← Table of contents
Hilda van Suylenburg

Front matter (continued 4)

Reading edition

„Liefste, hoe onverstandig van je! in bed te willen blijven, jij nog wel, die honderden door werken getroost en genezen hebt! Je hebt me verleden immers nog à propos van Mientje van Herkelens gezegd hoe het ongeluk voor zooveel vrouwen juist daarin ligt, dat zij al den tijd hebben om zich in haar leed te koesteren als ’t ware, en te verdiepen, te verdiepen, tot ze er in weg zinken en nooit meer naar de oppervlakte kunnen stijgen! Ik ben heel blij dat je vanmorgen plichten heb, die je wachten, en zieken die je genezen moet en een massa menschen waar je voor denken en handelen en leven moet!” Corona antwoordde niet, maar begon langzaam op te staan en zich te kleeden.

Een poosje zwegen zij. Marguérite was bij het raam gaan zitten op den eenigen stoel die er was, want het kamertje was klein en blijkbaar werd het alleen gebruikt om in den kortst mogelijken tijd door slaap en koud water de verbruikte krachten te herwinnen.

„Cora!” zeide Marguérite aarzelend. „Ik begrijp heel goed dat jullie erg ongelukkig bent, maar, misschien is het toch eigenlijk maar een wachttijd. Als Frank veel geld heeft verdiend, kan ie die vrouw misschien wel afkoopen, ik bedoel haar een groote som beloven als zij scheiden wil. En als zij maar ééns wil, zijn er wel middelen te vinden om een scheiding gedaan te krijgen!”

„Misschien wel,” zeide Corona mat, nog te veel geslagen om er in te gelooven. Toen legde ze op eens de kam neer en stond voor Maggy, de zwartzijden haren neerstroomend aan beide kanten van haar hoofd als nonnensluiers die het bleeke gezichtje nog witter maakten:

„Maggy, weet je wat ik daar denk?”

„Nee, wat dan?”

„Dit is de formule die we gezocht hebben voor vrouwenemancipatie: De vrouw hebbe het recht om mee te werken aan de wetten die eenmaal op haar leven en dat van haar zusters en dochters een beslissenden invloed kunnen uitoefenen!”

„De formule is niet goed,” zeide Marguérite. „Want ze geeft alleen maar ’n klein gedeelte van ons streven terug.”

„Dat is ook zoo, maar mij dunkt dat dit toch wel, voor de menschheid, één van de groote weldaden er van zal zijn! Als je wist in hoeveel huishoudens ik kom, onder alle standen, waar betere echtscheidingswetten, een redding van zedelijkheid en waardigheid zouden zijn geweest, als je al het leed kondt zien, al de zonde, zooals ik ze van nabij heb gezien, voortkomende uit dat onverbreekbaar saamverbonden zijn van twee levende elementen, die niet meer door den tooverband van affectie zijn vereenigd, dan zou je ook zeggen .…. enfin, en dan nog al de andere verouderde wetten, die betrekking hebben op onzen rechtstoestand .…. Geloof je niet, dat, als er vrouwen-kiezers, vrouwen-afgevaardigden waren, die hadden zien lijden of zelf hadden geleden, zooals ik het heb gezien en gedaan, er heel wat flinker zou worden aangepakt om de toestanden te verbeteren?”

„Natuurlijk,” zeide Marguérite, glimlachend, „ik geloof zelfs dat als de wetgevers bijvoorbeeld alleen uit vrouwen bestonden, er veel te gauw aangepakt zou worden. In de meesten van ons zit iets van de Hollandsche huisvrouw, die, als ze wat stof op een meubel ziet, en zoo gauw geen stofdoek bij de hand heeft, haar zakdoek of schort zal gebruiken, gehoorzaam aan het instinkt om elke onreinheid onmiddellijk te verwijderen. Moreel zouden wij dat ook doen en onder onze absolute heerschappij zou dus de wereld zelfs misschien veel te hard vooruitloopen, bijna op hol gaan.”

„Maar daarom ook is immers een bestuur bestaande alleen uit vrouwen of alleen uit mannen, altijd nadeelig voor de gemeenschap!” zeide Corona. „Physiek zijn man en vrouw twee equivalente deelen van het menschtype, nietwaar? Zij zijn precies gelijk, de een kan zonder de andere niet voortbrengen, alleen door hun vereeniging blijft het ras in stand en is er een toekomst mogelijk. En die zelfde wet geldt ook, moet gelden in de moreele en maatschappelijke verhoudingen. Alles wat tot stand komt door samenwerking van mannen en vrouwen moet noodwendig vruchtbaarder, rechtvaardiger, evenwichtiger zijn, dan wat een van de beide geslachten alleen heeft gedaan.”

„Getuige ons wetboek!” riep Marguérite. „Maar er is immers ’n commissie bezig geweest het te herzien, nietwaar?”

„Ja, een commissie! .…” antwoordde Corona met voor het eerst iets als een lach. „In 1880 is die aangesteld, maar ik hoor dat die herziening niet veel verbetering behelst en wanneer zal dat ontwerp eindelijk es in behandeling komen?”

Beiden zwegen een lange poos, terwijl Marguérite zich in stilte verheugde dat zij gekomen was, en Corona had kunnen opwekken uit haar eerste diepe neerslachtigheid. Zoodra zij zich maar weer kon verdiepen in die vragen, waaraan zij haar leven gewijd had, zou ze weer meester zijn over haar eigen leed. Niets is zoo machtig om eigen smart op den achtergrond te dringen als het zich hartstochtelijk absorbeeren in een groot algemeen belang. Het werkt als een hefboom, ons oprichtend uit de diepten van zelfmedelijden en zelfzuchtig neerzitten. Dankbaar zag Marguérite hoe langzamerhand onder het voortdenken, Corona’s loome lusteloosheid verdween en de oude rustige veerkracht in hare bewegingen terugkeerde.

„Weet je wel Maggy,” zeide Corona eindelijk, „dat over vijftig jaar de heele wereld zal lachen om al dit geschrijf en gepraat voor en tegen de vrouwenemancipatie. Het jongere geslacht zal er niets meer van begrijpen, en het zal er om lachen, zooals wij nou zoûen lachen als er brochures en boeken vol werden geschreven om te bewijzen dat ’n huisgezin waar een lieve intelligente moeder de zorgen voor haar kinderen met den vader deelt, oneindig completer, gelukkiger moet zijn dan eén waar zoo’n moeder ontbreekt. En dan te denken dat het nog zooveel moeite kost om de menschen te laten begrijpen, dat het in het groote huishouden van den staat of van de gemeente precies hetzelfde is!”

Corona was klaar en samen, de armen om elkaar heengestrengeld, terwijl Marguérite, die zooveel kleiner was, haar hoofd op Corona’s schouder liet rusten, daalden zij de trappen af naar de smalle ontbijtkamer beneden.

Het was de houding die kostschoolmeisjes zoo gaarne aannemen, een houding van teederheid en vertrouwen, waarbij gewichtige kleine geheimen zoo makkelijk worden uitgesproken; en Cora en Maggy, van af die eerste tijden van haar vriendschap, toen zij zooveel jonger waren en deze omstrengeling voor haar weinig expansieve naturen een groote liefkoozing beteekende, hadden zich aangewend om dikwijls zoo te loopen. Iets van veiligheid en troost lag er in, om steunend op elkaar, zoo samen voort te gaan.

Ottilie van Heemeren lag uitgestrekt op de rustbank in haar boudoir en telde de geschilderde bladeren van den rand van het plafond. Het regende dien morgen, zoodat zij haar plan had moeten opgeven om naar het strand te gaan, waar zij wist dat zij van Smaarth zou ontmoeten. Een oogenblik richtte zij zich op: Zou ze toch maar gaan? Met den dikken wollen regenmantel? Zij zag naar de lucht, een vale hemel vol grijze waterdampen, waaruit het eindeloos scheen te zullen neerstroomen; zelfs de bontvroolijke kamer, met al haar weeldegeschitter, zag er kil uit op dit oogenblik, en zuchtend liet zij zich weer neervallen. Zij trachtte zich nu het strand voor te stellen, zooals het er uit moest zien, de effen geelgrijze lucht en daaronder het woelende water, koud, grijs met zwarte strepen, en hier en daar een witte schuimkop, die schuim, die in de zon zoo lachend kon schitteren en dansen, maar bij zulk weer angstig opfladderde als voortgejaagde schimmen. De natkoude wind en de druipende stoelen op hoopen bijeen gezet en hier en daar ’n badgast, die door de uiterste verveling gedreven of door aandoenlijke gehoorzaamheid aan het woord van den dokter, om toch zooveel mogelijk van de zeelucht te profiteeren, zich onder oude verschoten mantels en sjaals heeft bedolven, en verkleumd en verwonderd den voorbijganger aanstaart. Huiverend rekte ze zich uit op de sofa: „’n mooie plaats om te flirten, zoo’n druipnat strand! Misschien is van Smaarth ook wel zoo wijs geweest om niet te gaan! Maar hij zal het niet hebben durven laten om de mogelijkheid dat het weer opklaarde, en ik toch nog kwam. Poor fool! pauvre petiot: onder zulk weer samen alleen op het strand zou toch wel wat heel compromettant zijn geweest! Als ie dat niet begrepen heeft moet ie voor z’n straf ook maar ’n paar natte uurtjes op de uitkijk staan!”

Zij glimlachte, het wreede sfinxenlachje. De dwaze figuur van dien wachtenden minnaar onder een parapluie verdreef een oogenblik de drukkende verveling. Toen begon ze weer onwillekeurig de bladeren op het plafond te tellen: dertien, veertien, vijftien! Maar waar moest dat romannetje met Johnie nou toch eigenlijk op uit loopen? „Soms geloof ik, dat het hem ernst begint te worden. Wat heeft ie zacht krulhaar en vreemde oogen! Dat is zijn charme, geloof ik, die donkere, vreemde oogen.”

Zij stond op en liep doelloos door de kamer, de handen op den rug. „Zou het dan eeuwig blijven regenen? O! dat gevoel van namelooze verveling! Zij nam haar boek op, dat half opengesneden was: „Mensonges” van Bourget. Maar dadelijk legde ze het weer neer. Er was iets in de volkomen, en toch bijna onbewuste demoralisatie dier Susanne Moraine, dat haar dien morgen ondragelijk was. De beschrijving der verfijnde dierlijkheid, van het als ’t ware spelend neerzinken dezer vrouw, tot de uiterste depravatie, maakte haar zenuwachtig. Er spatten vonken uit, verlichtend dingen in haar eigen leven, die zij liever in donker liet. En weer liet ze zich achterover vallen op de rustbank. Het was de gewone geschiedenis: door lusteloosheid kwam ze tot nietsdoen en door nietsdoen werd de lusteloosheid hoe langer hoe drukkender. En wat zou ze ook doen? Een oogenblik nog kwamen er een paar grappige gedachten, zooals door regenwolken een valsch waterzonnetje breekt; maar voor wie gewend zijn met haar geest te schitteren in een kring van vleiende bewondering, is er weinig aantrekkelijks in om geestige dingen te bedenken in eenzaamheid. Weer daalde verveling op haar neer, grijze, oneindige, en juist haar intellectueele gaven en de bloeiende gezondheid van haar jong lichaam, maakten die nog gevaarlijker, omdat zij de doffe uren opvulden met hartstochtelijke verlangens naar leven en genieten, zooals zij nog nooit geleefd en genoten had. Dat genieten, zooals zij het zich nu voorstelde, alleen korte oogenblikken kan geven van koortsigen gelukswaan, zonder bevrediging, zonder verzadiging zelfs, waarna het ontwaken komt vol desillusie-bitterheid, en dat levensvoldaanheid alleen wordt geboren uit ernstig arbeiden voor iets dat ons lief is, dat ons met bezieling vervult, waren waarheden, die niet in het bereik lagen dier jonge vrouw, nog in den bacchantenroes harer ijdelheid. Als madame Bovary, en al hare zusters over de geheele aarde, een druk vroolijk huishouden van tien kinderen hadden gehad, of zich aan de zieken van haar man hadden gewijd, of uit armoede hadden moeten les geven aan de dorpsschool, zouden zij hoogst waarschijnlijk niet gezondigd hebben. Eerst een gewone meisjesopvoeding, waarbij, door het stelselmatig eenzijdig ontwikkelen van het gevoelsleven alleen, het natuurlijk evenwicht wordt verbroken tusschen verbeelding en logisch beschouwen, daarna een bestaan zonder doel, zonder werk, waarop de volwassen levenskrachten kunnen worden geconcentreerd, is het wonder dat zoovele vrouwen de holheid van haar bestaan trachten op te vullen met de prikkelende emoties van ongeoorloofde verhoudingen?

Een half uur lag Ottilie stil achterover, terwijl de gedachten kwamen en gingen, vluchtig en toch duidelijk zooals in droomen, over briefjes die zij schrijven moest, over een gebroken armband, over vleiwoorden, die men haar gezegd had, over van Smaarth, over het nieuw zijden kleed, blauw met Brusselsche kanten, voor Valérie Vermaezen’s bruiloft, over een zelfmoord in de courant, over Rooselaar’s hardnekkige blindheid om niet te zien dat Corry met hem speelde, allemaal onderwerpen geschikt om met kennissen uren lang te bepraten, maar armzalig gezelschap op een regenmorgen, alleen. Soms met een loomen armbeweging nam zij een bonbon van het tafeltje naast haar, fondants met liqueur er in. Het was verbazend hoeveel zij den laatsten tijd daarvan gebruikt had. Maar dit voorjaar, nu de maalstroom van amusementen wat bedaard was, waren er zooveel van die leege uren, en telkens als ze zich verveelde kreeg ze zoo’n flauw hongergevoel, waartegen de liqueur-bonbons moesten helpen.

