← Table of contents
Gösta Berling

XXVII. De droogte.

Margaretha Meijboom translation

Als levenlooze dingen kunnen liefhebben, als aarde en water vrienden van vijanden onderscheiden, dan zou ik gaarne hun liefde bezitten. Ik zou willen dat de zwarte aarde mijne voetstappen niet als een zware last voelde drukken, dat zij me gaarne vergaf dat ze om mijnentwil door ploeg en eg gekwetst wordt, en dat zij zich gewillig opende om mijn lijk te ontvangen. En ik zou willen dat het water, als ik zijn blanken spiegel stuk sla met mijn roeiriemen, het zelfde geduld met mij had als een moeder met een wild kind, dat op haar knie klautert zonder de gladde zijde van haar feestkleed te ontzien.

Ik zou goede vrienden willen zijn met de heldere lucht, die boven de bergen trilt, met de stralende zon en met de vonkelende sterren. Want vaak schijnt het mij toe alsof de levenlooze dingen met de levende voelen en lijden. De scheiding tusschen hen en ons is niet zoo groot als de menschen meenen. Welk stofje op aarde is niet meegevoerd door den cirkelgang van het leven. Is niet misschien het warrelend stof van den weg eens gestreeld als zacht haar, of bemind als goede, weldoende handen. Heeft niet wellicht het water in ’t wagenspoor op den weg als bloed door kloppende harten gestroomd?

De geest van ’t leven woont nog in de doode dingen. Wat voelt hij, terwijl hij slaapt den droomloozen slaap? Gods stem hoort hij. Zou hij der menschen stem ook vernemen?

O, gij menschen van later tijd, hebt ge dat niet gezien? Als twist en haat de aarde vervullen, moeten ook de doode dingen veel lijden. Dan wordt de weg wild en roofzuchtig als een roover, dan wordt de akker karig als een gierigaard. Maar wee hem, door wiens schuld de wouden zuchten en de bergen treuren.

’t Was een merkwaardig jaar, toen de kavaliers regeerden. Mij dunkt, toen moet de onrust der menschen de rust der doode dingen verstoord hebben. Hoe zal ik de besmetting roemen, die zich toen over ’t land verspreidde. Zou men niet meenen dat de kavaliers de goden dier streek waren en dat allen door hun geest bezield werden? Door den geest van ’t avontuurlijke, van zorgeloosheid en verwildering.

Kon men alles vertellen, wat er in dat jaar onder de menschen op de kust van ’t Löfvenmeer gebeurde, dan zou de wereld verbaasd staan. Want oude liefde ontwaakte, nieuwe werd geboren. Oude haat vlamde op en lang gesuste wraak greep naar buit! Allen vlogen op in begeerte naar ’s levens lieflijkheden: dans en spel, muziek en feestgelagen jaagden zij na. Alles wat zich anders diep in de zielen verbergt, werd openbaar.

Van Ekeby ging die besmettelijke onrust uit. Zij verspreidde zich eerst tot de mijnen en heerehoeven en joeg de menschen in dwaasheid en zonde. Tot zoover hebben wij het kunnen volgen, doordat de ouden van dagen de herinnering bewaard hebben aan een en ander, wat op de groote hoeven gebeurd is, maar hoe zij zich verder verspreidde onder het volk, daarvan weten wij weinig. Maar niemand behoeft er aan te twijfelen, dat de onrust der tijden van stad tot stad, van hut tot hut ging. Waar een zonde verborgen was, barstte zij uit; waar een breuk was tusschen man en vrouw werd die tot een klove, waar een groote deugd of een sterke wil was werden ook die openbaar. Want niet alles wat geschiedde, was uit den booze; maar de tijd was zoo, dat het goede vaak evenveel verderf bracht als het booze. Het ging als met hevige stormen diep in ’t bosch, als de eene op den andere valt, den eene spar den anderen meesleept en ook het kreupelhout meegerukt wordt door de neerstortende reuzen.

Ach, twijfel er niet aan of die gisting ook gevoeld werd door de boeren en de bedienden. Overal verwilderden de harten en werden de hoofden verward. Nooit ging de dans zóó lustig bij de kruiswegen; nooit was de afstand tusschen booze woorden en messteken zóó kort.

Maar bij de menschen bleef de onrust niet. Zij verspreidde zich over al wat leeft. Nooit hadden wolf en beer erger huisgehouden, nooit hadden vos en uil onheilspellender gehuild, en onbeschaamder geroofd, nooit verdwaalden de schapen vaker in ’t bosch, nooit heerschte er zooveel ziekte onder den kostbaren veestapel.

Hij, die den samenhang der dingen wil zien, moet uit de stad weggaan en in een eenzame hut aan den zoom van ’t bosch gaan wonen. Hij moet vele nachten waken bij de kolenbranderij, of bij de groote meren dagen en nachten doorbrengen in de lichte zomermaanden, als de houtvlotten langzaam voortdrijven naar het Weenermeer; dan zal hij leeren op alle teekenen in de natuur acht te geven en begrijpen hoe de doode dingen in verband staan met de levende. Hij zal zien dat als er onrust op de aarde is, de vrede van de doode dingen verstoord wordt.

Het volk weet dat wel. In zulke tijden dooft de booze boschnimf het vuur in de kolenbranderij, slaat de meermin de booten stuk, zendt de stroomgeest ziekten uit en laat de kabouter de koeien verhongeren. En zoo ging het dit jaar. Nooit had de overstrooming in de lente zóóveel schade aangericht. De molen en smidse van Ekeby waren haar eenige offers niet.

Kleine beekjes, die vroeger als de lente haar krachten gaf, hoogstens een leege schuur konden meenemen, vielen nu geheele hoeven aan en spoelden ze weg. Nooit had men gehoord, dat de donder al vóór St. Jansdag zóóveel schade had aangericht. Na dien tijd hoorde men hem niet meer.

Toen kwam de droogte!

Zoolang de lichte nachten duurden, kwam er geen regen. Alleen zonnestralen daalden op de aarde neer. Ach, die heerlijke zonneschijn! de leven brengende, hoe zal ik van haar kwaadstichten vertellen! De zonneschijn is als de liefde. Wie weet niet hoeveel ellende zij brengt—en wie kan laten haar te vergeven? De zonneschijn is als Gösta Berling—zij brengt ieder vreugde; daarom zwijgt ieder over ’t kwaad dat zij doet.

Zulk een droogte na St. Jansdag zal wel niet overal zooveel onheil brengen als in Wermeland. Maar hier was de lente laat gekomen. ’t Gras was nog niet ver en werd niet lang. De rogge werd niet voedzaam toen zij aren zette; ’t lentekoren waarvan toen ter tijde ’t meeste brood gebakken werd, had dunne aartjes op stengels, die nog geen kwart el hoog waren; de laat gezaaide rapen groeiden niet en zelfs de aardappelen tierden niet in den steenharden grond.

In zulke jaren worden zij angstig, die daar in de boschhutten wonen en van de bergen daalt de schrik neer tot de rustige vlaktebewoners.

Er is iemand wien Gods hand zoekt—zeggen de menschen.

En ieder slaat zich voor de borst en vraagt: „Ben ik het? O moeder natuur, ben ik het? Houdt om mijn schuld de regen zich ver? Is het uit toorn tegen mij, dat de strenge aarde uitdroogt en hard wordt? En stroomt die eindelooze zonneschijn daarom iederen dag van den wolkeloozen hemel om gloeiende kolen op mijn hoofd te stapelen? En als ik het niet ben, wien zoekt Gods hand dan?

Terwijl nu de rogge kwijnt in de kleine aren, terwijl de aardappel geen voedsel in den grond vindt, terwijl het vee met roode oogen en snuivend van de hitte zich om de opgedroogde bronnen verdringt, terwijl de angst voor de toekomst de harten dichtsnoert, gaan er wonderlijke geruchten door de streek.

„Zulk een bezoeking komt niet zonder reden,” zeggen de menschen. „Wie is het, dien Gods hand zoekt?”

’t Was een Zondag in Augustus. De Godsdienstoefening was geëindigd. De menschen gingen in groepjes over den heeten zonnigen weg. In het rond zagen zij verschroeide wouden en een mislukten oogst. De rogge stond in kleine schoofjes, dun over ’t veld verspreid. Zij die de stoppels zouden afbranden, hadden dit jaar een gemakkelijk werk; maar daarentegen was het droge bosch ook vaak in brand geraakt. En wat de boschbrand gespaard had, hadden de insekten genomen. ’t Dennenbosch had zijn naalden laten vallen en stond kaal als loofboomen in den winter, de berkenbladen hingen gespleten neer, met kale nerven en misvormd.

De sombere schare had geen gebrek aan stof tot gesprek. Daar was nog menigeen, die vertellen kon hoe vreeslijk de noodjaren van 1808 en 1809 geweest was en in den strengen winter van 1812, toen de menschen doodvroren. Hongersnood was hun niet vreemd. Zij hadden zijn woest gezicht wel eerder gezien. Zij wisten hoe men brood van boombast bakt en dat men de koeien kan wennen mos te eten.

Er was een vrouw die proeven genomen had met het bakken van een nieuw soort brood van boschbessen en gerstenmeel. Zij had er stukjes van meegebracht en liet het de andere proeven. Zij was trotsch op haar uitvinding. Maar hen allen drukte dezelfde vraag; die staarde uit aller oogen en zweefde op aller lippen: „Wie is het, dien Gods hand zoekt?”

„Gestrenge God! wie heeft u het offer van gebeden en goede werken onthouden, dat gij ons, armen, het brood ontneemt?”

Een man uit den somberen stoet, die westwaarts over de brug over de Sond en over den Brobyheuvel gegaan was, hield een oogenblik stil voor den weg, die naar het huis van den gierigen predikant van Broby leidde. Hij nam een droog stokje van ’t veld en wierp dat op den weg naar de pastorie.

„Zoo droog als dit stokje zijn de gebeden geweest, die hij tot den Heer opzond,” zei de man.

Hij, die naast hem liep, bleef ook staan. Hij nam een dorren tak op en gooide die bij het stokje.

„Dat is een best offer voor dien dominé,” zei hij.

De derde in ’t groepje volgde dit voorbeeld.

„Als de droogte is hij voor ons geweest. Stokjes en strootjes was alles wat hij ons overliet.”

De vierde zeide: „Wij geven hem wat hij ons gaf.”

En de vijfde: „Tot een eeuwige schande gooi ik dit hier voor hem neer. Ik wou dat hij verdroogde en verschrompelde als deze tak!”

„Droog voer voor den droogte-dominé,” zeide de zesde.

De menschen die achter hen aankwamen, zagen wat ze deden en hoorden wat zij zeiden. Nu kregen ze antwoord op hun vragen.

„Geef hem wat hem toekomt. Hij heeft de droogte over ons gebracht,” riepen allen. En ieder staat stil, spreekt een woord en werpt een takje op den hoop, eer hij verder gaat.

In den hoek waar de wegen uiteen loopen lag spoedig een hoop stokjes en stroo—de schandeheuvel voor den predikant van Broby.

Dat was de geheele wraak van het volk. Niemand hief zijn hand op tegen den predikant of zeide hem een boos woord. Hun harten vol wanhoop en vertwijfeling, werden verlicht door het werpen van een dorren tak op den heuvel. Zelf namen zij geen wraak. Zij wezen alleen den schuldige aan voor den God der wrake.

„Als wij U niet goed gediend hebben, dan is het de schuld van dien man. Wees barmhartig, Heer! en laat hem alleen lijden. Wij teekenen hem met onteering en schande. Wij zijn niet één met hem.”

’t Werd spoedig gebruik, dat ieder, die voorbij de pastorie ging een takje op den schandeheuvel wierp. „God en menschen mogen ’t zien,” dachten zij. „Ook ik veracht den man, die Gods toorn over ons bracht.”

De oude gierigaard merkte spoedig dien heuvel daar aan den weg. Hij liet hem wegnemen—sommigen beweerden, dat hij er zijn keukenvuur mee stookte. Maar den volgenden dag lag er een nieuwe schandeheuvel en zoo gauw hij dien weg ruimde kwam er een nieuwe.

Die dorre takken lagen daar en riepen: „Schande! Schande over den predikant van Broby!”

’t Waren brandend heete, droge hondsdagen. Zwaar van rook, verzadigd van brandlucht was de lucht over de geheele streek. ’t Was moeilijk daarin adem te halen. De gedachten der menschen werden verward in de verhitte hersens. De predikant van Broby was in hun verbeelding tot den demon der droogte geworden. Het kwam de boeren voor, alsof de gierigaard op wacht zat bij de hemelsche sluizen.

Spoedig werd de bedoeling van de gemeente den predikant duidelijk. Hij begreep, dat ze hem aanwees als oorzaak van al deze ellende. In toorn over hem liet God de aarde versmachten. ’t Scheepsvolk dat in noode verkeerde op de woeste baren had het lot geworpen. Hij was de man, die overboord moest. Hij beproefde te lachen om hen en hun dorre takjes; maar toen dit een week geduurd had lachte hij niet meer.—Och, wat een kinderspel! Wat konden hem die takjes schelen! Hij begreep wel dat jaren lang de haat een reden gezocht had om zich te uiten. Hij was niet aan liefde gewend.

Hij werd er niet zachter door. Hij had misschien gewenscht zich te beteren, sinds de oude Freule bij hem geweest was, maar nu kon hij ’t niet. Hij wilde niet tot beterschap gedwongen worden.

Maar langzamerhand werd die schandeheuvel hem toch te machtig. Hij moest er aanhoudend aan denken, en de overtuiging, die allen koesterden schoot ook wortel bij hem. Dat was toch een verschrikkelijke getuigenis, dat werpen met dorre takken! Hij lette steeds op den heuvel, telde de takjes, die er elken dag bij kwamen, en de gedachte daaraan breidde zich uit en verdrong alle andere gedachten. Die schandeheuvel brak zijn kracht.

Iederen dag moest hij den menschen meer gelijk geven. Hij verviel en werd een oud man in een paar weken. Hij had berouw en werd ziekelijk. Het was of dat alles door dien heuvel kwam, alsof zijn geweten gezwegen zou hebben en de lasten van den ouderdom niet gekomen zouden zijn, als die heuvel maar niet aldoor was aangegroeid.

Eindelijk zat hij er den ganschen dag naast en hield de wacht. Maar de menschen waren onbarmhartig: ’s nachts werden er altijd nieuwe takken bijgegooid.

Op een dag komt Gösta Berling langs den weg. De predikant van Broby zit aan den kant, oud en vervallen. Hij zit aan de dorre takjes te plukken en legt ze aan rijen en op hoopjes, er meê spelende als een kind.

Gösta wordt bedroefd om zijn ellendigen toestand.

„Wat doet u daar?” vraagt hij en springt snel uit zijn wagen.

„Ach, ik zit maar te plukken, ik doe eigenlijk niets.”

„U moest naar huis gaan en niet hier zoo aan den stoffigen weg zitten.”

„Neen. ’t Is maar het beste, dat ik hier blijf zitten.”

Nu gaat Gösta Berling naast hem zitten.

„’t Is niet makkelijk om predikant te zijn,” zegt hij na een poosje zwijgen.

„Hier gaat het nog al, hier zijn ten minste menschen. Daar boven is ’t erger!”

Gösta weet wel, wat hij bedoelt. Hij kent die gemeenten in Wermeland wel, waar soms niet eens een pastorie is, die groote gemeenten in de bosschen, waar de Finnen in de rookkamers wonen, waar een mijl in den omtrek maar enkele huizen staan; waar de predikant de eenige ontwikkelde man is in de gemeente. De predikant van Broby had meer dan twintig jaar in zulk een gemeente gestaan.

„Daar worden we heengezonden als we nog jong zijn,” zegt Gösta. „’t Is onmogelijk het leven daar uit te houden. En dan wordt men voor zijn geheele toekomst bedorven. Er zijn velen in die streken ondergegaan.”

„Dat zijn er,” antwoordt de predikant. „De eenzaamheid verderft de menschen.”

„Je komt er,” gaat Gösta voort, „vol vuur en ijver; je spreekt en vermaant en meent, dat alles goed zal gaan en de menschen zich verbeteren zullen.”

„Ja, juist!”

„Maar al gauw merk je, dat woorden niet baten. De armoede staat een beter leven in den weg.”

„Armoede,” mompelt de predikant; „armoede heeft mijn leven verwoest.”

„Een jong dominé komt in zulk een plaats,” gaat Gösta voort, „en is even arm als de anderen, hij zegt tegen den dronkaard: houd op met drinken!”

„Maar de dronkaard antwoordt,” valt de predikant in, „geef me dan wat beters dan brandewijn. Brandewijn is als een pels in den winter, als koelte in den zomer. Brandewijn is een warme kamer en een zacht bed. Geef mij dat en ik zal niet meer drinken.”

„En dan,” herneemt Gösta, „zegt de predikant tegen den dief, ge moogt niet stelen,” en tegen den booze „ge moogt uw vrouw niet slaan,” en tot den bijgeloovige: „ge moet aan God gelooven en niet aan den duivel en de booze geesten.” Maar dan antwoordt de dief: „Geef mij brood,” en de booze zegt: „maak ons rijk, dan zullen we niet meer twisten,” en de bijgeloovige: „leer mij wat beters.” Maar wie kan helpen zonder geld?”

„Het is waar! al wat ge daar zegt!” barst de oude uit. „Aan God geloofden zij; maar nog meer aan den duivel, ’t meest aan den boozen berggeest en den kabouter in de schuur. Al het graan werd in den brandewijnketel gestopt. Niemand zag een eind aan de ellende. In de meeste grauwe kamers heerschte nood. Verborgen smart maakte de tongen der vrouwen bitter. De ongezelligheid dreef de mannen tot dronkenschap. Akkers en vee verzorgden zij niet. Zij vreesden den landheer en bespotten den predikant. Wat kon men met hen beginnen? Wat ik hen op den preekstoel zei, begrepen zij niet. En niemand om raad te vragen, niemand die mij hielp om moed te houden.”

„Er zijn er, die het onthouden,” zegt Gösta. „Gods genade is voor sommigen zóó groot geweest, dat zij na zulk een leven niet als gebrokenen weêrkomen. Hun krachten waren toereikend; zij hebben de eenzaamheid, de armoede, de hopeloosheid verdragen. Zij hebben ’t beetje goed gedaan, wat ze konden en niet gewanhoopt. Zulke mannen zijn er altijd geweest en zijn er nog. Ik zal ze begroeten als helden. Ik wil ze eeren, zoolang ik leef. Ik zou het niet kunnen uithouden.”

„Ik kon het niet,” zucht de predikant.

„Zulk een predikant denkt,” gaat Gösta peinzend voort, „dat hij rijk wil worden, buitengewoon rijk! Geen arme kan het kwaad bestrijden. En dan moet hij sparen.”

„Als hij niet spaarde, zou hij gaan drinken,” gaat de predikant voort. „Hij ziet zooveel ellende.”

„Of suf en lui worden en alle kracht verliezen. ’t Is gevaarlijk daarheen te komen voor hen, die er niet geboren zijn.”

„Hij moet hard wezen om te sparen. Eerst stelt hij zich zoo aan—later wordt het gewoonte.”

„Hij moet hard voor zichzelf en anderen zijn,” gaat Gösta voort. „Sparen is moeilijk. Hij moet haat en verachting verdragen; hij moet kou lijden en honger en zijn medelijden dooden; ’t is bijna alsof hij vergeet waarom hij is begonnen te sparen.”

De predikant van Broby ziet hem schuin aan. Hij vraagt zich af of Gösta hem voor den gek zit te houden. Maar Gösta is een en al ernst en ijver. Het is alsof hij zijn eigen zaak bepleit.

„Zoo is het mij gegaan,” zegt de oude zacht.

„Maar God behoedt hem,” gaat Gösta verder. „Hij wekt de gedachten van zijn jeugd bij den mensch op, die genoeg gespaard heeft. Hij geeft den predikant een teeken als Gods volk hem noodig heeft.”

„Maar als de predikant dan niet gehoorzaamt, Gösta Berling!”

„Hij kan het niet laten,” zegt Gösta met een vriendelijken glimlach. „Hem bekoort de gedachte aan de warme hutten, die hij de armen zal helpen bouwen.”

De predikant ziet neer op de kleine gebouwtjes die hij met de stokjes van den schandeheuvel heeft zitten bouwen. Hoe langer hij met Gösta praat, hoe meer hij overtuigd wordt, dat deze gelijk heeft. Hij heeft altijd plan gehad om goed te doen, als hij maar eerst genoeg had. Hij houdt de gedachte krampachtig vast. Natuurlijk is dat zijn bedoeling geweest.

„Waarom bouwt hij dan die hutten niet,” vraagt hij schuw.

„Hij is er verlegen meê. Menigeen zal denken dat hij uit menschenvrees doet, wat hij altijd van plan is geweest.”

„Hij kan geen dwang verdragen, dat is het.”

„Hij kan toch in stilte helpen. Er is van ’t jaar zooveel hulp noodig. Hij kan iemand zoeken, die zijn gaven uitdeelt. O, ik begrijp alles!” barste Gösta uit en zijn oogen straalden, „van ’t jaar zullen duizenden brood krijgen van hem, dien ze met hun vloek vervolgen.”

„Zoo zal het zijn, Gösta!”

Er kwam een roes over deze twee, die zoo weinig aan de door hen gevoelde roeping hadden beantwoord. De lust hunner jeugd: God en menschen te dienen keerde weer in hun ziel. Zij zwelgden in de weldaden, die zij zouden bewijzen. Gösta zou de helper van den predikant worden.

„Allereerst moeten wij voor brood zorgen,” zegt de predikant.

„Wij moeten voor onderwijzers zorgen en voor landmeters, die ’t land verdeelen. Dan zal ’t volk leeren hun akker te verzorgen en hun vee te hoeden.”

„Wij zullen wegen maken en land ontginnen.”

„Wij zullen sluizen bouwen bij den waterval van Berg, zoodat de weg tusschen ’t Löfven- en Weenermeer vrijkomt.”

„Al de rijkdom, die ’t bosch bevat, zal dubbelen zegen verspreiden, als de weg naar de zee open is.”

„Uw hoofd zal zich buigen onder aller zegenbeden!” roept Gösta uit.

De predikant ziet op. Zijn oogen ontmoeten die van Gösta en ze lezen in elkaars blikken dezelfde gloeiende geestdrift.

Maar op ’t zelfde oogenblik zien ze beiden naar den schandeheuvel.

„Gösta,” zegt de oude, „voor dat alles zijn de krachten noodig van een jong mensch en ik zal spoedig sterven. Dat daar vermoordt me.”

„Ruim het weg!”

„Ach! hoe kan ik dat!”

Gösta treedt dicht op hem toe en ziet hem scherp in de oogen. „Bid God om regen,” zegt hij. „U moet aanstaanden Zondag spreken. Bid dan God om regen!”

De oude predikant krimpt ineen van ontzetting.

„Als het u ernst is, als u niet degeen zijt, die de droogte over ’t land bracht, als u den Allerhoogste hebt willen dienen door uw hardheid, bid dan God om regen. Dat zal het teeken zijn. Daaraan zullen wij weten of God wil wat wij willen.”

Toen Gösta wegreed van den Brobyheuvel was hij verbaasd over zich zelf en de geestdrift, die hem had meêgesleept. Maar dat kon toch een heerlijk leven worden. Ja,—maar niet voor hem. Van zijn diensten wou God niet weten!

In de kerk van Broby was de preek geëindigd en de gewone gebeden gelezen. De predikant zou juist de trappen van den preekstoel afgaan. Maar hij aarzelde. Eindelijk viel hij daarboven op de knieën en bad om regen.

Hij bad zooals een wanhopende bidt, met weinig woorden, onzamenhangend: „Als het mijn zonde is, die u toorn heeft gewekt, o, straf dan mij alleen. Als Gij barmhartig zijt, o God! laat het regenen op mijn gebed. Laat regen neerdalen op den akker der armen! Geef uw volk brood!”

’t Was heet! Een verstikkende atmospheer was in de kerk. De gemeente had half bedwelmd neergezeten; maar bij ’t hooren van deze afgebroken geluiden van die heesche, wanhopende stem, werden allen helder wakker.

„Als er voor mij nog herstel van eer mogelijk is, Heer! geef dan regen....” Hij zweeg.

De deuren stonden open. Daar kwam een heftige windstoot aanbruischen. Die voer over ’t veld, vloog tegen de kerk op en zond een wolk van stof, stokjes en stroo naar binnen. De predikant kon niet meer spreken. Hij daalde wankelend de trappen van den preekstoel af.

De menschen rilden. Moest dat een antwoord beteekenen?

Maar die windstoot was maar de voorlooper van het naderend onweer, dat met ongekende snelheid kwam opzetten.

Toen de psalm gezongen was en de predikant bij het altaar stond, vlamde de bliksem en barstte de donder los, alle andere geluiden overstemmend.

Toen de koster den slotpsalm speelde, tikten de eerste regendroppels reeds tegen de groene ruiten en stormden de menschen allen naar buiten om den regen te zien. Sommigen schreiden, andren lachten, terwijl ze de stortregen over zich heen lieten stroomen.

Ach! hoe groot was hun nood geweest! Hoe hadden ze geleden! Maar God is goed. God zendt zijn regen neer. Wat een uitkomst! Wat een zegen!

De predikant was de eenige, die niet naar buiten kwam om den regen te zien. Hij lag voor het altaar geknield en stond niet weer op.

De vreugde was te groot voor hem. Hij was gestorven van blijdschap.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings