XXI. De predikant van Broby.
Margaretha Meijboom translation
Liefde, gij almachtige, gij weet wel, dat het soms schijnt, alsof een mensch zich aan uw macht heeft ontworsteld. Alle zachte gevoelens, die de menschen vereenigen, schijnen in zijn hart gestorven. Reeds strekt de waanzin zijn klauwen uit naar den ongelukkige; maar dan komt gij in uwe almacht, gij ’s levens goede engel en ’t verschrompelde hart bloeit opnieuw als de staf van den heilige.
Niemand kan gieriger zijn dan de predikant van Broby, niemand meer van alle menschen verwijderd dan hij door boosheid en onbarmhartigheid. Zijn kamers worden den heelen winter niet verwarmd, hij zit op een ongeverfde houten bank, hij kleedt zich in lompen, leeft van droog brood en wordt woedend als een bedelaar bij hem aanklopt. Hij laat het paard honger lijden in den stal en verkoopt het hooi; zijn koeien knagen ’t dorre gras aan den kant van den weg en ’t mos van de huismuren, en men kan zijn uitgehongerde schapen tot op den weg hooren blaten.
De boeren gooien hem ’t eten toe, wat de honden niet willen eten en de kleeren, die de armen niet meer willen dragen. Zijn hand is steeds uitgestrekt om te bedelen, zijn rug gebogen om te danken. Zoodra hij een muntstuk ziet, trilt zijn hart van onrust, tot het in zijn zak zit en wee hem, die niet op den vervaldag zijn pacht betaalt.
Hij trouwde laat, en ’t was beter geweest als hij ’t nooit gedaan had. Van verdriet en vermoeienis stierf zijn vrouw. Nu dient zijn dochter bij vreemden. Hij wordt oud; maar de ouderdom verlicht zijn zwaren arbeid niet. De waanzin der gierigheid is over hem gekomen.
Maar op een schoonen dag in ’t begin van Augustus komt een zware koets, door vier paarden getrokken, den Brobyheuvel op. Een deftige oude dame komt aanrijden in galatoilet met koetsier en palfrenier en een juffrouw van gezelschap. Zij komt den predikant van Broby bezoeken. Zij heeft hem gekend in haar jeugd.
Zij hadden elkaar liefgehad, terwijl hij huisonderwijzer was op het buiten van haar vader, maar haar trotsche familie belette het huwelijk. En nu komt zij den Brobyheuvel oprijden om hem te zien, vóór zij sterft. Alles wat het leven haar nog geven kan is den geliefde van haar jeugd weer te zien.
De deftige oude dame zit te droomen in haar koets. Zij rijdt niet den Brobyheuvel op naar een kleine, armoedige pastorie. Zij is op weg naar ’t koele, donkere prieel beneden in ’t park, waar haar geliefde wacht. Zij ziet hem voor zich! Hij is jong, hij kust haar, hij heeft haar lief. Nu ze weet dat ze hem zien zal, stijgt zijn beeld voor haar op met wonderlijke helderheid. Hoe mooi is hij toch. Hij kan dwepen, hij kan gloeien, hij vult haar ziel met verrukking.
Nu is ze geel bleek, vervallen en oud. Hij herkent haar misschien niet, zestig jaar oud, als ze nu is, maar ze komt ook niet om gezien te worden, maar om te zien, om den geliefde van haar jeugd te zien, die ongedeerd door den tand des tijds, nog altijd jong en mooi en warm van hart is.
Zij komt ver weg, zoo ver weg, dat ze nooit iets van een predikant van Broby gehoord heeft.
Nu ratelt de koets den heuvel op en nu ziet zij de pastorie boven op den top liggen.
„Om Godswil,” jammert een bedelaar aan den kant van den weg, „geef een arm man een penning.”
De voorname dame geeft hem een zilverstuk en vraagt of de pastorie van Broby hier dicht bij is.
De bedelaar ziet haar met sluwen, scherpen blik aan. „De pastorie ligt daar,” zegt hij, „maar de dominé is niet thuis; er is niemand thuis in de pastorie.”
De deftige oude dame ziet er uit alsof ze een flauwte nabij was. Het koele prieel verdwijnt, haar geliefde is er niet. Hoe kon ze ook hopen hem na veertig jaar terug te vinden.
Wat wilde de freule in de pastorie!
De freule was gekomen om den dominé te bezoeken. Zij had hem vroeger gekend.
Zestig mijlen en veertig jaar hadden hen gescheiden. En bij elke mijl, die ze dichterbij gekomen is, heeft ze een jaar achter zich gelaten met al zijn lasten en zorgen. En nu ze de pastorie heeft bereikt is ze weer een twintigjarig meisje zonder zorg en zonder herinneringen.
De bedelaar staat haar aan te zien en voor zijn oogen wordt ze van zestig twintig en van twintig weer zestig jaar oud.
„De dominé komt van middag weer thuis,” zegt hij. „De freule doet ’t best met naar de herberg in Bro te rijden en van middag weer terug te komen. Dan sta ik er voor in, dat hij weer thuis is.”
Een oogenblik later rolt de zware koets met de kleine oude dame den heuvel af naar de herberg; maar de bedelaar staat haar na te zien en beeft over ’t heele lichaam. Hij had wel op de knieën willen vallen en ’t wagenspoor kussen.
Keurig gekleed, gewasschen en geschoren, met schoenen met glimmende gespen aan, met zijden kousen, met geplooide kraag en manchetten staat de dominé van Broby op dien zelfden middag voor de vrouw van den proost in Bro.
„Een deftige dame, de dochter van een graaf! hoe kunt u meenen, dat ik, arme man! die in mijn huis noodigen kan. Mijn vloeren zijn zwart, mijn mooie kamer is zonder meubelen, de zolder in de zaal is groen van schimmel en vocht! Help mij, lieve Mevrouw. Denk er aan dat ze de dochter van een graaf is!”
„Kunt u niet zeggen dat u op reis is.”
„Lieve Mevrouw, ze heeft 40 mijl gereisd om mij, arme man! te zien. Ze weet niet hoe ik het heb. Ik heb geen bed om haar te logeeren. Ik heb niet eens een bed voor haar dienstboden.”
„Welnu, laat haar dan heengaan.”
„Lieve, beste Mevrouw! Begrijpt u dan niet wat ik meen? Ik wil liever alles geven wat ik heb, alles wat ik met vlijt en moeite heb bijeen gegaard, dan dat ze weg zou gaan, zonder dat ik haar onder mijn dak ontvangen had. Ze was twintig jaar, toen ik haar het laatst zag; dat is nu veertig jaar geleden, denk daarom, lieve Mevrouw. Help mij, zoodat ik haar bij mij ontvangen kan. Hier is geld als dat helpen kan, maar hier is meer dan geld noodig.”
O, Eros, de vrouwen hebben U lief. Ze doen liever honderd moeielijke dingen voor U, dan één voor andere goden.
In ’t huis van den proost worden kamers en de keuken en de provisiekamer leeggedragen.
Als de proost van zijn catechisatie terugkomt, vindt hij de kamers leeg en kijkt om de deur van de keuken om naar zijn middageten te vragen en vindt daar niemand. Geen eten, zijn vrouw is er niet en evenmin de dienstboden. Wat is daaraan te doen! Eros wil het zoo. Eros, de machtige!
En op den middag komt dan de zware wagen den Brobyheuvel opschommelen. En het kleine oude dametje zit er aan te denken of er nu niet weer een nieuwe tegenspoed komen zal, en of het nu werkelijk waar is dat zij de eenige vreugde van haar leven genieten zal.
En daar draait de koets de pastorie in, maar houdt stil in het hek. Het groote hek is te klein, de koets te breed. De koetsier knalt met de zweep. De paarden zetten aan, de knecht vloekt, maar ’t achterste wiel van de koets zit vast en blijft vast zitten. De gravendochter kan niet in den tuin van haar geliefde komen.
Maar daar komt iemand. Hij is het! Hij licht haar uit den wagen. Hij draagt haar met onverzwakte kracht en drukt haar in de armen even warm als vroeger voor veertig jaar. Zij ziet hem in de oogen. Zij stralen, zooals ze deden toen ze nog pas vijf en twintig zomers gezien hadden.
Een storm van aandoeningen, een stroom van warmte bruist haar door de ziel. Ze herinnert zich, dat hij haar eens de trap van ’t terras heeft opgedragen. Ze had gemeend dat haar liefde al die jaren geleefd had, maar ze was toch vergeten wat het was, in sterke armen gesloten te worden en in jonge, stralende oogen te zien.
Zij ziet niet dat hij oud is. Zij ziet alleen in zijn oogen.
Zij ziet de zwarte vloeren niet, noch de zolderingen die groen van vochtigheid zijn, zij ziet alleen zijn stralende oogen. De predikant van Broby is een statig man. Hij is zelfs mooi op dit oogenblik. Hij wordt innemend alleen door haar aan te zien. Hij hoort zijn stem, zijn heldere, sterke stem, die klinkt als een liefkozing. Zóó spreekt hij alleen tot haar. Wat had hij toch meubels van den proost noodig in zijn leege kamers, wat had hij eten en dienstboden van noode. De oude dame zou dat alles bijna niet gemist hebben.
Hoort zij zijn stem niet? Ziet ze zijn oogen niet? Nooit, nooit te voren is ze zóo gelukkig geweest. Hoe sierlijk buigt hij, sierlijk en fier als was zij een vorstin en hij haar gunsteling. Hij spreekt zooals ouden van dagen doen, met vele stereotype gezegden, als hij tot haar spreekt.
Zij glimlacht maar en is gelukkig!
Tegen den avond biedt hij haar den arm en ze wandelen in zijn ouden vervallen tuin. Zij ziet niet dat die leelijk en slecht onderhouden is; vergroeide struiken worden tot geschoren hagen, ’t onkruid tot zachte, smaragdgroene grasperken in haar oogen. Lange lanen beschaduwen haar en door ’t donkere loof ziet zij witte beelden schemeren van jeugd, trouw, hoop en liefde.
Ze weet, dat hij getrouwd geweest is, maar ze denkt er niet aan. Hij is immers vijf en twintig, zij twintig jaar. Hij is zeker niet ouder, jong en vol kracht als hij is. Is hij dezelfde, die eens de gierige dominé van Bro worden zal. Hij! die glimlachende jongeling? Soms suist het in zijn ooren. Zouden ’t boden van een donkere toekomst zijn? Maar de ellende der armen, de vloek der bedrogenen, de schimpscheuten der verachting, de spotliederen, de hoon, dat alles bestaat nog niet voor hem. Zijn hart brandt van eene reine, onschuldige liefde. Die fiere, jonge man zal nooit geld zóó liefhebben, dat hij in ’t stof, ja in ’t vuil kruipen zal om het op te rapen, van de voorbijgangers bedelen, vernedering, schande, koude en honger verdragen om het machtig te worden. Zal hij zijn kind honger laten lijden, zijn vrouw pijn doen, alleen om dat ellendige geld! Dat is immers onmogelijk. Zoo kan hij niet zijn. Hij is een goed mensch, zooals anderen. Hij is geen monster.
De geliefde van zijn jeugd gaat niet aan de zijde van een verachte ellendeling, die ’t ambt, dat hij gewaagd heeft te aanvaarden, onwaardig is. Neen, Eros, almachtige God, ten minste dezen avond niet. Dezen avond is hij niet de predikant van Broby en ook den volgenden en den daaropvolgenden niet.
Den dag daarna vertrekt zij. Het hek is breeder gemaakt. De koets rolt den Brobyheuvel af zoo snel als uitgeruste paarden loopen kunnen.
Welk een droom, welk een heerlijken droom! Geen enkele wolk in al die drie dagen.
Zij reed glimlachende terug naar haar kasteel en haar herinneringen. Nooit hoorde zij zijn naam meer noemen, zij vroeg nooit naar hem. Zij wenschte niet anders dan dezen droom steeds weer te droomen, zoolang ze leefde.
De predikant van Broby zat in zijn eenzaam huis en schreide, schreide als een wanhopende. Zij had hem jong gemaakt! Zou hij nu weer oud moeten worden? Zou de booze geest terugkomen? Zou hij weer verachtelijk moeten worden, verachtelijk als hij geweest was?