Note 1 — Front matter (continued 6)
Reading edition
„Er is in den laatsten tijd heel veel geschreven en geroepen over het onrecht dat de man aan de vrouw heeft aangedaan, alsof het twee vijandelijke abstracte machten waren, die elkaar voortdurend trachtten te doen lijden, in plaats van levende individuen, wier levens, dan in liefde, dan in haat, in elkander grijpen. Natuurlijk, daar aan de eene kant de macht, aan de andere de afhankelijkheid was, is er veel misbruik van macht geweest bij den man, daar was hij mensch voor, maar hem ’n verwijt van die macht te maken is dom en erg onwijsgeerig. Dat hij de macht had is ’n bewijs dat het zoo zijn moest, dat het een noodwendigheid der tijden was! Soms wordt het tegenwoordig bijna voorgesteld alsof in den oertijd de man tegen zich zelf had gezegd: „ziezoo, nu zal ik voortaan de baas zijn en de vrouw, zooveel ik kan onderdrukken!” Natuurlijk zijn bij den primitieven onbewusten mensch de verhoudingen ontstaan, zooals die ontstaan moesten, geboren en gevormd door de omstandigheden, de oogenblikkelijke belangen van het ras. En zoo is het ook met de latere tijden. Elke eeuw leeft alleen bij het schijnsel van haar eigen licht. Men kan evengoed aan de vroegere eeuwen verwijten dat zij de stoom en de electriciteit niet hebben gekend, als dat ze slavernij hebben gebillijkt, oublietten, foltertuigen en brandstapels hebben gehad en de vrouw hebben vernederd. Elke tijd heeft zijn eigen ideaal, zijn eigen doel, zijn eigen sociale opvatting, en wie de maatstaf van negentiendeeeuwsche rechtvaardigheidstheorieën en humanisme wil aanleggen aan vervlogen tijden, doet eenvoudig iets ontzettend doms. Maar nu men in deze eeuw, voor wie blijkbaar de taak van sociale rechtvaardigheid is weggelegd, het duidelijk heeft ingezien dat de vrouw ontvoogt behoort te worden, hoor je aan alle kanten klachten en verdenkingen tegen den man. Telkens ontmoet je dames die over de zelfzucht en tyrannie van den man met verontwaardiging zitten te praten, zoodra er van misstanden in de maatschappij sprake is, maar weet je wat ik dan denk? Dat de tijd is gekomen, dat wij niet langer anderen mogen aanklagen, maar ons zelf behooren af te vragen, wat deden wij, vrouwen, voor onze zusters? Ken je de droomen van Olive Schreiner?”1