XIX. Het zomerfeest.
Margaretha Meijboom translation
’t Was midden in den zomer, evenals nu ik dit schrijf. De heerlijkste tijd van het jaar was gekomen.
In dien tijd werd Sintram, de booze eigenaar van Fors, angstig en treurig. Hij ergerde zich over de overwinning van ’t licht en de nederlaag van de duisternis.
Hij was boos over den mantel van bladen, dien de boomen hadden omgeslagen en over ’t bontgekleurde kleed, dat de velden bedekte.
Alles hulde zich in schoonheid. Zelfs de weg, hoe nat en vuil hij ook was, werd met bloemen omzoomd, met gele en paarse bloemen.
Toen de pracht van den langsten dag over de bergen lag en ’t klokgelui uit de kerk van Bro door den wind naar Fors gedragen werd, stond Sintram op in toorn. ’t Scheen hem alsof God en menschen waagden hem te vergeten en hij besloot ook naar de kerk te gaan.
Zij die over den zomer jubelden, zouden eens zien dat hij er nog was, hij Sintram, die de duisternis zonder morgen, den dood zonder opstanding, den winter zonder lente liefheeft.
Hij deed zijn wolvenpels aan en de ruige bonten wanten. Hij liet zijn rood paard voor de kapslee spannen en liet bellen aan ’t glanzende, fraai versierde tuig hangen. En gekleed alsof er een kou van dertig graden heerschte reed hij naar de kerk. Hij meende, dat het knarsen onder de slee van de scherpe kou kwam. Hij meende dat ’t witte schuim op den rug van ’t paard rijp was. Hij voelde geen warmte. Van hem ging kou uit, zooals warmte uitstraalt van de zon.
Hij reed over de groote vlakte ten noorden van Bro. Groote, welvarende dorpen kwam hij voorbij en velden, waarboven de zingende leeuwerikken fladderden. Nooit heb ik de leeuwerikken hooren zingen als over die velden. Dikwijls heb ik er me over verwonderd hoe hij doof kon zijn voor die honderden zangers.
Veel moest hij voorbij op zijn weg wat hem geërgerd zou hebben, als hij er naar gekeken had. Hij zou dan voor elke deur twee wuivende berken gezien hebben en door open vensters zou hij in kamers gezien hebben, waarvan de wanden en den zolder met bloemen en groen versierd waren. ’t Armste bedelkind liep op den weg met een tak seringen in de hand en elke boerenvrouw had een bouquetje in haar zakdoek gestoken.
Meiboomen met verwelkte bloemen en slap hangende kransen stonden op de hoeven. Daaromheen was het gras plat getrapt, want de vroolijke dansmuziek had er geklonken in den zomernacht.
Beneden op ’t Löfvenmeer wemelde ’t van houtvlotten. De kleine witte zeilen waren opgeheschen ter eere van den dag, hoewel de wind ze niet deed zwellen en elke masttop droeg een groenen krans.
Op de vele wegen die naar Bro voerden, kwamen de kerkgangers aanwandelen. De vrouwen waren vooral fraai uitgedoscht in haar lichte zelfgeweven zomerkleeren, die juist voor dien dag gemaakt waren.
Allen waren in feestgewaad.
En de menschen waren een en al vreugde over de vrede van den heiligendag en de rust na het werk van de week, over de liefelijke warmte, over den veelbelovenden oogst en de aardbeien, die aan de kant van ’t pad al rood begonnen te worden. Zij letten op de stilte in de lucht, den hemel zonder wolken en ’t gezang van den leeuwerik en zeiden:
„Is ’t niet alsof dit een dag des Heeren is?”
Daar kwam Sintram aanrijden. Hij vloekte en zwaaide de zweep over het steigerende paard. ’t Zand knarste leelijk onder zijn slee, ’t gerinkel van zijn bellen verdrong ’t luiden van de kerkklok.
Zijn voorhoofd was in toornige rimpels samengetrokken onder de pelsmuts.
De kerkgangers rilden en meenden, dat ze den Booze zelf gezien hadden. Zelfs vandaag op ’t zomerfeest konden zij ’t booze en de koude niet vergeten. Bitter is ’t lot van hen, die hier op aarde zijn.
De menschen, die in de schaduw van de kerk stonden, of op den muur van ’t kerkhof zaten te wachten op ’t begin van de godsdienstoefening, zagen hem met stille verwondering aan, toen hij naar de kerkdeur ging. Zoo pas nog had de heerlijke dag hun hart met vreugde over ’t leven vervuld; toen ze Sintram zagen, kwam een voorgevoel van onheil over hen.
Sintram trad de kerk in en nam plaats in zijn stoel, sloeg met zijn wanten op de bank, zoodat ’t gerammel van de wolfsklauwen, die aan de pels genaaid waren, door de heele kerk klonk. En enkele vrouwen, die al op de voorste banken hadden plaats genomen, vielen flauw en moesten weggedragen worden.
Maar niemand waagde ’t Sintram te verjagen. Hij stoorde hun aandacht, maar allen waren te bang voor hem, dan dat iemand hem durfde te bevelen de kerk te verlaten.
Vergeefs sprak de oude predikant over de lichtende hoogtij van den zomer. Niemand luisterde naar hem. De menschen dachten alleen aan ’t booze en aan de kou en aan ’t onheil, dat de booze grondeigenaar over hen brengen zou.
Toen de godsdienstoefening voorbij was zag men den booze naar de helling gaan waar de kerk van Bro ligt. Hij zag neer op het water en volgde het voorbij de pastorie tot waar het in ’t Löfvenmeer valt. En men zag hoe hij de vuist balde en die schudde tegen ’t bovenste gedeelte van ’t meer en zijn groene oevers. Daarop gleden zijn blikken zuidwaarts over ’t benedenmeer tot aan de blauwende landtongen, die ’t meer schenen af te sluiten. En voorwaarts vlogen ze, mijlen ver voorbij Gurlita Klätt tot Björnide waar ’t meer ophoudt. Hij zag naar ’t westen en ’t oosten waar de hooge bergen ’t dal omzoomen en hij balde opnieuw de vuist. En ieder voelde, dat als hij een bundel bliksemstralen in zijn rechterhand gehad had, hij die met woeste blijdschap over ’t rustige land geslingerd zou hebben en dood en ellende verspreid zoover hij kon. Want nu had hij zijn hart zoozeer aan ’t kwaad gewend, dat hij alleen in jammer en smart behagen schepte. Langzamerhand had hij zich gewend al wat laag en leelijk was lief te hebben; hij was krankzinniger dan de meest woeste waanzinnige; maar dat begreep niemand.
Er gingen na dien dag wonderlijke verhalen door ’t land. Er werd gezegd, dat toen de kerkknecht de kerk kwam sluiten, de kop van den sleutel brak, omdat een hard samengevouwen papier in het sleutelgat stak. Hij gaf het aan den proost. Het was, zooals men wel begrijpen kon, een brief, een waarschuwing uit de andere wereld.
Men fluisterde over den inhoud. De proost had het papier verbrand, maar de kerkknecht was er bij geweest toen het duivelstuig brandde. De letters hadden rood op zwarten grond gegloeid. Hij kon niet laten het te lezen.
Hij las, zei men, dat de Booze ’t land verwoesten zou, zoover men den kerktoren van Bro kon zien. Hij wilde ’t woud de kerk zien verdringen. Hij wilde de beren en raven zien huizen in de woningen der menschen.
De akkers zouden braak liggen, en men zou geen hond of haan op de velden hooren. De Booze zou zijn heer dienen door leed over alle menschen te brengen. Dat was wat hij beloofde.
En de menschen wachtten in stille vertwijfeling op de dingen, die komen zouden; want zij wisten, dat de macht van den Booze groot was, dat hij al wat leefde haatte, dat hij verwildering wilde zien komen over ’t dal en gaarne oorlog of pest of hongersnood te hulp zou roepen om ieder te verdrijven, die den gezegenden, vreugde brengenden arbeid liefhad.