XXVI. De dood als bevrijder.
Margaretha Meijboom translation
Mijn bleeke vriend, de Dood, kwam in Augustus, toen de nachten bleek waren, in den maneschijn, bij ’t huis van kapitein Uggla. Maar hij durfde niet aanstonds binnengaan onder het gastvrije dak, want er zijn maar weinigen, die hem liefhebben.
Mijn bleeke vriend, de Dood, de groote Bevrijder heeft een moedig hart. Het is hem een lust te rijden door de lucht, door gloeiende kanonskogels gedragen. Hij neemt de sissende granaat op den nek en lacht als die springt en de splinters om hem heen vliegen. Hij danst met de spoken op het kerkhof en schuwt de pestzalen in het hospitaal niet, maar hij beeft aan de deur der rechtschapenen, op den drempel der goede menschen.
Want hij wil niet met tranen begroet worden, maar met stille vreugd; hij die de zielen bevrijdt van de boeien der smart, van de ketenen van ’t stof en ze laat genieten van het vrije, heerlijke leven in de wereldruimte.
En de Dood sloop in ’t oude bosch, achter ’t woonhuis, waar nog op den huidigen dag de slanke beuken met hun witte stammen wedijveren, om aan de fijne bladknoppen in hun toppen ’t licht des hemels te verschaffen. In dat bosch, dat toen jong en vol dicht groen was, verschool mijn bleeke vriend zich terwijl de zon aan den hemel stond, maar des nachts stond hij aan den zoom van ’t woud, wit en bleek met zijn zeis, die blonk in den maneschijn.
O Eros, aan u behoorde eens dit woud. De ouden van dagen weten te vertellen, hoe verliefde paren er vroeger rust en schaduw zochten. En nog heden, als ik voorbij Berga kom, knorrig over de steile heuvels en over ’t verstikkende stof, verheug ik mij over uw bosch met de nu maar weinige witte stammen, die stralen van herinneringen aan jonge, schoone menschen, die elkaar liefhadden.
Maar nu stond de Dood daar en de nachtdieren zagen hem. Avond aan avond hoorden de bewoners van Berga, hoe de vos huilde om zijn komst aan te kondigen. De adder kronkelde over ’t pad tot dicht bij ’t huis. Hij kon niet spreken, maar men begreep wel, dat hij den machtige aan kwam kondigen. En in den appelboom buiten ’t venster van mevrouw Uggla liet de uil zijn gekras hooren. Want alles in de natuur kent den dood en beeft voor hem.
En zoo geschiedde het dat de rechter van Munkerud, die op een feest bij den proost van Bro geweest was, ongeveer tegen twee uur ’s nachts voorbij Berga reed en een licht zag branden in ’t venster van de logeerkamer. Hij zag duidelijk een gele vlam en de witte kaars en later sprak hij met verwondering over dat licht, dat in den zomernacht had gebrand. Toen lachten de vroolijke jonge dames op Berga en zeiden dat de rechter een vizioen gehad had, want hun vetkaarsen waren al lang opgebrand in Maart; en de kapitein vloekte er op, dat er niemand in de logeerkamer geweest was sinds velen weken, maar de vrouw van den kapitein werd bleek en zweeg; want die witte kaars met de heldere vlam placht zich te vertoonen, als iemand uit haar familie verlost zou worden door den Dood, den grooten Bevrijder.
Kort daarna, op een heerlijken Augustusdag, kwam Ferdinand thuis van zijn landmetersdienst in de noordelijke bosschen. Hij was bleek en ziek, door een onherstelbare longziekte aangetast, en zoodra zijn moeder hem zag, wist ze dat haar jongen sterven zou. Ze zou hem dan moeten missen, dien goeden zoon, die nooit zijn ouders ’t allerminste verdriet deed. De jonge man moest de aarde met al haar vreugd verlaten, en zijn geliefde bruid, die hem wachtte, de rijke hoeven, en de dreunende smidse, die hem zouden toebehooren.
Eindelijk, toen mijn bleeke vriend een maand lang geaarzeld had, vatte hij moed en ging op een nacht naar het woonhuis. Hij wist dat nood en honger daar met vroolijke gezichten ontvangen werden, waarom zouden ze hem dan niet met blijdschap tegemoet komen.
Zacht ging hij ’t pad langs en wierp een donkere schaduw over ’t grasveld, waar de dauwdroppels in den maneschijn glinsterden. Hij kwam niet als een vroolijk maaier met bloemen op den hoed en den arm om het middel van zijn meisje. Hij liep gebogen als een uitgeteerde stumpert en verborg zijn zeis in de plooien van zijn mantel, terwijl uilen en vleermuizen om hem heen fladderden.
Dien nacht hoorde mevrouw Uggla, die wakker lag, dat er aan ’t venster geklopt werd, en zij ging overeind in het bed zitten en vroeg: „wie klopt daar?”
En de ouden vertellen, dat de Dood haar antwoordde: „’t is de Dood, die aanklopt.”
Toen stond ze op, deed het venster open en zag vleermuizen en uilen in den maneschijn fladderen, maar den Dood zag ze niet.
„Kom binnen,” zei ze halfluid, „Vriend en Bevrijder. Waarom toefdet ge zoo lang? Ik heb u gewacht, ik heb u geroepen. Kom binnen en bevrijd mijn zoon.”
Toen gleed de Dood binnen, gelukkig als een onttroonden koning, die in zijn hoogen ouderdom zijn kroon terugkrijgt, blij als een kind, dat naar zijn spel geroepen wordt.
Den volgenden dag zat Mevrouw Uggla aan ’t ziekbed van haar zoon en sprak met hem over de zaligheid der verloste zielen en hun heerlijk leven.
„Zij werken,” zeide ze, „zij werken zeker. ’t Zijn kunstenaars, groote kunstenaars, mijn jongen! Als ge bij hen komt, zeg mij dan eens wat gij zult worden.
Een van de beeldhouwers zonder beitel, die rozen en leliën uithouwt, of een van de schilders die ’t avondrood scheppen? En als de zon dan ondergaat in al zijn heerlijkheid zal ik hier zitten en denken: dat is Ferdinand’s werk.
Mijn beste jongen, denk er eens aan hoeveel er te zien en te doen is daarboven. Denk aan alle zaadjes, die in ’t voorjaar ten leven moeten gewekt worden, alle stormen, die gestuurd moeten worden, alle droomen, die uitgezonden moeten worden. En denk aan de lange reizen door ’t hemelruim van de eene wereld naar de andere.
Denk eens aan mij, jongelief, als je zooveel moois te zien krijgt. Je arme moeder zal nooit wat anders zien dan Wermeland.
Maar op een schoonen dag ga je naar onzen lieven Heer en vraagt Hem of Hij je niet een van de wereldbollen geven wil, die rondwentelen in ’t hemelruim en dan doet Hij dat. Als je die krijgt is hij koud en vochtig, vol afgronden en klippen en er zijn geen bloemen of dieren op. Maar dan zul je werken aan de ster, die God je gegeven heeft. Je maakt er licht en warmte en lucht, je brengt er planten en nachtegalen en klaaroogige gazellen heen, je laat er watervallen storten in de afgronden, je heft de bergen op en bezaait de vlakte met roode rozen. En als ik sterf, Ferdinand, en mijn ziel terugbeeft voor de lange reis en er tegen opziet van de oude bekende plaatsen te scheiden, dan zit je te wachten buiten ’t venster in een wagen met paradijsvogels bespannen, in een schitterende gouden koets.
En mijn arme onrustige ziel wordt opgenomen in je wagen en komt naast je te zitten en wordt geëerd als een koningin. Dan rijden we door het hemelruim, voorbij de stralende wereldbollen en als wij bij éen van die hemelsche woningen komen, die al heerlijker en heerlijker worden, dan vraag ik—want ik weet niet beter: „zullen we hier of daar niet blijven?”
Maar dan glimlach je zwijgend en spoort je paradijsvogels aan. En eindelijk komen we op de kleinste van alle hemelbollen, maar ’t is de schoonste van allen, die ik gezien heb. En dan houden we stil buiten het gulden slot en je leidt me binnen in ’t huis van de eeuwige blijdschap.
En daar is de provisiekast altijd gevuld en de boekenkasten ook. De dennenbosschen staan er niet, zooals hier op Berga, vlak om het huis en sluiten de heele mooie wereld af, maar ik kan uitzien over de oneindige zee en door de zon beschenen vlakten. En duizend jaar is als één dag.
Zoo stierf Ferdinand, verrukt door de lichtende visioenen, glimlachend tegen de heerlijkheden die hem wachtten.
Mijn bleeke vriend, de Dood, de groote Bevrijder had nooit zoo iets schoons beleefd. Want wel waren er die schreiden bij Ferdinand’s sterfbed, maar de zieke zelf glimlachte tegen den man met de zeis, toen hij zich op den rand van het bed zette, en zijn moeder luisterde naar zijn laatsten snik als een liefelijke muziek. Ze was bang, dat de dood zijn werk niet zou kunnen volbrengen, en toen alles voorbij was, kwamen er tranen in haar oogen. Maar ’t waren vreugdetranen, die op het verstijfde gelaat van haar zoon vielen.
Nooit was mijn bleeke vriend zoo gevierd geworden als bij de begrafenis van Ferdinand Uggla. Als hij zich had durven vertoonen, zou hij verschenen zijn in een met goud bestikten mantel, met een baret met veeren versierd en zou voor den lijkstoet uit naar ’t kerkhof gedanst hebben, maar nu zat hij, de oude eenzame ineengedoken op den muur van de begraafplaats met zijn oude zwarte mantel om en zag den stoet aankomen.
’t Was een wonderlijke begrafenis! Zon en gulden wolkjes maakten den dag schitterend, lange rijen roggeschoven versierden ’t veld, de appels in den boomgaard van den proost blonken in heldre kleuren tusschen ’t loof en in den tuin van den koster glinsterden dalia’s in den zonneschijn.
’t Was een wonderlijke lijkstoet, die tusschen de lindeboomen door trok. Voor de met bloemen getooide kist uit gingen mooie kindren en strooiden bloemen. Men zag geen rouwkleeren, geen krip, geen witte plooikragen met breede plooien. De vrouw van den kapitein had het zoo gewild. Hij, die in vreugde stierf zou niet door een sombren lijkstoet, maar door een schitterende bruidschaar naar zijn goede rustplaats gebracht worden.
Onmiddellijk achter de kist ging Anna Stjärnhök, de schoone, schitterende bruid van den doode. Zij had den bruidskrans op het hoofd, de bruidssluier voor en was gekleed in een wit sleepend bruidsgewaad van witte, glanzende zijde. Zoo getooid ging zij naar ’t graf om daar aan haar bruidegom verbonden te worden.
Achter haar kwamen paar aan paar aanzienlijke oude dames en deftige heeren. De sierlijk uitgedoschte vrouwen kwamen met vonkelende gespen en broches, met melkwitte paarlen, kettingen en gouden armbanden. De veeren op hun mutsen wiegden op zijde en kant boven hun krullend haar, van hun schouders golfden de fijne zijden shawls, die zij als bruidsgeschenk gekregen hadden, neer over de bontkleurige zijden kleederen. En de mannen kwamen in hun galagewaad, met kanten kragen, met jassen met vergulde knoopen en vesten van brokaat en rijk geborduurd fluweel. ’t Was een bruiloftsstoet. Zoo had de kapiteinsvrouw het gewild.
Zelf ging ze naast Anna Stjärnhök aan den arm van haar man. Had zij een gewaad van schitterend brokaat bezeten, zij zou het gedragen hebben; had ze kostbaarheden en een fijne kanten muts gehad, zij had ze aangedaan om haar zoon te huldigen op zijn bruiloftsdag. Maar nu had ze niet anders dan dit zwarte stoffen kleedje en die oude, geel geworden kanten, waarmeê ze al zoo menig feest bijwoonde en zij droeg het ook bij deze plechtigheid.
Maar hoewel de begrafenisgasten met pracht en praal kwamen, bleef er geen oog droog, toen zij bij ’t luiden der klokken naar het graf opgingen. Mannen en vrouwen schreiden, niet zoozeer over den doode, als wel over zichzelf. Zie—daar ging de bruid, daar werd de bruidegom weggedragen, daar gingen ze zelve als voor een feest getooid, en toch wie van hen, die de paden dezer wereld betreedt, weet niet dat hem droefheid en rouw, smart en dood wacht. Zij schreiden bij de gedachte, dat niets op aarde hen daarvoor bewaren kon.
De kapiteinsvrouw schreide niet, maar zij was de eenige wier oogen droog bleven.
Toen nu de gebeden gelezen waren en de aarde op de kist geworpen, gingen allen vandaar naar de rijtuigen. Slechts de kapiteinsvrouw en Anna Stjärnhök bleven bij ’t graf om den doode nog voor ’t laatst vaarwel te zeggen. De oude zette zich bij het graf neer en Anna nam naast haar plaats.
„Zie,” zei de kapiteinsvrouw, „ik heb tegen God gezegd: „Laat de Dood, de bevrijder komen en mijn zoon wegnemen. Laat hem, dien ik ’t meest liefheb wegvoeren naar Uw vrede en die stille dreven, en slechts vreugdetranen zullen er in mijn oogen zijn; met bruiloftspraal zal ik hem naar ’t graf brengen, en mijn roode rozenstruik, de rijkbloeiende zal ik hem mede geven naar het kerkhof. En nu is het zoo! Mijn zoon is dood. Ik heb den dood als een vriend begroet; ik heb hem de liefste namen gegeven; ik heb vreugdetranen over ’t verstijfde gelaat van mijn kind geschreid en als het herfst zal zijn, als de bladeren vallen, zal ik mijn roode rozenstruik hierheen verplaatsen. Maar weet jij, die hier naast me zit, waarom ik aldus tot God gebeden heb?”
Zij zag Anna Stjärnhök vragend aan, maar ’t meisje zat bleek en stil aan haar zij. Misschien streed zij om de inwendige stemmen te smoren, die reeds nu, op het graf van den doode, haar begonnen toe te fluisteren, dat zij nu eindelijk vrij was.
„’t Is jouw schuld!” zeide de kapiteinsvrouw.
’t Meisje zonk ineen als onder een knotsslag. Zij antwoordde niet.
„Anna Stjärnhök, eens was je trotsch en eigenzinnig. Toen heb je met mijn zoon gespeeld, hem genomen en weer verstooten. Maar wat was dat! Hij moest het verdragen, hij zoo goed als anderen. En ’t kan ook zijn, dat wij allen je geld even liefhadden als jezelf. Maar toen je terugkwam, bracht je zegen over ons huis, je waart toen vriendelijk en zachtmoedig, sterk en goed! Je omringde ons met liefde, je hebt ons zoo gelukkig gemaakt, Anna Stjärnhök, en wij arme menschen lagen aan je voeten.
En toch.... En toch wilde ik dat je niet gekomen waart. Dan had ik God niet hoeven te bidden het leven van mijn zoon te verkorten. Hij zou met kerstmis je verlies hebben kunnen dragen. Maar sinds hij je had leeren kennen, zooals je nu bent, zou hij er de kracht niet toe gehad hebben.
Hoor nu, Anna Stjärnhök! vandaag heb je je bruidskleed aangetrokken om mijn zoon te volgen, maar als hij was blijven leven, hadt je hem nooit als bruid mogen volgen naar de kerk van Bro. Want je hadt hem niet lief!
Ik zag het wel. Je bent alleen uit barmhartigheid gekomen, omdat je ons droevig lot wou verzachten. Je hadt hem niet lief! Meen je, dat ik de liefde niet ken, dat ik haar niet zie, waar ze is, en voel waar ze ontbreekt. Toen dacht ik: „O dat God ’t leven van mijn zoon wegneemt vóór hem de oogen opengaan.
Ach hadt je hem toch maar liefgehad! Was je maar nooit bij ons ingekomen, hadt je maar nooit ons leven mooier gemaakt, nu je hem toch niet lief hadt. Ik wist wat mijn plicht was: als hij niet gestorven was had ik hem moeten zeggen, dat je hem niet liefhadt, maar dat je alleen zijn vrouw wilde worden, omdat je de barmhartigheid zelf bent. Ik had hem moeten dwingen je vrij te laten en dan zou zijn levensgeluk bedorven zijn geweest. Zie je! daarom bad ik God, dat hij sterven mocht, opdat ik de rust van zijn hart niet zou behoeven te storen. En ik heb me verheugd over zijn ingezonken wangen, over zijn zware ademhaling, ik heb gebeefd van angst dat de dood zijn taak niet volvoeren wou.”
Zij zweeg en wachtte op antwoord. Maar Anna Stjärnhök kon nog niet spreken. Zij luisterde nog naar vele stemmen in de diepte van haar ziel.
Toen barstte de kapiteinsvrouw in wanhoop uit:
„O, hoe gelukkig zijn zij, die hun dooden mogen betreuren! Zij die stroomen tranen mogen vergieten. Ik moet met droge oogen staan aan ’t graf van mijn zoon, ik moet blij zijn dat hij gestorven is. Wat ben ik toch rampzalig!”
Toen drukte Anna Stjärnhök de handen vast tegen haar borst. Zij dacht aan dien winternacht, toen zij bij haar jonge liefde gezworen had deze arme menschen tot steun en troost te zijn. En zij rilde! Was dan alles te vergeefs geweest? Was haar offer niet door God aangenomen? Moest alles in vloek verkeeren in plaats van zegen te brengen?
Maar als zij nu alles ten offer bracht, zou God dan haar werk niet zegenen en haar tot een steun, een hulp, een zegen voor de menschen maken?
„Wat verlangt u dan om uw zoon te kunnen betreuren?” vroeg zij.
„Dan moest ik mijn oude oogen niet meer kunnen gelooven! Als ik geloofde, dat je mijn zoon hadt liefgehad, zou ik treuren over zijn dood.”
Toen stond het meisje op, de oogen schitterend van geestvervoering. Zij rukte haar bruidssluier af en breidde die over het graf. Zij nam haar krans en legde die daarop.
„Zie nu hoe lief ik hem had!” riep zij uit. „Ik geef hem mijn krans en mijn sluier. Aan hem verbind ik mij. Nooit zal ik een ander toebehooren.”
Toen stond ook de kapiteinsvrouw op. Zij bleef een oogenblik zwijgend staan. Haar geheele lichaam beefde, haar gezicht vertrok zich krampachtig. Maar eindelijk kwamen de tranen, tranen van rouw!
Maar mijn bleeke vriend, de Dood, de Bevrijder, rilde toen hij die tranen zag. Dus ook hier was hij niet met vreugde begroet, niet eens hier was men van harte blij geweest bij zijn komst.
Hij trok de kap diep over ’t gezicht, gleed zacht van den kerkhofsmuur naar beneden en verdween tusschen de schoven op het veld.