Note 2 — Front matter (continued 4)
Reading edition
Trouwens het is onwaar wat dominee Moisette u verteld heeft, dat de vrouw overal en van den beginne af aan onderdane is geweest. Bij veel volken,—al is het dan ook niet bij alle, zooals men vroeger wel eens meende—is er een tijd geweest, dat de vrouw heerschte en volkomen macht had over zich zelf en haar kinderen. Dat noemen ze het matriarchaat, het moederrecht—bij enkele wilde volken schijnt het nog te heerschen. En het is ook heel natuurlijk, niet waar? dat in het primitieve huisgezin de moeder soms hooger stond dan de vader, zij die het leven aan de kinderen gaf, en ze verzorgde en macht en welvaart aan haar stam schonk door die vermeerdering van strijd- en werkkrachten. Maar ieder die iets van de geschiedenis weet, kan zich niet verwonderen dat die toestand niet blijvend is geweest. Toen het leven gekompliceerder werd, het bezit kwam en de rijkdom en daardoor strijd, en door toeneming van bevolking, volksverhuizingen ontstonden, en daardoor veroveringszucht en slavernij en soms vrouwenroof, kan ieder licht begrijpen dat in de ruwheid dier tijden het sterke geslacht moest zegevieren. Denkt u eens even aan de tijden die toen gekomen zijn! Aan de Romeinsche oorlogen, aan Attila met zijn woeste Hunnen, aan de prediking van het christendom met het zwaard, waarbij duizenden werden gedood, die niet onmiddellijk overtuigd waren van zijn voortreffelijkheid, aan de Noormannen en hun invallen, aan de middeleeuwen toen het oorlogvoeren onderling der kleinere en grootere kasteelen zoo onhoudbaar was geworden, en de roof- en plunderzucht der edelen zoo groot, dat de geestelijkheid, die zich machteloos voelde tegenover het kwaad zelf, eenige verbetering in den toestand trachtte te brengen door de Trêve Dieu in te voeren, een bepaling waarbij het op straffe van excommunicatie verboden was, om te dooden of met gewapende hand te stelen, van Woensdag avond tot Maandag morgen. Niet waar? zulke bepalingen, geldende de grooten en machtigen, zeggen meer dan alle beschouwingen over de woestheid dier tijden! En denkt u verder nog eens even aan de gruwelen der burgeroorlogen, der kettervervolgingen, aan den honderdjarigen oorlog in Frankrijk, aan den dertigjarigen in Duitschland, aan den tachtigjarigen in ons eigen land! Aan al die benden slecht bezoldigde huurtroepen die het land door trokken of muitend heele streken onveilig maakten, en later, nog geen eeuw geleden, aan Napoleon’s bloedheerschappij! Dan kan het u toch waarlijk niet verwonderen dat de vrouw in die tijden een ondergeschikte plaats moest innemen! Zonder zich zelf aan het grootste gevaar bloot te stellen, kon ze zich toen immers nauwelijks buiten de poorten van haar stad of burcht wagen tenzij onder vertrouwd geleide, en alleen achter de kloostermuren, of in het huwelijk, vond zij zekere veiligheid, die zij met haar onafhankelijkheid moest koopen. Wèl vinden wij in de geschiedenis telkens en telkens weer vrouwenfiguren in kracht en moed, zelfs in strijdlust, de gelijken van den man en als de omstandigheden het eischten ontbrak het nooit aan heldinnen. Maar onze aard is het nu eenmaal niet om op het slagveld te schitteren. Zoolang de wereld voortdurend vervuld was van het kletteren van wapenen en kanongebulder kon de vrouw zich nooit laten hooren, zoolang physieke kracht en vaardigheid in wapenhandel onder de hoogste deugden werden gerekend, oorlogvoeren de hoogste carrière was, tournooien houden het eenigste voorname vermaak, dapperheid de eenige heldendeugd, was er in de groote maatschappij voor de vrouw officieel geen plaats. Eerst in deze eeuw waarin Bertha von Suttners kreet: Leg neer de wapens2 luid heeft geklonken en echos heeft gewekt aan alle kanten, kan er sprake zijn van vrouwenemancipatie; d.i.: de vrouw vrij en onbeperkt werkzaam op alle gebied midden in de maatschappij, en ook eerst in deze eeuw, met zijn trillend verlangen naar sociale rechtvaardigheid, kan de vrouw de plaats opeischen die haar toekomt.”