Note 1 — Front matter (continued 9)
Reading edition
Haar geschiedenis was zoo eenvoudig en treurig, zooals trouwens de meeste van die geschiedenissen. Heel jong was ze in Friesland aan een zuivelfabriek gekomen, en ze had er hard gewerkt, maar ook vroolijk, want ze was vlug en sterk. Maar toen was die wet aangenomen, die de vrouw in den arbeid heet te beschermen en haar verbiedt zondags te werken,—dat noemden de heeren beschermen!—Toen waren langzamerhand al de vrouwen in de fabriek afgeschaft; de zuivelbereiding eischt zondagswerk, als vrouwen die niet mochten verrichten, dan moest men wel mannen nemen!1 Zij had haar ontslag gekregen met al de andere meisjes, en daar stonden zij in grooten nood; zij kenden niets dan dat ééne vak, en daar waren ze uit verdreven. De meesten zochten dienstjes, en ook Joukje was op een advertentie naar den Haag gekomen, maar mevrouw had haar boos dadelijk weggezonden. Ze kende niets en mevrouw had gesproken van bedriegen om je in een net gezin aan te bieden als je niets kent. O! er werd tegenwoordig zoo dikwijls schande geroepen over de dienstmeisjes, die zoo slecht voor haar werk zijn opgeleid. En terecht, maar waar moeten deze kinderen het ook leeren, als ze niet bij toeval een knappe moeder hebben of een lieve juffrouw in haar eerste dienstje ontmoeten! Wat doet de maatschappij voor de opvoeding van het volksmeisje?2 En Joukje had geen moeder en vond geen lieve juffrouw.