Eindelijk werd er gebeld. Zij luisterde met kinderachtig verlangen. Zou het maar een leverancier zijn? of ’n afleiding, ’n briefje, ’n visite? Met een gevoel van bevrijding sprong ze op, toen Gladys van Praege en haar beide kinderen even daarna binnen kwamen.

„Hoe gezellig, dat je de kinderen hebt meegebracht! kom je ’n beetje rustig praten? Dag broertje! Hé, wat ’n frissche wangen!”

De kleine Hajo liet zich gewillig kussen en ging naast haar op de sofa zitten, vertrouwelijk spelend met de ringen van haar linker hand. Kleine Mary stond schuw naast haar moeder en keek scherp onderzoekend naar Ottilies zware zwarte haar.

„Hoe vreeselijk toevallig, dat je vanmorgen juist aankomt?

Ik had je net ’n briefje willen schrijven of je vanavond met je man kwam theedrinken?”

„Mogen we liever een andere avond? Vanmiddag krijg ik juist m’n zuster uit Amerika te logeeren, je weet wel Maud, de oudste, en zoo’n eerste avond zoûen we liever stil samen thuis blijven, dat begrijp je wel, nietwaar?”

„Natuurlijk. Maar hoe heerlijk voor je. Je hebt haar zeker in lang niet gezien?”

„Nee, niet sinds m’n huwelijk. Ze kon nooit overkomen omdat haar betrekking zoo druk is. Je weet ze is eerste geneesheer aan ’t groote hospitaal van Washington. Maar nou heeft ze ’n jaar verlof gevraagd om een beetje op rust te komen en wat van Europa te zien en ze zal nou bij me blijven tot .… de kinderen ’n nieuw broertje of zusje hebben gekregen .…”

„O! .… zoo, zoo .… wel .… dat is heerlijk voor je! Is je zuster al in Engeland?” Een nuance van ironie lag in Ottilie’s stem.

„Ja gisteren heb ik ’n telegram uit Liverpool gekregen, en vanmiddag wacht ik haar hier.”

„En wat zegt je man er van dat je nog zoo’n derde lastpostje gaat krijgen?”

Gladys kleurde even, met een flauwen glimlach; zonder te antwoorden zag zij het raam uit.

„We zijn geen laspossen van mama!” zeide kleine Hajo, haar strak aanziende, ernstig, met ronde verwonderde kinderoogen. „We zijn mama’s Arlis en papa’s laspossen.”

„Mama’s Darlings, meent ie zeker,” legde Gladys uit en weer steeg langs het doorzichtige teint een roode gloedgolf. „En papa noemt ze misschien wel es lastpostjes voor de grap.”

Ottilie lachte. Zij begreep er alles van. Den vorigen avond was van Praege op het Kurhaus bij hen komen zitten; zij hadden zich uitstekend samen geamuseerd, en zij kon het niet helpen, zij lachte, zij vond er iets belachelijks in, dat dat naïeve schepseltje daar nog zat te probeeren om de hoe langer hoe duidelijker wordende scheuren te bedekken van de bouwvallen van haar huisgeluk.

En terwijl Gladys, in de blijheid van haar zusterweerzien voortsprak, levendiger dan gewoonlijk, zat Ottilie met haar raadselglimlach en koude oogen, en nam het blonde kopje in koele analyse op, zich afvragend, waarom zulk een bekoorlijk vrouwtje, dat zooveel bewonderaars kon krijgen als ze wilde, haar man bleef voorspreken en treurend bij de kinderen thuis zat, in plaats van zich van haar kant ook te amuseeren.

Hoe dat amuseer-leven haar zelf juist nog een oogenblik te voren tot vervelingswanhoop had gebracht scheen ze zich niet meer te herinneren, en zoo als allen, die gewend zijn weinig na te denken en naar een enkel individu een tallooze massa te beoordeelen, trok ze in stilte haar conclusie: „Wat zijn die Amerikaansche vrouwen toch onnoozel!”

Gladys stond op. „Nou kinderen, nog gauw ’n boodschap in de Pooten en dan naar huis.”

„Mag ik dit boek nog even uitzien?” zeide Mary. Zij was verdiept in Flora’s Feast van Crane en haar kleine feeënziel scheen geboeid door den feeëndans der bloemen. Een vreemd teer kind was Mary met intuïtief begrijpen van dingen, veel te zwaar voor haar klein-kinderziel van zeven jaren, die zich schuw droef soms kromde onder het gewicht van haar voelen. Gladys was dikwijls angstig over haar; er was een uitdrukking in de donkere grootdroomende kinderoogen, die haar ’s nachts kon doen opstaan om te zien of alles wèl was in het witte ledikantje en nooit zonder een gevoel van dankbaarheid zag ze haar lachen en spelen als een gewoon kind.

„Het regent zoo, laat ze maar hier tot je terugkomt, en haal ze dan even aan, je moet toch hier voorbij,” zeide Ottilie.

„Maar zullen ze ’t je niet lastig maken, die kleine kleuters? Wou je erg graag blijven, Mary?”

„O ja, mama, kijk es hoe prachtig! die man schenkt vlammen van de eene tulp in de andere; zeker bloemenvuur dat niet verbrandt, en ziet u es hier, dat engeltje met vleugels van crocusbloemen, dat een zonnestraal opvangt in een crocuskelkje!”

„Prachtig!” zeide Gladys, zich tot haar bukkend met die teere volle belangstelling, waarmede zij alles van haar kinderen tegemoet kwam. „Nou maar tot straks dan; zul je heel zoet zijn broertje?”

„Broer, kom ook es kijken,” riep Mary opgetogen bij een nieuwe bloem.

Maar de kleine jongen, door al het bonte speelgoed, dat hem tegenflonkerde in de tallooze luxevoorwerpjes, opgewonden, stapte rond op zijn kleine stevige beenen, de handjes voorzichtig opgeborgen in zijn zakken, de oogen vol schroomvallige begeerlijkheid.

„Kom es hier!” riep Ottilie, „kijk es wat ik hier heb!” En terwijl zij zich lachend in een laag satijnen fauteuiltje liet zakken, hield zij hem een van die karikatuurachtige Japansch-porceleinen poppen tegen, die met hun hoofd kunnen knikken en de tong uitsteken.

Hajo schaterde en kwam met uitgestrekte handjes op haar toe geloopen, maar met opgeheven arm hield zij het dingetje omhoog. Lachend de mond en ernstig de oogen, stond hij even stil, opziende tot het lokkende speelgoed, overleggend in zijn kleinen bol hoe het te bereiken. Toen op eens, met een grappig aanloopje van waggelende bedrijvigheid klom hij op haar schoot, met zijn handjes haar arm omklemmend om dien naar beneden te trekken. Maar plagend hield zij de pop stijf omhoog en een kleine worsteling volgde, voor haar een spel, voor hem een hartstochtelijk inspannen van al zijn krachten. Maar toen in eens, bij het voelen trappelen der kleine voeten in haar schoot, bij den druk der warme grijpende handjes op haar arm, bij het voelen wringen en bonzen tegen haar borst van het week buigzame en toch zoo stevige lichaampje, werd een troublant weeldegevoel in haar wakker. En in eens in een passie kwam het over haar.

Al de overspanning en verveling der laatste tijden, al haar drang naar een ongekend nieuw geluk, al haar onbevredigd voelen, loste zich in dit oogenblik op in een wild verlangen naar zoo’n klein lichaam dat haar zou toebehooren.

De opgeheven hand zonk neer, en Hajo jubelend zijn heerlijk kinderlachen greep het Japansche monster, maar zij, de armen om hem heen, hem vast tegen zich aandrukkend, bedekte zijn gezichtje, zijn handjes, zijn kleertjes met heete gulzige kussen.

Angstig, om het plotselinge, heftige der liefkozing, spartelde het kind om los te komen en in een oogwenk stond Mary naast hen, Ottilie’s arm in haar kleine nerveuze handen knijpend, totdat zij met een kreet van pijn de krampachtige vingertjes afschudde, maar tegelijk ook gleed Hajo van haar schoot.

„U mag broertje geen pijn doen! Ik zal het aan mama zeggen!” zeide het meisje, de vroegwijze kinderoogen vol verwijt.

„Jou kleine feeks, wat heb je me verschrikkelijk geknepen! Pas maar op, dat ik dàt niet aan mama vertel! Ik heb broertje geen pijn gedaan, is ’t wel, Hajo? Nee, zie je wel, hij schudt zelf van nee. Maar kom dan nog es even hier, kleine vent!”

Zij strekte de armen uit, in een groot verlangen nog eenmaal de weeldeprikkeling te voelen van straks. De drukking van het warme ronde lijfje tegen haar borst, had er op eens een koud gevoel achter gelaten: bijna physiek leed zij onder het plotseling leeg voelen van haar armen.

„Kom maar gerust, kleine kleuter, kom maar! Als je hier komt mag je het popje hoûen!”

En toen het kind schuw gehoorzaam naderde, trok zij hem wild op haar knieën, het gezichtje met heete hartstochtkussen bedekkend, in koortsige haast, want het was haar alsof ze een diefstal beging, een verboden geluk roofde, alsof zij zonde bedreef door het frischrose kinderhuidje onder haar brandende lippen te doen gloeien.

Maar het kereltje begon bang te huilen, en weer kwam Mary tusschen beiden:

„Mama wil volstrekt niet, dat we door vreemde menschen gezoend worden. Waarom neemt u zelf niet een eigen kindje om mee te sollen?”

Ottilie stond op, plotseling duizelig, met een brandend moe gevoel in haar hoofd. Zij zag het meisje aan, en een wreede woede, een krankzinnig verlangen welde even in haar op, om die mooie kinderoogen vol tranen te zien, haar te mishandelen. Toen lachte zij, het hoofd achterover en belde en tot de knecht die dadelijk verscheen:

„Och, Hendrik, neem die kinderen toch mee naar beneden; ze zijn me veel te druk en te lastig. Laat Mina maar op ze passen tot mevrouw van Praege ze komt halen.”

En zonder hen zelfs vaarwel te zeggen, duwde ze ongeduldig de kleinen de kamer uit en wierp zich voorover op de rustbank, uitbrekend in tranen.

Lang lag zij zoo, het hoofd voorover, haar kreunen van wanhoop smorend in het zachte witzijden kussen, weenend in al de wilde onstuimigheid harer ziel, zich overgevend aan haar leed, toomeloos zooals zij het aan haar amusementen deed.

Eindelijk werd ze gewekt door een zachte hand, die haar streelend over het hoofd gleed. Zij schrikte op, boos dat zij gestoord was, angstig dat iemand haar zoo had gezien, maar toen zij Corona van Oven had herkend, legde ze zich weer neer, gerustgesteld en schreide voort, maar nu toch kalmer.

„Wat is er Tilie, wat is er gebeurd?”

Zij schudde het hoofd zonder op te zien.

„Gelukkig, ik dacht dat er iets vreeselijks was, toen je me niet hoorde binnenkomen en ik je zoo zag liggen. Kom bedaar nou maar, en laat er ons samen over spreken, wat is er voor verdriet? Als het niet erg is, moet je je ook niet zoo opwinden! Kom, vertel het me nou maar!”

Maar Ottilie lag onbewegelijk, mokkend het gezicht verborgen, alsof zij nooit meer zou willen opzien.

Corona glimlachte en zette zich rustig naast haar neer. Zij kende haar patiënten en gewild vroolijk hernam zij:

„Kom Tilie, wees niet zoo kinderachtig; ik weet het immers al lang! Gisteravond wat veel champagne en hofmakerij en vandaag hoofdpijn en tranen. Het is de eeuwige afwisseling van opwinding zonder geluk en depressie zonder verdriet, waar jullie wereldvrouwtjes je leven mee verknoeit.”

Ottilie kwam dadelijk overeind, gekwetst door Corona’s spottoon, waar zij medelijdend beklag verwacht had:

„Hoe leelijk van je, Cora, om te zitten lachen als je me ongelukkig ziet. Ik heb gisterenavond geen druppel champagne geproefd.”

„Wel, wat is er dan?” zeide Corona, voldaan over de uitwerking van haar toon.

„Wat er is? Gladys van Praege is net hier geweest met haar kinderen en toen ik zoo met hen speelde, kwam het ineens over me, hoe rampzalig leeg en doelloos m’n leven eigenlijk is? Waar besta ik voor? Waarom ben ik op de wereld? Je denkt dat ik me amuseer, maar dat is een leugen, ik ben rampzalig, Corona, versta je? Ik verga van verveling en van heimwee naar iets anders! O! ik wou dat ik maar dood was! Ik kan me best begrijpen dat zooveel menschen tot zelfmoord komen!”

Corona zat stil en zag aandachtig naar de gebogen gestalte, welke nu en dan een hijgende snik nog doortrilde. Nu ruim een jaar geleden had zij juist zoo’n scène met haar doorgemaakt, met dezelfde wanhoop en dezelfde klachten. Zij had haar toen volkomen au sérieux genomen, geloovende in de waarheid van haar verlangen naar iets beters en zij had met haar gestreden, haar gesteund met raad en liefde: deze jonge vrouw was te intelligent, van nature in alle opzichten te rijk aangelegd, meende ze toen, om in oppervlakkige genotzucht onder te gaan. Maar kort daarna was Ottilie naar Zwitserland vertrokken met koffers vol nieuwe toiletten, en bij haar terugkomst had ze zich met hartstocht weer in het oude ijdele leven teruggeworpen, toen had Corona zich stil terug getrokken, tegen Marguérite van Arkel haar teleurstelling aldus uitdrukkend: „Zij behoort tot de velen die door de natuur goed maar door hun opvoeding slecht zijn gemaakt. Als men van haar geëischt had een mensch, een ernstige vrouw te worden, zou ze het geworden zijn, nu heeft men van haar geëischt een pop, een bekoorlijk luxevoorwerp, een ornament van een rijk huis te zijn, en ze is het geworden, te zwak om zich een ander ideaal te kiezen dan ’t welk men haar altijd heeft voorgehouden!”

En nu, na al die maanden was dezelfde wanhoop weer daar! Zou ze haar nogmaals au sérieux nemen? of was het niets dan verveling met een beetje voorjaarssentimentaliteit, die haar zoo liet spreken? of een uiting van naïef zelfbedrog om in haar eigen achting en die van Corona te stijgen, door zich als martelares van haar fladderleven voor te stellen?

Een oogenblik doorkruisten deze beschouwingen de gedachten der jonge doktores. Zij kende de vrouwen. Zij wist dat er wanhoopswoorden zijn die uit ijdelheid voortkomen, en dat er ijdelheidswoorden zijn die wanhoop beteekenen, en ze besloot voorzichtig te zijn maar toch in ernst en vertrouwen te antwoorden.

„Wat spreek je toch van zelfmoord, Tilie, natuurlijk kun je je die voorstellen, want zoo’n leven als jij nou leidt, van overprikkeling en zoeken van genietingen waarvan op den bodem walging ligt, brengt daar heel makkelijk toe! Maar je bent nog jong genoeg, om liever je leven te veranderen dan zulke groote woorden te kermen.”

„Ik kerm geen groote woorden!” zeide Ottilie wrevelig, „maar je wilt me niet verstaan. Ik zeg niet dat ik me vermoorden wil, maar dat ik wou dat ik al dood was! Zoó kan ik niet langer voortleven.”

„Ik wou dat je dat waarachtig meende, dat je zoo niet langer leven wilt! Maar ik heb dat al door zoo veel vrouwen en meisjes hooren zuchten, maar iets doen om anders te gaan leven willen ze niet.”

„Wat moet ik doen?” zeide Ottilie aarzelend, want ze voorzag het antwoord.

„Werken! Tilie! Weet je niet meer dat ik het je verleden jaar ook gezegd heb? Werken voor iets dat je bezielt of voor iemand! Het is het eenige remedie voor al de kwaaltjes van wuftheid en zonde en wanhoop en verveling en zenuwachtigheid, die de vrouwenwereld verwoesten.”

„Maar wat zal ik werken? Ik heb me verleden jaar in drie besturen van liefdadige vereenigingen laten kiezen, en ik heb in twee commissies voor Bazaars gezeten, maar wat geeft dat?”

Corona glimlachte. „Ik spreek niet van bestuurtjes en vergaderingetjes, maar van werken. O! die naïefheid van dames om zulke administratieve bezigheidjes werk te noemen! Werk voor een volwassen mensch in de kracht van zijn leven, is heel wat anders.”

„Maar wat voor werk zou er voor mij zijn? Eens ben ik es armenbezoek gaan doen, verleden Januari, was het, geloof ik, omdat ik gelezen had dat het in dezen tijd zoo noodig is dat de hoogere en lagere standen elkaar leeren kennen. In de Lage Nieuwstraat woonde een arme vrouw, die wel es bij me bedelde en ik had gehoord dat ze erg vuil was, maar verder heel fatsoenlijk, zoodat ik er wel naar toe kon gaan, maar.….”

„Natuurlijk!” zeide Corona, in bijna onbewuste bitterheid, „als ze niet fatsoenlijk was geweest zou je er niet heen zijn gegaan. Dat was al dadelijk iets dat je kondt leeren uit dat bezoek, dat de zedelijkheid in de lagere standen altijd angstvallig wordt nagegaan vóór we zoo goed zijn tot hen neer te dalen, terwijl we al bitter weinig streng zijn voor de heeren en dames, die we aan onze tafel ontvangen, als ze tenminste de vormen maar zoowat observeeren.”

Maar Ottilie scheen niet geluisterd te hebben, en ging voort, vervuld met haar eigen verhaal:

„Ik had een speech klaar gemaakt over zindelijkheid, en bonbons voor de kinderen meegenomen. Heusch, Cora, ’t was heilig m’n bedoeling daar goed te gaan doen. Maar je kunt niet gelooven wat ik ondervond. Eerst al, toen ik nog rondzwierf in het labyrinth van de Lage Nieuwstraat om het huis te vinden, kwamen overal vrouwen aan de deuren om naar me te kijken; ’t was ’n soort van opschudding in dat vunzige wereldje. Sommige keken vol wantrouwen naar m’n toilet, een riep me hatelijke geestigheden na, en toen kwamen er ’n paar met benauwende familjariteit vragen waar ik zijn moest, en toen ik den naam genoemd had, waren ze ’t oneens over het nummer, en begonnen ruzie met elkaar te maken in woorden die ik nooit gehoord had. En eindelijk toen ik m’n menschje gevonden had, en wou binnengaan, dankbaar om even aan al die nieuwsgierigheid te ontsnappen, o! foei, je kunt niet begrijpen wat ’k daar voor ’n toestand vond. Op de kachel stond ’n pot met aardappelen en uien, en ik die geen uienlucht kan verdragen! In de bedstee lagen twee vieze kinderen, éen met een vuurrood gezicht vol pukkels en de bedstee was zoó, dat ik er me nooit in zou hebben durven neerleggen, al had ik moeten omkomen van den slaap. In den anderen hoek bij de tafel stond de vrouw wasch te stampen, en uit haar tobbe steeg een dikke walgdamp, een weeë verpestende damp van vuil goed en zeepsop. Ik wou de deur achter me openlaten voor ’n beetje versche lucht, maar dat mocht niet: geen graadje warmte mocht verloren gaan, en ’n lange magere jongen, zoowat van een jaar of zestien met nare glinsteroogen, die zeker op het uiendiner stond te wachten, gooide met ’n bons de deur achter me toe. Ik begrijp nog niet dat ik toen niet dadelijk ben weggeloopen, maar ik had toch het gevoel dat ik iets zeggen moest en ’k begon een paar woorden uit m’n aanspraak over zindelijkheid maar daar valt me die lange bengel in de rede—later heb ik gehoord dat ie een van de belhamels is onder zoo’n troepje opgeschoten socialistische jongens—en die zegt: „Wel mevrouw, als u onze wasch voor uw rekening bij uw bleeker wilt laten wasschen, ik beloof u dat moeder het dan hier veel zindelijker zal hoûen en ’t hier niet meer zoo stinken zal!” Het was verschrikkelijk brutaal, natuurlijk, maar op dat oogenblik had ik het gevoel dat hij groot gelijk had, en dat, als men zulk voedsel moet eten, en moet wasschen en slapen en zieke kinderen oppassen, alles in éen kamertje, het ridikuul is om over zindelijkheid te preeken. Zoo gauw mogelijk ben ik weggegaan, maar toen was ik ook meteen overtuigd dat ik totaal ongeschikt ben voor armenbezoek!”

Corona lachte even.

„Dat wil ik wel gelooven! Geen moeielijker werk dan armenbezoek en zeker niet geschikt om door rijke dames in een verloren oogenblikje als tijdverdrijf gedaan te worden. En toch is het jammer, dat je het nog niet eens een paar maal geprobeerd hebt, want de lagere standen hebben het zoo vreeselijk noodig om van de hoogere standen te leeren, maar de hoogere standen hebben het nog veel meer noodig om van de lagere te leeren. Als de rijken maar eenmaal in konden zien dat de zonden der armen voortkomen voor een groot deel uit hun ellendige woningen, voedsel, opvoeding en de afschuwelijke voorbeelden, die hen van jongs afaan omringen, dan zoûen ze, als het dan niet was uit barmhartigheid, tenminste uit zelfbehoud de hand slaan aan die broeiplaatsen van misdaden en ziekten!”

Ottilie begon onrustig met haar spitse blanke vingers te spelen, ze vond het vervelend als Corona zoo heftig over die dingen sprak.

Een poosje zaten ze zwijgend. Toen hervatte Corona:

„Kom Tilie, kun je nou geen enkel werk bedenken, waar je lust in zoudt hebben? Is er nou niks, waar je es bijzonder belang in stelt? Armenbezoek is toch niet het eenige wat je doen kunt? Waarom zet je niet es flink door met schilderen.”

Maar Ottilie schudde het hoofd, en bij het weer terugkeeren tot haar eigen leed begonnen op nieuw tranen te komen:

„Ik schilder niet meer! Ik wil nooit meer schilderen! Ik heb het me vast voorgenomen verleden week. Ik doe toch niks dan prullewerk, en daar is al genoeg geknoei in de wereld.”

„Nou ja, dat je genoeg hebt van dat kunstgeliefhebber, begrijp ik best, maar als je ’t es heel ernstig aanpakte, heelemaal als werk?”

„Daar kom ik toch niet meer toe, ik ken me zelf, en wat zou ik nog anders kunnen doen?”

„Ja, dat is zoo makkelijk niet te zeggen! Werk is er in overvloed, maar ’t kost ’n beetje inspanning om het te vinden. En je huishoûen.…”

„Och, m’n huishoûen, daar zeuren m’n man en m’n schoonmoeder ook altijd over. Maar als ik het eten besteld, m’n japonnen gepast, ’n paar boodschappen gedaan heb en van tijd tot tijd nog es ’n uurtje ben bezig geweest, heb ik zoo vreeselijk veel tijd om me te vervelen als ’t uitgaan niet druk is. O! als ik maar kinderen had!”—en zich plotseling voorover werpend, met de handen voor het gezicht, begon ze het uit te snikken.—„O! Cora, waarom heb ik toch geen kinderen! Het is zoo afschuwelijk wreed! Als ik kleine snoezige kinderen had zou alles heel anders zijn! Dan zou ik zelf ook wel beter wezen!”

Corona zag treurig neer op de ineengezonken gestalte, schokkend onder het wilde snikken. Een groote weemoed om dit verloren leven, dat zoo veel had kunnen zijn, kwam over haar, maar toen ze zocht om iets te zeggen, vond ze niets dan bittere woorden:

„Dat zou je niet, Tilie, het is zoo makkelijk om te zeggen, ik zou goed zijn, als ik had wat ik verlang, maar je zoudt net doen als zooveel anderen: eindelooze praatjes over kinderkleertjes, discussietjes over gortwater of havermeel, min of meer vertrouwde bonnes en gouvernantes en scholen zoeken, en spelen met de kleinen als eigen lust het ingeeft, dat is alles wat zooveel vrouwen onder hun moederplichten begrijpen, en dat zou jij ook, en op die manier zou je leven er ten slotte, al had je kinderen, niets rijker en mooier en gelukkiger om zijn!”

„Dat is niet waar!” snikte ze heftig.

„Ja, dat is het wel,” zeide Corona hard. „Je hebt het daar juist goed gezegd: snoezige kindertjes wou je hebben, om er mee te pronken en te spelen, maar als ze leelijk waren of gebrekkig of ziek, zou je ze gauw naar de kinderkamer zenden.”

„Het is niet waar, Corona! het is gemeen van je, om zoo tegen me te spreken. Als ik kinderen had zou ik heel anders zijn! Ik zou ’n goeie moeder zijn!”

„Een goeie moeder!” herhaalde Corona met een vreemd warme trilling in haar stem, die men alleen bij diepe ontroering van haar hoorde. Want het was plotseling in haar duidelijk geworden, hoe zoo ontelbaar vele kinderlooze en ongehuwde vrouwen, bewust of onbewust, dezen zelfden strijd hebben moeten doorstrijden, maar daarna hebben leeren inzien dat er voor haar in deze treurige maatschappij nog wel een andere mooie roeping dan kinderenkrijgen te vinden is, dat er nog wel ander werk is, waard om alle krachten en liefde aan te wijden. Hoe durfde dan deze wufte vrouw al de schuld van haar ijdel verloren leven aan haar kinderloosheid te wijten? En toch was er misschien iets waars in haar beweren; de wereld had van haar geëischt het verstandshuwelijk van gelijke geboorte met een veel ouderen man en daarna het leven van behagen en amuseeren—helaas, het vrouwen-ideaal in zulke kringen—en misschien was het waar dat zij alleen bij het licht van een paar kinderoogen een ander ideaal zou hebben ontdekt.

Toen steeg het oude mededoogen weer warm in haar op, de onvermoeibare liefde waarmede Corona alle lijden altijd weer opnieuw te gemoet kwam. Een gevoel dat dit wellicht een moment van invloed in Ottilie’s leven kon zijn liet gloeiende woorden haar op de lippen stijgen:

„Een goeie moeder, Tilie? Weet je wel iets van wat dat woord beteekent? Hoe heb je je al deze jaren voorbereid, wetend dat wellicht een kleine menschenziel aan je liefde zou worden toevertrouwd? Wat heb je met je lichaam gedaan, waarin een klein nieuw leven wellicht gewekt zou worden? Je hebt er wuft mee gepronkt en, wie weet, het misschien nog erger bezoedeld, in plaats, o God, van het heilig en rein te houden als een tempel, waarin geopenbaard zal worden het geweldige levensmysterie! Wat heb je met je ziel gedaan, wier leven één zal zijn met het ongeborene, wier invloed nog vóór de geboorte wellicht een beslissing zal zijn over heel een nieuw menschenbestaan! Heb je haar blank en heilig gehouden, als voor de wijding tot eene hoogepriesterschap? Want wat anders is het moeder zijn? Het kleine menschenkind wordt niet geboren om een elegant moedertje bezig te houden en haar van vervelingszonden te redden! Niet het kind is er voor de moeder, de moeder is er voor het kind, versta je, en wat heb jij gedaan om je voor te bereiden op de groote taak? Waarlijk, als je alleen kinderen verlangt om ze op te voeden tot wat je zelf bent, zou het barmhartigheid zijn ze niet in het leven te wenschen.”

Ottilie had bewegingloos toegehoord. Het snikken was in eens opgehouden als onder den zenuwdruk van intens luisteren. Corona kon het gezicht niet zien, het lag afgewend in de kussens, maar toen na een oogenblik geluidlooze stilte er geen beweging kwam, stond ze voorzichtig op en verliet de kamer. Als haar woorden indruk hadden gemaakt, was het beter de jonge vrouw alleen te laten, alleen met haar geweten en haar toekomst.

„Wacht, dokter, ik zal es effen kijken of uw rijtuig wel vóór is,” zeide Hendrik naar de voordeur snellend, zoodra hij haar de trap zag afkomen; maar toen ze vlak bij de deur waren, schrikte ze pijnlijk onder het krijschend geluid van de huisbel.

Paardengetrappel werd gehoord, de afrijwagen van van Smaarth stond buiten voor het huis en op de stoep de palfrenier, die een brief afgaf met de boodschap hem dadelijk aan mevrouw te brengen.

Angstig ontroerd zonk Corona neer in haar coupétje, en als in een onbewusten drang naar gebed vouwden zich haar handen. Hadden haar woorden ingang gevonden en kwam nu deze brief dit alles vernietigen? Waren die tranen alleen wat zenuwachtigheid geweest of lag de jonge vrouw op dit oogenblik te worstelen tusschen betere voornemens en de lokstem uit dien brief? Was dit wellicht het beslissende oogenblik van haar leven, een van die korte zeldzame oogenblikken, waarop de levensweg zich in tweeën splitst en de keuze soms over een heel menschenbestaan beslist? De twijfel, het gevoel van onmacht om te helpen, overstelpten haar even. O! al die strijd, al dat lijden, die zij altijd maar door om zich heen zag, en in zich zelf voelde branden! O! het moeielijke leven!

Maar het was maar een kort moment. Haar kinderlijk eenvoudige levensphilosophie, die haar door zoo heel veel leed had heengedragen: dat alle ellende tot hoogere volmaking dient, al wordt zij er dikwijls niet voor gebruikt, liet haar weldra weer het gewone energieke evenwicht hervinden.

Op de Heerengracht voor een der bovenvensters van een groot huis stond een bleek blond meisje, dat haar in het voorbij rijden hartelijk toewuifde. Het was de oudste dochter van Baron van Herkelens wier engagement met van Smaarth men den vorigen winter algemeen voorspeld had. Hij had haar in ’t oogvallend het hof gemaakt en sommigen zeiden dat hij haar in stilte gevraagd had en maar op de terugkomst zijner moeder uit het zuiden had gewacht om officieel zijn aanzoek bij haar vader te doen. Toen op een avond bij de Mureaux, waar het meisje niet bij was, had hij met Ottilie van Heemeren gesoupeerd en van af dat oogenblik was alles geheel anders geworden. Men fluisterde nu dat Mientje van Herkelens wegkwijnde van verdriet, sommigen hadden medelijden met haar en anderen spraken ironisch van treurende maagden en gebroken harten. Er zijn er wier geestigheid altijd bijzonder door ’t hooren van liefdesverdriet schijnt opgewekt te worden. Maar Corona wist meer dan de wereld, die het geval befluisterde. Haar had het kind het arme hart geopend vol schrijnende scherven van gebroken illusies, en zij wist dat zij zachtjes wegstierf.

„En wat kan ik voor haar doen?”—dacht Corona—„zoolang ze zoo hardnekkig weigert om weg te gaan in een heel andere omgeving, en daar maar blijft zitten voor dat raam, het matte leven slepend tusschen de canape en het bed om te droomen, te treuren, wie weet, misschien nog te hopen?”

Zij zuchtte en rustte zwaar tegen de kussens van den coupé, starend in de druipende straten, waar de voorbijschietende parapluies, als groote rouwvlekken tegen de glimmende natgrijze straatsteenen afstaken.

Toen op eenmaal vlamde de gedachte in haar op, als een lichtstraal over de emotie van dien morgen: Dit is vrouwenemancipatie, dat niet langer de meisjes onzer invloedrijkste standen tot vrouwen als Ottilie worden opgevoed, ongelukkig voor zich zelf, leed brengend over anderen en voor de maatschappij een element van rotting en bederf, maar ook dat haar niet langer geleerd wordt dat trouwen en kinderenkrijgen de eenige roeping der vrouw is, zoodat zij volkomen hulpeloos gedesoeuvreerd zijn, als de omstandigheden haar dezen werkkring weigeren. Veel, veel is er te doen op allerlei gebied? Maar aan haar voor wie wèl het moederschap is weggelegd, zal dan ook worden ingeprent dat moeder zijn niet is alleen het voortbrengen, voeden en kleeden van kinderen, maar het opvoeden van een nieuw geslacht, waarvan de wereld-toekomst afhangt. En luide zal er dan om hoogstaande vrouwen geroepen worden, die begrepen hebben het heilige van haar taak, het onmetelijke van hare verantwoordelijkheid!

„Wel, waar gaat dat al zoo vroeg naar toe?” vroeg mijnheer van Starren, toen hij Hilda ’s morgens dadelijk na het ontbijt de trap zag afkomen, het lichte stroohoedje en de lange zeemleeren handschoenen in de hand.

„Oom, mevrouw Cranz heeft gevraagd of ik vanmorgen wat vroeg wou komen. Om dezen tijd maakt ze altijd allerlei bezendingen klaar voor gestichten, en nou moeten er allemaal boekjes, prenten, teksten, speelgoed en kleeren worden uitgezocht, naarmate van de behoeften. ’t Is ’n heel werk, ziet u, en ze wou graag dat ik het voor haar deed.”

„Natuurlijk, papa, ze gaat weer naar haar lieve mevrouwtje!” riep Eugénie van boven aan de trap, met een lang hatelijk sleepen op de l en i van lieve.

Mijnheer van Starren lachte goedig met de onverschillige toegefelijkheid van oude menschen, voor wie het gekibbel en de ergernissen die de jeugd in ontroering brengen geen beteekenis meer hebben. Hij had de bedoeling van Eugénie’s uitval best begrepen en het amuseerde hem.

Hilda zag hem onder het aantrekken van haar handschoenen peinzend na, zooals hij de lange gang afging, de kleine gebogen gestalte met de korte onzekere stapjes, tot aan de deur van zijn studeerkamer, zijn stoffig paradijs vol wapenboeken en geslachtsboomen. Met de knop in de hand draaide hij zich nog even om en knikte haar toe met een knipoogje.

Hilda kleurde, ’n brandende gloed overstroomde haar gezichtje, terwijl ze zich driftig omdraaide en de voordeur opende.

„Hij denkt het dus ook al! Waar zien die menschen me dan toch voor aan? Dat ik mij vernederen zou om dien man na te loopen? Wat kan me die modepop met al z’n schatten schelen? Hoe durven ze me zoo te beleedigen. Maar misschien vindt oom het niet eens ’n beleediging, misschien vindt ie ’t heel natuurlijk, dat ik m’n netten zou gaan zetten bij de oude mevrouw, om haar zoontje te vangen. In onze wereld, waar het de eenige roeping van het meisje is om een goeie partij te veroveren, neemt men het immers niet zoo nauw met fierheid en zelfachting. Waarom zoûen ze mij dan ook niet verdenken van zoo’n heerlijk doel! ’t Is kinderachtig om het me nog zoo aan te trekken!” Ze kneep de kleine vuisten samen en liep nog harder voort.

„O ik wou dat .… ik hem hier had, die mooie mijnheer, ik zou .… hem toonen .…”

„Goeie morgen, freule, hê, wat hebt u hard geloopen, ik kon u haast niet inhalen; mag ik u even vragen, gaat u misschien ook naar mevrouw Cranz?”

Hilda zag om, bij ’t hooren hijgen vlak achter zich dier woorden, en ze herkende een van de protegéetjes van mevrouw Cranz, een forsch gebouwd jong meisje, in een ouden zwarten regenmantel, die haar te nauw was geworden en uit welks te korte mouwen een paar groote handen staken in grijs garen handschoenen.

„O, dag, juffrouw Wendelings, ik wist niet dat u achter me liep, ja, ik ga naar mevrouw Cranz, maar waarom? moet u er ook heen?”

„Ja, ik ben op weg naar mevrouw, maar ik zie er zoo vreeselijk tegen op, en toen ik u zag loopen, dacht ik, dat het mogelijk een uitkomst zou zijn .…”

Bertha Wendelings was de eenige dochter van een zeeofficiers-weduwe, die in groote armoede van haar klein pensioentje leefde, en jaren lang reeds bijna blind was. Mevrouw Cranz had haar dikwijls ondersteund, en toen het gebleken was dat Bertha makkelijk leerde, had zij haar lessen laten geven en laten klaarmaken voor de examens van candidaat-notaris. Sinds twee jaar was zij nu werkzaam op een van de eerste Haagsche notariskantoren.

„Waarom ziet u er zoo tegen op om bij mevrouw te komen? Mevrouw is altijd zoo lief, niemand hoeft toch bang te zijn om haar iets te vragen!” Hilda zeide het aanmoedigend, in de veronderstelling dat het een kwestie van voorschot of zoo iets zou zijn.

„Ja, ze is altijd erg lief voor ons geweest, maar dat is het juist .… dat maakt me zoo vervelend, omdat .… ze zal het erg ondankbaar van ons vinden .… want ik vond .… ik heb voor m’n betrekking bedankt!”

Heel zenuwachtig, gauw, binnensmonds had ze het gefluisterd, maar toen op eens luider, heel heftig:

„Ik wil niet langer dat mannenbaantje waarnemen, ik bedank er voor! .…”

„Bedankt?” herhaalde Hilda, alsof ze niet kon begrijpen. Zij herinnerde zich hoe mevrouw Cranz nog onlangs gezegd had:—„als dat meisje nou flink haar best doet, kan ze de laatste levensjaren van haar moeder nog ’n boel aangenamer maken, en voor haar zelf ook is de toekomst nu verzekerd en hoeft ze niet, als zooveel andere stumpertjes in haar omstandigheden, te zitten hunkeren of er ook een man komt, die zoo goed wil zijn haar te onderhoûen.”—En Edward van Starren, die er bij zat, had er zijn ruwe jongensgrap bijgevoegd:—„En als ze nou ooit trouwt, kan ze de inspraak van haar hart volgen, in plaats van die van haar maag!”—En wat beteekende nu deze stap?

„Wat bedoelt u met mannenbaantje?” zeide Hilda koel.

„Wel .… zoo’n betrekking, die tot dusver alleen door heeren is vervuld geworden, zoo’n kantoorleven alleen tusschen al die mannen .…”

„Hebben ze het u lastig gemaakt?”

„Nee, ze waren allemaal heel beleefd, behalve één die probeerde wel es om flauwe grapjes te zeggen.”

„En hebt u daàrom bedankt? Natuurlijk, overal, in elke positie kan men onaangename menschen treffen, maar ’n massa vrouwen in Amerika, en ook hier verscheidene dames, die betrekkingen bekleeden, hebben me altijd gezegd, dat iedere waarachtig ernstige vrouw, die het wil, zich kan laten respecteeren.”

„Dat is ook zoo!” zeide Bertha kleurend, omdat ze in Hilda’s woorden een verdenking voelde. „En dat is ook heelemaal niet de reden van mijn bedanken. Maar de vrouw moet vrouw blijven en niet mannenwerk doen.”

„Waarom noemt u zulk kantoorwerk speciaal mannelijk? Waar is toch die grens tusschen mannen- en vrouwenwerk waar altijd zoo over gesproken wordt? En wat denkt u nu te doen?”

„Ik zal zien naaiwerk te krijgen, maar ik ben helaas niet erg handig met de naald .…”

„Naaiwerk? O! maar juffrouw, hoe onvrouwelijk! De naald is geen vrouweninstrument, want duizende kleermakers en goudborduurders en stoffeerders hanteeren haar!”

„En ik zal leeren kantwasschen,” ging Bertha voort, alsof zij Hilda’s ironie niet had verstaan, „daar kan ik misschien ook nog wat mee verdienen.”

„Wasschen? O, maar dat is mannenwerk! In heel de Vereenigde Staten wordt de wasch haast uitsluitend door mannen gedaan, mannelijke Chineezen! En wilt u u misschien ook toeleggen op het koken? dat is ook al zoo verschrikkelijk mannelijk! want in alle kazernes, oorlogschepen, hotels, restaurants, paleizen, wordt door duizende mannen gekookt. U ziet wel, als de vrouwen zich wilden onthouden van alle werk, dat op grooten schaal door mannen gedaan wordt, zouên ze niet alleen de kantoren moeten vaarwel zeggen, maar dan bleef er zelfs niet veel anders over dan kinderjuffrouw. Dat is nog een van de weinige baantjes, voor zoover ik weet, waar ze niet in concurrentie met de mannen treden, of het moest zijn met een haakwerkje voor het raam gaan zitten; zoover hebben de mannen het ook nog niet gebracht.”

Hilda lachte bitter. De ergernis over dit jonge meisje, dat heel een toekomst weggooide onder suggestie van een paar holle phrases over vrouwelijkheid, maakte haar woorden bijtend.

„Ik had gehoopt steun bij u te vinden, maar als u zoo spreekt zal ik maar liever niets meer zeggen!” zeide juffrouw Wendelings geraakt.

Hilda zag haar aan, strak, uitdagend, en toen uit de hoogte, half omdat zij boos was, half om Bertha uit te lokken tot verder spreken:

„Natuurlijk, tegen mijn argumenten valt ook verder niets te zeggen!”

„Dat wel!” riep Bertha geprikkeld, „want u kunt misschien gelijk hebben dat er eigenlijk geen speciaal vrouwenwerk bestaat dan klein-kinderverpleging, maar wij kunnen toch niet allemaal bonnes worden, en we moeten toch leven en dus.…”

„En dus,” viel Hilda warm in, „is het logisch, aangezien er bijna geen vrouwenarbeid is, die niet evengoed door mannen kan gedaan worden en is gedaan, dat men ophoude te schermen met die vage woorden van mannen- en vrouwenwerk! Waarom laat men niet aan ieder individu de vrijheid om zijn of haar levensonderhoud te zoeken op die manier die lust en geschiktheid aanwijzen!”

„Maar gelooft u dan niet dat de natuur toch zekere grenzen heeft gesteld?”

„Ja zeker,” zeide Hilda, „werk, waar groote spierkracht voor gevorderd wordt, in mijnen, steengroeven, dokken, smidsen en natuurlijk slachters- en oorlogswerk, enz. zal wel nooit bij voorkeur en als regel door vrouwen gezocht worden, evenmin als mannen zich ooit als opzichters in fröbeltuinen zullen aanmelden. Maar tusschen deze uitersten, waarbij de natuur zelf hare grenslijnen getrokken heeft, ligt het groote algemeene menschen-werk, waarvoor alle verschillende gaven en hoedanigheden kunnen worden gebruikt, en waaruit het belachelijk is, de eene helft der menschheid willekeurig buiten te sluiten. Als u meent, dat ’n vrouw die op ’n registratie- of hypotheek- of notaris- of post-kantoor of secretarie, of bureau werkt, de natuurgrenzen overtreedt, waarom vindt u het dan hoogst natuurlijk dat er mannen zijn, duizende, die bakken en braden, en anderen die keurige zoompjes maken? De natuur heeft immers bij zulke werkverdeelingen niets te maken. Alleen vooroordeel en sleur trekken als ’t ware ’n toovercirkel om de vrouw, die haar aan alle kanten insluit, dien zij nooit mag overschrijden, op straffe van voor onvrouwelijk te worden uitgekreten, maar dien de man volkomen vrij is om overal binnen te dringen zonder onmannelijk te worden genoemd. Maar ziet u dan niet dat ’t maar ’n kwestie van jaren is om dien cirkel tot het uiterste te verwijden? De laatste vijf en twintig jaren hebben reuzenschreden gedaan, nu nog vijf en twintig jaren en men zal de vraag vergeten hebben: „is dit wel werk voor een vrouw?” er zal alleen nog gevraagd worden: „is deze persoonlijkheid geschikt voor dezen arbeid?”

„Maar er zal toch sommig werk zijn dat door het eene geslacht veel beter dan door het andere kan gedaan worden?”

„Waarom beter?” zeide Hilda, „dat geloof ik niet! maar anders zeker! In het onderwijs, in de geneeskunde, in politiek en armenzorg, in handelszaken, in godsdienstquaesties, overal in zal de vrouw een ander standpunt innemen, een ander oordeel over, een anderen blik op den toestand hebben dan de man, en daarom is het juist zoo noodig dat zij beiden te samen dezelfde functies vervullen. Want alleen daardoor kan de volle som der gaven van de tweevoudige menschelijke natuur aan de gemeenschap ten goede komen.”

„Maar moet dan de vrouw aan alle betrekkingen deelnemen?” zeide Bertha ongeloovig.

Hilda knikte. „Evengoed als de vrouwen altijd aan de hoogste betrekking, die van den troon hebben deelgenomen, kunnen ze ook de minder hooge met den man deelen.”

„Maar wat een vreeselijke concurrentie voor den man!”

Hilda dacht aan haar gesprek een poos geleden met Dominee Moisette over het arme naaistertje en, bijna zonder het te weten, herhaalde ze de woorden die zij toen ook gezegd had: „Hebt u dan meer medelijden met den honger van den man, dan met dien van de vrouw? vindt u dat om hem concurrentie te besparen zij maar gebrek moet lijden? Heeft de vrouw dan niet evenveel recht op levensonderhoud? Hebt u er wel es aan gedacht, voor wie van de twee de levensstrijd het zwaarst is? Voor den man beteekent armoede: gebrek en honger, dat is zeker heel erg; maar voor de vrouw beteekent ze: gebrek, honger en .… schande. Voor de man is ze lijden, voor de vrouw lijden en gevaar! Trouwens als men kunstmatig de bittere concurrentie dezer overgangstijden wil verzachten, zou men veeleer beginnen moeten, om alle rijke jonge mannen uit te sluiten van alle goed gesalarieerde betrekkingen. Deze, veel beter dan onbemiddelde vrouwen, zouden den druk der tijden kunnen weerstaan. Maar dat zou immers nonsens zijn! en u zoudt es zien wat ’n kreet van verontwaardiging er door ’t land zou gaan van alle gefortuneerde ouders als zoo iets serieus werd voorgesteld. En waarom dan, als iedereen het hoogst natuurlijk, zelfs flink vindt, dat de rijke jonge man studeert en een betrekking krijgt, die een ongefortuneerde ook zoo graag gehad had, waarom dan de vrouw in naam der concurrentie het recht ontzegd om in eerlijken strijd mee te dingen naar een levensonderhoud? Is dit argument van concurrentie niet een van de aller-onrechtvaardigste, laagste, zelfzuchtigste die de man tegen de vrouw heeft aangevoerd? Maar hier zijn we er!” en Hilda strekte de hand uit om te bellen.

Bertha hield haar tegen met een beweging van angst:

„O! ik durf nooit binnen te gaan! Wacht u nog even, freule, ik durf nou nog minder dan zoo straks. Het is nog zoo vroeg, zoudt u nog niet ’n eindje met me door willen loopen?”

Hilda knikte, en langzaam liepen zij voort, de Javastraat uit, toen de Scheveningsche weg tot in de Boschjes, beiden zoo geheel verdiept in haar vraagstuk, dat zij niet eens Valérie Vermaezen in haar dogcarretje zagen voorbijrijden met naast zich Eugénie.

„Dear me, Eus, kijk es, wat doet Hilda daar, met dat onmogelijke kind?”

„Ik heb er geen ahnung van,” zeide Eugénie, zich wringend op het nauwe bankje om ver achteruit te zien. „Wat ’n log gevaarte! Je moest die dikke handen uit die korte mouwen zien bengelen! Hilda heeft bepaald ’n passie om zich te encanailleeren.”

En voort vloog het aardige carretje, licht en elegant, met den correcten groom en de vroolijke meisjes, achterlatend waar Hilda liep een kleine warreling van stof en spotgelach. Maar Hilda merkte het niet; zij dacht niet aan den nauw geworden regenmantel; voor haar was Bertha en haar jammerlijk besluit op dit oogenblik alleen een abstractie, een vraagstuk dat zij met alle macht trachtte op te lossen.

„Maar freule .… gelooft u toch ook niet dat .… ons eigenlijke werk in het huishouden ligt,” zeide Bertha eindelijk. „Daàr is ons koninkrijk en daàr moeten we ons aan houden.”

„Het huishouden .…? En waar moeten de ongetrouwde vrouwen dat hooggeprezen huishouden vandaan halen? Alleen op een kamertje ’n potje koken, of voor zichzelf eten bestellen? Dat is toch geen menschwaardige levensvulling! En hier in den Haag zijn 15000 vrouwen meer dan mannen! In heel Europa zijn er honderd duizenden meer! Wat ’n leuterzinnetje voor die allen als men ze naar ’t huishouden verwijst! En wat de getrouwde vrouw betreft, o! juffrouw Wendelings, het is grappig u te hooren zeggen dat het huishouden haar koninkrijk is! Weet u wel, dat noch over haar zelve, noch over de plaats waar ze haar huisgezin wil vestigen, noch over het land onder welks wetten ze leven wil, noch over het geld waarmee ze haar huishouden moet bekostigen, ook al heeft ze het aangebracht, of al verdient ze het zelf noch over haar goed, noch over hare kinderen, heeft de getrouwde vrouw bij de wet iets te zeggen! Alles, verstaat u, alles hangt van den wil van den man af. De man, ook de dronkaard, ook de laagst gezonkene, heeft wettelijk, dus feitelijk, als hij wil, alles over het huishouden te zeggen! En natuurlijk weet ik wel dat er ’n massa goeie mannen zijn, en het er in de praktijk niet zoo zwart uitziet als in het wetboek, maar er zijn toch ook voorbeelden in overvloed van mannen, die ten koste van het gezin hun macht daarop laten gelden! En daarom is het harde ironie, vindt u niet? om het huishouden ons koninkrijk te noemen! Een mooi rijk, waar we alleen door gunst, dus als favorite in kunnen heerschen, maar nooit als wettig regeerende vorstin!”

„Maar ’t is toch onze roeping .…”

„Dat geloof ik niet!” zeide Hilda beslist. Aangeboren lust en aanleg voor de dingen van het huishouden zijn geheel individueele gaven, die even goed bij den man als bij de vrouw worden gevonden, getuige de heel oude benaming van keuken-Piet, maar getuige vooral het feit dat er minstens evenveel beroemde koks als beroemde keukenmeiden zijn geweest en dat op sommige oorlogschepen het heel gekompliceerde huishouden, uitsluitend door mannen bestuurd, zoo goed wordt gedaan, dat heel wat huisvrouwen er een voorbeeld aan zouden kunnen nemen! Van de twintig vrouwen zijn er immers ook maar hoogstens vier of vijf voor wie koken, inmaken, wasch opdoen, verstellen, poetsen een genot, een behoefte zijn. U ziet het immers dagelijks: zoodra de middelen het toelaten draagt iedere vrouw zooveel mogelijk de huishoudzorgen aan gehuurde hulp over. Waar vindt je een dame, die zich de luxe van ’n paar meiden kan veroorloven, en die bij voorkeur het werk zelf doet? ’t Zijn hooge uitzonderingen. Zelfs bij vrouwen die nooit anders dan met afschuw het woord „emancipatie” hebben gezegd, bestaat hoe langer hoe meer de drang en de gewoonte om alles buitenshuis te laten maken. Bewijst dat niet duidelijk dat het huishouden even goed als elk ander werk, heel goed door ons gedaan kan worden uit plichtbesef, wanneer de omstandigheden het eischen, maar volstrekt niet een aangeboren roeping voor ons is?

Weet u wat me verleden is ingevallen? Er bestaat ’n mooie gelijkenis van de getrouwe en de ongetrouwe dienstknechten die talenten hadden ontvangen, en de eene woekerde er mee en de andere begroef ze. En ziet u, ik geloof dat wij vrouwen maar al te veel en te lang behoord hebben tot de ontrouwe dienstknechten, die hun talenten begroeven, en het treurigste hiervan is nog, dat men ons wijs heeft gemaakt, tot we het zelf geloofden, dat wij juist onze vrouwelijke roeping vervullen door een groot gedeelte onzer talenten te begraven, om maar in een heel klein kringetje een paar er van te gebruiken! Niet in het kleine huishoudentje, besloten tusschen de vier muren van een modern huisje, ligt de roeping van de vrouw, juffrouw Wendelings, maar overal in de groote maatschappij, waar goed te doen valt.”

Bertha zuchtte. „Ik weet het niet,” zeide ze fluisterend met tranen in haar stem. „Ik kan me niet tegen u verdedigen, want als u zoo spreekt, heb ik ’n gevoel, dat u gelijk hebt, en toch, als dominee Moisette zoo met ons zat te praten zag ik het duidelijk in dat ’t niet goed was om op het kantoor te blijven! Ik wou dat u es met hem spreken woudt?

„O! was het dominee Moisette, die u er toe overhaalde?” zeide Hilda in hartstochtelijke ergernis.

„Ja .… kent u hem?”

„’n Beetje .… en wat zei hij dan wel?”

Bertha aarzelde. „Hij sprak van de verleiding, die meisjes wacht buitenshuis op groote kantoren .…”

„Verleiding! .…” riep Hilda heftig met een glimlach van vernietigend minachten. „Voor elk mensch, waar hij ook leeft, wat hij ook doet, is er strijd en verzoeking! Maar ik zou wel es willen weten, voor wie de verleiding grooter is, voor ’n arm meisje dat nauwelijks weet hoe rond te komen en ’n armzalig suf bestaan heeft, of voor iemand die eervol een goed inkomen verdient! Vergeef me dat ik ’t zoo ruw zeg, als dominee Moisette in de wereld had rondgekeken, zou ie gezien hebben, dat gebrek, of zelfs maar de angst er voor, het grootste gevaar voor jonge meisjes is. Er zouden heel wat minder te gronde gaan als er meer goede betrekkingen voor haar open stonden! En wat zei hij nog meer?”

