Note 1 — Front matter (continued 9)
Reading edition
„O, ja! ze wilden eerst maar niet gelooven, dat de boel bij Frederik heusch op was! Bij zijn huwelijk met Gladys waren er zulke onzinnige rijkdomsprookjes verteld, dat noch Henk van Praege, noch iemand anders van den familieraad gelooven wou, dat het zoo ver al was gekomen. En als ik er dan op aandrong dat ze de zorg voor de kinderen aan mij zouden toevertrouwen, zochten ze er, ik weet niet wat, achter en weigerden grof. O! Hildy, ik heb hier geleerd, dit jaar, wat trotsverloochening en geduld is. Maar ik heb het uitgehoûen, omdat ik wist dat ik overwinnen moest. Zoolang ze dachten dat het schatrijke kinderen waren, over wier fortuin ze den baas konden spelen, hebben ze me bejegend alsof ik ’n landloopster was, die me wou indringen om andermans goed weg te halen. Ze vertrouwden me nou eenmaal niet, en ik was zoo totaal afhankelijk van hun beslissing. Het is tusschen ons een harde strijd geweest! Maar langzamerhand begonnen ze toch te begrijpen, dat dat fortuin, waar ze eerst zoo zeker van waren, dan toch voor den dag moest komen. Er waren geen boeken, bijna geen effecten, en het land, dat er geweest was, bleek verkocht of zwaar met hypotheek belast te zijn. Zij onderzochten, schreven en verbaasden zich, maar toen ze eindelijk begrepen dat de kinderen zoo goed als geruïneerd waren, gaven ze toe. De vrouw is niet waardig gekeurd om lid van een familieraad te zijn,1 maar als de nood aan den man komt, is ze goed genoeg om te helpen! En goddank in dit geval, dat de schaapjes nu maar arm zijn, anders was ik machteloos geweest om iets voor ze te doen. Maar nou neem ik ze mee naar Amerika!”