← Table of contents
Gösta Berling

IX. De jonge gravin.

Margaretha Meijboom translation

De jonge gravin slaapt tot tien uur en wil elken dag versch brood hebben. De jonge gravin borduurt en leest verzen. Van eten koken en weven heeft zij geen verstand. De jonge gravin is verwend.

Maar zij is opgewekt en laat haar vroolijkheid schijnen over alles en iedereen. Men vergeeft haar graag haar lang slapen en het versche brood, want zij overlaadt de armen met weldaden en is vriendelijk voor iedereen.

De vader van de jonge gravin is een Zweedsch edelman, die zijn heele leven in Italië heeft gewoond, omdat in dit prachtige land een van zijn mooie dochters hem vast gehouden heeft. Toen graaf Hendrik Dohna in Italië reisde, werd hij opgenomen in het huis van den edelman, maakte kennis met diens dochters, trouwde met één van hen en voerde haar mee naar Zweden.

Zij, die al vroeg Zweedsch geleerd heeft en alles liefheeft wat Zweedsch is, voelt zich gelukkig in ’t berenland. Vroolijk doet ze mee aan den reidans van genoegens om ’t Löfvenmeer, en men zou denken, dat ze er altijd gewoond had. Maar van ’t gravin zijn heeft ze niet veel verstand. Er is geen spoor van stijfheid, van waardigheid, van „uit de hoogte zijn,” in deze jonge vrouw. Vooral de oude heeren zijn met de jonge gravin ingenomen. ’t Was merkwaardig te zien, hoe hoog zij bij hen aangeschreven stond. Als ze haar op een bal ontmoet hadden, kon men er zeker van zijn, dat ze allemaal, de rechter in Munkerud, de proost in Bro, Melchior Sinclaire, zoo goed als de kapitein van Berga, hun vrouw in diep vertrouwen vertellen, dat—als ze de jonge gravin voor 30 of 40 jaar ontmoet hadden, ja dan zouden ze....

„Ja, toen was ze nog niet geboren,” antwoordden dan de oude dames. En als zij de jonge gravin later ontmoeten, plagen ze er haar mee, dat zij hun de harten der oude heeren ontsteelt.

De oude dames zijn wat bekommerd over haar. Zij weten nog zoo goed hoe ’t met gravin Märta ging. Zij was even vroolijk en goed en bemind, toen zij voor ’t eerst naar Borg kwam, en zij werd een ijdele, genotzieke coquette, die er nu alleen aan denkt hoe zij zich ’t best amuseeren zal. „Had zij maar een man, die haar aan ’t werk kon houden!” zeggen de oude dames. „Kon ze maar een weefsel opzetten.” Want weven troost in alle verdriet en absorbeert alle belangstelling. ’t Weefgetouw heeft menige vrouw gered.

De jonge gravin wil graag een knappe huishoudster worden. Zij kan zich niets heerlijkers voorstellen dan als een gelukkige huisvrouw in een goed onderhouden huis te leven; op groote feesten gaat zij vaak bij de oude dames zitten.

„Hendrik wil zoo graag dat ik een knappe huishoudster worden zal,” zegt zij, „zoo als zijn moeder is. Wilt u mij leeren, hoe ik een weefsel opzetten moet?”

Dan zuchten de oude dames tweemaal. Eerst over graaf Hendrik, die zich verbeeldt, dat zijn moeder een knappe huishoudster is, en dan over de moeielijkheid van een zoo onkundig jong kind zulke ingewikkelde zaken te verklaren. Als men maar begint over „schering” en „inslag,” over „spoel” en „tweedraads” of „vierdraads,” dat loopt het haar al door elkaar. En dan nog „oogjesgoed” en „gerstekorrel”!!

Ieder, die de jonge gravin ziet, is er verbaasd over, hoe zij met den dommen graaf Hendrik heeft kunnen trouwen. Die arme domooren! Zij hebben het kwaad waar ze ook zijn. Maar ’t allerergst hebben zij ’t in Wermeland.

Er liepen al allerlei verhalen over graaf Hendriks domheid, en hij was pas twee- of drie-en-twintig jaar oud. Men vertelt b.v. hoe hij Anna Stjärnhök amuseerde op een sleevaart.

„Je bent mooi, Anna,” zei hij.

„Och kom, Henrik.”

„Je bent de mooiste in heel Wermeland.”

„Neen, dat ben ik volstrekt niet.”

„De mooiste op deze sledevaart ben je toch.”

„Neen, Henrik, dat ben ik ook niet.”

„Nu, maar de mooiste in deze slee ben je toch zeker; dat kun je niet ontkennen.”

Neen, dat kon ze niet. Want graaf Henrik is niet mooi; hij is even leelijk als dom. Men beweert, dat het hoofd, dat op zijn schouders zit, de laatste paar honderd jaar door de heele familie gebruikt is, en dat daarom de hersens van den laatsten erfgenaam zóo versleten zijn. „Zijn hoofd is al door zijn vader en grootvader gebruikt; hoe zou anders zijn haar zoo dun, zijn lippen zoo bloedeloos en zijn kin zoo spits zijn?”

Hij heeft altijd grappenmakers om zich heen, die hem uitlokken om allerlei domheden te zeggen, en deze dan verbreiden in een verbeterde uitgave. ’t Is een geluk voor hem, dat hij ’t niet merkt. Zelf is hij plechtig en waardig in zijn heele optreden; hij kan zich niet voorstellen, dat anderen dat niet zouden zijn. De waardigheid zit hem in zijn heele lichaam; hij beweegt zich afgemeten, loopt stijf en draait zijn hoofd niet om; zonder dat zijn heele lichaam meegaat.

Maar de jonge gravin houdt toch van hem, niettegenstaande zijn oudemannetjeshoofd. Zij wist immers niet, toen zij hem in Rome ontmoette, dat hij in zijn eigen land met den aureool van domheid omgeven was. Daar was iets van den glans der jeugd over hem, en zij waren onder zulke romantische omstandigheden tot elkaar gekomen. Men moest de gravin maar eens hooren vertellen hoe graaf Henrik haar had moeten schaken. De monniken en kardinalen waren woedend geweest, omdat zij den godsdienst van haar moeder, waarin zij was opgevoed, verloochenen wou en Protestant worden. ’t Heele volk was in oproer geweest en had haar vaders paleis belegerd. Henrik werd door bandieten vervolgd; haar moeder en zusters smeekten haar dit huwelijk op te geven. Maar haar vader was razend geworden, omdat dat Italiaansche canaille hem verbieden wou, zijne dochter te geven aan wien hij verkoos. Hij beval graaf Henrik haar te schaken. En toen, omdat het onmogelijk voor hen was thuis te trouwen, slopen zij en Henrik door allerlei achterstraatjes naar het Zweedsche consulaat. En toen zij daar haar Katholiek geloof afgezworen had en Protestant geworden was, werden ze oogenblikkelijk getrouwd en naar ’t noorden gezonden in een gesloten wagen, met een paar vlugge paarden er voor. „Er was geen tijd voor een huwelijks-afkondiging, zie je,” placht de jonge gravin te zeggen. „En ’t was ook akelig op een kantoor te trouwen, in plaats van in een van de mooie kerken; maar anders had Henrik mij ook nooit kunnen krijgen. Zij zijn bij ons allemaal zoo driftig; allemaal! Papa en mama, en de kardinalen en de monniken, allen zijn ze driftig. Daarom moest alles zoo in ’t geheim gaan, want als de menschen ons hadden zien wegsluipen, hadden ze ons zeker allebei doodgeslagen, alleen om mijn ziel te redden. Henrik was toch al verloren.”

Maar de jonge gravin houdt van haar man, ook nadat zij op Borg zijn gekomen en daar een kalmer leven leiden. Zij heeft in hem den glans van zijn ouden naam en van zijn beroemde voorvaderen lief. Zij ziet zoo graag hoe haar tegenwoordigheid zijn stijfheid verzacht; zij hoort zoo graag hoe zijn stem week wordt, als hij met haar spreekt. En dan houdt hij van haar en verwent haar. En dan is ze nu eenmaal met hem getrouwd. De jonge gravin kan zich niet voorstellen, dat een getrouwde vrouw niet van haar man houden zou.

En tot zekere hoogte beantwoordt hij dan ook aan haar ideaal van manlijkheid. Hij is rechtschapen en waarheidlievend. Hij heeft nog nooit zijn woord gebroken. Zij houdt hem voor een echten edelman.

Den achtsten Maart viert de leenman Scharling zijn verjaardag, en dan wemelt het van gasten, die den Brobyheuvel bestijgen. Zij komen van Oost en West, bekenden en onbekenden, en stroomen naar het landgoed van de Scharlings. Allen zijn welkom. Er is spijs en drank genoeg voor allen, en in de danszaal is plaats voor de danslustigen van zeven gemeenten. De jonge gravin komt ook; zij komt overal, waar men dans en vroolijkheid verwachten kan.

Maar zij is niet zoo opgewekt als anders. ’t Is alsof zij er een voorgevoel van heeft, dat ’t nu haar beurt is in de wilde jacht van het avontuur te worden meegesleept.

Onderweg heeft ze naar de ondergaande zon zitten kijken. Die ging niet onder te midden van gouden strepen op lichte wolkjes. Grauwbleek was de schemering, met korte, koude windstooten. De jonge gravin zag hoe dag en nacht met elkaar streden en hoe alles, wat leefde, door angst werd aangegrepen onder dien geweldigen strijd. De paarden stoven voort met hun laatste vracht om onder dak te komen. De houthakkers haastten zich weg uit het bosch, de meisjes naar huis. De wilde dieren huilden in het woud. En de dag, de vriend der menschen, werd overwonnen! De kleuren verdwenen; het licht werd gedoofd; koud en leelijk was alles wat ze zag. Wat zij gehoopt, liefgehad en gedaan had—’t was haar of ook dat alles werd gehuld in ’t grauw van de schemering. ’t Was het uur van vermoeidheid, van nederlaag, van machteloosheid, voor haar, zoowel als voor de heele natuur. Zij denkt er aan, hoe haar eigen hart, dat nu met zijn tintelende vroolijkheid alles in purper en goud hulde—hoe datzelfde hart eens de kracht zal missen om haar wereld te verlichten.

„O, onmacht! de onmacht van mijn eigen hart,” zei ze tot zichzelf, „die verstikkende grauwe schemering! Eens zal die ook mijn ziel beheerschen! Dan zal ik ’t leven leelijk en grauw zien, zooals ’t misschien wel is; dan zal mijn haar grijs worden, mijn rug gekromd, mijn hersens verlamd.”

Op hetzelfde oogenblik draaide de slede het landgoed van den leenman in, en toen de jonge gravin opzag, viel haar oog op een getralied venster in een zijgebouw, en daarachter zag zij een gezicht met een paar booze oogen.

Dat was het gezicht van de Majoorske van Ekeby. En nu voelde de jonge vrouw, dat het met haar genoegen voor dien avond gedaan was. Men kan nog wel blij zijn, als men de smart niet ziet, maar ze alleen hoort bespreken, als iemand, die ver weg is. Maar moeilijker is het de vreugd des harten te bewaren, als men van aangezicht tot aangezicht tegenover het bitter lijden staat.

De jonge gravin weet wel, dat de leenman de Majoorske heeft laten arresteeren en dat zij aangeklaagd zal worden, omdat zij met een paar anderen de kavaliers ’s nachts overvallen en gebonden heeft, en ze weg zou gevoerd hebben, als niet de Majoor met zijn beren gekomen was, om ze te bevrijden. Maar zij heeft er niet aan gedacht, dat ze daar op het landgoed bewaard werd, zoo dicht bij de balzaal, dat men van daar haar venster kan zien en zij de dansmuziek en al het vroolijk gedruisch van ’t bal hooren kan. En de gedachte aan haar rooft haar alle genot.

De gravin danst wel mee. Ze danst de wals en de quadrille, het menuet en de anglaise, maar na elken dans kan zij niet laten naar ’t venster te sluipen en naar ’t zijgebouw te zien. Er is licht in ’t venster van de Majoorske en ze kan haar heen en weer door de kamer zien loopen. ’t Lijkt wel of ze nooit rust, maar aanhoudend heen en weer loopt. En ieder keer als de gravin naar buiten gezien heeft, bewegen haar voeten zich onwilliger in den dans, en ’t lachen stokt haar in de keel.

De vrouw van den leenman merkt, dat zij de beslagen glazen afveegt, om naar buiten te zien, en gaat naar haar toe.

„Och, wat een ellende toch,” fluistert zij de gravin in.

„Ik vind ’t bijna onmogelijk vanavond te dansen,” antwoordt de gravin, ook fluisterend.

„’t Is waarlijk niet voor mijn pleizier, dat we hier bal hebben, terwijl zij daar zit,” antwoordt mevrouw Scharling. „Ze heeft al dien tijd in Karlstad gezeten; maar nu komt de zaak gauw voor, en daarom is ze vandaag hierheen overgebracht. We konden haar niet in ’t ellendige arresthok op ’t raadhuis brengen, en daarom gaven we haar de groote weefkamer daarboven. Als niet juist al die menschen hier vandaag geweest waren, had ik haar mijn kamer afgestaan. Ja, de gravin kent haar nauwelijks; maar zij was ons aller moeder, onze koningin. Wat moet ze wel van ons denken, dat we hier dansen, terwijl zij ’t zoo treurig heeft? ’t Is maar goed, dat de meesten niet weten, dat zij daar zit.”

„Zij had nooit gearresteerd moeten worden,” zegt de jonge gravin, streng.

„Neen, dat is een waar woord; maar het kon niet anders, als we ten minste erger ongelukken wilden voorkomen. Er was niemand, die haar verbieden kon haar eigen stroobossen in brand te steken en de kavaliers weg te jagen; maar de Majoor maakte immers gewoonweg jacht op haar. Niemand weet wat hij gedaan zou hebben, als zij niet in verzekerde bewaring gebracht was. Scharling heeft er veel last van gehad, dat hij haar gevangen nemen liet. Zelfs in Karlstad waren de menschen ontevreden, omdat hij niet alles door de vingers zag; maar hij deed immers wat hij meende dat het best was.”

„Nu zal ze wel veroordeeld worden,” zegt de gravin.

„Och, neen, veroordeeld wordt ze niet. De Majoorske van Ekeby wordt wel vrijgesproken; maar het is toch te veel voor haar, al wat ze deze dagen moet doorleven. Denk eens aan, zoo’n trotsche vrouw, en dan als een misdadiger behandeld te worden. Als zij maar niet krankzinnig wordt. Ik geloof, dat we haar hadden moeten toestaan hierheen te loopen, dan was ze misschien wel weggeloopen.”

„Laat haar vrij!” zegt de gravin.

„Dat kan ieder ander doen, behalve de leenman en zijn vrouw,” fluistert mevrouw Scharling. „Wij moeten immers op haar passen. Vooral vannacht, nu er zooveel van haar hier zijn. Daarom zitten twee knechts op wacht voor haar deur, en die is gegrendeld en gesloten, zoodat niemand bij haar komen kan. Maar als iemand er haar uit wilde helpen, gravin, dan zouden Scharling en ik even blij zijn.”

„Mag ik niet naar haar toe gaan?” vraagt de jonge gravin.

Mevrouw Scharling grijpt snel haar hand en trekt haar meê. In de voorkamer slaan ze elk een shawl om en haasten zich over de plaats.

„’t Kan best zijn, dat zij niet eens met ons spreken wil,” zegt mevrouw Scharling. „Maar ze kan dan ten minste zien, dat we haar niet vergeten.”

Zij gaan door de eerste kamer, waar twee mannen zitten en wacht houden voor de gesloten deur, en ze komen ongehinderd bij de Majoorske. Zij was opgesloten in een groote kamer, vol weefgetouwen en toebehooren. ’t Vertrek werd gebruikt als weefkamer; maar er waren ijzeren stangen voor de ramen en zware sloten op de deur, om ’t in tijd van nood als gevangenis te gebruiken.

De Majoorske blijft heen en weer loopen zonder op hen te letten. Zij moet een lange reis maken in die dagen. Zij kan aan niets anders denken, dan dat zij dertig mijl loopen moet, naar haar moeder, die daar, in de Elvedalsbosschen, op haar zit te wachten. Zij heeft geen tijd om te rusten; zij moet gaan. Zij is rusteloos en heeft het gevoel van voort te moeten. Haar moeder is al in de negentig. Zij kan niet lang meer leven.

Zij heeft de lengte van den vloer in ellen uitgemeten, en nu telt zij, en legt de ellen aan elkaar tot vamen, de vamen tot mijlen.

Moeilijk en lang schijnt de weg haar toe, en toch durft zij niet te rusten. Zij waadt door hooge sneeuwhoopen. Zij hoort de eeuwige bosschen ruischen, waar zij ook gaat. Zij rust in de rookkamers van de Finnen en in de hutten der houthakkers, van takken gebouwd.

Soms als er geen menschen te zien zijn, vele mijlen ver, moet ze een bed van takken maken en onder de wortels van een omgewaaiden den slapen.

En eindelijk heeft zij het doel bereikt: de dertig mijl zijn afgelegd; ze komt uit het bosch en ziet roode huizen op een plaats, met sneeuw bedekt. De beek bruist schuimend voort in een rij kleine watervallen, en aan het welbekende bruisen hoort zij, dat ze thuis is.

En haar moeder, die haar ziet aankomen, bedelende zooals ze gewild heeft, gaat haar te gemoet en....

Als de Majoorske zoo ver gekomen is, heft zij het hoofd, ziet om zich heen, krijgt de afgesloten deur in het oog, en dan weet ze waar ze is.

Ze vraagt zich af of ze op weg is gek te worden en gaat zitten om te rusten en na te denken. Maar een oogenblik later is ze weer op weg, telt de ellen en de vamen, tot ze mijlen heeft, rust in de hutten, en slaapt dag noch nacht, eer ze de dertig mijl heeft afgelegd. In al den tijd, dat zij gearresteerd zit, heeft zij bijna nooit geslapen.

En de twee vrouwen die haar zijn komen bezoeken, zien haar met angst aan. De jonge gravin heeft nooit kunnen vergeten hoe ze daar heen en weer liep.

Ze ziet haar dikwijls in haar droomen, en wordt dan wakker, met de oogen vol tranen en een klacht op de lippen.

De oude vrouw is vreeselijk vervallen. Heur haar is zoo dun geworden, en losse vlokken steken uit de kleine vlecht. Het gezicht is scherp en ingevallen; de kleeren zijn onordelijk en verscheurd. Maar trots dat alles heeft zij nog zóoveel voornaams over zich, iets zóo gebiedends, dat zij niet alleen medelijden, maar ook eerbied inboezemt.

Maar wat de gravin allerminst vergeten kon, waren de oogen, ingezonken, als naar binnen ziende, met nog een greintje verstandelijken gloed, maar bijna gedoofd, en met een vonk van wildheid in de diepte. Onwillekeurig werdt ge bang, dat de oude u aan zou vallen, met de tanden bijten en met de nagels krabben. Ze hebben daar lang gestaan, toen de Majoorske plotseling stilstaat voor de jonge vrouw en haar streng aanziet. De gravin wijkt een stap terug en grijpt mevrouw Scharling bij den arm. Opeens komt er leven en uitdrukking in de trekken van de Majoorske. Hare oogen zien weer de wereld in met helder bewustzijn.

„Ach neen, ach neen,” zegt ze glimlachend, „zoo erg is het nog niet, mijn lieve, jonge dame.”

Zij verzoekt hen plaats te nemen en gaat zelf zitten. Zij krijgt weer een waas van de oude waardigheid, zoo welbekend door de groote feesten op Ekeby en de bals in ’t paleis van den gouverneur te Karlstad. Zij vergeten de lompen en de gevangenis, en zien alleen de trotsche, de rijkste vrouw van Wermeland.

„Lieve gravin,” zegt zij, „wat brengt u er toe het bal te verlaten, om een eenzame, oude vrouw als ik ben op te zoeken? U is al te goed.”

Gravin Elisabeth kan niet antwoorden; haar stem wordt verstikt door ontroering. Mevrouw Scharling antwoordt voor haar, dat zij niet kon dansen, omdat ze aan de Majoorske dacht.

„Lieve mevrouw Scharling,” antwoordt de Majoorske; „is het nu zóo ver met mij gekomen, dat ik de jongelieden in hun vreugde stoor? Schrei niet om mij, mijn lieve, jonge gravin,” ging ze voort. „Ik ben een oude, slechte vrouw, die haar verdiende loon krijgt. U vindt het immers niet goed, als iemand zijn moeder slaat?”

„Neen, maar....”

De Majoorske valt haar in de rede en strijkt haar het lichte, krullende haar van het voorhoofd. „Kind, kind,” zegt zij, „hoe kon je er toch toe komen dien dommen Henrik Dohna te nemen!”

„Maar ik houd van hem.”

„Ja, ik begrijp het wel, ik begrijp het wel,” zegt de Majoorske. „Een goed kind en niet meer; schreit met de bedroefden en lacht met de blijden. En is gedwongen: „Ja” te zeggen tegen den eerste, die zegt: „Ik heb je lief.” Ach, ja. Ga nu naar binnen en dans, mijn lieve, jonge gravin. Dans en wees blij; in u is geen kwaad.”

„Maar ik zou zoo graag iets voor de Majoorske doen.”

„Kind,” zei de Majoorske, plechtig: „eens woonde er een oude vrouw op Ekeby, die de winden des hemels bedwong. Nu is ze zelf gevangen en de winden zijn vrij. Is het dan wonder, dat er een storm over ’t land gaat? Ik die oud ben, heb dat meer gezien, gravin. Ik ken dat. Ik weet, dat Gods geweldige storm over ons komt. Nu vaart hij over de groote rijken, dan over de kleine, vergeten landen. Gods storm komt overal! Over de grooten en over de kleinen. Het is grootsch Gods storm te zien komen.

„Gods storm! Adem Gods, kom en blaas over de aarde! Stemmen uit water en lucht, klinkt tot onze ontzetting. Laat de stormvlagen suizen over het land, aanbonzen tegen de wankelende muren, de verroeste sloten breken en de hellende huizen omwerpen.

„Angst zal komen over het land. De kleine vogelnesten worden uit de takken geschud. Het nest van den gier-sperwer zal uit den spar met geraas ter aarde vallen, en tot in ’t uilennest in de bergkloof zal de wind met zijn drakentong reiken.

„Wij meenden, dat alles hier zoo goed was, maar dat was zoo niet. Wij hadden behoefte aan den storm, die van God komt. Ik begrijp dat en klaag niet. Ik verlang alleen naar huis—naar mijn moeder te komen.”

Plotseling zonk zij ineen.

„Ga nu, jonge vrouw,” zegt zij. „Ik heb geen tijd meer. Ik moet op weg. Ga nu; maar hoed u voor hem, die op de wieken van den storm komt.”

En zij begint weer haar rusteloos heen en weer loopen. Haar trekken worden slapper; de oogen krijgen weer die zonderlinge uitdrukking, alsof ze naar binnen zien. De gravin en mevrouw Scharling kunnen niets anders doen dan heengaan.

Zoodra zij bij de dansenden terugkomen, gaat de jonge gravin regelrecht naar Gösta Berling toe.

„Ik moet u de groete van de Majoorske doen, Mijnheer Berling,” zegt zij. „Zij verwacht, dat u haar uit de gevangenis helpen zult.”

„Dan zal zij lang moeten wachten, mevrouw de gravin.”

„Och, help haar toch, mijnheer Berling.”

Gösta ziet somber voor zich. „Neen,” zegt hij; „waarom zou ik haar helpen? Waarvoor ben ik haar dank schuldig? Alles, wat ze gedaan heeft, diende tot mijn ongeluk!”

„Maar, mijnheer Berling!....”

„Als zij er niet geweest was,” antwoordde hij heftig, „dan sliep ik nu daarginds in de eeuwige bosschen. Ben ik verplicht mijn leven voor haar te wagen, omdat ze mij tot kavalier op Ekeby gemaakt heeft? Meent mevrouw de gravin soms, dat het een bijzonder eervolle betrekking is?”

De jonge gravin wendt zich af, zonder te antwoorden. Ze is boos.

Zij gaat naar haar plaats terug, met bitterheid vervuld over de kavaliers. Hier zijn ze gekomen met waldhoorn en viool en willen den strijkstok over de snaren laten gaan, tot de haren versleten zijn, zonder er aan te denken, dat de vroolijke tonen tot in de armoedige kamer van de gevangenis klinken. Hier zijn ze gekomen om zich de schoenzolen stuk te dansen, en denken er niet aan, dat hun oude weldoenster hun schaduwen voorbij de beslagen vensters kan zien glijden. Ach, hoe grauw en leelijk wordt de wereld! Ach, wat donkere schaduwen werpen nood en hardheid over de ziel van de jonge gravin! Kort daarna komt Gösta Berling haar ten dans noodigen.

Zij weigert ronduit.

„Wil de gravin niet met mij dansen?” vraagt hij, terwijl het bloed hem naar de wangen stijgt.

„Met u evenmin als met een van de andere kavaliers,” antwoordt zij.

„Zijn wij zulk een eer niet waard?”

„Dat is geen eer, mijnheer Berling. Maar ik heb er geen pleizier in met menschen te dansen, die den plicht der dankbaarheid vergeten.”

Gösta heeft zich al op zijn hiel omgedraaid.

Dit tooneel is door velen gehoord en gezien. Allen geven de gravin gelijk. De ondankbaarheid en harteloosheid van de kavaliers tegenover de Majoorske heeft de algemeene verontwaardiging gewekt.

Maar Gösta Berling is in die dagen gevaarlijker dan een wild dier in het bosch.

Sinds hij van de jacht is thuis gekomen en Marianne niet meer op Ekeby vond, is zijn hart één open wonde.

Hij is in een stemming om iemand een bloedig onrecht aan te doen en smart en pijn om zich heen te verspreiden.

Zij zal haar verdiende loon hebben, zegt hij in zichzelf. Zij zal er niet gemakkelijk afkomen. De gravin houdt er immers van geschaakt te worden. Zij zal haar zin hebben. Hij heeft niets tegen een avontuur.

Acht dagen lang heeft hij geleden ter wille van een vrouw. Dat is nu lang genoeg.

Hij roept Beerencreutz, den overste, Kristiaan Bergh, den sterken kapitein, en den tragen neef Kristofer, die zich nooit bedenken, als er sprake van een dollen streek is, en beraadslaagt met hen, hoe zij de gekrenkte eer van de kavaliers wreken zullen.

Het eind van het feest is gekomen. Een lange rij sleden rijdt de plaats op. De heeren trekken hun pelzen aan. De dames zoeken naar hun goed, dat in een wanhopige wanorde in de kleedkamer ligt.

De jonge gravin heeft zich gehaast om van dit afschuwelijke bal weg te komen. Zij is het eerst klaar van alle dames. Zij staat glimlachend midden in de kamer en ziet de verwarring aan, toen de deur opengerukt wordt en Gösta Berling zich op den drempel vertoont. Geen man heeft het recht in deze kamer binnen te dringen. Oude dames staan daar met hun dun haar. Zij hebben de fijne mutsjes afgezet. En de jongere hebben hun kleedjes onder de pelzen opgenomen, om de garneering niet te kreukelen onder het rijden.

Maar zonder zich te storen aan het waarschuwend roepen van alle kanten, springt Gösta Berling op de gravin af en grijpt haar aan. Hij neemt haar op in zijn armen en vliegt de kamer uit, de voorkamer in en van daar de stoep af.

Het geschreeuw der verschrikte vrouwen houdt hem niet terug. Als zij hem nasnellen zien zij alleen, dat hij in een slee springt met de gravin in de armen. Zij hooren den koetsier met de zweep klappen en de paarden voortstuiven. Zij kennen den koetsier: dat is Beerencreutz; zij kennen het paard: dat is Don Juan. En diep bekommerd over het lot der gravin roepen zij de mannen.

En deze verliezen geen tijd met veel vragen! Met den graaf aan ’t hoofd zetten zij den vrouwenroover na.

Maar hij ligt in de sleê en houdt de jonge gravin vast. Alle smart is vergeten, en onder de blijde bekoring van het avontuur, zingt hij uit volle borst een lied van liefde en rozen. Hij houdt haar vast tegen zich aan gedrukt; maar zij doet geen poging om te ontvluchten. Haar gezichtje rust wit, als versteend, aan zijn borst.

Och, wat zal een man doen, als hij een bleek, hulpeloos gezichtje zóo dicht bij zich ziet, als hij de blonde haren, die anders het glanzende, witte voorhoofd bedekken, ter zijde ziet geschoven, als de oogleden zich zwaar over de schelmsche, schitterende grijze oogen gesloten hebben.

Kussen natuurlijk, de bleeke lippen, de gesloten oogen, het blanke voorhoofd kussen.

Maar daar komt de jonge vrouw tot zich zelf. Zij gooit zich achterover. Als een stalen veer is zij. En hij moet met haar worstelen om te voorkomen, dat zij uit de slee springt, tot hij haar bevend en overwonnen in een hoek gedrongen heeft.

„Zie eens,” zegt Gösta dan heel rustig tot Beerencreutz. „De gravin is de derde, die Don Juan en ik dezen winter wegvoeren. De anderen hingen om mijn hals en kusten mij; maar zij wil niet door me gekust worden en ook niet met me dansen. Kun jij uit die vrouwen wijs worden, Beerencreutz?”

Maar toen Gösta de plaats afreed, toen de vrouwen gilden en de mannen vloekten, toen de sleebellen klonken en de zweepen klapten en alles rumoer en verwarring was, werden de mannen, die de Majoorske bewaakten, wonderlijk te moede.

„Wat is er te doen?” dachten ze; „waarom schreeuwen ze zoo?”

Op eens wordt de deur opengetrokken, en een stem roept: „Zij is weg! Nu rijdt hij met haar weg!”

En zij springen op en vliegen als dwazen voort zonder te zien of het de Majoorske of iemand anders is, die weg is. En ze treffen ’t goed, want ze krijgen een slee, en zij rijden ver weg en lang, eer ze te weten komen wie ze eigenlijk vervolgen.

En kapitein Bergh en Kristofer gaan op hun gemak naar de deur, steken kalm het slot open en doen de deur open.

„De Majoorske is vrij,” zeggen zij.

Zij komt naar buiten. Zij staan stokstijf elk aan een kant van de deur en zien haar niet aan.

Buiten wacht slede en paard.

Zij gaat naar buiten, zet zich in de slee en rijdt weg. Háár vervolgde niemand, en niemand weet ook waar zij heen rijdt.

Don Juan draaft den Brobyheuvel af, naar het toegevroren meer. Het fiere dier vliegt over den weg. Versterkend giert de ijskoude wind om de wangen van den rijdenden. De bellen klinken. Maan en sterren schijnen blauwachtig, wit ligt de sneeuw in ’t rond en glanst en schittert.

Gösta voelt poëtische gedachten in zich ontwaken. „Beerencreutz,” zegt hij, „dit is leven! Zooals Don Juan met die jonge vrouw voortrent, zoo sleept de tijd de menschen meê. Jij bent de noodzakelijkheid, die den rit bestuurt. Ik ben de begeerte, die den wil gevangen houdt. En zoo wordt de machtelooze dieper en dieper omlaag getrokken.”

„Houd je mond toch!” schreeuwt Beerencreutz; „nu halen ze ons haast in.” En met zwiepende zweepslagen hitst hij Don Juan aan tot aanhoudend sneller vaart.

„Zij zijn de wolven, wij zijn de buit!” roept Gösta. „Don Juan, mijn jongen, verbeeld je, dat je een jonge eland bent. Stuif door ’t kreupelhout, waad door het moeras, spring van de rotsen in het heldere meer, zwem er over, den kop fier omhoog, en verdwijn in de reddende duisternis van het dennenwoud. Draaf, Don Juan, oude vrouwenroover, draaf als een jonge eland!”

Zijn woest hart zwelt van blijdschap onder dien dollen rit. De kreten der vervolgers zijn als een juichlied voor hem. Zijn woest hart zwelt van blijdschap, als hij merkt, dat de gravin beeft van schrik, zoodat haar tanden klapperen.

Plotseling laat zijn ijzeren vuist haar los, hij staat op in de slee en zwaait met zijn muts.

„Ik ben Gösta Berling!” roept hij. „Heer van tienduizend kussen en dertienduizend liefdesbrieven. Hoera voor Gösta Berling! Pak hem als je kunt!”

’t Volgend oogenblik fluistert hij de gravin in: „Is dit niet een heerlijke rit? Achter ’t meer Löfven ligt ’t Weenermeer. Daarachter de zee! Overal oneindige, heldere, blauwgrijze ijsvlakten! Rollende donder, krakend ijs, geroep en geschreeuw achter ons, vallende sterren in de lucht, klinkende bellen vóór ons! Altijd voort! Hebt u lust de reis te wagen, lieve, jonge mevrouw?”

Hij laat haar los. Zij stoot hem heftig terug.

Een oogenblik later ligt hij op de knieën aan haar voeten.

„Ik ben een ellendeling, een ellendeling. U hadt mij niet moeten tergen. U stond daar zoo fier en hoog, en meende, dat een kavaliersvuist u nooit bereiken kon. U heeft aarde en hemel lief. U hadt geen steenen moeten toevoegen aan den last, dien hij, die door aarde en hemel veracht wordt, dragen moet!”

Hij grijpt haar handen en brengt ze aan zijn gezicht.

„Als u wist wat het is, te weten dat men een uitvaagsel is!” zegt hij. „Dan geef je er niet meer om, wat je doet,—’t kan je niet meer schelen.”

Daar voelt hij, dat ze geen handschoenen aan heeft. Hij trekt een paar groote ruige wanten uit den zak en doet ze haar aan. En nu is hij opeens heelemaal kalm en zet zich in de slee neer, zoo ver mogelijk van de jonge gravin.

„U hoeft niet bang te zijn,” zegt hij. „Ziet u niet waar we heenrijden? U kunt toch wel begrijpen, dat wij u geen kwaad durven doen.”

Zij is bijna bewusteloos geweest van schrik; maar nu ziet zij, dat zij ’t meer al over zijn gereden en dat Don Juan nu den steilen heuvel opklautert naar Borg. Zij laten het paard stilhouden bij de stoep van ’t hoofdgebouw en laten de jonge gravin uitstappen voor haar eigen huis.

En toen zij zich door haar dienstboden omringd ziet, die naar buiten komen loopen, krijgt zij haar moed en tegenwoordigheid van geest terug.

„Wil je voor het paard zorgen, Anderson,” zegt zij tegen den koetsier. „Deze heeren, die mij naar huis gereden hebben, zijn zeker wel zoo vriendelijk even mee naar binnen te gaan. De graaf komt dadelijk.”

„Zooals u wenscht,” antwoordt Gösta en stapt dadelijk uit de slee. Beerencreutz werpt de leidsels weg, zonder zich een oogenblik te bedenken. Maar de jonge gravin gaat vooruit en leidt hen met slecht verborgen leedvermaak in de groote zaal.

Zij had stellig gedacht, dat de kavaliers zich tweemaal zouden bedenken, eer zij haar voorstel, om haar man af te wachten, aannamen. Zij wisten dus niet welk een streng en rechtvaardig man hij was. Zij vreesden niet voor de straf, die hij hun zou opleggen, omdat zij haar met geweld aangegrepen hadden en haar gedwongen met hen te rijden.

Zij wilde hem hun hooren verbieden ooit weer hun voeten in haar huis te zetten. Zij wilde hem de bedienden zien roepen en de kavaliers aanwijzen als mannen, die zij nooit meer binnen de poorten van Borg mochten laten komen. Zij wilde hem zijn verachting hooren uitspreken, niet alleen voor wat zij haar gedaan hadden, maar ook voor hun gedrag tegenover de Majoorske, hun weldoenster.

Ja, hij, die voor haar louter teerheid en oplettendheid was, hij zou in regelmatige toorn opstaan tegen haar vervolgers. De liefde zou zijn woorden gloed geven. Hij, die haar beschutte en omringde als een wezen van hooger orde, hij zou niet verdragen, dat ruwe mannen op haar aanvielen en haar aangrepen als een roofvogel een muschje. Heel die kleine vrouw gloeide van wraakzucht, van ’t hoofd tot de voeten. Haar man zou haar helpen en de donkere schaduwen verdrijven.

De overste Beerencreutz, met den dikken witten snor ging toch onvervaard de eetzaal binnen en stapte naar den haard, waar altijd vuur moest branden, als de gravin van een bal naar huis kwam.

Gösta bleef in het donker bij de deur en zag zwijgend naar de gravin, terwijl een bediende haar goed afdeed. En terwijl hij daar zat en die jonge vrouw aanzag, werd hij zóó tevreden, als hij in vele jaren niet geweest was. Het werd hem helder; het was hem als een openbaring, dat in haar binnenste een leliereine ziel woonde.

Lang had die gebonden en sluimerend gelegen, maar nu zou die wel voor den dag komen. Hij was zoo gelukkig, doordat hij alle reinheid en vroomheid en onschuld ontdekt had, die in haar hart woonden. Hij moest bijna om haar lachen, omdat ze zoo boos keek en daar stond met gloeiende wangen en gefronste wenkbrauwen.

„Ze weet het zelf niet, hoe zacht en goed ze is,” dacht hij.

De zijde van haar natuur, die naar buiten gekeerd was, zou nooit haar inwendig ik geheel tot zijn recht laten komen, dacht hij. Maar Gösta Berling moest haar van dat oogenblik dienen, zooals men al wat schoon en verheven is dienen moet. Ja, het was hem onmogelijk er berouw over te hebben, dat hij zoo pas nog zoo ruw tegen haar gedaan had. Als zij niet zoo bang geweest was, als zij hem niet zoo heftig van zich gestooten had, als hij niet gevoeld had hoe heel haar ziel in opstand gekomen was tegen zijn ruwheid, dan was hij nooit te weten gekomen welk een fijne, edele ziel er in haar woonde.

Hij had geen reden gehad dat vroeger te gelooven.

Zij was immers louter danslust en vroolijkheid geweest. En dan had zij immers dien dommen graaf Henrik kunnen trouwen!

Maar nu zou hij haar slaaf zijn tot zijn dood. Haar hond en haar slaaf,—zooals Kaptein Kristiaan zei,—en anders niet.

Hij zat daar bij de deur, Gösta Berling, met gevouwen handen, en hield een soort van eeredienst. Sedert dien dag, dat hij de vlammen der inspiratie over zich had voelen komen, had hij niet zulk een hoogtij in zijn ziel gevoeld. Hij liet zich niet storen, hoewel graaf Dohna met een massa menschen binnen kwam, die vloekten en raasden over de duizend dolle streken van de kavaliers.

Hij liet Beerencreutz den storm afwachten. Hij had wel wat anders om over na te denken.

De overste stond kalm aan den haard, met den voet op het hekje er voor, den elleboog op de knie gesteund en de kin op de hand, en zag de binnenstormenden aan.

„Wat moet dat beteekenen?” schreeuwde de kleine graaf hem toe.

„Dat beteekent,” antwoordde hij, „dat, zoo lang er vrouwen zijn, men ook dwazen vindt, die naar hun pijpen dansen.”

De jonge graaf werd vuurrood. „Ik vraag wat dat beduidt?” herhaalde hij.

„Ja, dat zou ik ook wel willen weten,” spotte Beerencreutz. „Mag ik weten wat het beteekent, dat de vrouw van Henrik Dohna niet met Gösta Berling dansen wil?”

De graaf zag zijn echtgenoote vragend aan.

„Ik kon niet, Henrik,” barstte zij uit. „Ik kon niet met hem dansen, noch met een van de anderen. Ik dacht aan de Majoorske, die zij in de gevangenis lieten versmachten.”

De kleine graaf richtte fier zijn stijf lijfje op en hief zijn oudemannetjeshoofd zoo hoog mogelijk.

„Wij, kavaliers,” ging Beerencreutz voort, „staan niemand toe ons te hoonen. Wie niet met ons dansen wil, moet met ons rijden. Er is de jonge gravin niets kwaads gebeurd, en daarmee is ’t uit.”

„Neen,” zei de graaf, „daarmee is ’t niet uit. Ik ben aansprakelijk voor de handelingen van mijn vrouw. Nu vraag ik waarom Gösta Berling zich niet tot mij wendde om voldoening, toen mijn vrouw hem beleedigd had.”

Beerencreutz glimlachte. „Ik vraag,” herhaalde de graaf.

„Men vraagt den vos geen permissie om hem te villen,” antwoordde de overste.

De graaf legde de hand op de smalle borst.

„Ik heb den naam, dat ik een rechtvaardig man ben,” zei hij. „Ik kan mijn dienstboden richten. Waarom zou ik geen gericht over mijn vrouw kunnen houden? De kavaliers hebben daar geen recht toe. De straf, die zij haar gegeven hebben, hef ik op. Die heeft niet plaats gehad. Begrijpt gij, heeren? Die heeft nooit plaats gehad.”

De graaf kraaide die woorden uit in zijn hoogste falset.

Beerencreutz wierp een snellen blik om zich heen. Er was niet éen der aanwezigen: Sintram en Daniël Bender en Dahlberg of wie dan ook, die niet inwendig lachte, omdat hij zoo den gek stak met den dommen Henrik Dohna.

De jonge gravin begreep het niet direct. Wat zou voor niets gerekend worden? Haar angst, de kavaliers, die ruw haar fijn lichaam aangegrepen hadden, dat woeste zingen, de ruwe woorden, de wilde kussen—moest dat alles niets? Was er van dezen avond niets, waar de grauwe godin van de schemering geen macht over had?

„Maar, Henrik....”

„Zwijg,” antwoordde hij. En hij zette zich in postuur om een straf-predikatie tegen haar te houden. „Wee u, dat gij, een vrouw, u tot rechter wildet verheffen over mannen. Wee u, dat gij, die mijn echtgenoote zijt, het waagt iemand te beleedigen, wiens hand ik druk. Wat gaat het u aan, dat de kavaliers de Majoorske in de gevangenis hebben gezet? Hadden zij geen gelijk? Gij zult nooit begrijpen hoe het een man in de ziel grijpt te hooren spreken over ontrouw van vrouwen. Wilt ge soms zelf den boozen weg opgaan dat ge zulk een vrouw verdedigt?”

„Maar Henrik!”....

Zij klaagde als een kind, en strekte de armen uit, als om de harde woorden af te weren. Zóo was zij misschien nooit te voren toegesproken.

Zij was zoo hulpeloos onder die harde mannen, en nu keerde zich haar eenige verdediger tegen haar. Nooit meer zou haar hart de kracht hebben de wereld licht te maken.

„Maar Henrik! jij moest mij toch beschermen!”

Gösta Berling werd nu uit zijn overpeinzingen wakker, nu het te laat was. Hij wist niet wat hij doen moest. Hij meende het zoo goed met haar. Maar hij durfde geen partij te kiezen tusschen man en vrouw.

„Waar is Gösta Berling?” vroeg de graaf.

„Hier,” antwoordde Gösta. En hij deed een erbarmelijke poging over alles heen te schertsen. „De graaf hield zeker een toespraak, en ik ben in slaap gevallen. Wat zou de graaf er van zeggen, als wij nu naar huis gingen, zoodat u naar bed kon gaan?”

„Gösta Berling, daar mijn echtgenoote geweigerd heeft met u te dansen, beveel ik, dat zij uwe hand zal kussen en u om vergeving vragen.”

„Mijn waarde graaf Henrik,” zei Gösta, glimlachend, „dit is geen hand, die ’t een jonge vrouw past te kussen. Gisteren was ze rood van ’t bloed van een geschoten eland, morgen zal ze zwart van roet zijn na een gevecht met een kolenbrander. De graaf heeft een edel en verheven vonnis geveld. Dat is mij voldoening genoeg. Kom, Beerencreutz!”

Maar de graaf versperde hem den weg.

„Ga niet heen,” zei hij. „Mijn vrouw moet mij gehoorzamen. Ik wil, dat mijn echtgenoote zal weten wat er van komt, als zij eigenmachtig handelt.”

Gösta bleef staan, niet wetend wat te doen. De gravin stond bleek en onbeweegelijk.

„Ga nu,” zeide de graaf.

„Ik kan niet, Henrik.”

„Je kunt wèl,” antwoordde hij hard. „Je kunt. Maar ik weet wel wat je wilt. Je wilt mij tot een tweegevecht met dien man dwingen, omdat je in je grilligheid niet met hem op hebt. Goed, als jij hem geen voldoening wilt geven, dan zal ik het doen. Vrouwen zien altijd graag, dat mannen om hunnentwil gedood worden. Ik zal duelleeren, mijn echtgenoote! Over eenige uren zal ik een bloedig lijk zijn.”

Zij zag hem lang aan. En zij zag hem toen zooals hij was: dom, laf, opgeblazen van hoogmoed en ijdelheid—het erbarmelijkste mensch, dat men zien kon.

„Wees gerust,” zei ze. En ze was ijskoud geworden. „Ik zal het doen.”

Maar nu werd Gösta Berling heftig bewogen. „Mevrouw de gravin mag het niet doen! Neen, u mag niet! U is immers een kind, een zwak, onschuldig kind, en u zoudt mijn hand kussen! U, die zoo’n mooie, reine ziel hebt. Ik zal u nooit meer aanraken, o, nooit meer. Ik breng dood en verderf over alles, wat goed en onschuldig is. U moogt me niet aanraken. Ik ben bang voor u als ’t vuur voor ’t water; u mag niet!”

En hij hield de handen op den rug.

„’t Kan mij niet schelen,” antwoordde zij. „Nu kan ’t mij niet meer schelen. Ik vraag u om vergeving. Ik verzoek u mij uw hand te laten kussen.”

Maar Gösta hield steeds de handen op den rug. Hij liet zijn oogen door de zaal gaan en ging naar de deur.

„Als ge de voldoening niet aanneemt, die mijn vrouw u aanbiedt, Gösta Berling, moet ik met u vechten en behalve dat haar een andere, hardere straf opleggen.”

De gravin haalde de schouders op. „Hij weet immers geen raad van angst,” fluisterde zij. „Laat ik het nu doen. ’t Doet er niet toe, of ik vernederd word. U hebt dat immers zoo gewild.”

„Heb ik dat gewild? Gelooft u, dat ik dat gewild heb? Nu, als ik geen handen meer heb, die u kussen kunt, zult u wel begrijpen dat ik dàt niet gewild heb.”

Hij liep naar den haard en stak er beide handen in. De vlam sloeg er om heen, de huid schrompelde, de nagels knetterden. Maar op ’t zelfde oogenblik greep Beerencreutz hem in den nek en slingerde hem met kracht over den vloer.

Hij tuimelde op een stoel en bleef daar zitten. En hij schaamde zich bijna over zijn gedrag. Zou zij denken, dat het vertooning was? Zich zoo aan te stellen in een kamer vol menschen moest wel een dwaze vertooning lijken. Er was immers volstrekt geen gevaar bij.

Maar eer hij van de stoel was opgestaan, lag de gravin naast hem op de knieën. Zij greep de roode, met roet bezoedelde handen en bekeek ze.

„Ik zal ze kussen,” barstte zij uit, „ze kussen, zoodra ze niet meer te ziek en pijnlijk zijn.” En groote tranen rolden haar over de wangen, toen zij de blaren onder de geblakerde huid zag opkomen.

Zoo werd hij voor haar als een openbaring van een ongekende heerlijkheid. O, dat zóó iets nog op de wereld gebeuren kon, dat men zóó iets om harentwille kon doen! Wat was hij toch voor een man! Tot alles in staat, geweldig in goed en kwaad, de man van groote daden, van sterke woorden, van schitterende dingen. Een held, een held! Van andere stof gemaakt dan de anderen. De slaaf van een luim, van den lust van het oogenblik, woest en verschrikkelijk, maar met een ontembare kracht, voor niets ter wereld vervaard.

Zij had zich den heelen avond gedrukt gevoeld en niets anders dan smart, wreedheid en lafheid gezien. Nu was dat alles vergeten. De jonge gravin was weer blij, dat zij een mensch was. De godin van de schemering was overwonnen. De jonge gravin zag weer licht en kleuren in de wereld.

Toen de gravin kort daarna hoorde, dat de Majoorske bevrijd was, gaf zij een groot feest voor de kavaliers. Van dien tijd af begon de lange vriendschap tusschen haar en Gösta Berling.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings