Front matter (continued 6)
Reading edition
Maar dat mocht immers niet?
Toen had ze hem voorzichtig in een deken gewikkeld, haar rijtuig besteld en midden in den nacht hem naar tante Ida gebracht, waar ze al meer zulke patiëntjes gehad had.
„Niemand weet nou natuurlijk waar ie is!” zeide Corona, „niemand heeft het flauwste vermoeden dat ik hem heb, en als ie nou genoeg hersteld is, zend ik hem heimelijk naar buiten, bij goeie menschen, die ik ken, en daar kan ie dan de eerste jaren ’n beetje bijkomen, want ’t arme kereltje heeft in z’n zes levensjaren haast niets dan ellende gekend.”
„Hoe heerlijk, Cora, dat je hem zoo kunt redden! Verrukkelijk! Maar waarom mag dat nou niemand weten?”
Corona zag haar aan, de grijze oogen vol ingehouden passie:
„Moreel is het natuurlijk goed wat ik doe! maar wettelijk ben ik strafbaar. Wet en zedelijkheid staan dikwijls bitter tegenover elkaar! Niemand mag een kind aan de macht van zijn ouders onttrekken! ook al zijn die ouders gezakt tot het laagste peil! Niemand kan ’n hulpeloos kindje redden, dan zooals ik, door geheime list. En weet je hoe dat komt? De mannen die aangesteld zijn om over de wetten van ons land te waken zitten ’s avonds warm in hun vroolijke kamers en spelen misschien met hun eigen lachende kinderen, zonder zich te bekommeren of daar ook kleinen langs de straat dolen, die niet naar huis durven gaan. En de vrouwen dier achtbare heeren, als zij haar eigen gelukkige kinderen in hun witte bedjes hebben goedennacht gekust, vinden het onvrouwelijk om over wetten te denken! Wat deert het haar of daarbuiten duizende kinderen zijn overgeleverd aan al de wreedheid van slechte ouders? O! zeker, als het toeval haar met zoo’n mishandeld kleintje in aanraking brengt, zullen ze er misschien heel goedig voor zijn, maar echt belangstellen in die wetten, die zulke toestanden gedoogen, er met alle kracht tegen ijveren, daarvan kan geen sprake bij haar zijn!”
„Hoe jammer,” zeide Hilda, „dat ie z’n beentje heeft moeten verliezen!”
„Ja! Het glas was zoo diep doorgedrongen, en de wond was zoo lang aan de lucht blootgesteld geweest met niets er over, dan ’n vuil lapje van z’n broek, dat ik haast dadelijk het beentje heb moeten afzetten. Het ventje is lang in groot gevaar geweest.”
„En Suusje?”
„En Suusje?” zeide Corona, „haar verhaaltje lijkt wel iets op dat van Jaap. Ze is het dochtertje van Rooie Leen, heb je nooit gehoord van dat beruchte mooie meisje? Ze is het kind van een heel akelige vrouw en van een onzer bekende kamerleden, z’n naam zal ik je maar niet zeggen. Ze had een slechten aanleg en ’n nog slechtere opvoeding. Op een avond, verleden maand, kwam ik langs het Huygenspark, en ik liep hard, want je begrijpt, het is niet prettig daar in donker alleen te loopen. Maar op een van de banken, zag ik een vrouw achterover leunen, half zittend, half liggend, met ’n kind op haar schoot, dat huilde. Ik zag het dadelijk, het was Rooie Leen, vreeselijk dronken, met haar kindje, waarmee ik haar den laatsten tijd dikwijls had zien bedelen.
Een oogenblik had ik lust om maar gauw door te loopen, maar Suusje huilde zoo, en kindergehuil maakt me nou eenmaal altijd naar. En toen .… ik weet zelf eigenlijk niet hoe het idee bij me opkwam .… maar in eens .… pakte ik het kind in mijn armen, en sloeg er m’n mantel overheen en ging er mee weg. Niemand heeft me gezien en de moeder was te dronken om iets te merken, en zoo gauw als ik loopen kon bracht ik het hier in huis. Het is ’n gek gevoel, Hilda, om als een dief weg te loopen en ik weet best dat het heel onvoorzichtig van me is, heel overdreven, zooals de menschen het noemen, maar ik kon het niet laten!
Het was net alsof er een andere wil dan de mijne in eens macht over mijn armen had gekregen en me dwong om het kind op te nemen; ’t was in eens ’n hartstocht om te redden, die zoo geweldig in me opbruischte dat alle verstandige bedenkingen, die gewoonlijk onze edelmoedige impulsies in bedwang hoûen, in eens verlamd waren: „wat ’n last haal je je zelf op den hals! je zult er nog es door in groote moeielijkheden komen! je kunt toch niet alle slachtoffers helpen! wat moet je later met al die kinderen aanvangen?” Al die wijze raadgevingen waren doodstil in eens, alsof ze zich neerbogen voor een hoogere wijsheid, die me dwong om mijn armen naar Suusje uit te strekken!
O! zie je, en er zijn genoeg van die heel deftige, verstandige menschen, die natuurlijk zelf voor hun kinderen nooit honger of mishandeling te vreezen hebben, die het verkeerd van me zullen vinden en vol gewichtigheid zullen vertellen: dat, als je de kinderen wegneemt, je de ouders lichtzinnig maakt en hun hun verantwoordelijkheids- en plichtgevoel laat verliezen. Maar ouders, als die van Jaapje en Suus en Liesbeth en van hun duizende lotgenootjes, hebben immers getoond dat ze geen plichtgevoel meer kunnen verliezen, omdat zij nooit zoo iets bezeten hebben! Het is roerend die zorgen voor het verantwoordelijkheidsbesef van slechte ouders en daarbij het absoluut vergeten van de belangen van het kind! Alsof het er voor de maatschappij niet juist voornamelijk op aankomt om het kind te behouden, het jonge geslacht dat de toekomst is, en dat over enkele jaren, als de ouders lang dood zijn, zelf weer kleine kinderen zal te verzorgen hebben!”
„Maar doen zulke menschen als Rooie Leen en Jaapje’s ouders geen moeite om hun kinderen terug te vinden?”
„Ja zeker, maar gewoonlijk zijn ze huiverig om met de politie in aanraking te komen en zoeken dus maar zoo’n beetje op hun eigen manier, zonder de politie te waarschuwen. Dat maakt het voor mij erg makkelijk om de kinderen verborgen te hoûen. Alleen Rooie Leen heeft nog al veel drukte gemaakt, want Suusje hielp haar zoo goed bij ’t bedelen.”
En het kleine meisje, dat nu naakt op haar schoot lag, naar Hilda heen houdend:
„O! mijn God! Corona!”
„Och ja, freule, natuurlijk!” zeide tante Ida, „hoe meer het kindje schreeuwde, hoe meer de moeder kon ophalen. Ziet u, dat is alweer die .… gevloekte wreedheid van goedige menschen, die aan vrouwen met huilende kinderen op straat geven en niet ééne seconde bedenken wat ’n misdaad ze daardoor aanmoedigen!”
„Ja, tante Ida,” riep Corona heftig, „maar het is ook de gevloekte wreedheid van onze wetgevers, die jaren lang vergaderen en praten, praten, praten, maar nog niets gedaan hebben om het hulpelooze kindje te onttrekken aan de macht van de laagste ellendigste menschen, als die toevallig hun ouders zijn. O! ik weet wel dat je die wetten op de ouderlijke macht historisch kunt verklaren, maar wat geeft het mishandelde kinderen, of die wetten uit het Romeinsche recht voortkomen of niet! Het is in alle gevallen ’n even groote schande dat ze nu nog bestaan, en je zoudt es zien, als de kamers uit vrouwen waren samengesteld geweest en zij hadden zulke toestanden niet weten te verbeteren, hoe er als uit één mond zou geroepen worden: „Zie je wel, de vrouw kan niets dan babbelen; voor de groote volksbelangen, die de toekomst raken, heeft ze geen oogen!” En men zou gelijk hebben, maar waarom roept niemand het dan nu tot de mannen van de wet?
Met Liesbeth is het immers ook dezelfde kwestie! Haar moeder was ’n heel zedeloos meisje, ook al weer uit ’n dronkaardsgezin, en ’n vader had ze niet, dat wil zeggen, die vond het makkelijker om haar maar aan haar lot over te laten. Maar toen ze drie jaar was, vonden goeie menschen haar ’n lief kindje en met toestemming van de moeder werd ze weggezonden in ’n braaf flink gezin, waar ze uitstekend opgroeide. En al die jaren zag de moeder niet naar haar om, niets was ze voor haar kind, maar toch hield ze er volkomen het recht op. Ze leefde later met een man, ’n kroeghouder, die haar mishandelde en samen dronken ze en leidden ’n afgrijselijk leven. Toen hoorden zij op een dag dat Liesbeth ’n mooi meisje was geworden en ze begrepen dat ze veel geld van haar konden maken en ze wilden haar weghalen van haar pleegouders. Maar deze verzetten er zich tegen en weigerden het kind af te staan. Toen haalden de ouders de politie en .… begrijp je? .… de politie zelf nam het kind, het hulpelooze onschuldige weg van de veilige liefde van haar vrienden en leverde haar over aan haar ouders!”
„En toen?”
„Natuurlijk, de ouders namen haar mee en vergden van haar wat ik niet noemen kan!”
„En hoe heb je haar gered?”
„Het is ’n dapper kind. Ze weigerde hardnekkig. Maar den vierden avond na haar thuiskomst, toen ze haar dwingen wilden, gelukte het haar, na ’n worsteling met haar moeder, het huis uit te loopen en kwam ze naar me toegehold, want ik kende haar pleegouders in Haarlem wel. Toen heb ik haar ’s nachts bij tante Ida gebracht, maar die vier dagen opgesloten zijn in het achterkamertje van den kroeghouder in de ontzettendste spanning en angst, toen die worsteling met haar moeder, waarbij ze ’n paar leelijke stompen op de borst kreeg, en toen door ’n guren wind het rennen naar mij toe met weinig, en aan flarden gescheurde kleeren aan, dat alles heeft haar zoo vreeselijk aangegrepen, dat ik lang bang ben geweest dat het tering zou worden.”
„Gaat het nou beter?”
„Ik hoop het!” Corona stond op. „Ziezoo, Hildy, nou ken je m’n vreeselijk geheim! Maar ik weet dat ik op je rekenen kan! Zie je, kinderen verlaten, ze mishandelen, ze ’s nachts in bittere kou laten bedelen, ze dwingen tot rampzalige zonde, ze opvoeden tot een groot gevaar voor de gemeenschap, zie je, dat mag bij de wet, maar wat wij hier doen, tante Ida en ik, trachten ze te redden met opoffering van eigen geld en gemak, dat is strafbaar! Is het niet curieus? En ofschoon we door humane rechters nou misschien niet zoo heel zwaar gestraft zoûen worden bij ontdekking, men zou ons het ergste doen wat we vreezen kunnen, ons de kinderen afnemen en ze terugbrengen naar hun gruwelijke omgeving. Wat ’n logica in zulke toestanden, nietwaar? De grootste helft der gevangenissen is vol menschen die tegronde zijn gegaan omdat men ze in hun jeugd in de macht liet van ellendigen, en degenen die dit tegronde gaan trachten te voorkomen worden door de wet verlamd!”
Corona had Jaapje en Liesbeth nog onderzocht en met tante Ida over de behandeling gesproken, toen, na veel afscheidshandjes en kusjes, waren ze weggereden en het koetsje hield nu stil in de Zorgvlietstraat voor één van die slopjes, die doodloopen en „Hofjes” genoemd worden in den Haag.
Het was een van de allerkleinsten, aan elken kant maar vijf huizen, lage smerige huisjes, waarvan een paar zoo diep lagen, met hun vloeren beneden de oppervlakte van de straat, dat zij altijd vochtig waren en bij harde regenbuien zelfs onderliepen.
In een dier huisjes zat ’n vrouw aan de tafel; haar ééne arm hing slap in den schoot, de andere, afgrijselijk mager, ondersteunde het hoofd dat voorover op de tafel lag.
Bij ’t opengaan van de deur zag ze even op met haar fletse, bloedarmoedige oogen, een heel wit smal gezichtje, zoo mager dat, zoo als het licht nu viel, er zich scherpe lijnen teekenden van af de uitstekende jukbeenderen tot aan de kin, als was er ’n spookachtige langwerpige driehoek overheen getrokken. Het haar was witblond en krulde even om het smalle voorhoofd waarover dwars een bloedroode striem liep.
Maar toen zij Corona herkend had, zonk het hoofd weer neer op den arm met een slappe, nameloos geknakte beweging.
„Wel, vrouw Zwalve, wat scheelt er aan vandaag? Zie je niet dat ik es naar je kom kijken?” zeide Corona.
Door de deur, die achter hen was blijven aanstaan kwam nu een klein meisje van omstreeks vier jaren zachtjes binnen gewaggeld. Een oogenblik zag ze onderzoekend verlegen naar de twee vreemde dames, peuterde met ’n vuil vingertje in haar neusje en trok toen de vrouw aan haar schort:
„Moeder .… m’n boterham, geef me nou toch m’n boterham!”
De vrouw sprong op met zenuwachtige kwaadaardigheid en Hilda zag nu dat ze in een vergevorderde periode van zwangerschap was. Zij greep het kind bij een armpje en schudde het zoo heftig dat het het uitschreeuwde van schrik.
„Wat mot je nou weer hier? Alla der uit! Hê ’k je nie gezegd, dat je pas om twaalf uur om je boterham mocht komen? Pas op as je der weer inkomt!”
Met ’n smak sloot ze de deur achter het kind, dat men in de straat hoorde voorthuilen, en zakte weer slap op haar stoel.
„Maar vrouw Zwalve, de kleine dee niks. Ze vroeg maar om ’n boterham. Je moet niet zoo ruw tegen ze doen!”
„Maar ik heb immers geen boterham voor der, en daarom stuur ik ze de straat op; als ze dan erg van den honger schreeuwt krijgt ze misschien wel ’n korst bij de buren; juffrouw de Berg van hiernaast is nogal gek op kinderen.”
Hilda huiverde, het leek haar ontzettend tragisch dat het moederliefde was, die deze krampachtige hardheid had ingegeven. Dat was het beste dus, wat deze vrouw voor haar kindje van vier jaren doen kon: het schreiend „de straat op zenden.”
„Maar hoe komt het dan nou, dat je geen brood in huis hebt? Ben je van de week niet uit werken kunnen gaan? Waarom heb je me dan geen boodschap gestuurd?”
Iets in Corona’s hartelijke manieren scheen de moedelooze stugheid der vrouw te breken.
„Ja, ik heb wèl de heele week uit werken geweest, en al de vorige weken ook, ofschoon ’t me erg zwaar begon te worden, vooral de dagen dat ik bij mevrouw Veren was, op dat bovenhuis, met al dat trappenklimmen! Maar ik heb net zoo gedaan als u gezegd heeft: elke week van de zes éen gulden in ’n doosje in de lâ weggelegd, voor de dagen dat ik moest gaan liggen, en ik had er nou elf bij elkaar en dacht dat het nou wel net gaan zou, maar jawel, hoor! .…”
„Is ie terug gekomen?” zeide Corona ontroerd.
De vrouw knikte.
„’t Is net of ie ’t ruiken kan! Hij stond me al op te wachten aan de Veenka. Eerst nam ie me de gulden af, die ’k net gekregen had, en ’t hielp niks of ik al zee, dat ik die gulden aan den bakker beloofd had, omdat ik hem de heele week niet had kunnen afdoen. Natuurlijk, je heb eerst de huur, en Stiene der schoenen moesten noodig gelapt worden, en toen had ik den bakker maar tot Zaterdag laten oploopen. Hij zee niks, maar as ’n hond liep ie me na, tot aan huis. Toen meende ’k nog de deur voor z’n neus dicht te gooien en ’t slot om te draaien, maar ie had het zeker begrepen, want ie had dadelijk z’n voet tusschen de deur. En toen is ie me alles gaan nazoeken, want ie zee, nou ’k al zoo ver was, zou ’k zeker wel wat van de menschen gekregen hebben en ie moest geld hebben.”
„En heeft ie ’t gevonden?”
„Natuurlijk. Hij was heelemaal nuchter, zeker in lang geen centen gehad, en ie zocht heel bedaard alles stukje voor stukje na. Maar ziet u, toen ie ’t doosje gevonden had en ik zag ’t in eens in z’n smerige handen, kon ik m’n eigen niet meer hoûen! Ik ben op hem aangevlogen en we hebben er als katten om gevochten. Maar, och God, als ik anders was geweest, zou ’k wel hebben geworsteld tot ie ’t los liet, maar nou, kijk es an, zoo als ik nou ben, met zoo’n lichaam, wat kun je doen? Hij heeft me tegen de kast gesmeten, kijk, u kunt het zien, ik ging net met m’n voorhoofd langs de punt en daar ben ik wel ’n kwartier blijven liggen. En daar zit ik nou, op alle dag, en geen cent in huis!”
„Nou maar, vrouw Zwalve, je begrijpt toch wel, dat ik je niet zoo zal laten zitten; ik zal zien wat voor je bij elkaar te krijgen …”
„Och ja, dokter, u zult er me wel weer doorhelpen, dat geloof ik ook wel, en ik ben u ook wel dankbaar!” zeide ze met een poging om in haar slappe moedeloosheid niet onbeleefd te schijnen. „Maar zoo zal ’t nou immers telkens gaan? Dit is nou de derde keer, dat ie me laat zitten met die vijf schapen en dan kan ik er maanden lang voor opdraaien, en net begin je bij te komen en weer ’n beetje in de kleeren, of ie komt terug en neemt alles weg en mishandeld je of .… levert je zoo’n koopje .…”—Met een rampzalig gebaar wees zij op haar schoot.—„Kijk hij heeft gisteren ook weer alles meegenomen.”
Zij stond op en haalde de lade van de kast open, die leeg was.
„Kijk, de nieuwe luiers, die ’k net gekregen had, en de ponnetjes van mevrouw Veren, zulke beste ponnetjes nog, en .… m’n Zondagsche goed, dat ik uit de lommerd gehaald had, omdat ik dacht tegen het doopen .…”
In eens barstte ze uit in een kort tranenloos gesnik, en Hilda huiverde bij het tragisch ironische van dit oogenblik, van die vrouw die in matte kalmte haar smartelijk drama had verteld en het uitsnikte bij de gedachte aan haar weggehaalde japon. Maar juist die verdwenen Zondagsche kleeren hadden de maat doen overloopen; zij waren het symbool geweest van weer knap voor den dag te kunnen komen, van de stand en eer van haar gezin te kunnen ophouden (want het gevoel van stand bestaat op alle sporten van den maatschappelijken ladder), van zich weer eens te kunnen verheffen boven het absolute proletariaat, dat er nooit meer eens netjes uitziet.
En heel deze illusie, die in haar donker eng werkleven een lichtpuntje was geweest, was nu weg voor goed. Want zij wist dat hij altijd terug zou komen, zoodra zij er weer even „boven op” zou zijn, en hoe zij ook werkte en zwoegde, hij zou haar altijd weer alles komen weghalen!”
Corona nam een gulden uit haar beurs en legde dien op de tafel voor haar neer:
„Ik zal zien wat ik voor je doen kan, vrouw Zwalve, maar laat Mijntje nou eerst maar wat brood halen.”
De vrouw knikte en nam zwijgend den gulden met een gretige beweging van goed vasthouden. Toen waggelde ze naar de deur en schreeuwde om het kind dat dadelijk hongerig kwam aangehold.
„Daar, ga nou maar gauw naar den bakker en vraag of ie zoo’n lang brood wil meegeven, en zeg dan meteen aan Dirkie en Klaas en Stine en Coosje, dat ze binnen kunnen komen, gauw loopen Mijntje!”
Het kind rende weg, na een blik op Corona van vroegwijs begrijpen, die duidelijk zeide dat ze het verband had gezien tusschen Corona’s komst en den gulden. Toen keerde de vrouw naar haar stoel terug en log, met ’n pijnlijke beweging zakte ze neer en veegde zich het zwaktezweet van het voorhoofd.
„Dank u wel dokter, als ik u toch niet had, zou ’k niet weten wat te doen!” zeide ze met een lange moeë zucht, te afgetobd om zelfs bij de onverwachte gave blijdschap te voelen, en toen ging ze voort op haar toon van doffe lijdelijkheid:
„Maar dat daar nou toch niks aan te doen is, dokter! Ik heb er ook al es met de menschen van hiernaast over gesproken, die man is agent en die vrouw der broer is ook bij de politie. Maar ze zeggen allemaal: voor de wet is m’n man heelemaal in z’n recht. Een man mag best zijn vrouw en zijn kinderen laten zitten, als ie maar van tijd tot tijd es terugkomt en hij mag al der geld, dat ze met sloven voor der kinderen heeft verdiend, opmaken in de kroeg en der kleeren van der lijf verkoopen, alles ziet u, want alles is zijn eigendom en de vrouw heeft nergens recht op. En ik heb nog es goed gevraagd, maar die agent van hier naast heeft me zelf gezegd dat als Zwalve morgen aan den dag wil komen, en m’n bed onder me weg halen, dan zou ie er niks aan kunnen doen, al stond ie er bij, want de wet vindt het goed. Kunt u dat nou begrijpen, juffrouw? Waarom ze zulke wetten hebben gemaakt? Ik zal volstrekt niet zeggen altijd, maar meestal zijn de vrouwen toch oppassender en ze drinken niet zoo dikwijls en zorgen beter voor der kinderen en waarom hebben ze dan niet eens recht op der eigen verdienste? Als ’t net omgekeerd was en de vrouw had ’t volle recht op het loon van den man, zou je het je nog kunnen begrijpen, in de meeste gezinnen zou dat nog gelukkig zijn! Maar noemt u ’t nou stelen of niet, als m’n man alles weg mag halen wat ik heb verdiend, om het te gaan verdrinken met dat sl … uit de Bloemstraat …”
Mat klagend had ze het uitgesproken. Van opstand of verontwaardiging was geen sprake bij deze moede vrouw. Met ’n soort geduldige verwondering, die gauw in moedeloosheid verging zag ze de wreedheid van het leven over zich komen.
Corona nam afscheid met een belofte van hulp. Het klotsende klompengeluid van aanstormende voetjes onder het ingangspoortje van het slop, klonk hen al tegen bij de deur en vijf opgetogen gezichtjes omringden de vrouw op den drempel. Nog even zag Hilda om, maar de kinderen waren al naar binnen met het brood; alleen de vrouw stond nog groetknikkend aan de deur met haar misvormde figuur en het bleeke gezicht en de bloedroode schram op het voorhoofd.
„En zoo zijn er zoo veel!” zeide Corona zacht. „Een leger van uitgeputte, mishandelde vrouwen, die door haar mannen verlaten zijn of erger nog, wier slovend verdiende geld door hen wordt verdronken en verdaan. Maar de wet, die zoogenaamd ieders eigendom beschermt, laat het rustig toe dat de getrouwde vrouw van het hare schandevol beroofd wordt! Hoe langer hoe meer komt het tegenwoordig voor dat de vrouw de kostwinster van het gezin is, maar de wet geeft haar geen recht op een enkele penning! En de stemmen van zulke vrouwen zijn dof en mat, Hildy, haar geklaag is te zwak om te worden gehoord! Maar daarom moeten wij het overnemen, lieveling, en het uitroepen met onze jonge krachtige stemmen: wat een onrecht en een wreedheid dit is, en welk een gevaar voor de maatschappij en een schande voor een volk dat zulke wetten duldt!”
„Nu nog ons laatste bezoek, heb je er moed toe?”
Hilda knikte zwijgend, bang om te spreken, want ze wist dat ze in tranen zou uitbarsten als ze op dit oogenblik geluid moest geven.
Te voet gingen zij nu de straat af tot aan een huisje, waarvan de keurig gestreken, sterk geblauwselde gordijntjes al in de verte zichtbaar waren.
„Hier wonen de Roerades,” zeide Corona, „’t zijn zulke echt fatsoenlijke menschen; gelukkig maar dat mevrouw van Maeren, bij wie de man als koetsier dient, uit de stad is, want door ’t ongeluk van Marietje is ie heelemaal in de war, hoor ik.”
De deur stond aan en zij gingen binnen in de voorkamer met de witte gordijntjes, waar Corona wist dat haar patiëntje lag.
Het was een kleine kamer met dat deftige in de glanzend geboende meubelen, in het laag neergelaten valgordijn, in de symetrisch pronkende vaasjes op het kastje, dat terstond deed herkennen, dat niettegenstaande het talrijke gezin zich bekrompen genoeg in het huisje moest voelen, dit vertrekje gewoonlijk als mooie kamer werd beschouwd en gespaard. Op den grond voor den schoorsteen was in der haast een matras neergelegd, van boven uit de bedstee, en de vier jongens, die gewend waren daar samen op te slapen, hadden sinds het ongeluk op de planken gelegen, want Marietje was al sedert twee jaren het huis uit en haar bedje van vroeger diende nu voor de drie kleinste kinderen.
„Hoe gaat het Marietje?” zeide Corona zich buigend tot het tengere kinderfiguurtje op den matras, dat zich bij haar binnenkomen langzaam had opgericht.
Een kleine bleeke vrouw kwam haastig uit de andere kamer aangeloopen. Het was Marietje’s moeder.
„Wilt u ’n beetje zacht spreken dokter? Joseph ligt hiernaast te slapen,” fluisterde zij en wendde angstig de rood ontstoken oogen naar de deur achter haar.
„Dat zal ’m goed doen; hoe is het met hem?” vroeg Corona.
„Och, dokter .…” Een oogenblik stond het vrouwtje met een zenuwbeweging, alsof ze haar handen moest afdroogen aan haar schort, en haar blikken gingen hulpsmeekend even van Corona naar Hilda, alsof ze steun wilde zoeken om kalm te blijven. Toen, plotseling, heel wit, wendde ze zich af en barstte uit, in een zacht, troosteloos snikken.
„Wie is dat?” zeide Marietje, haar koortsige oogen op Hilda gevestigd vol achterdocht.
„O! dat is maar iemand om me te helpen bij ’n paar zieken.”
Corona antwoordde achteloos, maar Hilda was het alsof ze weg moest vluchten, alsof het leed hier te groot was om het als vreemde toeschouwster te mogen bijwonen.
Intusschen was Corona neergeknield bij de zieke op den grond en had op haar eigen rustige manier haar doktersplichten vervuld, maar ze vond het meisje koortsig en maakte zich ongerust.
„Je moet stil blijven liggen, Marietje, beloof je het me? Anders kan ik je niet gauw beter maken.”
„Ik wou dat ik nooit beter werd!” zeide het kind, met gloeiende oogen onder de lange zwarte haren, die ongekamd in haar gezichtje neervielen.
Corona boog zich tot haar over en de blik van hare klaar grijze oogen straalde neer in de ziel van het kind vol suggesties van teederheid en bescherming:
„En wat zou er dan van je dochtertje worden? Het heeft immers niemand als jou om voor haar te zorgen?”
„Waarom zorgt hij er niet voor? Hij is immers rijk genoeg! Het is afschuwelijk gemeen, hij heeft me zoo dikwijls, zoo stellig beloofd om te trouwen. Alleen veertien dagen geleden heeft ie eindelijk gezegd dat het nooit kon. Ik begrijp nog niet dat ik me toen niet verdronken heb! O! ziet u, als je denkt dat iemand vreeselijk veel van je houdt en je merkt in eens dat ie je doodbedaard in de grootste schande laat zitten, en ’t eigenlijk z’n koûe kleeren niet raakt of je voor goed naar den kelder gaat! dan zou je .… op alle menschen kunnen .… spugen!” Ze staarde norsch voor zich uit, in wilden opstand van haat en wanhoop.
Corona nam het kleine menschelijke popje uit het mandje naast de matras, en schijnbaar zonder acht op Marietje’s woorden te slaan ging ze voort:
„Kijk es, wat ’n snoezige handjes, heb je wel gezien hoe mooi die rose nageltjes zijn? Is het geen engeltje uit den hemel? En zou je niet alles willen doen, Marietje, om dit kindje ’n beetje gelukkig te maken! Ze zal toch al zooveel missen, en zooveel harder door de wereld behandeld worden dan anderen, maar jij kunt er ’n boel aan doen, en we zullen er samen voor zorgen, nietwaar?”
En kennend de eigenaardige uitwerking op haast alle vrouwen van het contact van zoo’n week klein kinderlichaam, legde ze het wichtje zachtjes in Marietje’s armen.
Een oogenblik bleef de jonge moeder onbewegelijk, Corona strak aanziende, uitdagend, het bleeke gezichtje vol passie, toen met een schor gekreun, opeens gebroken, wendde ze zich om naar den muur, haar kindje hartstochtelijk tegen zich aangeklemd, en Corona wist dat dit smartelijk afwenden een redding was.
„Dokter is veel te goed voor haar!” fluisterde vrouw Roerade tegen Hilda. „Ze heeft nog heelemaal niet op haar gescholden, heelemaal nog niets dan vriendelijkheid en toch is ze zelf lang niet aan den lichten kant.”
Corona had het gehoord en glimlachte droevig om de ruwe moraliteit dezer moeder, die zich blijkbaar moeielijk kon voorstellen dat zedelijkheid en zachtmoedigheid samen kunnen gaan:
„Waarom zou ik op haar brommen, vrouw Roerade? Waarom zoûen we blijven stilstaan bij hetgeen voorbij is? Een heel leven ligt nu vóór haar om te toonen dat de zwakheid van haar zeventiende jaar veranderd is in sterkte en goedzijn. Nietwaar, Marietje? Nou ga je pas beginnen te leven en ga je de achting van je kindje terug verdienen, dat, als ze groot is, ze trotsch op je kan zijn. Je zult es zien, moeder, wat ’n flinke brave vrouw je Marietje worden zal! Maar hoe zal het kindje heeten? Heb je de geboorte al aangegeven?”
Marietje kreunde en boog het hoofd, het verbergend in de kleertjes van het kind. De vrouw begon heftig te snikken.
„Och dokter, u kunt toch niet gelooven, toch niet, wat ’n schande we daarmee beleefd hebben. Gisteren zeg ik tegen Joseph: je moet naar ’t stadhuis gaan, morgen is ’t Zondag, dan kun je er misschien niet terecht, en als je ’t zoo lang uitstelt, worden we nog beboet.—Ik kan niet, zegt ie, en ’t was waar, dokter, hij zat nog net als u hem Vrijdagavond hebt zien zitten, altijd maar op dien stoel bij de tafel, net alsof ie versuft was.—Dan zal ik het doen, zeg ik—want u begrijpt, dokter, in onze omstandigheden wil je de buren niet graag lastig vallen.—Dat zal niet gaan, vrouw, zegt ie, ze zullen je niet gelooven, omdat je ’n vrouw bent. Je mag niet getuigen.—Waarom niet? zeg ik. Ik was er immers zelf bij toen ’t kind geboren werd, en jij zat maar in de andere kamer. Ik kan het dus best getuigen, zeg ik.—Nee, zegt ie, voor de wet heeft het getuigenis van ’n vrouw geen waarde!—Maar ik wou hem niet gelooven, dokter, ik dacht dat z’n hoofd in de war was, en toen ben ik gauw met de tram weggegaan, want ik wou ze hier niet lang alleen laten, dat begrijpt u. Vlak bij ’t stadhuis dienen m’n twee zusters, en ik wist wel dat je twee getuigen mee moet brengen, dus zeg ik tegen ze, loop effe mee, ’t is ’t werk van ’n oogenblik!
Maar toen we op het stadhuis kwamen,—O! dokter, je kunt niet gelooven hoe ’k beefde!—zag ik daar zoo’n mijnheer staan, zoo’n kleine dikke, met ’n bril, kent u hem niet? „Wat is er moedertje?” zegt ie. „Mijnheer,” zeg ik, „we komen aangeven, dat m’n dochter bevallen is.”—„Waarom is haar man niet meegekomen?” zegt ie.—„Die heeft ze niet,” zeg ik, maar ik dacht, dat ik door den grond zonk. Toen begon ie te lachen, en riep er zoo’n andere mijnheer bij, zoo’n donkere, en ze praatten even in ’n vreemde taal en lachten weer. „Dan moet je maar zeggen dat haar vrijer meekomt, maar die twee meisjes kunnen niet getuigen, vrouwtje.” „Waarom niet mijnheer,” zeg ik. „Dit bennen mijn eigen zusters, knappe meisjes, die bij mevrouw Driessens dienen, hier vlak bij, op ’t hoekje van de Nieuwstraat.” Maar wat denkt u dokter dat die vlegel toen zegt? die.…” een paar scheldwoorden volgden, die Hilda nooit gehoord had en die vrouw Roerade misschien ook voor ’t eerst in haar leven gebruikte, want zij was één van die deftige burgervrouwtjes, die, vooral als zij met haar meerderen spreken, eerder geaffecteerde woorden zeggen, dan ruwe.—„Vrouwen kunnen niet getuigen!” zegt ie, „en je ziet maar weer aan je dochter, vrouwtje, dat het best is dat het niet kan, want dametjes, die tot zulke grapjes in staat zijn, kun je nooit gelooven!” Wezenlijk, dokter, dat zeid’ ie, en je had dat brutale gezicht moeten zien. „En dan de sm.… p,” zeg ik tegen hem, „die m’n dochter heeft voorgelogen en in dien toestand heeft gebracht en haar nou met z’n eigen kind in de ellende laat zitten, kun je die dan wèl gelooven? Want die mag wel getuigen, omdat ie ’n man is, een mooie boel!” En toen ben ik hard weggeloopen, maar ’t maakt je toch van streek niet waar? En zou dat nou toch heusch waar zijn? dokter, dat de getuigenis van ’n vrouw minder geldig is, dan van den eersten den besten ellendeling van ’n man? Waarom zou dat nou toch zijn?”
„Ja waarom?” zeide Corona. „Wie zal het zeggen? In onze wetboeken worden we immers telkens en telkens gelijk genoemd met kleine kinderen, krankzinnigen en misdadigers! Alleen in strafzaken mogen we getuigen. Daar kunnen ze ons natuurlijk niet bij missen, ofschoon daàr juist het getuigen dikwijls heel pijnlijk voor de vrouw kan zijn, en juist daàr soms een heele menschentoekomst kan afhangen van ons waarheidspreken. Het is ’n onzinnige tegenstrijdigheid, maar zoo zijn nou eenmaal onze wetten. En is toen Joseph gegaan?”
De vrouw zag angstig naar de andere kamer.
„Ja, maar onderweg naar huis is ie kennissen tegengekomen, en toen zijn ze naar de kroeg gegaan en … hij is dronken thuis gekomen. O! dokter, ’t is de eerste keer sinds we getrouwd zijn …” Zachtjes snikkend wendde ze zich af, het gezicht in haar schort. „En toen gisterenavond, is ie weer uitgegaan nog maar half nuchter, want ie werd woedend toen ik ’m vroeg wat ie ging doen, en vannacht is ie thuis gekomen .… O! God.… heelemaal .… stomdronken!” En zij snikte het uit.
„En hoe zal het kindje heeten?” vroeg Corona zich tot de jonge moeder buigend, die altijd nog lag afgewend.
Marietje draaide zich ineens om en met heftige beslistheid perste het zich tusschen haar lippen uit: „Christine!”
„Dat is ’n mooie naam! Heet ze naar je moeder?”
In de oogen van het kind kwam een blik van vroegrijpe intelligentie en met een vreemd naïef pathos, dat Hilda tot in de ziel ontroerde, zeide ze:
„Naar Christus! Nou haar vader haar heeft verlaten, heb ik haar genoemd naar hem, die gezegd heeft: Laat de kinderkens tot mij komen! en die tegen de mannen zei, dat ze maar es eerst aan hun eigen zonden moesten denken vóór ze de vrouw gingen steenigen!”
Corona bukte zich diep en kuste haar:
„Dat was goed van je bedacht! Marietje! Heb je dat zoo heelemaal alleen verzonnen?”
Het kind knikte met een snik, die haar heele lichaam doorschokte.
En Hilda, bij het raam, tuurde in de stoffige straat en vroeg zich af, door de woorden van het meisje in groote ontroering, waarom gevoelens van recht en liefde toch zoo langzaam zouden zijn in het doordringen. Negentien eeuwen geleden heeft Christus zijn liefde voor de kinderkens gepredikt, daarbij niet sprekend van wettige of onwettige, allen waren hem welkom en lief! en negentien eeuwen geleden leerde hij dat de vrouw niet gestraft zal worden voor dezelfde zonden, die men den man vergeeft, en nog altijd is de wereld wreed voor ’t kind dat door zijn vader verlaten werd, en nog altijd wordt de vrouw gesteenigd terwijl haar medeplichtige, de man, geëerd, met opgeheven hoofde rondgaat! Haar geheele leven zouden Marietje en haar kleine boeten voor deze zwakheid, dit te goed vertrouwen van haar zeventiende jaar! en de man die van deze zwakheid misbruik maakte, en haar toen aan de schande overleverde zou misschien eens de hoogste staatsambten bekleeden en het mooiste reinste meisje zou misschien eens trotsch zijn om zijn vrouw te worden! Wat was dat toch dat men in bloed en tranen twistte over dogma’s en geloofsartikelen en dat geen van de gemeenten, die zich naar Christus noemen, zijn eenvoudige liefdevoorschriften opvolgt?
Maar op dit oogenblik hoorde men schorre, vuile geluiden in de achterkamer.
„O! God! Hij is wakker!” zeide vrouw Roerade.
Marietje had het hoofd weer afgewend en verborgen in de kleertjes van haar kind.
De oude Joseph, ongeschoren, de grijzende haren in slordige plukjes overeind, verscheen in de deur. De deftige koetsier met het goedige gladde gezicht en de quasi voorname manieren was niet meer in hem te herkennen. Ineens was het alsof hij gezonken was tot een lagere trap in de maatschappij. Lispelend, met zijn nog dikke tong, terwijl hij steun zocht tegen de post van de deur, zeide hij langzaam:
„Dokter, nou weet ik het precies! Vroeger zeien ze dikwijls tegen me, Roerade, zeien ze, waarom ben je niet socialist. Loop heen met je geleuter, zei ik, ik heb goed m’n brood, en daarmee uit, wat maal ik om de socialen. Maar nou weet ik het. Ik was ’n ezel! dokter, ja zeker ’n ezel! Ik heb er over zitten denken sinds het oogenblik, dat zij daar, de schande hier heeft binnengebracht, en nou heb ik het in eens begrepen. Ziet u, dáarom willen de rijke lui niks van het socialisme weten, omdat er dan geen standen meer zoûen zijn en waar moesten dan de rijke heertjes de meisjes vandaan halen om voor den gek te hoûen? Van de meisjes van hun eigen stand zorgen ze wel af te blijven! Maar de volkskinderen, wel ja, die zijn er immers voor? En als dat volk nou es niet meer zoo laag bleef, dat ze er gerust op trappen konden, waar zoûen ze dan hun pleizier vandaan halen? Ze hoûen ons dom en arm,—wat doet de regeering voor de opvoeding van onze meisjes! Ze geeft er niet zooveel centen voor uit als tientjes voor de zoontjes uit de deftige stand—en dan maken ze ons wijs, dat God het zoo wil, en dan, natuurlijk, je doet voor je kinderen wat je kunt, maar je bent arm, je hebt geen dikke spiegelruiten en kanten gordijnen om je dochtertjes achter te bewaren, ze groeien half op straat op, en zien daar ook niet altijd het beste, en dan gaan ze de wereld in, onder vreemden, en dan kunnen de rijke heertjes ze voor hun pleizier gebruiken en hun pa’s en ma’s lachen er om en zeggen dat de zoontjes toch ’n beetje van hun jeugd moeten genieten. Nou, daar heb ik alles van gezien bij Jonker Frederik toen ik bij baron Herkelens diende, maar ziet u, daar komt de klassenhaat vandaan, waar de socialen van praten.”
„Joseph, ik kan nou niet met je spreken, je moest nou liever eerst wat gaan uitslapen, maar .…”
Maar, hij gewoonlijk zoo stil en onderdanig, scheen op eenmaal ongevoelig voor eenigen invloed. Corona had het streng gezegd, maar niets drong tot hem door en nog opgewondener viel hij haar in de rede:
„En zulke kinderen zijn immers zoo makkelijk te verleîen. Ze hebben zoo weinig in haar leven en ze hoûen toch ook van wat mooi en fijn is, dat kan immers de beste aangeboren zijn? en dan komt zoo’n Mijnheer met presentjes en mooie woorden en is veel aardiger dan een van ons soort menschen, die ’s avonds moe en bezweet van ’t werk komen, en dan .… als je zoo jong bent, geloof je ook zoo gauw niet, dat al dat moois maar bedrog is. Ziet u dokter, zoo gaat het, en dan zitten de heertjes bij elkaar, ik heb het dikwijls gehoord, en zeggen dat de vrouw zwak is! en ze lachen haar nog op den koop toe uit. Wat raakt het hun of er een meer of minder van die schapen uit het volk te gronde gaat. Maar intusschen ligt zoo’n kind hier, en huilt der oogen blind!”
Hij stond nu hoog opgericht, alleen nog met een hand zich steunend aan de deurpost. In zijn ongeschoren gezicht, met de lichte wijdgeopende oogen lag iets woest verbijsterds, en schor fluisterend hijgde hij de woorden uit.
Tevergeefs had Corona een paar malen gepoogd hem tot zwijgen te brengen; de gedachten die zijn arme, tot denken ongeoefende hersenen dien langen nacht, na Marietjes bevalling hadden doorwoeld en die hij nu, verward door halve dronkenschap en door de gesprekken in de kroeg, voor het eerst trachtte weer te geven, konden niet worden teruggedrongen. Hij moest ze uiten.
„Verdomme dokter!” zeide hij op eens met een topzware beweging, half vertrouwelijk, half dreigend: „Ben ik niet altijd ’n oppassend man geweest? Dat kunt u niet ontkennen! het is niet waar, u kunt het niet ontkennen! u zou ’t niet durven ontkennen! Maar dat verzeker ik u, dat als er ooit revolutie komt, zooals die lui van gisteren in de kroeg voorspellen, dan zal hij, je weet wel wien ik meen, de eerste zijn, die z’n huis ziet branden. Ik zal hem in stukken scheuren! zie je, dat noemen ze klassenhaat!”
Hij zeide het met een onnoozele grijns van dommen machteloozen, haat, die vreeselijk was om te zien.
Corona stond huiverend op uit haar knielende houding aan het bed. Deze stem van den vader van het volkskind, wraak roepend tegen het cynisch egoïsme waarmede men het misbruiken van het volksmeisje in de hoogere standen als een natuurlijk, zelfs noodzakelijk kwaad beschouwt, had voor haar een diepe algemeene beteekenis. In zijn opvattingen lag verwarring en onkunde, maar in zijn instinctmatig voelen was groote waarheid, dat het onrecht dat zijn kind geschied was, niet was, een op zich zelf staand feit, maar voortvloeide uit de heele maatschappelijke levensbeschouwing, die het kind van den arme straffeloos prijsgeeft aan het genot van den rijke. Alleen, in zijn verbittering stelde Joseph het te uitsluitend voor alsof het ongeluk, dat hem getroffen had, alleen te wijten was aan het onrecht van de bezittende klasse tegenover de niet bezittende. Lag de schuld niet veel meer aan het onrecht van den man tegenover de vrouw? Van den man, die de wetten, heeft gemaakt zoó, dat hij ongestoord, zonder vrees voor lasten en straf de vrouw kan exploiteeren en haar alleen de ellende kan laten dragen voor hun samen begane zonden? Het was het eeuwenoude beginsel van alle economische misstanden: het recht van den sterkste, dat den zwakke verplettert. O! wanneer zou toch een hoogere gerechtigheid een einde maken aan dat recht uit den oertijd?”
„Vrouw Roerade, ik kan nou niet met je man praten, dat zie je wel; hij moet eerst weer heelemaal bedaard zijn. Maar zendt ’m vanavond bij me. Ik moet ernstig met hem spreken!”
De vrouw zag haar aan met angstig vragende oogen:
„Dokter is toch niet boos op hem? U moet maar denken, het is de eerste keer sinds ons huwelijk, en hij weet nou niet wat ie zegt.”
In haar kleine bekrompen ziel, voortdurend neergebogen door het harde leven was geen plaats meer overgebleven voor toorn of opstand. Zij kende alleen het moeë berusten; zelfs nu in hun groot gemeenschappelijk leed begreep zij niets van de verbittering van haar man. Zij was nu alleen maar bang dat Corona zijn uitval kwalijk zou nemen en haar hulp misschien onttrekken zou.
Maar Corona schudde het hoofd in een weeke ontroering van droefheid en ontferming.
„Er is immers niets, om boos over te zijn tegen hem, vrouw Roerade. Het is verkeerd van Joseph dat ie gedronken heeft, heel verkeerd, maar z’n verontwaardiging is recht.”
Worstelend om haar tranen te bedwingen waarvoor ze zich, als voor een zwakheid, tegenover Corona’s sombere kalmte, schaamde, reed Hilda een poos zwijgend naast haar voort.
Toen vatte de jonge doktores haar hand en met een scherpen blik van onderzoek op haar bleek gezichtje, zeide ze zacht:
„Is het niet te veel voor je geweest, lieveling? Ik wou dat je ’n sterken indruk zoudt ontvangen vanmorgen van wat er geleden wordt, maar het toeval is haast al te gedienstig geweest, die ontmoeting met dien armen, half dronken vader had ik je nou wel willen sparen.”
Hilda durfde niet antwoorden, haar keel was heet en gezwollen van tranen, die ze met geweld neerhield, en weer reden zij een oogenblik zwijgend voort. Toen hervatte Corona meer tot zich zelf dan tot Hilda:
„En dan te denken, dat er schatten besteed worden om Mahomedanen te bekeeren! Is het niet om te lachen, bitter te lachen, dat men zich hier ongerust maakt over de bigamie der Oosterlingen, terwijl bij duizenden hier, in ons z.g. Christelijk Europa, door in Christus’ naam gedoopten, zulke slachtoffers worden gemaakt! De Mahomedaan onderhoudt tenminste de vrouw die hij liefheeft, en zijn kind brengt hij groot! Maar hier noemen ze haar gevallenen, de arme schepseltjes als Marietje, in plaats van neergeworpenen! Neergeworpenen door de zinnelijke zelfzucht van den man, of liever door het gehuichel van onze maatschappij, die met twee maten meet! en voor den man met ’n glimlachje spreekt van vergefelijke jeugdzonden, en voor de vrouw met een wreedheidsgrijns van verloren gaan en onteerd zijn!
O! Hildy, dit is vrouwenemancipatie, dat al de Marietjes van de heele wereld, met haar arme Christientjes niet langer meer liefdeloos zullen worden uitgestooten, terwijl de vader van het kind trotsch en geëerd door de wereld gaat!”
Hilda antwoordde niet. De gedachten dwarrelden haar door het hoofd, zij trachtte te begrijpen, maar ze kon aan niets anders denken dan aan Marietje’s vermagerd kindergezichtje, zoo droevig jong met den vroegwijzen blik van veel doorstane wanhoop. Eindelijk vroeg ze aarzelend:
„Maar is er dan geen wet die de verleiding van minderjarige kinderen straft? Ik dacht dat ik Edward verleden zoo iets had hooren zeggen!”
„Ja zeker,” zeide Corona, „meisjes beneden de zestien jaar worden door de wet beschermd, maar Marietje is net zeventien geworden, en dan zijn zij vogelvrij verklaard. En als je bedenkt wat een kinderen het nog zijn! En toch vindt de wet, dat zij op dien leeftijd maar voor zich zelf verantwoordelijk zijn moeten! Is het niet het toppunt van inconsequentie? Ons wetboek stelt de getrouwde vrouw onder de curateele van haar man en overal waar het maar kan, verklaart het de vrouw onmondig ongeschikt om haar burgerrechten te bezitten, maar van het meisje van zestien jaar veronderstelt het, niettegenstaande al de gevaren van verleiding, armoede, verlatenheid en onkunde, dat het sterk genoeg, ik zou in vele gevallen willen zeggen: heldhaftig genoeg zij, om weerstand te bieden aan alle verzoeking!
O! ik weet wel, dat al die treurige dingen in onze wetten, min of meer historisch kunnen verklaard worden en dat Napoleon er veel van op zijn geweten heeft, maar soms vraagt men zich toch af of de mannen die het wetboek hebben samengesteld en vooral die het kalm onveranderd hebben gelaten, geen van allen vaders zijn geweest om niet te beseffen wat het voor ’n meisje is, om op zestien jaren te worden prijsgegeven aan wie maar misbruik van haar maken wil. Zij mag verleid, bedrogen, onteerd, moreel vermoord worden, door elken ellendeling; eerst als ze in razende angst voor de schande die alleen op haar neerkomt een wanhoopsmisdaad heeft bedreven bemoeit zich de gerechtigheid (?!) met haar! Maar .… alleen om haar te straffen! Zou men soms niet denken, dat onze wetgevers vrouwenhaters zijn geweest? Maar als men dan rondkijkt in de wereld en ziet hoe onze lieve zachte deugdzame dames al even wreed zijn in haar verachting voor de zondares, en eindeloos geduldig in haar vergeven van den zondaar, dan merkt men opeens hoe wanhopig diep het vooroordeel en het onrecht nog zijn ingeworteld!
Zoolang de vrouw zelf niet beseft, dat het aan haar is om de rechtvaardigheid in zedelijke kwesties, die zoolang verkracht is, te herstellen, zoolang zij niet, waar zij toornt tegen haar onreine zuster, precies denzelfden toorn tegen haar onreinen broeder uitspreekt, en waar ze haar broeder uit het slijk opheft, dezelfde, precies dezelfde hand aan haar zuster toesteekt, zoolang zal ons wetboek vol van zedelijk onrecht blijven en zullen Marietje Roerade’s lotgenooten hopeloos gesteenigd worden. Maar wij moeten meehelpen, Hilda, om die toestanden te veranderen, niet waar? En we zullen er voor vechten op leven en dood!”
Zwijgend waren Hilda en Corona toen naar huis gereden, niet in staat meer verder iets te zeggen. Corona was gewend aan al dit lijden en haar activiteit om te helpen, om zich in de details te verdiepen, waardoor zij leniging kon brengen, bespaarde haar meestal veel van den smartelijken totaalindruk, dien een machteloos toeschouwer bij zulke tooneelen ontvangt.
Maar dien morgen, gepreoccupeerd om na te gaan welken indruk het op Hilda moest maken, en bij intuïtie meelevend hetgeen Hilda doorleefde, had ze onwillekeurig, als met nieuwe oogen, de ellende, die zij vertoonde aanschouwd. Eén dier bange stemmingen van groote deernis, die haar in de eerste jaren van haar praktijk zoo dikwijls met wee hadden vervuld, was ook nu weer over haar.
Wat Hilda betreft, nog altijd worstelde ze tegen de brandende tranen, die verschroeiend tegen haar oogleden opstegen. Haar hoofd brandde, rustig denken was haar niet mogelijk, éen voelen alleen beheerschte haar: Helpen, redden, zich zelf geven voor al dit leed, goed maken de zelfzucht, waarin ze al dien tijd geleefd had.
Corona was thuis neergevallen in den grooten armstoel bij het raam, en staarde naar buiten, een oogenblik Hilda vergetend. Toen, opeens voelde ze een zachten kus op haar hand die in haar schoot lag.
Hilda was naast haar neergeknield, en sidderend, als bij een gelofte, zeide ze dringend, met haar stem warm van tranen:
„Corona! wat moet ik doen? Zeg maar wat je wilt .… ik zal alles doen! .… Corona, alles!”
De jonge doktores zag neer op het opgeheven gezichtje. Zij kende deze oogenblikken, waarin de jonge ziel in vurig enthousiasme tot elk offer bereid is, om redding te brengen. Zoo hadden schoone Romeinsche patriciennes gevoeld, toen zij haar weeldeleven verlieten, om den godsdienst van liefde en ootmoed te aanvaarden, die dikwijls van haar eischte den vreeselijksten dood in het arena; zoo hadden jonge edelvrouwen in de middeneeuwen gevoeld, die eer en macht aflegden om strenge kloosterorden te stichten, waar ze wilden bidden voor de zonden der wereld; zoo hadden zoo ontelbaar vele vrouwen gevoeld, die de verschrikking van het slagveld en de droeve vermoeienis van het hospitaal trotseerden om lijden te verzachten; zoo ook hadden gevoeld de dappere vrouwen, die niettegenstaande bedreiging, verdachtmaking en spot in het eerste gelid hebben gestreden bij elken geestelijken vrijheidsstrijd, of die heette godsdiensthervorming, slavenemancipatie, vrouwenontvoogding, of strijd tegen vivisectie en dierenmishandeling, tegen prostitutie of tegen alcohol.
Helaas, in vele van onze kleinvoelende burgerlijke kringen is men maar al te dikwijls geneigd dit mooie jonge voelen voor „overdreven” uit te maken, voor overspanning, het daarmee ter dood veroordeelend. En toch, wee over de jonge ziel, die in een worsteltijdperk als het onze, nimmer dit liefdeënthousiasme in zich voelde.
„Wat moet ik doen, Corona!” herhaalde Hilda. „Zal ik, zoo als jij, gaan studeeren? voor dokter? Zal ik pleegzuster worden? Zal ik .…. Zeg maar wat ik doen kan, ik wil alles! .… Maar zeg het dan toch!”
Corona zag haar een oogenblik ernstig aan, toen zeide ze langzaam: „De ellende die wij vanmorgen hebben gezien kan de liefdezuster en de dokter wel lenigen, maar niet genezen, omdat zij grootendeels uit wettelijke en sociale misstanden voortkomt. Binnen eenige jaren zal ons wetboek herzien worden, en waarschijnlijk zal er dan niet eén vrouw zijn, die haar stem als rechtsgeleerde daarbij kan laten hooren, en dat zou jij kunnen voorkomen, Hildy! Waarom zou je niet in de rechten studeeren? Natuurlijk zijn er vrouwen genoeg die het wetboek vrij aardig kennen, maar nooit kunnen die officieel den invloed hebben van haar die dezelfde examens hebben afgelegd en denzelfden graad hebben behaald als de mannelijke rechtsgeleerden. En het zal toch zoo noodig zijn dat de vrouw bij die behandeling zich zelf vertegenwoordigt! Zeker, er zullen knappe en edelmoedige mannen zijn om onze zaak te bepleiten, maar iedere soort wordt nu toch eenmaal het best door een van zijn eigen leden gerepresenteerd en een hoogstaande vrouw kan toch altijd beter, intenser weten dan een man, wat de vrouw verlangt, wat haar toekomt en nuttig is!
En dan, wat zou een vrouwelijke rechtsgeleerde voor veel vrouwen een redding zijn! Voor een massa, die in ellendige omstandigheden zijn, wat ’n uitkomst om tot een knappe beschaafde vrouw te kunnen gaan om advies en raad. Een vrouw kan een andere vrouw soms met ’n enkel woord begrijpen, waar voor ’n man een lange, pijnlijke uitleg noodig zou zijn. Begrijp je me? Natuurlijk zou ik niet willen dat je de eindeloos lange rij leegloopende, onbeduidende advocaatjes nog ging vermeerderen met één: Ik zou van je vragen dat je je rechtskennis gebruikte om met al je kracht te werken om het onrecht uit ons wetboek te verwijderen, en om diegenen te helpen die er nu onder lijden!”
Hilda zat stil neergehurkt en scheurde met zenuwachtige vingers haar zakdoek in kleine stukjes. In haar groote opwinding, de verbeelding tot het uiterste gespannen, kwamen en gingen haar gedachten in duizelende snelheid. Zij dacht aan een hoop droge boeken, die ze zou moeten doorworstelen, en aan examens waar ze erg tegen op zou zien, aan de vijandige ironie van thuis, aan Cranz, die nu misschien boos op haar was, en hoe hij met zijn voornaam, vernietigend spotlachje spreken zou over haar, maar toen ook tegelijk, als in een apotheose stelde ze zich zelve voor te midden van een groote vergadering. Zij voelde de angst, koud, met warme prikkels langs haar ruggestreng, van daar te midden van die allen te moeten spreken en toen toch ook ineens de weelde van te kunnen spreken. Met gloeiende woorden zou ze het zeggen het onrecht, het domme, wreede, dat de wetgevers generatie na generatie hebben laten voortbestaan.
„Dagen, maanden, jaren lang hebt gij vergaderd, geredetwist over allerlei kleinigheden, maar om rechtvaardigheid te schenken aan het grootste deel der bevolking, de vrouwen, zeker niet het minst belangrijke, omdat het de moeders, de opvoedsters bevat, dáárvoor hebt ge geen uur tijd gevonden!” Dat zou ze zeggen, en de vergadering zou onder haar woorden trillen. Maar zooals het dikwijls gaat in oogenblikken van opgezweepte emotie, kwamen er nietige details met tergende duidelijkheid om aandacht vragen. Zij dacht er aan of ze dien dag zwart fluweel of donkerblauw laken zou dragen, en of er een sleep niet mooi bij zou staan en dat ze niet verkouden moest zijn, en aan wie ze invitatiekaarten zou zenden. Maar ze werd woedend op zich zelf om al die nonsensgedachten. Onze grootmoeders schreven zulke grillige invallen in zeer ernstige oogenblikken toe aan inblazingen van kleine duivels, maar voor haar was het misschien een kleine engel, die waarschuwde in dit geboorteuur van haar carrière dat ze waken moest tegen ijdelheid en eerzucht. Eerzucht? was ze werkelijk verlangend naar eer? Een oogenblik trachtte ze diep in zich zelf door te dringen, onderzoekend of ze zich vatbaar voelde voor de onreine drijfveer van succesjacht. In het gewone leven der vrouw is er geen plaats voor eerzucht, daar heerscht alleen haar tengere tweelingzuster, de ijdelheid. Maar als zij haar leven breeder ging opvatten, werkend in de groote maatschappij, zou ze moeten waken tegen het onzuiver zoeken van eigen glorie. Maar toen zag ze weer voor zich de roodschrijnende striem op het voorhoofd der zwangere vrouw, het bleeke jongetje met het afgezette beentje, Marietjes oogen vol schaamtewanhoop en de dreigende verbittering van den ouden koetsier en ze wist dat ze zich zelve zou kunnen vergeten, als ze ging werken om zulke dingen te verbeteren. „O! een klein beetje te kunnen meehelpen!”
Zij zag weer op tot Corona, kalmer nu, met bijna een glimlach: „Ik zal het doen, Cora, je hebt groot gelijk, dat zal het beste zijn.”
„Nee, nee,” zeide Corona haastig, „je moet niet dadelijk je besluit nemen. Nou ben je nog te sterk onder al die treurige indrukken, je moet heel kalm en ernstig met je zelf overleggen. Ik zou je niet tot iets willen overhalen, waar je later spijt van hadt. Als je zoo iets begint, moet je het ook volbrengen, en het zal niet makkelijk zijn! Maar toen je het me zoo vroeg, kon ik toch niet nalaten om je den weg te wijzen, dien ik je zoo graag zou zien ingaan.”
Een poosje zaten zij samen stil in het weldadig uitrustend, vredebrengend zwijgen van twee, die groote vriendschap bindt. Toen begon Corona weer te spreken.
Hilda schudde het hoofd.
Toen zachtjes, bijna fluisterend, alsof ze een geheimzinnige opdracht had, begon Corona het sprookje te vertellen, en Hilda luisterde met gesloten oogen, neergehurkt op den grond.
„Een ziel stond voor den troon van God en God vraagde haar waarom ze gekomen was. En zij zeide, zij was gekomen om haar broeder, den man, aan te klagen.
„Wat heeft hij gedaan?” zeide God.
En zij zeide: „Hij heeft mijn zuster genomen en haar vernederd, haar verwond en bezoedeld en nu ligt ze neer, uitgeworpen in de straat. Zijn handen zijn rood van haar bloed en ik ben gekomen om met hem in het gericht te gaan. Ontneemt hem zijn koningschap, want hij is het onwaardig, en bekleedt er mij mede, mijn handen zijn rein van zonden.”
En zij, trotsch, liet ze zien.
Maar God zeide: „ja uwe handen zijn wit, maar uwe voeten?”
Zij lichtte den zoom van haar kleed op en ziet, hare voeten waren bloedrood.
God sprak: „Wat is hiervan de beteekenis.”
„O Heer!” zeide zij, „de straten beneden in de menschenwereld zijn vol onreinheid en vuil. Als ik er gewoon middendoor liep, zou het mijn kleed bevlekken, en gij ziet, hoe mooi wit het is. Daarom zette ik voorzichtig mijn voeten alleen dáár waar ik wist, dat de modder mij niet raken kon.”
„Maar waarop zettet gij dan uw voet? Wat lag er tusschen u en de modder, waarop uw voet kon treden?” zeide God.
Toen was zij stil en liet haar kleed diep vallen en ging zachtjes heen, het hoofd omsluierd, bang dat de engelen haar zien zouden.
Maar een poos later stond zij weer voor Gods troon, nu niet alleen, een andere vrouwenziel stond naast haar.
„Hoe is het dat ik u heden te zamen zie?” zeide God.
En zij antwoordde, wijzende op de andere: „Zij lag op den grond buiten op de straat. De man had haar neergeworpen en de vrouwen gingen gedachteloos, in witte kleeren over haar heen. Toen strekte ik mij naast haar uit op den grond, en zij sloeg haar armen om mijn hals en zoo lichtte ik haar op en wij stonden naast elkaar.”
„En wien zijt gij nu gekomen om aan te klagen voor mijn troon?” zeide God.
Maar zij zeide: „Niemand Heer. Alleen wij smeeken u, spreek tot het hart van den man, en geef ons een opdracht voor hem mee, opdat hij leere verstaan.”
„Ga heen,” zeide God, „en breng hem de boodschap.”
„Welke boodschap,” zeide zij.
„Die thans in uw harten geschreven is, ga en breng haar. Als de wereld uwe liefde ziet, zal zij uw boodschap verstaan.”
„Dat is het,” zeide Hilda, „en ook ik heb de boodschap verstaan!”
„Natuurlijk is dit sprookje meer speciaal bedoeld voor de zondig gevallen vrouw,” zeide Corona, „maar je kunt het toch ook algemeener opvatten en dan lijkt het mij altijd typisch voor de verhoudingen.”
„Wat kun je prachtig vertellen, Cora!” en in meisjesachtige verrukking wierp Hilda zich op haar schoot, sloeg de armen om haar hals en kuste Corona met die jonge onstuimige innigheid waarmede zij niemand meer, sinds den dood van haar vader, gekust had.
„Hildy, wil je me een ding beloven? spreek er dan vandaag en morgen nog met niemand over. Heusch je moet heelemaal rustig en alleen je nieuwe leven overdenken. Het zal soms ’n moeielijke weg zijn, lieveling, en je moet hem alleen inslaan, als een krachtige overtuiging, niet ’n genereuse impulsie je er heen drijft.”
Hilda knikte. „Ik beloof het je! Ik ben heel zeker van m’n besluit, maar daarom juist kan ik best wachten.”
In de wijde stilte van den nacht stond Hilda om half twaalf voor haar open raam en luisterde naar de verre geluiden, die de lang nog niet slapende stad geheimzinnig naar haar opzond. Een ver, dof geruisch was het, als het onderaardsch dreigend gerommel van een vuurberg en zij strekte de handjes uit in een onbewuste beweging van omarmen en zag toen starend neer in de stil deinende bladerzee beneden zich van de boomen van het Nassauplein.
Het was al Vrijdagavond, en met niemand had ze nog een woord over haar plannen gesproken, maar morgen zou ze het nu toch aan haar oom gaan zeggen. Het was zoo heerlijk geweest in stilte het geheim te liefkoozen. Wat had het haar op eenmaal een rust en klaarheid gegeven! Dat verre doel, waarvoor zij nu voortaan al haar latente energie, zou kunnen aanwenden, verkwikkend als een licht had het in de nevelige vaagheid van haar toekomst gestraald. Een vast en bezielend doel was immers het eenige wat evenwicht aan het leven kon geven van hen die het ernstig met het leven nemen!
Gisteren was Adèle Brandon getrouwd, éen van Eugénie’s oudste vriendinnen. Was het wonder, dat er zooveel leelijke treurige menschen in de wereld waren, als er voortdurend zooveel treurige leelijke huwelijken werden gesloten? Naam en fortuin was met naam en fortuin getrouwd. Dat was alles, van liefde was er bij dat paar geen sprake. En Moisette, die het wist, had hen in de Fransche kerk gezegend, hij die bang was, dat het ideale zou verloren gaan, als de vrouw in de maatschappij haar deel van ’t algemeene werk nam! Hij had welsprekend kunnen zijn bij zulk een huwelijk, wat een onlogica!
Hij had van dienende liefde gesproken. De man, had hij gezegd, was de gevende liefde, de beschermende, maar de dienende liefde was de vrouw. Ootmoedig, lijdend, nederig, gehoorzaam, dienend in éen woord, moest ze zijn en als zij ooit ophield zoo te wezen zou het einde dáar zijn van de maatschappij.
„Dienende liefde!” zeide Hilda bijna hardop. „Ja, dat is het! Wat is het een prachtig woord! Alles sluit het in zich van zelfvergeten, en offeren en geduldig zijn en onvermoeid! Ja zeker, Moisette! het wezen der hoogstaande vrouw is waarlijk dienende liefde! Maar niet in de laffe, domme, belachelijke beteekenis, waarin jij het ons gisteren liet zien! Nee, niet den man, haar medeschepsel, haar gelijke, haar broeder zal ze dienen, de toekomstvrouw! maar met hem, naast hem dienen, in mooie liefde vereenigd, de eeuwige idealen van barmhartigheid en waarheid, schoonheid en gerechtigheid! Dienende liefde het wezen der vrouw! ja, maar geen menschendienst mag daaronder verstaan worden. Gods-dienst, in de hoogste beteekenis van het woord, moest het zijn, het dienen van ’t hoog ideale, het Goddelijke!”
Met ’n ruk trok zij haar lijfje open en wierp het achter zich op een stoel; de koele nachtlucht gleed streelend langs haar heete schouders. En weer strekte ze de armen uit, alsof ze de wereld aan haar hart wilde drukken.
„Ja, ik zal dienen!” zeide ze hartstochtelijk. „Het dienen uit vrijen wil, dat verheft en vrij maakt, niet het dienen uit gehoorzaamheid, dat vernedert! Zondagmorgen heb ik de wijding ontvangen, die voert tot den hoogen dienst en ik zal trachten trouw te zijn! O! dienende liefde, het zich wijden aan, het opbouwen van anderen en daardoor het komen tot klaarheid voor zich zelf, het in volheid ontwikkelen van eigen krachten. „Zoo wie zijn leven verliezen zal, die zal ’t zelve vinden!” stond in het versleten testamentje van haar moeder, en nu verstond zij de waarheid daarvan. Het groote leven ingaan, troostend, helpend, reinigend en daardoor komen tot zelfvolmaking, d.i. zelfverwezenlijking en zoo naderen tot God!”
Toen vouwde zij de handen op de borst in een behoefte om iets plechtigs te doen. Bidden, in de beteekenis, die de traditie aan dit woord gehecht heeft, deed ze niet, maar een diep religieuze aandoening klom op in haar borst en vulde heel haar voelen. Juist het nog betrekkelijk vage van haar toekomstplan gaf er een mysterieuze bekoring aan, die voor haar zieleverbeelding visioenen van een heerlijk leven liet opstijgen, en toch ook het weten dat zij al morgen kon beginnen met te werken voor dat verre doel, gaf haar een rust, een veerkrachtstinteling, die haar met dankbaren jubel vervulde.
Zij was gelukkig op dit oogenblik, en toen zij opzag in den stillen zomernacht, de saamgevouwen handen stijf tegen elkaar gedrukt, in een spanning van heel haar wezen en zij zag de sterren hun ondoorgrondelijken glimlach van uit de eindeloosheid op haar neerlichten, vulden zich langzaam haar oogen met tranen, tranen van een mooi en vroom geluk.
Isabelle Pankaert, met gloeiende wangen, de handjes koud van emotie, stond naast de piano en zong, terwijl mevrouw Noorman, de bekende concertzangeres, aan wie Corona lessen voor haar gevraagd had, haar accompagneerde. Toen bleven beiden een oogenblik verloren in de jubelende extase van Bach’s Pfingstcantate.
„Heel goed, kindje! Dat heb je goed gezongen!” zeide Marion Noorman. „Het gaat buitengewoon goed!”
Isabelle antwoordde niet, te gelukkig om iets te kunnen zeggen.
Toen Corona haar in het voorjaar was komen vragen of zij gratis les wilde geven aan een arm meisje met ’n mooie stem, had mevrouw Noorman het niet willen weigeren. Aan Corona kon men zoo moeielijk iets weigeren, maar eigenlijk had ze het toch indiscreet en vervelend gevonden. Zij had al zooveel lessen en haar huishouden met de tweelingen nam toch ook tijd! Maar toen zij Isabelle’s stem gehoord had, had zij geen spijt gehad van haar hulpvaardigheid; tegenwoordig gaf zij haar zelfs tweemaal in de week les en het was een groote vriendschap tusschen haar geworden.
„Belle!” zeide ze opeens. „Ik heb je nog wat te vertellen, of eigenlijk een voorstel te doen .… Kun je nog even blijven?”
„Een voorstel?”
„Ja, ik zal je zeggen, de laatste week, heb ik verscheiden invitaties gekregen om op concerten te komen zingen. In Zwolle en in Deventer en in Middelburg, maar die zijn alle drie voor December en Januari en dan kan ik niet .…” en zij glimlachte.
„Waarom niet?”
„Omdat .… zich tegen dien tijd een kleine baby heeft aangekondigd .…”
„O! Marion .…!” Verlegen zag Belle naar haar op, niet wetend of zij moest gelukwenschen.
„Ja, het is wel ’n beetje lastig! en we zullen het Benjamin noemen in de hoop dat dit het laatste zal zijn, maar eigenlijk vind ik het toch verrukkelijk! De tweelingen zijn nou al vier jaar en zoo’n schootkindje is zoo snoezig!”
Isabelle aarzelde even:
„Marion, je moet het niet gek van me vinden, maar ik heb het je al zoo lang willen vragen .… mama zegt .… dat een getrouwde vrouw zich alleen aan haar huishouden moet wijden en geen tijd voor iets anders kan hebben, als zij het goed wil doen. Maar .… hoe doe jij dan toch?”
De naïeve gewichtigheid in de vraag amuseerde Marion:
„Wel, ik zou wel es willen weten of geldverdienen voor het huishouden niet is: er zich aan wijden! Mij dunkt, het is een van de allernoodzakelijkste dingen die men er voor doen kan!”
„Nee, mama bedoelt voortdurend met het huishouden bezig zijn!”
Marion knikte lachend:
„Ja, kindje, ik begreep je wel! O! er zijn nog een massa die zoo redeneeren en mij erg beklagen of me verdenken van een slechte moeder te zijn of het mijn man kwalijk nemen dat hij mij mijn gang laat gaan! Maar ik lach ze tegenwoordig gewoon uit, du haut de ma grandeur de femme heureuse! En ik zal je es gauw even zeggen hoe het eigenlijk er mee zit. Zie je, als jonge dames trouwen hebben zij het gewoonlijk het eerste jaar zoo druk met haar huishouden dat ze nergens meer tijd voor vinden kunnen; dan komt er een kindje met al zijn zorgen, en dan wordt de drukte, die al zoo vreeselijk was, nog grooter en daarna komt een tweede en een derde, tot soms een negende en tiende en het vrouwtje, dat het het eerste jaar zoo overstelpend druk had, heeft dan toch nog tijd genoeg, ofschoon haar bediening en haar middelen dikwijls naar verhouding maar weinig zijn toegenomen, om met de tiende baby te spelen. Dat is het heele raadsel, zie je, het komt er maar op aan hoe je je inricht, met wat oefening en orde kan de éen in een uur afdoen, waar de ander den heelen dag mee zoek brengt, en ik ken vrouwen met groote gezinnen die overal belangstelling voor hebben en allerlei doen en toch de ziel zijn van haar familie en vrouwen met een of twee kinderen, die nergens tijd voor hebben en door haar drukte niet eens gezelligheid aan de haren geven. Zoo is het met geld verdienen ook. Ken je Jeanne Goedbrandt?”
„Die fotograaf?”
„Ja, juist. Toen ze trouwde hadden zij en haar man, die zeeofficier was, geen van beiden een cent, en hij ging maar op en neer naar de Oost om toch maar te verdienen, en Jeanne bleef achter met telkens een kindje meer en zij wisten nauwelijks hoe rond te komen. Toen zei ik dikwijls tegen haar: Zet een fotografisch atelier op, want voor haar huwelijk fotografeerde ze prachtig. En ik zei tegen haar: maak je specialiteit van kinderfoto’s, je bent moeder en artiste, je weet hoe en wanneer kinderen er het aardigst uitzien, en je kunt er goed mee omgaan! Je zult zien dat je het druk krijgt! Maar dan keek ze verontwaardigd. Een goeie moeder, vond ze, moest zich uitsluitend met haar huishouden bezig hoûen.
Maar toen stierf haar man ineens in Indië, en natuurlijk, een klein pensioen en vier jongens .… ze wist geen raad. Toen zette ze een atelier op en het ging best. Je weet, het is een rage tegenwoordig, alle babies komen bij haar en verleden, in het schemeruur, toen ik even aankwam, vond ik haar met de vier jongens bijna op schoot, aan wie ze sprookjes zat te vertellen. Toen kon ik toch niet nalaten om haar even te vragen of ze nu geen goeie moeder meer was, nou ze geld voor haar troepje verdiende.”
„En wat zei ze?”
„Ze zei met tranen in de oogen: Ik wou dat ik het gedaan had toen Henri nog leefde, dan had ie niet zoo akelig zuinig aan boord hoeven te zijn!”
Een oogenblik zwegen beiden.
Mevrouw Noorman zat nog op het pianokrukje, en een van haar kleine gespierde handen voer telkens met een beweging van gewoonte door het blonde kort afgeknipte voorhaar, dat als een wazig gouden krans om haar slapen opstond en aardig deed bij het ronde rose gezichtje en de groote blauwe kinderoogen. Zij zag er nog zoo jong uit, bijna als een schoolmeisje en toch had ze heel wat te tobben gehad. Maar iets van een vogel was in haar, en veel desillusie en zorg en pijnlijke momenten had ze weggezongen tot er vrede kwam. En nu de laatste jaren was ze zoo gelukkig: overal gevierd, haar huwelijk zoo mooi, en haar kinderen zoo lief!
„O!” zei ze in eens met het meisjesachtige enthousiasme, dat zoo bekoorlijk in haar was. „Je weet niet hoe heerlijk het is om voor de kinderen te werken. Als ik geen kinderen had, zou ik toch het zingen niet kunnen laten, maar nou is het nog zooveel prettiger! Eigenlijk verdient mijn man wel genoeg om net van rond te komen, maar ik verdien de levensverzekering van de schatjes hiernaast. Wil je ze es zien?”
En in een oogwenk, met een van haar lichte bewegingen stond ze bij de tusschendeur, die de suites scheidde en lag geknield in een hoek van de andere kamer waar de tweelingen speelden.
„Kijk dit is Daisy!”—En vóór Isabelle haar had kunnen volgen, kwam ze aandragen met het kindje.—„Is ze niet doddig? Kijk, net de fluweelen oogen van mijn man, en dit is Nelly, die heeft van papa de gezellige leelijke stoppelhaartjes. Zijn ze niet schattig met haar beidjes? Maar Nel! Wat heb je met je schortje gedaan? Heb je je weer als een schoorsteenvegertje gedragen?”
En zij bukte zich en kuste het stralend zwarte gezichtje dat zich tot haar ophief, de roode vochtige lipjes vooruit, glimmend als versch geplukte kersjes, die in de modder gevallen zijn.
„Zie je, Belle, bij haar geboorte hebben we dadelijk een levensverzekering voor haar gesloten. Als zij twintig jaar zijn krijgen zij beide vijfhonderd gulden jaarlijks, dat zal haar strijd om het bestaan een beetje makkelijker maken, dan hij voor mij geweest is! Maar daarvoor moet mama nou ook hard werken, nietwaar? Het is een heel ding om elk kwartaal zoo’n som bijeen te hebben!”
Zij zette het kindje neer, in eens met een moeë beweging, en een diepe rimpel groefde zich tusschen de oogen, die haar ouder maakte.
„O! soms kan ik er van rillen, dat die beide kleine kleuters ook eens het groote gewoel zullen inmoeten! Maar wat zul je er aan doen? De dochters van Marion Noorman zullen geen uitgaanpopjes worden, die op een man zitten te wachten; ze moeten haar brood zelf verdienen. Maar natuurlijk, ik weet heel goed, dat, als de enorme achterhoede van nietsdoende vrouwen zich nu ook in ’t strijdperk gaat storten, de druk en de angst van de tijden hoe langer hoe ontzettender zullen worden. Maar het kan niet anders, wij zijn nu eenmaal op dit oogenblik allen in een nauwe bergpas vol dik doornig kreupelhout en we moeten er door, vóór we aan het strand komen, waar ruimte is voor ons allemaal. En hoe meer er zich nu maar in den bergpas dringen, hoe benauwder het er wel worden zal, maar ook hoe eerder het kreupelhout zal zijn platgetreden. En we zullen onze meisjes flinke stokken en messen meegeven en haar er voorzichtig en knap mee leeren omgaan om de lianen door te snijden en de in elkaar vergroeide takken te breken en toch zoo min mogelijk haar buren te verwonden! Dat is het eenige wat ons ouders van de twintigste eeuw te doen staat.”—Toen lachte zij weer, haar jongen lach, die een Fransch violist den vorigen winter op een concert had laten zeggen: „Quelle adorable gamine.”—„We zullen in elk geval ons best doen en er maar niet over gaan zitten treuren, nietwaar, kleine Nel? En nou eerst es gauw even je vuile koppetje gaan wasschen, want dat weet je, de eenige manier om flinke dappere vrouwen te worden is om reine gezichtjes te hebben!”
„Maar Marion, als je op reis bent?” .… drong Isabelle aan. Zij had Marion’s huishoudentje, dat zij altijd keurig en gezellig vond, zoo dikwijls moeten verdedigen tegen haar moeder en andere dames, die plechtig en onvoorwaardelijk verzekerden dat een getrouwde vrouw niets doen kan of mag dan haar huishouden, en ze wilde vandaag nu toch probeeren om er eindelijk eens precies achter te komen hoe Marion het had ingericht. „Als je weg bent om te zingen, wat doe je dan met de kinderen? Wie zorgt er dan voor?”
„Heb je nooit van mevrouw Ermering gehoord?”
„Nee, wie is dat?”
„Dat is ’n weduwe zonder kinderen, maar ’n geboren moeder! Ze woont in de Hugo de Grootstraat, in ’n aardig huisje met ’n flinken tuin, en ’t is daar de ideale crèche, zooals de toekomstmoeders, die werken moeten, ze zullen wenschen. Met ons zevenen zijn wij bij haar geabonneerd, en als ik nou uit de stad moet gaan zingen of Jeanne Goedbrandt heeft het ’n paar dagen erg druk op haar atelier, of Mevrouw Verzen heeft haar migraine, of mevrouw Schallen, die voor Arbeid Adelt werkt, heeft ’n groote bestelling, of mevrouw Bromer, wier man zoo ziek is, kan geen leven in huis velen, of mevrouw van Asberk, die inspectrice is bij ’n levensverzekeringmaatschappij, moet voor zaken op reis, dan zenden we allemaal onze kinderen zoolang bij mevrouw Ermering. En je weet niet hoe heerlijk ze het daar hebben. Het spaart ons allen een onbetrouwbare kindermeid uit, die onmogelijk iets van opvoedkunde kan weten, en ze worden er uitstekend, o! weet je, uitstekend verzorgd! Sommige kinderen hebben het er moreel en physiek zelfs heel wat beter dan thuis, zooals bijvoorbeeld die van mevrouw Verzen, met haar eeuwige zenuwgetob of van mevrouw Prinsen, die veel meer van pret en uitgaan dan van kinderen houdt. Bij zulke moeders komt er gewoonlijk niet veel terecht van de arme schaapjes en het is dus ’n redding als ernstige lieve vrouwen als mevrouw Ermering zich over hun lot ontfermen.
Zie je, dat is ook iets wat de meeste menschen totaal vergeten, als ze zoo door dik en door dun beweren dat de getrouwde vrouw zich maar uitsluitend met haar gezin mag bezighouden, dat er heel wat moeders zijn, die geen sprankje aanleg of lust voor waarachtig opvoeden hebben en dat het daarom dikwijls voor de jonge generatie zelf een zegen zal wezen als zij onder de zorgen komt van vreemden die wèl de gave van opvoeding kennen. Ieder die gelooft aan de toekomst van de menschheid, moet vinden dat de vorming van het jonge, wordende geslacht de allerhoogste taak is, maar wat ’n absurditeit, om te meenen dat elke vrouw, die kinderen heeft gebaard, hoe zij ook verder moge zijn, in staat is tot dat allerhoogste werk. Opvoeden sluit alles in zich! geen arbeid die zooveel liefde, intelligentie, zelfverloochening, geduld, zelfbeheersching, rechtvaardigheidsgevoel en teeder intuïtief raden van het diepe geheim der klein menschenziel vordert! En je begrijpt wel, dit alles in een vrouw te veronderstellen, eenvoudig omdat zij een kind heeft ter wereld gebracht, is onzin, terwijl massa’s ongetrouwde of kinderlooze vrouwen geboren opvoedsters kunnen zijn.”
„Maar Marion, geloof je nou heusch, dat ’t een ideaal toestand zou worden als alle getrouwde vrouwen geld gingen verdienen?”
Marion dacht een oogenblik ingespannen na, toen lachte ze:
„Dat is ’n heel moeielijke vraag, hoor! Maar we zijn er heusch nog lang niet aan toe om nu es dood op ons gemak te kunnen gaan vragen wat nou eigenlijk wel ’n ideaal toestand zou zijn. Zoover is onze maatschappij helaas nog niet! Maar dit is zeker, dat, ideaal of niet, waar geen geld en wèl liefde is, de getrouwde vrouw hoe langer hoe meer tot loonarbeid zal moeten en willen komen! Wie zal kunnen profeteeren in deze overgangstijden, waarin alles duidt op groote economische verandering, wat nu wel het ideaal zal zijn in de verre toekomst? De geslachten, die na ons zullen komen, zullen op hun beurt ook aan de oplossing van dat raadsel moeten werken! Maar, zooals op dit oogenblik de toestanden zijn ben ik overtuigd dat het mee in het huishouden verdienen der getrouwde vrouw ons nader zal brengen tot drie betrekkelijke ideaaltjes die zeker niet gering zijn te tellen.
Ten eerste: De mogelijkheid van een huwelijk tusschen twee jongelui, die elkaar echt liefhebben, maar geen van beiden iets bezitten en waarvan de man niet genoeg kan verdienen, om welke reden ook, om een gezin te onderhouden. Ik ken er verscheiden zoo, die heel hun mooie jonge leven in hopeloos wachten verliezen, hunkerend naar ’n aanstellinkje of ’n promotietje dat maar niet komt, terwijl de vrouw, als zij een deel van het geldverdienen voor het gezin op zich kon en wilde nemen, een einde zou maken aan dien ellendigen toestand. In de boerenstand wordt nu de werkkracht en kundigheid van de vrouw wel degelijk als kapitaal beschouwd, dat zelfde zou dan ook geschieden in de burgerstanden en het onbemiddelde, knappe, energieke meisje zou haar kansen op een liefde-huwelijk daardoor sterk zien vermeerderen, haar betaalde arbeid zou in de plaats komen van een bruidschat.
Ten tweede, als de man komt te sterven, die het gezin onderhoudt en de vrouw blijft met een troepje kinderen achter—en dat zijn van die gevallen die je dagelijks ziet gebeuren—wat ’n zegen dan, als zij geschikt en al gewend is om in de noodige behoeften te voorzien!
Ten derde, de algemeene positie der vrouw zou er beter door worden, en ik zal je zeggen waarom. De ongetrouwde vrouw zou haar werk beter, met meer bezieling doen, wanneer zij niet dacht dat het maar een tijdelijke bezigheid was, die moest worden opgegeven zoodra er zich ’n huwelijk voordeed, en door beter werk te leveren zou zij krachtig meewerken tot snellere vervulling van den dringenden eisch van gelijk loon voor man en vrouw. Begrijp je dat logische verband? En dan, nu bestaat nog de schandelijke wet dat de man recht heeft op het door de vrouw verdiende geld. Maar het spreekt van zelf dat die al heel gauw zou worden veranderd als de verdienende vrouw niet langer meer zeggen wou voor het begrip van de regeeringsmannen: ’n troepje havelooze fabrieksarbeidsters en wat afgesloofde schoonmaaksters en naaistertjes, maar hun eigen zusters en dochters en pleegkinderen! Ten slotte is er nog dit: Nu wordt in veel huishoudens de vrouw nog beschouwd en behandeld als de onderhoudene, die dankbaar moet zijn voor elken gulden, die zij voor eigen genoegen mag uitgeven, en die zich voor een tientje soms zelfs vernederen moet tot vleierij en onware liefkoozingen. Weet je niet die ontelbare grappen in de spotbladen? Over vrouwen die bij haar man intrigeeren om een nieuwen hoed? O zie je, menschen die daarom kunnen lachen, moeten wel akelig weinig hebben nagedacht! Ik vind tenminste niets komieks in zulke verhoudingen, alleen heb ik minachtend medelijden met mannen, die hun vrouw in zoo’n afhankelijkheid willen houden en met vrouwen, die zoo’n afhankelijkheid dulden! Want in zulke gezinnen is de vrouw een wezen dat nergens recht op heeft, dat kost en inwoning en kleeding ontvangt, maar daarvoor zich dan ook te schikken heeft naar den wil van den meester en buiten zijn goedvinden niets mag besteden voor dingen waar zij zelf verlangen naar of sympathie voor heeft.
Weet je, Belle, ik heb zes zusters, die allemaal in conditie zijn, en mij allen haar confidenties doen, en ik verzeker je dat ik zelfs in de rijkste families vrouwen weet, die nog over geen twintig gulden jaarlijks naar hartelust kunnen beschikken! O! het klinkt heel aardig: de man verdient het geld, en de vrouw verzorgt het gezin, ieder blijve in zijn werkkring. Maar feitelijk—en ook de wet gaat uit van dat beginsel—is de toestand in heel veel gevallen zoo: de vrouw die een gezin wil stichten, moet zich op genade of ongenade overgeven aan den man, die haar en haar kinderen zal onderhouden, maar dan ook alle rechten op hen heeft, en van wiens meerdere of mindere edelmoedigheid, in een woord van wiens bloote goeddunken het zal afhangen of zij over middelen zal mogen beschikken of om elk kwartje zal moeten vragen!
En dat is nou juist wat allemaal anders zal worden als de vrouw productieven, betaalden arbeid gaat verrichten! De vrouw, die met cijfers kan aantoonen dat haar arbeid tot de welvaart van het gezin bijdraagt, zal een heel andere positie innemen dan zij, die nu alleen maar met woorden kan verklaren,—die, och arme, dikwijls niet geloofd worden,—dat zij zoo zuinig mogelijk is, en zooveel mogelijk uitspaart. De vrouw, die haar eigen geld verdient, zal zich onafhankelijker voelen, en fierder, en dus niet meer berusten in een afhankelijkheid die nu heel dikwijls een gevaar is voor het geluk en de waardigheid van het huwelijk. Betaalde arbeid van de vrouw zal meewerken om de verhouding der echtgenooten zuiverder en mooier te maken en daardoor de geheele menschheid ten goede komen, en daarom, zooals je ziet, vind ik het op dit oogenblik dus economisch wèl degelijk een ideaal dat de getrouwde vrouw loonarbeid doet. En wat de materieele kant van het vraagstuk betreft, deze is natuurlijk hoe langer hoe makkelijker op te lossen. Zij die schermen met: „de vrouw moet zich uitsluitend bij het huishouden hoûen,” vergeten dat onze grootmoeders, die zij tot voorbeeld nemen, met diepe minachting op het huishouden van tegenwoordig zouden neerzien. Je moet zoo’n aardig oud receptenboek maar es zien met de grappige spelfouten en wijze practische raadgevingen om te begrijpen wat het „huishouden” vroeger beteekende. Onze voormoeders sponnen zelf haar linnen, naaiden zelf al haar kleeren, nog wel zonder machine, breiden al de kousen voor de familie zelf, maakten zelf vruchten en groenten in, bereidden zelf haar huismiddeltjes, maakten zelf haar slacht, deden zelf haar wasch, bakten zelf haar brood en taartjes en lekkernijen, hadden voor haar zieken geen hulp van uitstekende ziekenhuizen en gediplomeerde verpleegsters, kenden geen fröbelbewaarscholen en geen gas en geen waterleiding! Wat is betrekkelijk weinig overgebleven van al dat enorm veel omvattende huishoudwerk! Zelfs de conservatiefste vrouwen en de weinig gefortuneerden laten haast alles buitenshuis doen, en de tijdstroom gaat op dit oogenblik heelemaal dien kant uit. Door nieuwe machinerieën, die nog dagelijks worden uitgevonden, door coöperatie en betere arbeidsverdeeling zal er hoe langer hoe minder van dat werk overblijven, en als men ziet hoeveel tijd nu al de getrouwde vrouwen kunnen missen, zoodra het op amusement aankomt, voor menschen zien, visites maken, noodelooze handwerken, en de eeuwige boodschappen, dan kun je logisch aannemen dat zij in de toekomst ook wel tijd voor productieven arbeid zullen kunnen vinden, wanneer dat noodig blijkt te zijn!”
„Maar de gezelligheid, Marion, de gezelligheid van ’t gezin zal er zoo onder lijden!”
„Dat geloof ik niet!” zeide Marion overtuigd. „Natuurlijk in deze overgangstijden, zoolang de korte werkdag nog niet is ingevoerd, zal de vrouw die loonarbeid doet, in sommige betrekkingen wel es te kort moeten schieten in haar plichten van volmaakte huisvrouw, maar ik verzeker je, het is niet mogelijk dat zij ooit verder van het waarachtige huismoederideaal zal afstaan dan het grootste gedeelte der tegenwoordige vrouwtjes, die niets doen dan zoogenaamd voor haar huishouden leven! O! ik spreek nog niet eens van de wufte vrouwen, die opgaan in visites en partijen, maar van degenen die ’t heusch nog goed meenen. Wil je wel gelooven, dat ik er een massa ken, met toch betrekkelijk maar kleine gezinnen, die zoo opgaan in materieele zorgen, dat zij op ’t laatst in ontwikkeling geen haar beter zijn dan de eerste de beste dienstbode? Ik ken er die uren lang over ’t vermaken van kleeren enz. enz. met haar kennissen zitten te .… kletsen, en zich zelf erg goed en degelijk vinden, maar van gezondheidsleer en voedingswaarde en pedagogie en kinderzielkunde en al zulke dingen meer, zelfs geen flauw besef hebben. Ja, heusch, ik ken er zelfs, die er ’n eer in stellen dat ze nooit lezen en geen belang stellen in wat ook buiten haar kringetje en zelfs geen vermoeden hebben hoe bekrompen duf daardoor de atmosfeer van haar huiskamer wordt! En dan later, als de kinderen groot zijn, zie je overal het wreede verschijnsel, dat zulke moeders, die toch dikwijls ter goeder trouw zich hebben afgesloofd, als vreemden staan buiten den gedachtenkring der kinderen, niet in staat om nieuwe vraagstukken, die de jonge harten in ontroering brengen, de Sturm und Drang, die in hen bruischt, te begrijpen en te deelen. „Och ma? ma is zoo ouderwetsch, met ma kun je nooit es over zoo iets praten, ma is een goed mensch maar ze is zoo heelemaal niet met haar tijd meegegaan!” Dat hoor je tegenwoordig aan alle kanten schouderophalend zeggen, en ’t is wreed voor zulke moeders, na een leven van goed bedoelde toewijding, als de materieele zorgen zijn afgeloopen, eigenlijk niets meer in het leven van haar kinderen te beteekenen. Maar waarom hebben zij er dan toch ook nooit eens aan gedacht, dat het honderd maal gelukkiger is voor een kind, een ontwikkelde moeder te hebben, die ernstig belang heeft gesteld in de levensvraagstukken van haar tijd, zoodat zij later een vriendin voor haar kinderen kan zijn en ze leiden kan met haar meerdere ervaring door het labyrinth der nieuwere gedachten, dan een moeder die dag op dag kasten heeft opgeruimd of verstelwerk heeft gedaan.
O! niet dat ik verstellen minacht, hoor!”—lachend wees zij op tafel naar haar keurige naaidoosje en een stapeltje kinderkleertjes daarnaast—„maar ik zou, als het moest, de kleintjes nog liever met kapotte kousen laten loopen, en nog liever geef ik ze grove eenvoudige kleertjes, die weinig onderhoud eischen en laat ik er nou ’n arm vrouwtje wat aan verdienen—nu ik zelf verdien, kan ik ook eerder wat gehuurde hulp betalen, nietwaar?—dan zoo’n moeder te worden wier kinderen geestelijke weezen zijn! Met mijn zangstudies en lessen heb ik natuurlijk zoo heel veel tijd niet over, maar ik stel tenminste overal belang in! en een paar noodige bezoeken en avondjes-waar-je-heusch-niet-af-kan, laat ik tenminste meestal in den steek om es iets moois te lezen, geen nieuw romannetje, bedoel ik, maar iets goeds, dat mijn gedachtenkring een beetje kan verruimen.”
Ademloos had Bella toegehoord. Ze vond er een prikkelend genot in, om dit alles, dat ze zoo dikwijls vaag had beseft, zoo duidelijk, als iets heel gewoons te hooren zeggen. En zij voelde dat het waar was! Bij zichzelf en verscheiden vriendinnetjes had ze het immers gezien, hoe moeders, die het toch o! zoo goed meenen, een belemmering kunnen zijn door haar bekrompen denkbeelden en hoe weinig waarachtige gezelligheid er soms in de nabijheid van zulke vrouwen is.
„Maar Marion. Ik wou je toch nog even iets vragen.”
„En dat is?”
„Geloof je toch niet dat de kleine kinderen er onder zullen lijden, als de moeders ze vroeg aan vreemden moeten overgeven om weer te gaan verdienen?”
Marion schudde het hoofd:
„Als de vreemde hulp goed is, kan het geen kwaad dat het kindje er al vroeg een gedeelte van den dag aan wordt toevertrouwd, en je begrijpt, ontwikkelde vrouwen, die ’t leven ernstig hebben leeren inzien, zullen op dat punt van hulp, heel wat strenger, consciëntieuzer zijn, dan de meeste tegenwoordige vrouwtjes, die toch z.g. uitsluitend leven voor haar hooggeprezen huishouden, maar minnen, kindermeiden en bonnes nemen, waar ik mijn kleine prulletjes voor geen millioen aan zou toevertrouwen! Overigens, wij gaan in de economische toestanden zulke groote veranderingen tegemoet, dat er volstrekt nog niet te voorspellen valt hoe precies de toekomstvrouw haar loonarbeid met haar moederplichten zal combineeren. Sommige staathuishoudkundigen zeggen dat men eenmaal tot de erkenning zal komen, dat nieuwe levens aan de wereld schenken en die opvoeden zulk een bij uitnemendheid gewichtig en nuttig werk voor de gemeenschap is, dat het niet langer aangaat de vrouw die die prachtige taak volbrengt, materieel absoluut afhankelijk te laten van den een of anderen man, die heel onvoldoende, slecht zelfs voor haar onderhoud zorgen kan. Men zal dan inzien, dat het onbillijk zou zijn om in die uiterst belangrijke periode van haar leven ook nog anderen arbeid van de vrouw te eischen, en zoo doende zou men er volgens hen, van zelf toe komen om op kosten van den staat, als je liever wilt van de gemeenschap, de vrouw te onderhouden, gedurende die jaren dat zij jonge kinderen heeft te verzorgen. Bij een niet al te groot gezin zou dat betrekkelijk maar een kort tijdperk hoeven te zijn, en op die wijze zou zij zich onafhankelijk en onbezorgd aan haar grooten arbeid kunnen wijden. Anderen daarentegen gelooven niet dat het zoo zal gaan, maar dat bij een algemeen korten arbeidsdag, geholpen door uitstekend ingerichte Fröbeltuinen en volmaakte crèches de vrouw zal kunnen voortgaan in haar betrekking, ook in den tijd dat zij kleine kinderen heeft, alleen nu en dan een groot verlof nemend, dat aan mannen nu toch ook dikwijls om gezondheidsredenen wordt toegestaan. Enfin, hoe zich dat alles schikken zal, moeten we afwachten, men kan er nu nog onmogelijk met eenige zekerheid profetieën over verkondigen, en ieder moet nog maar voor zich zelf individueel trachten een oplossing te vinden voor dit moeielijk probleem. Alleen dit is zeker, we gaan onherroepelijk die richting uit, dat de vrouw zich niet langer door den man zal laten onderhouden maar haar eigen brood zal willen en moeten verdienen! Gelukkig echter worden zulke nieuwe toestanden niet theoretisch door den een of ander uitgedacht, en op een goeden dag ingevoerd. Langzaam groeien zij op uit het verlangen en de behoeften van velen, zoodat de vrouwen zelf, voorgelicht door haar moederlijk instinct, veel zullen kunnen doen, zoodra zij in de regeeringszaken mede stem hebben gekregen, om de omstandigheden zoo gunstig mogelijk te maken om, zoo als ik, èn moeder èn arbeidster tegelijk te kunnen zijn.”
Isabelle zag peinzend, nog niet volkomen voldaan:
„Ja .… maar .… ken je de ouwe mevrouw Planting, die zoo tegen de emancipatie ijvert? Zij zegt altijd: de kinderen zullen te kort komen als de getrouwde vrouw gaat verdienen, omdat zij dan die eigenaardig weldadige koestering zullen missen, die de moeder alleen kan geven. Of geloof je daar niet aan?”
„Ja zeker wel!” zeide Marion warm. „Tenminste bij veel moeders, ook volstrekt weer niet bij allen. Generaliseeren is altijd zoo verkeerd! Maar ik ben overtuigd dat de weldadige inwerking van dien liefdegloed die van de moeder uitgaat, niet zoozeer afhangt van de quantiteit als van de qualiteit der uren, die de vrouw aan haar kinderen wijdt. Ik weet bijvoorbeeld, verscheiden dames die zich zelf houden voor toonbeelden van moederlijkheid, maar die, òf door haar mondaine plichtjes, òf door haar gesloof en gedraaf—en goeie Hemel, wat vergrooten ze haar drukte dikwijls nog door allerlei vooroordeelen en onpractische omslachtigheden—zoo moe zijn ’s avonds, dat, als de kinderen uit school komen, ze niets hooren dan: „Wees toch stil jongen, kinderen wat maak je ’n leven! Wat ben je toch lastig, zus!” En zoo gaat het voort! De kinderen worden afgesnauwd of stilgehoûen en in hun scherp kritische oogjes verliest het moederbeeld veel van zijn stralenkrans. Terwijl ik bijvoorbeeld, die ze toch het grootste gedeelte van den dag niet zie, altijd weer even verrukt en verkwikt ben als ik de kleine vrouwtjes weer bij me heb. Het is voor ons altijd opnieuw een feest, als we samen zijn, niet waar, Daisy? en ik durf gerust voorspellen dat mijn invloed op de kinderen, het gevoel van mijn liefde, sterker bij hun zal zijn dan dat heel dikwijls het geval is in gezinnen waar de vrouw den heelen dag in haar huishouden bezig is. En waarom ook niet? Vaders, die maar enkele uren aan hun kinderen kunnen wijden, hebben toch immers ook wel eens méer invloed op hen, dan de moeders die voortdurend bij hen zijn!
Ziezoo, ben je nou voldaan, nieuwsgierig meisje? Je ziet wel, dat al verdien ik voor ze mee, de roosjes niet minder mooi bloeien op de koontjes van mijn kleine deugnieten!”
En ineens, met een beweging van hartstochtelijke innigheid nam Marion Noorman het kindje op en hield het op haar schoot, het knuffelend en kneuterend en kussend in jubelende weelde, tot het het uitkraaide van pret.
„Maar Marion, wat vindt je man er van, vindt die ’t eigenlijk wel goed?”
Marion kleurde, en langs haar voorhoofd steeg op eens een warme gloed van geluk, die haar oogen liet stralen:
„Mijn man? O! die is erg trotsch op me, veel te trotsch, zie je, want het beteekent immers niks! Alleen zou hij wel graag zelf iets meer verdienen, dat ik niet zóóveel les behoefde te geven. Want het zingen zou ik nooit laten; dat is nou eenmaal een talent, dat me is toevertrouwd om er mee te woekeren, en dat ik dus niet begraven mag. De schatjes zouden het mij later eerder verwijten, dan er mij dankbaar voor zijn. Maar al die lessen, begrijp je, zijn wel wat vermoeiend soms en die doe ik alleen voor de Levensverzekering. Maar ik zeg altijd tegen René: Tob er nou toch niet over, man! Iedereen moet zich wel es vermoeien! En ons leven, zooals het nu is, is immers zoo heerlijk, dat je heusch niets meer verlangen kunt! Het volmaakte bestaat eenmaal niet, en o! je weet niet hoe innig, innig gelukkig we zijn!”
Zij haalde diep adem, alsof ze haar borst wilde uitzetten om zooveel geluk te omvatten, en liet haar hoofd even rusten op Daisy blonde bolletje. Toen liet het kind, dat al dien tijd Belle met nieuwsgierig bestudeerende oogjes had opgenomen, zich op den grond glijden, en dribbelde weg naar het hoekje in de andere kamer waar Nelly weer zat te spelen. Marion zag haar na, met haar verrukten moederglimlach, maar toen, de weelde-emotie, die in haar opzwol terugdringend, dwong ze zich haar volle belangstelling weer naar Belle te voeren:
„Foei, wat laat je me vandaag ’n boel over ons zelf praten. En ik heb je nog niet eens m’n gewichtige voorstel gedaan.”
„O ja, dat voorstel, is het zoo gewichtig?”
„Ja zeker! Dus, je begrijpt, in December en Januari kan ik niet gaan zingen, nietwaar? Maar nou ken ik nog al goed de directeuren van die zangvereenigingen en sommige leden van het bestuur, en als ik hen nou schreef dat ik niet kan komen, maar dat ik jou aanbeveel in mijn plaats, geloof ik wel dat ze je zouden vragen .…”
Isabelle werd heel bleek, haar gezicht éen passie van luisteren.
„Mij?” zeide ze heesch.
„Ja, ik denk dat het best zal gaan. Natuurlijk, je moet nog hard studeeren deze maanden, en we zullen samen de partijen doornemen, maar dan kun je het gerust doen. Ze zullen je ook wel niet de som geven, dat spreekt van zelf, die ik zou hebben gekregen, maar dat is minder. Als ze je maar laten komen en je ’n klein honorarium geven, is het al heel veel!”