„Dat als de vrouw dezelfde rechten en hetzelfde werk wil hebben als de man, hij haar als zijn concurrent en kameraad zal gaan beschouwen en dat dat zal zijn ten koste van den eerbied en de bescherming waarvan zij nu het voorwerp is.”

„Eerbied en bescherming,” zeide Hilda lachend, „vindt u heusch dat die nu zoo groot zijn? Als het maar ’n beetje donker wordt mogen we niet op straat, uit vrees dat iemand ons de beleediging zal aandoen van zijn weinig eerbiedig geleide! O! zeker, de rijke jonge dame in haar equipage of onder geleide van papa’s en broers, wordt allerliefst eerbiedig behandeld, maar ik zou wel es willen vragen of het naaistertje, dat ’s avonds moe naar huis gaat en nog een ver eind te loopen heeft, ook zoo tevreden kan zijn over den eerbied voor haar als vrouw! O! zeker in fatsoenlijk gezelschap wil men aan de „dames” wel zekere eerbiedige beleefdheid bewijzen, haar ’t eerst een deur laten ingaan of het eerst van een schotel presenteeren, en zelfs, als het niet al te hard regent, zijn er soms heeren, die hun plaats binnen in de tram aan dames afstaan. Maar als ik in ons wetboek de getrouwde vrouw telkens gelijk zie genoemd met misdadigers, krankzinnigen en kleine kinderen, als ik overal reine, onwetende meisjes zie uithuwelijken aan mannen, van wier verleden zij zouden gruwen wanneer zij het kenden, als ik het hoogst natuurlijk hoor noemen in de wereld, noodzakelijk zelfs, dat er dagelijks duizende meisjes uit het volk worden geofferd aan de genotzucht van den man, als ik het meisje voor éen enkele zondestap zie uitwerpen, en de man na jarenlange débauche overal zie ontvangen, als ik de echtgenoote en moeder voor de wet in alle opzichten in de macht van den man, ook den dronkaard zie gesteld, als ik de vrouw overal voor gelijk werk minder loon zie ontvangen, dan vraag ik u toch, waar is nu die hoog geroemde eerbied? Waarlijk ik geloof dat als de vrouw wat meer deel kon nemen aan mannenwerk en mannenrechten het er beter uit zou zien in het wetboek en de maatschappij met vrouweneerbiediging en vrouwenbescherming! Trouwens in Amerika is het al bewezen: geen land waar de vrouw meer rechten en vrijheid heeft, en geen waar zij hooger geëerd wordt!”

„Misschien wel,” zeide juffrouw Wendelings weifelend, „maar dominee Moisette zegt ook nog, en dat zult u toch niet ontkennen dat de vrouw voor ’t meeste mannenwerk ongeschikt is. Haar hersenen zijn zooveel lichter en kleiner .…”

Vroeger in haar rustige jeugd, onder de wijze leiding van een vader, dien zij voor den knapsten en edelsten van alle stervelingen hield, was het nooit in Hilda opgekomen om zich af te vragen of de vrouw ook superieur of inferieur aan den man kon zijn. Waar man en vrouw te zamen in volle vrijheid naar hun beste krachten arbeiden aan hetgeen hen interesseert, is de vraag wie van beiden wel het uitnemendste is, zoo hoogst onbelangrijk. In de toekomst, waarvan wij nu de overgangstijden beleven, zal zij vergeten zijn. Wie zou er nu in ernst willen twisten over wat mooier is, de vrouwen- of de mannenstem? De sopraan stijgt hooger dan de tenor, de bas vindt dieper toonen dan de alt, een vrouwen-koor klinkt als gewiek van witte duiven, zilverblank in de lucht, een mannenkoor als ’t vallen van een diepen bergstroom; als zij beiden hetzelfde lied zingen klinkt het volkomen anders, maar wie kan beslissen wat het mooiste is? een knap componist smelt ze samen tot een groot geheel. Samen met haar vader had Hilda de hoofdfiguren van alle eeuwen en volken bestudeerd en bij beide geslachten hadden zij hoogedele verschijningen gevonden en ook afzichtelijk lage en wijze en dwaze. Alles wat haar vader goed vond dat zij leerde, had ze geleerd met het grootste gemak, en zonder zelfs te vermoeden dat er veel geschreven en gesproken is over vrouwelijke inferioriteit, had Hilda onbewust een ontwikkeling gekregen ver boven die der meeste jongelieden van beiderlei geslacht.

Eerst nu, onder de opwekking van sommige woorden van Corona, maar vooral onder den prikkel harer tegenwoordige omgeving, waar ze telkens onvrouwelijk hoorde noemen, wat zij heel natuurlijk vond, en waar men de geestelijke minderheid der vrouw voor een onbetwistbaar feit scheen te houden, was zij belang gaan stellen in deze vragen en had getracht daarover voor zich zelf een overtuiging te vormen. Eerst als één der partijen achter gezet wordt in naam eener inferioriteit van welke zij zich niet bewust is, begint het vergelijken een noodzaak te worden.

„Maar freule,” zeide Bertha weer, „als de hersenen gelijk zijn, hoe komt het dan dat er nooit vrouwelijke genieën zijn geweest?”

Hilda dacht aan het bedanken op het kantoor, en lachte—zij kon het niet helpen—een klein geluid van spot. „Daàrom hebt u toch uw betrekking niet opgegeven? Ik dacht niet dat er genialiteit voor notarieele actes vereischt werd.”

„O! nee!” zeide Bertha, kleurend onder Hilda’s ironie. „Toen dominee Moisette ons voorrekende dat er nooit een vrouwelijke Goethe of Shakespeare of Michel Angelo is geweest, zei moeder ook dat dat toch geen reden was om aan vrouwen betrekkingen te ontzeggen, waarvoor zij de vereischte examens makkelijk en goed kunnen afleggen.”

„Natuurlijk, daar komt het maar op aan, en als men nagaat in Engeland en Amerika hoeveel knappe vrouwelijke rechtsgeleerden, doktoren, ingenieurs, chimisten, architecten, professoren, godgeleerden daar zijn en ook hoe in andere landen, overal waar het maar toegestaan is, de vrouwen hoe langer hoe meer met uitstekend succes aan alle mogelijke examens deelnemen, dan begint het toch langzamerhand belachelijk te worden om nog aan haar capaciteit te twijfelen. Ik kan best begrijpen dat het pijnlijk voor sommige heeren is, om zoo het monopolie van geleerdheid te moeten opgeven, het stralenkransje van kundigheden, die veel te hoog voor de vrouw heeten, maar ze zullen er zich wel in leeren schikken. Maar wat betreft de genieënquaestie zelf, de vrouwenemancipatie is nog veel te jong, om ons een ernstig overzicht te laten hebben van wat de vrouw presteren kan. Als Shakespeare den heelen dag aan de waschtobbe had moeten staan zou hij ook niet Hamlet geschreven hebben, en wie weet hoeveel vrouwen gedwongen zijn geweest om stil te zitten spinnen en verstellen, die voor iets groots geboren waren. Vroeger was het voor de meeste vrouwen immers onmogelijk om een goede opleiding te krijgen en zelden hadden ze ooit gelegenheid om haar gaven buiten een heel beperkten kring te toonen. Niet dat er zich zoo weinigen bijzonder hebben onderscheiden moet ons verwonderen, maar integendeel dat in verhouding tot haar uiterst ongunstige omstandigheden, er nog zoo velen iets hebben beteekend. Maar zelfs al was het nu eens waar, dat alleen het mannelijk geslacht genieën voort kan brengen, wat nog bewezen moet worden, nietwaar? en dat de vrouw alleen intelligent, begaafd, talentvol, maar nooit geniaal kan zijn, dan nog zou het immers dwaasheid wezen om te meenen dat de domste man hooger staat dan de knapste vrouw, even als het krankzinnig zou zijn om van twee bergen, waarvan de eene iets hooger dan de andere is, te beweren dat al de aardkorrels van den hoogsten verhevener liggen dan die van den laagsten. De groote zandmassas van beiden liggen immers op hetzelfde niveau, alleen de enkele aardklompen op den hoogsten top steken boven alles uit. En trouwens .…”—Hilda zag op, en een zacht rood van emotie trok even over haar gezicht—„ik heb wel es gedacht, nu het tegenwoordig hoe langer hoe meer blijkt uit de biographieën van alle groote mannen, dat hun moeders buitengewone vrouwen zijn geweest, dat het aandeel in de menschelijke genialiteit misschien heel mooi tusschen de twee geslachten verdeeld is: de man brengt het geniale werk voort, maar de vrouw den genialen mensch! Mij dunkt met dat deel zouden wij best tevreden kunnen zijn!”

„Ja maar,” zeide Bertha ongeloovig, „dominee Moisette zegt juist dat de bijzonder ontwikkelde vrouwen geen kinderen meer voort brengen .… groote herseninspanning .…”

Hilda zag haar een oogenblik ernstig aan.

„Gelooft u dat de natuur, die alles zoo prachtig doet, ons hersenen en intelligentie zou gegeven hebben, op conditie dat we ze niet mochten gebruiken? Het is heiligschennis, zulke praatjes! Natuurlijk het is best aan te nemen dat groote herseninspanning een overmatig werkzaam zijn van andere lichaamsfuncties zal tegenhouden, maar de emancipatie, vooral onder de getrouwde vrouwen, is nog veel te jong om op dit punt eenige betrouwbare gegevens te hebben. Het eenige wat zeker is, is, dat onder de vrouwen die bijzonder hebben uitgeblonken, er een massa zijn, die moeder zijn geweest: George Sand, mevrouw de Sevigné, Sarah Bernard, Henriette Beecher Stowe, .… ik noem maar enkelen, die mij het eerst invallen, en mevrouw F. Fischer Wood heeft statistische gegevens verzameld, waaruit blijkt dat negen tienden der kinderen van vrouwen, die een academischen loopbaan hadden gevolgd, het eerste levensjaar, waarin de sterfte zoo groot is, goed doorkomen en op de tentoonstelling van Chicago herinner ik me ook de portretjes gezien te hebben van de snoezigste babies van de wereld, die door hun moeders, jonge Engelsche gepromoveerde vrouwen, waren ingezonden, om te bewijzen dat het menschenras niet hoeft te ontaarden of uit te sterven al hebben de vrouwen iets anders in haar hoofd dan meidenpraatjes.”

„Maar gelooft u toch niet op den duur,” zeide Bertha dringend, „dat als de vrouw den grooten wedstrijd om het bestaan met den man gaat aanvaarden, zij met haar zwakker physiek moet ondergaan?”

„Dat zal zich van zelf wel uitwijzen. Dàar, waar zij den strijd niet kan volhouden, zal ze zich van zelf terugtrekken. Maar vergeet u niet dat overal waar verbeelding, intuïtie, delicate analyse, fijnheid van voelen en raden bij te pas komt, de vrouw gauwer en met minder inspanning haar doel zal bereiken dan de man. Edison bijvoorbeeld schijnt op zijn werkplaats liever vrouwen-machinisten dan mannen-machinisten te gebruiken, en moet es gezegd hebben dat over het algemeen de vrouw veel gauwer begrip van machinerie kan vergaren dan de man. En op het tooneel hebben immers ook alle groote actrices, veel jonger dan de groote acteurs, de volle hoogte van haar talent bereikt. Door sommige eigenaardige vrouwelijke gaven, van zich makkelijker in andere omstandigheden in te denken, zich makkelijker andere persoonlijkheden te assimileeren, bereiken de Sarah Bernards en de Rachels veel gauwer en met minder zware studie haar gloriepunt dan de Talma’s en de Monnet Sullys. En zoo heeft me ook eens een beroemde vrouwelijke tandarts te Londen gezegd dat het kiezentrekken misschien te zwaar voor veel vrouwen zou zijn als het alleen op kracht aankwam, maar doordat de vrouwenhand dikwijls subtieler, fijnervoelend is dan de mannenhand, merkt de vrouw gauwer naar welken kant getrokken moet worden, en hierdoor kan zij dus met minder krachtsinspanning volstaan. U begrijpt wat ik hiermee bedoel, nietwaar? Dat het wellicht blijken zal, in sommige gevallen, dat de vrouw, door enkele harer eigenaardige gaven, langs een anderen weg, met andere middelen, hetzelfde doel zal bereiken, en voor hetzelfde werk zich op een andere manier en misschien minder, zal moeten inspannen. Maar al was het waar dat wij ons voor den zelfden werkkring evenveel of meer dan de man moesten aangrijpen, dan hou ik het er toch nog voor dat we over het algemeen best tegen hem zullen kunnen opwerken! Dit is trouwens al glorierijk bewezen bij alle examens, op alle scholen, conservatoires, academies, waar men vrouwen heeft toegelaten, en als ik naga hoeveel, op z’n zachtst uitgedrukt, hoogst middelmatige heeren ik dezen winter heb ontmoet, die hooge betrekkingen bekleeden, dan geloof ik zelfs dat we op den duur makkelijk zullen kunnen mee doen.”—Zij lachte even, de oogen vol ondeugend licht.—„En als dan de tijd zal zijn gekomen van den korten arbeidsdag in alle kringen en als men de krankzinnige overdrijving in het onderwijs zal hebben laten varen, die nu zooveel slachtoffers kost, evengoed onder de jongens als onder de meisjes, en er in de opvoeding meer op gezondheid en karakter en intelligentievorming, dan op ingepompte schoolboekengeleerdheid gelet zal worden, dan zal op den duur de zuster zonder het minste bezwaar naast den broer kunnen opwerken en heel wat levenskrachtiger kinderen voortbrengen, dan het slappe zenuwachtige vrouwengeslacht van nu!”

„Maar als u dan gelooft dat de man en de vrouw precies hetzelfde zijn, waarom .…”

„O! pardon!” zeide Hilda snel. „Dat geloof ik heelemaal niet! Ik geloof dat zij equivalent zijn, maar heel anders, munten van gelijke waarde maar met andere stempels!”

„Nou ja,” zeide Bertha ongeduldig, „als u dan meent dat de man en de vrouw equivalent zijn, hoe komt het dan dat de emancipatie nou pas begonnen is? Het is onzinnig, zegt dominee Moisette dat, wat altijd bestaan heeft en duizende jaren geduurd, nou ineens door een troepje dames zou worden omvergeworpen!”

Hilda stond in eens stil. Zij waren de boschjes reeds diep ingegaan. Een bank stond vlak bij haar en zij liet er zich moe op neervallen.

„Hoe is het mogelijk!” zeide ze bitter. „Hij neemt de verantwoordelijkheid op zich om uwe carrière te breken en weet zoo weinig van die zaken, dat hij zoo iets zeggen kan!”

„Is het dan niet zoo? U hebt daar juist zelf gezegd, dat de emancipatie nog zoo jong was.”

„Ja, wel het woord, en het bewuste streven er naar door min of meer aaneengesloten partijen en het consequent doorvoeren van haar principes. Maar de behoefte naar meer vrijheid en recht is er altijd geweest. Of dacht u dat wij daar minder gevoel voor hadden dan de man? In geen enkele onafhankelijkheidsoorlog heeft het toch ooit ontbroken aan vrouwen, die de grootste offers met enthousiasme wisten te brengen. Nee! de behoefte om de slavenketen af te schudden zit oorspronkelijk in elk mensch, men kan haar onderdrukken en bedwelmen, maar zij blijft bestaan, en door alle eeuwen heen, soms duidelijk, soms onmerkbaar heeft de menschheid gearbeid aan de emancipatie der vrouw! Stapje voor stapje is het opwaarts gegaan, soms met pijnlijk terugvallen maar altijd vooruit. Elke nieuwe generatie worstelende tegen de vooroordeelen der oudere generatie: dat is de geschiedenis van alle evolutie! En als dominee Moisette zich uit den Bijbel herinnerd had, hoe de vrouw in den tijd van de koningen Saul en David behandeld werd, of geweten wat de vrouw in de Grieksche wereld was: niets dan een wezen om wettige kinderen voort te brengen, dat de man bij zijn dood, alsof zij goed of vee was, aan een vriend kon legateeren, of bij de oude germanen, waar zij kon worden verdobbeld als huisraad en wapens, dan had hij toch kunnen inzien dat, hoeveel verkeerds er nu ook nog moge zijn in de positie der vrouw, er sinds dien tijd toch heel wat stapjes voorwaarts zijn gedaan! Vrouwenemancipatie is niet een grilgedachte die in eens uit de lucht is komen vallen in het opgewonden brein van een troepje negentiende eeuwsche dames! Zij sluit zich logisch aan bij al wat is voorafgegaan! Als een zaadje is zij geweest, dat langzaam, langzaam ontkiemd is, telkens schuchter één klein worteltje schietend, één klein blaadje ontplooiend, tot het nu een flinke jonge plant is geworden, die zich niet meer laat ontwortelen door spotgelach en holle phrases.

Hilda had lang en heftig doorgesproken, zich zelf soms verbazend over de klaarheid waarmede al deze dingen haar in de gedachten kwamen, nu zij ze onder woorden brengen moest.

Bertha zat zwijgend met neergeslagen oogen en teekende met de punt van haar parasol onvaste dwarrelende strepen in het zand, onvast en dwarrelend als haar eigen gedachte.

„Dominee Moisette zegt juist, dat de vrouw in de middeleeuwen zoo hoog vereerd werd,” zeide zij aarzelend, „en daaruit leidt hij juist af dat hoe afhankelijker de vrouw blijft, hoe meer zij beschermd en geëerd wordt.”

Het meisje keek verward op. Voor haar, die weinig van geschiedenis wist, waren Hilda’s toespelingen op de middeleeuwsche toestanden nauwelijks verstaanbaar, maar aan den toon van afgrijzen begreep zij dat het vreeselijke dingen waren, die der vrouw toen werden aangedaan. Roerloos bleef ze zitten, bijna niet in staat om te denken van zenuwachtigheid.

„Kom,” zeide Hilda, „’t is hoog tijd, we moeten gaan. Ik heb het al half elf hooren slaan, en ik had nog wel aan mevrouw Cranz beloofd vroeg te zullen komen.”

Maar Bertha bleef zitten .… „Wat zal ik toch aan mevrouw zeggen?” zeide ze met ’n hijgenden snik.

Hilda zag op haar neer en in haar gezicht kwam iets zachters van medelijden. „Kom juffrouw Wendelings, grijp uw moed bij elkaar, wil ik eerst met mevrouw spreken? Mevrouw is zoo innig goed en houdt zooveel van uw mama. Ga naar haar toe en zeg haar dat u onder verkeerden invloed een .… enfin, een domheid hebt begaan maar dat u trachten zult .…”

„Nee, nee,” zeide juffrouw Wendelings, „dat is het juist, ik geloof tòch dat dominee Moisette gelijk heeft en ik wil niet meer .…”

Hilda stond verslagen. Een uur lang had zij met alle inspanning haar zaak bepleit, éen voor éen alle bezwaren weerleggend en niets was ze gevorderd. „U bent toch geen kind meer, dat u iets alleen op gezag van een ander aanneemt!” zeide ze zacht met het plotseling moeie gevoel, dat alles wat ze zeggen kon toch tevergeefs zou zijn. „Dominee Moisette is toch geen paus voor u, aan wiens onfeilbaarheid u zelfs tegen logica en geweten in moet gelooven?”

Maar toen in eens met de intuïtie dat er wellicht nog een laatste argument bestond dat Bertha niet gezegd had, maar dat zwaar bij haar woog: „Waarom hebt u toch eigenlijk bedankt?” zeide ze alsof het vorige vergeten was.

Bertha boog het hoofd en zat zenuwachtig plukkend aan de toppen der grijsgaren handschoenen, die haar groote handen nog grooter maakten.

„Zulk werk,” zeide ze eindelijk, „zal de vrouw het bekoorlijke ontnemen, haar leelijk maken.”

Een oogenblik kwam er verlangen in Hilda op, om weg te loopen en de onvruchtbare discussie te eindigen, toen zag ze neer op de gebogen gestalte, plomp in elkaar gezakt, waarvan elke lijn tot in de kleinste bijzonderheden ongracieus was. Van het dikke roode gezicht met de vooruitstekende lippen, den stompen neus, en de kleine diepliggende zwarte oogen, kon zij niets zien omdat het hoofd te veel naar voren hing, maar zij zag onder het vaal verkleurde stroohoedje het armoedige knoopje van rosachtig haar, en onder uit het nauwe kleedje zag ze de groote, leelijk gevormde voet uitkomen in een oude laars, de hak, naar buiten gekeerd en de punt naar binnen. Toen steeg er langzaam een groot medelijden in haar op.

Zou dit meisje werkelijk denken, dat, door stil thuis te zitten bij moeder in het bovenkamertje in het benauwde Juffrouw Ida straatje, zij in eens een bekoorlijke jonkvrouw zou worden, zooals ze voorkomen in ouderwetsche romans? Hilda dacht aan een paar Amerikaansche meisjes, die zij in Philadelphia had ontmoet, de eene boekhoudster, de andere stenografe, twee slanke feetjes vol frischheid en gratie, zij dacht aan een vrouwelijke advocate in Washington, de elegantste vrouw die ze ooit gezien had, en ze verbaasde zich over de macht van holle phrases.

„Ik zou juist denken,” zeide ze zacht, „dat uw betrekking u mooier zou hebben gemaakt. Met wat ruimer inkomen zou u wat meer werk van uw toilet kunnen maken, wat niet zonder beteekenis is in het uiterlijk van een vrouw, nietwaar? en als u dan in uw vrije avonden wat koekjes aan de thee voor uw moeder kondt meebrengen en haar wat moois kondt voorlezen, in plaats van nu uw oogen moe en rood te gaan werken op slecht betaald naaiwerk, geloof ik, dat u er veel vroolijker en liever zoudt hebben uitgezien. Overwerken is voor ieders gezondheid slecht en dus ook voor de schoonheid, maar een rustig volbrachte dagtaak en een voldoend salaris zijn uitstekende schoonheidsmiddelen!”

Bertha vouwde de handen en Hilda zag een paar tranen neerglijden, die als donkere vlekjes neerspatten op de grijsgaren handschoenen.

„Kom juffrouw Wendelings, zeg het me maar. Al uw argumenten waren maar uitvluchten, nietwaar? U ziet wel, dat het maar klanken en zinnen zijn, die niet bestand zijn tegen ’n beetje doordenken. Zeg me nou maar waarom u bedankt hebt, het zal u goed doen om het te zeggen!”

„O! omdat .… nee, het waren geen uitvluchten, het waren wel degelijk argumenten van dominee Moisette, maar ik kan ze niet verdedigen tegen u, maar hij heeft ook nog gezegd .… hij heeft ons gewaarschuwd .… dat misschien .… es iemand komen kon .… die, .… onze eigenlijke bestemming is toch het huwelijk, niet waar? .… en .… heeren hoûen niet van meisjes die zulke betrekkingen bekleeden .… en zoo iemand, die mij gelukkig had kunnen maken zou dan niet naar me om zien.…” Hakkelend met een roode vlam in het gezicht had ze het uitgesproken.

Hilda stond een oogenblik strak voor zich ziende, toen draaide ze zich om en begon den terugweg. Bertha volgde zwijgend.

Dus voor een vaag iemand, die misschien nimmer komen zou, en die, als hij kwam, heel misschien haar werkkring zou afkeuren, had dit meisje haar toekomst vernield? Marguérite van Arkel had het haar onlangs wel gezegd hoe verslappend het vage denkbeeld op vele vrouwen werkt: dat „de heeren” sommige betrekkingen onvrouwelijk vinden. Zij had het niet willen gelooven en nu zag zij het vóór zich. Al hare fierheid kwam in opstand tegen deze laffe angst voor een denkbeeldige afkeuring van een denkbeeldig minnaar.

„Weet u dan niet,” zeide ze hard, „dat er honderd duizenden meer vrouwen zijn dan mannen? Wie zegt u dat die „iemand,” voor wie u uw carrière gebroken hebt, ooit komen zal? En dan, waarom zou het niet even goed kunnen dat die „iemand,” in plaats van bekrompen te zijn, vol verouderde dwaze begrippen over vrouwenarbeid juist in u apprecieerde, uw energieke werken, uw geld verdienen voor uw moeder; waarom zou het niet kunnen dat hij u juist liefhad om uw moedig alle bezwaren en vooroordeelen overwinnen, dat hij juist trotsch was op een vrouwtje dat haar uitzet had betaald met haar eigen mooie zelfverdiende geld? Zulke mannen bestaan er toch ook! en mij dunkt, zij die zoo denken zijn onze liefde meer waard dan de anderen. O! het is ergerlijk, ergerlijk, dat dominee Moisette u de dingen zoo verkeerd heeft voorgesteld. Ik vind het ellendig van hem!”

Bertha zag op, snel met een hooge kleur.

„Hoe kunt u zoo iets zeggen, freule, dominee Moisette heeft nooit iets ellendigs gedaan. Hij is de wijsheid en goedheid zelf en al zoudt u me ook honderdmaal bewijzen dat ie ongelijk heeft, ik geloof het toch niet. Hij is zoo vreeselijk verstandig en edel, hij moet het beter weten .…”

Toen zuchtte Hilda even met een erg vernederd gevoel dat ze al heel weinig scherpzinnig was geweest dien morgen. Dàt was het dus, ze had den jongen dominee lief en ze had haar toekomst vernietigd om niet in zijn oogen onvrouwelijk te schijnen.

En Hilda zuchtte weer met groote moeheid, omdat de wereld zoo vol treurigheid was. Want zij kende immers het geheim van Moisette en wist dat hij dit offer niet vergelden kon en ze voelde zich nameloos droevig om Bertha en om Moisette en ook om zich zelve, die uren lang vol enthousiasme over werken had gepraat en niet eens wist wat met haar leven aan te vangen.

Tot aan het huis van mevrouw Cranz liepen ze zwijgend voort, toen spraken zij weer voor het eerst.

„Adieu freule.”

„Gaat u niet mee naar binnen?”

„Nee, als mevrouw zoo tegen me spreekt als u gedaan heeft, weet ik geen raad. Ik zal moeder gaan halen. Als zij er bij is, durf ik het beter zeggen.”

„Adieu, juffrouw Wendelings.” En Hilda drukte haar de hand met een hartelijkheid, die het meisje na haar gesprek verbaasde.

„Mevrouw is boven op de bibliotheek,” zeide de knecht en Hilda ging naar boven, naar de mooie ouderwetsche kamer, die vroeger aan mijnheer Cranz van Rozenhagen tot studeerkamer had gediend. De oude mevrouw zat hier veel. Tusschen die vier wanden, rondom betimmerd met planken vol boeken, waarvan velen met oude kostbare banden, bracht ze gaarne haar lange eenzame uren van weemoedig herdenken door. Haar meisjesjaren waren kort en gelukkig geweest, maar door de gierigheid van haar man en zijn absolute zelfzucht was haar huwelijk een lange tijd geweest vol schrijnende pijn. Na zijn dood was er een krachtig nieuw opbloeien in haar gekomen, een terugvinden van jeugd, van illusies bijna, en met hartstocht had ze er zich toen aan gewijd, om tot geluk van anderen haar groot vermogen te besteden dat zij in haar huwelijk had aangebracht, maar dat al die bange jaren in misdadigen schijndood in de macht van haar man was gebleven.

Onder voorwendsel dat zoo’n eenigst zoontje licht door mama vertroeteld zou worden, was Bernard al heel jong door zijn vader het huis uitgestuurd en had zijn opvoeding gekregen op een kostschool, waarvan zijn moeder den geest volstrekt niet goedkeurde. Dit was wel een van de zwaarste verwondingen geweest die het huwelijksleven haar gebracht had, en eene die nooit meer kon genezen. Maar Bernard’s opgroeien had naar het oppervlakkige wereldoordeel den vader gelijk gegeven. Hij was een flinke knappe jongen geworden, die een prachtige carrière maakte, en er zijn ouders, die niets meer voor hun kinderen verlangen! Voor een reine hoogvoelende moeder echter als mevrouw Cranz waren er veel dingen in Bernard die haar met onrust en leed vervulden. Telkens als hij thuis zou komen was zij vol van blij hoopvol verlangen, maar telkens als zij een poosje samen waren, voelde zij, dikwijls zonder het zich zelf te willen bekennen, hoe teleurgesteld ze was. O! hij was heel hartelijk en vol attenties voor haar! Maar zij wist dat zij buiten het intiemste van zijn leven stond, en ongeduldig weerde hij haar af, als zij probeerde er in door te dringen. „Vrouwen hebben zulke eigenaardige opvattingen!”—had zij hem eens tegen een kennis hooren zeggen.—„Je moet ze erg vereeren, maar ze zoo veel mogelijk buiten alles hoûen!” En dat drukte karakteristiek hun verhouding uit. Voor veel moeders is het genoeg als haar zonen maar een beetje hartelijk de alledaagsche praatjes houden, en zich wat laten bederven, maar mevrouw Cranz had gedroomd van een zooveel mooier samenzijn, en soms was er een kille onrust in haar, die haar ineens liet huiveren, als zij vermoedde dat er ook veel in dat leven was, waarvoor hij zich geschaamd zou hebben als zij het had geweten.

Op dit oogenblik zat zij stil te breien, éen harer tallooze grof katoenen borstrokjes voor arme kinderen, luisterend naar Bernard, die haar de courant voor las.

„Dag Hildy!” zeide ze hartelijk, en toen in schertsend verwijt: „Wat ben je laat! en je had me nog zóo beloofd om vroeg te komen!”

„Ja, dat is waar, maar onderweg ben ik opgehoûen, .… ik zal u dat later wel es vertellen.”

„Foei, mama, u mag niet zoo tyranniek zijn!” riep Bernard lachend. „Men kan wel zien dat de freule u verwend heeft, dat u haar met verwijten in plaats van met dankbetuigingen ontvangt.”

„Mevrouw heeft groot gelijk!” antwoordde Hilda, in een eerlijke poging om zoo stroef mogelijk te zijn. „Ik bén ook veel te laat!”

„De kisten met al het goed staan beneden in de eetkamer,” hernam de oude mevrouw. „Moisette is er al een uur aan bezig geweest, en zal wel erg naar je hulp verlangen!”

„Is dominee Moisette beneden?”

Mevrouw Cranz glimlachte, hare zichtbare ontroering misvattend:

„Ja zeker, ik heb hem gevraagd om je te komen helpen. Er is veel te veel voor éen persoon om uit te zoeken.”

Hilda ging zwijgend heen. Na de opwinding en het vermoeiend gesprek met Bertha was het haar ondragelijk Moisette te moeten zien.

„Mama!” zeide Bernard, toen Hilda was gegaan. „Wat moet nou toch eigenlijk die dominee er bij doen?”

„Haar helpen, beste jongen, en .… z’n hof maken, als ie lust heeft!”

„Dat meent u toch niet? die .… die predikant met z’n dwepend monniksgezicht en .… Hilda?”

Heel zacht, met een kleine trilling had hij het laatste woord gezegd, maar de oude mevrouw merkte het niet op. Een oogenblik breide ze rustig voort, telde hare steken, en toen, ernstig tot hem opziende:

„En waarom niet? Het zou niet de eerste keer zijn dat ’n mooi, rijk, voornaam meisje met ’n dominee trouwde. Ik dacht dat je boven zulke ouwe aristocratische opvattingen verheven was.”

Maar Bernard antwoordde niet en liep de kamer op en neer met gefronsd voorhoofd en groote gejaagde passen.

Toen, op eens, begreep ze.

„O! Ber! … is het mogelijk! Zou jij …?” en in wondere ontroering, half van schrik, half van vreugde, vouwde ze de handen boven haar breiwerk, en zag strak naar hem op, haar oude zwakke oogen wijd open.

Hij knikte en kwam naar haar toe, juist als vroeger, heel lang geleden, vóór ze hem van haar weg, naar de kostschool hadden gezonden, vroeger toen hij kind was, als hij verdriet had, en knielde juist als toen voor haar neer.

„O! mijn jongen! is het mogelijk!” En met onbewuste bewegingen streelde ze zijn haar, juist als vroeger, zoo heel lang geleden. Een oogenblik zaten zij stil, een oogenblik voor haar van groote weemoedsvolle weelde, waarin ze vergat haar levensteleurstelling, dat hij zoo heel anders geworden was dan ze gewild had.

„Had u er heusch niks van gemerkt moedertje? En nou is het misschien te laat! zeide hij week.

„Dat geloof ik niet. Ze hebben elkaar eigenlijk nog zoo weinig gezien. Moisette is wel erg doodelijk van haar, maar ik weet volstrekt niet of ze het beantwoordt, en juist omdat ik zoo’n medelijden met hem kreeg, had ik ze vandaag samen .… Hoe kon ik toch zoo blind zijn! .…”

Bernard glimlachte gerustgesteld. In den grond van zijn hart, had hij eigenlijk ook nooit geloofd dat, waar een vrouw de keuze had tusschen hem en dien bleeken theoloog, haar beslissing ongunstig voor hem kon zijn. En toch was er iets in Hilda, dat hem telkens ongerust maakte. Zij was zoo heel anders dan de vrouwen waarmee hij omgang had gehad, en de vele jonge meisjes, die hem duidelijk toonden hoe bereid zij waren om Baronesse Cranz van Rozenhagen te worden.

Een klop op de deur liet hem overeind springen.

„Mevrouw, daar is mevrouw Wendelings en de juffrouw die u graag even woûen spreken.”

„Laat de dames naar boven komen!” antwoordde ze met een zucht van ongeduld en toen zij weer alleen waren ging zij naar hem toe en sloeg haar armen om hem heen, maar de weeke emotie van straks was tusschen hen weg.

„Waarom heb je het me niet eerder gezegd?” zeide ze zenuwachtig, bedroefd dat zij het niet geraden had.

Maar Bernard rolde zwijgend zijn cigarette en ging de kamer uit.

Hilda was intusschen naar beneden gegaan.

Met strakke lippen, het hoofd nauwelijks buigend en zonder hem de hand te reiken, had zij Moisette’s vroolijken groet beantwoord.

Voor hem was dezen morgen een stralend lichtpunt geweest, waarnaar hij verlangend had uitgezien sinds het oogenblik dat mevrouw Cranz hem gevraagd had te komen. Het vooruitzicht alleen met Hilda een paar uur samen te werken had hem dagen van koortsige blijheid gegeven; honderd malen had hij die oogenblikken voor zijn verbeelding gesteld, ze gevuld met al de woorden vol diepe, teere beteekenis, die hij haar zeggen zou, maar haar laat komen en koele begroeting ontroerden hem plotseling met onrust. Het was, alsof er bij haar binnenkomen, op eens iets in hem was gebroken.

„Wat ’n prachtig weer, freule, vindt u niet? Maar haast al te warm!”

„Ja veel te warm!” en Hilda bukte zich over een groote mand met speelgoed en ging ijverig aan het uitzoeken.

„Dit is ’n hoopje prenten en boekjes voor de doofstommen,” zeide Moisette na een poosje. „Als u er speelgoed voor bij elkaar hebt gezocht, wilt u het dan hierbij zetten? En hier in de hoek is voor de verwaarloosde meisjes van de Annastichting .…”

„Dank u, ik weet het. Mevrouw heeft het me gisteren allemaal verteld.”

Weer volgde een lange pauze; beiden werkten schijnbaar ijverig voort, elkaar onbemerkt bespiedend.

„Wat is er toch in vredesnaam met haar gebeurd?” dacht Moisette, en wanhopend zag hij den tijd voorbijgaan van de kostbare uren, waarvan hij zich zooveel had voorgesteld.

„Zoudt u denken dat we vanmorgen klaar komen? Ik had gedacht .… ik had .… gehoopt dat .… u vroeger zoudt zijn gekomen!”

Het was zacht gezegd en Hilda wist hoe hij het bedoelde, maar het prikkelde haar plotseling tot verzet. Misschien was het ook de reactie van het opwindend gesprek dien morgen, misschien ook het gevoel dat het onhoudbaar was langer haar stugge zwijgen te bewaren, terwijl zij hem naast zich voelde smachten naar een vriendelijk woord.

„Ja!” zeide ze uitdagend, bijna vijandig: „Ik zou ook eerder gekomen zijn, maar onderweg kwam ik juffrouw Wendelings tegen en ik ben ’n eind met haar omgeloopen om haar van haar dwaze besluit af te brengen.”

Er was, terwijl zij sprak, in eens een harde uitdrukking in zijn gezicht gekomen. Dát was het dus waarom zij vanmorgen zoo koel was! Overal dus moesten hem die ellendige emancipatieidées als booze geesten vervolgen! In zijn gemeente moest hij ze overal bestrijden en nu wilden zij hem ook de vrouw, die hij liefhad ontnemen.

„Ik vind het besluit van juffrouw Wendelings volstrekt niet dwaas,” zeide hij streng met iets van ouderwetsch priesterlijke hoogheid. „Ik vind het zeer in het meisje te waardeeren, dat ze terug is gekeerd tot haar plaats als vrouw in de binnenkamer.”

Maar toen Hilda hem een oogenblik zwijgend had aangezien met haar groote oogen vol uitdagende spot, verloor hij zijn zelfbeheersching:

„De vrouw is veel te mooi, te teer, te hoog, te zwak voor zulk kantoorwerk!” zeide hij heftig, verward.

„Te teer, te mooi, te hoog voor kantoorwerk?” herhaalde Hilda. „Maar niet te mooi, te hoog, te teer om armoe te lijden niet waar? En te zwak? De vrouw niet sterk? Alsof de voorzienigheid, éen deel van de menschheid, het mannelijke, gezond en flink zou hebben gemaakt, en het andere, het vrouwelijke, te zwak en te ziekelijk om de gaven, die het gekregen heeft te gebruiken. Ik zou durven wedden dat op haar kantoor geen harer heeren collega’s zoo frisch en stralend van gezondheid was als juffrouw Wendelings! En alsof niet in een massa gevallen het huishoudwerk oneindig meer kracht vereischt en vermoeiender is dan geregeld kantoorwerk! Kijkt u maar es naar de huisvrouwen op het platte land, die nog veel zelf moeten doen, dat de stadsdame kant en klaar in de winkels koopt; kijkt u maar es even naar de boerenvrouw, zooals ze b.v. in Suylenburg, en overal in Noord-Brabant is, of ze niet nog veel harder dan haar man werkt! en niemand merkt daar iets van die veelbesproken zwakheid! En dan de fabrieksarbeidster, die dikwijls hetzelfde werk als de man doet en nog het huiswerk bovendien. O! al die fabels over vrouwenzwakte! Gelooft u niet dat de meesten van al de kwaaltjes van ons vrouwen uit de hoogere standen alleen ontstaan door het tegelijk leege en overspannen leven, dat we leiden: vol drukte en zonder arbeid! met veel tijd om over onze petite santé te denken en weinig ernst om hygiënisch te leven?”

Zij lachte, een beetje brooddronken door haar eigen woordenvloed, die ze met kracht uit haar lippen voelde wegstroomen. En zooals ze daar vóór hem stond met haar glanzende groote oogen, de volle roode lippen even geopend in een trotschen lach, hoog opgericht het slanke, veerkrachtige lijf, scheen ze elk argument van vrouwenzwakheid te tarten. Maar toen ging ze weer voort, zonder te bemerken hoe hartstochtelijk hij zijn blikken op haar gevestigd hield, hoe hij nauwelijks scheen te hooren wat zij zeide, verloren in het strakke kijken naar haar mooi bezielde verschijning:

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings