten gaan?”

Zij probeerde het deftig voor te stellen, maar ineens vond ze het toch te grappig, dat ze hem zoo midden in zijn teerste plekje had weten te treffen, en met groote oogen vol lachtinteling zag ze tot hem op en haar lachen stak hem aan.

„Je bent ’n verduiveld bij-de-handje .…”

„Nee, heusch papa, ik geef u m’n eerewoord! Vóór ik een jaar terug ben, heb ik m’n examen gedaan! Geeft u me dan permissie?”

De oude heer knikte, in den grond blij dat hij zijn lieveling zijn zin kon geven, zonder de toekomst in gevaar te brengen.

„Nou, goed dan! Maar denk er aan, ik heb je eerewoord, van Starren!” zeide hij met komische plechtigheid. „En wat hadt jij te vragen, Hilda, of kwam je alleen mee als advocate van mijnheer m’n zoon?”

„Oom, ik wou u juist het omgekeerde van Edward vragen. Ik wou juist zoo graag gaan werken, als u het goed vindt?”

„Werken?”

„Ja, het fladderleven begint me ’n beetje te vervelen. Ik wou, als u ’t goed vindt, in de rechten gaan studeeren.”

„Maar kind, hoe heb ik het nou met je?”

Edward liet zich achterover vallen, in een fauteuil met overdreven gebaren van schrik.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings