XXIV. Het kerkhof.
Margaretha Meijboom translation
’t Was een heerlijke avond in Augustus. ’t Löfvenmeer lag spiegelglad; ’t was koel geworden en een fijne nevel, door de zon verlicht, verborg de bergen.
Beerencreutz, de overste met den witten knevel, klein en forsch, reusachtig sterk en met ’t kaartspel in den zak, kwam naar ’t strand en zette zich in de breede schuit.
Achter hem kwamen Majoor Anders Fuchs, zijn oude wapenbroeder en de kleine Ruster, de fluitspeler, die tamboer bij de jagers van Wermeland geweest was en vele jaren den overste als vriend en dienaar gevolgd had.
Op den anderen oever van ’t meer ligt het kerkhof, ’t verwaarloosde kerkhof van Svartsjö, dun bezaaid met scheve, rammelende ijzeren kruisjes, ruig als een nooit geploegd veld, begroeid met stijf en hoog gras, dat daar staat als herinnering aan de waarheid, dat geen menschenleven op een ander gelijkt, maar dat ze onderling verschillen als de halmen van ’t gras.
Men vindt daar geen met grint bedekte paden, geen schaduwrijke boomen, behalve de groote linde op een vergeten graf.
De steenen muur sluit zich hoog en afwijzend om ’t armoedige veldje. Armelijk en troosteloos is het kerkhof, leelijk als ’t gezicht van een gierigaard, geteisterd door de weeklachten van hem, wiens levensgeluk hij verstoorde.
En toch zijn zij zalig, die daarbinnen rusten, zij die in de gewijde aarde werden neergelaten onder psalmen en gebeden. Acquilon, de speler, hij, die verleden jaar stierf op Ekeby, is buiten den muur moeten begraven worden. Die man, die eens zoo fier en ridderlijk was, die dappere krijgsman, die kloeke jager, de speler wien ’t geluk diende, hij was geëindigd met ’t erfdeel van zijn kinderen te verspillen.
Alles wat hij zelf had verworven, alles wat zijn vrouw zoo zuinig bijeengehouden had. Vrouw en kinderen had hij voor vele jaren verlaten om op Ekeby als kavalier te gaan leven.
Op een avond in den vorigen zomer had hij de hoeve verspeeld, waar zij woonden. Liever dan zijn schuld te betalen, had hij zich voor ’t hoofd geschoten. Maar ’t lijk van den zelfmoordenaar werd begraven buiten den bemosten muur van het kerkhof.
Sinds hij stierf waren de kavaliers maar met hun twaalven geweest. Niemand was gekomen om de plaats van den dertiende in te nemen—niemand dan de zwarte, die uit den grooten oven was gekomen op Kerstavond.
De kavaliers hadden zijn lot droeviger dan dat van zijn voorgangers gevonden. Wel wisten ze, dat er ieder jaar een van hen sterven moest. Maar wat zou dat? Kavaliers moesten niet oud worden. Als hun verduisterde oogen de kaarten niet meer konden onderscheiden, als hun bevende handen het glas niet meer konden opheffen, wat is dan ’t leven voor hen en wat kan ’t leven dan meer van hen verwachten? Maar als een hond buiten den muur van ’t kerkhof te liggen, waar ’t gras, dat hem bedekt geen rust kan krijgen, maar wordt betreden door het blatende schaap, door spade of ploeg beschadigd; waar de wandelaar gaat zonder zijn schreden te matigen, waar kinderen spelen zonder lachen en scherts terug te houden; daar te liggen, waar de steenen muur ’t geluid belet door te dringen als de engel van den jongsten dag met zijn bazuin de dooden daarbinnen wekt—o, daar te liggen!....
Nu roeit Beerencreutz zijn boot over ’t meer. Hij vaart van avond over ’t meer mijner droomen, aan wiens oevers ik goden zie wandelen en uit wiens diepte mijn tooverslot opstijgt. Hij vaart voorbij Lagön, waar de dennen rechtop uit ’t water steken, gegroeid als ze zijn op lage, cirkelvormige zandbanken en waar de splinters van de verwoeste zeerooversburchten nog op schuine hellingen liggen. Hij vaart voort langs de dennenparken van Borg, waar de oude dennen nog aan dikke wortels over den bergkloof hangen, waar de geweldige beer gevangen werd en waar oude hunnebedden en grafheuvels van den ouderdom der streek getuigen.
Hij roeit om de landtong heen, stapt uit beneden het kerkhof en gaat over het gemaaide veld, dat aan den graaf van Borg hoort, naar Acquillons graf.
Daar aangekomen buigt hij zich neer en streelt het gras, zooals men allicht de deken liefkoost, waaronder een zieke vriend rust. Dan neemt hij het kaartspel en zet zich bij het graf.
„Hij is hier zoo alleen buiten, Johan Frederik. Hij verlangt zeker wel naar een partijtje.”
„Zonde en schande is ’t dat een kerel als hij hier buiten moet liggen,” zegt de groote beerenjager Anders Fuchs en zet zich naast hem neer.
Maar de kleine Ruster, de fluitspeler, spreekt met bewogen stem, terwijl tranen hem aanhoudend langs de wangen loopen: „Naast u overste, naast u was hij de beste man van de wereld.”
De drie waardige mannen zitten nu om het graf en geven de kaarten rond. Ernstig en ijverig beginnen zij hun spel.
Ik zie rond in de wereld. En ik zie veel graven. Daar rusten de machtigen door ’t marmer gedrukt. Treurmarschen klinken daarover. Vanen worden neergelaten over die graven. Ik zie graven waaraan veel zorg en liefde wordt besteed. Bloemen, met tranen en kussen bedekt, rusten op hun groene kleeden. Vergeten graven zie ik, vermetele, leugenachtige graven, anderen die niets zeggen; maar nooit zag ik ruiten boer en klaveren vrouw te gast genood op een graf.
„Johan Frederik heeft het gewonnen,” zegt de overste trotsch. „Zei ik het niet? Ik heb hem spelen geleerd. Ja, nu zijn wij dood.”
Daarmeê neemt hij de kaarten op, staat op en gaat door de anderen gevolgd naar Ekeby terug.
Nu zal de doode toch wel geweten of gevoeld hebben, dat niet allen hem en zijn verlaten graf hebben vergeten. Wonderlijke hulde brengen verwilderde harten aan hen die ze liefhebben, maar zij wiens lijk geen rust in gewijde aarde mag vinden, hij moet toch blij zijn als niet allen hem verwerpen.
Vrienden, menschenkinderen, als ik sterf, zal ik zeker rusten midden op het kerkhof in het graf mijner vaderen. Zeker zal ik de mijnen niet van hun dak hebben beroofd, noch de hand aan mijn eigen leven geslagen hebben; maar zeer zeker zal ik niet zulk een liefde gewonnen hebben, zeker zal niemand zóóveel voor mij doen als de kavaliers voor dezen misdadiger. Zeer zeker komt niemand des avonds als de zon ondergaat en ’t eenzaam en treurig in ’t verblijf der dooden wordt, om tusschen mijn verstijfde vingers de bonte kaarten te leggen.
Niet eens zal men komen—wat ik liever zou hebben—want kaarten bekoren mij niet—met viool en strijkstok bij mijn graf, opdat mijn schim, die om ’t vergaande stof zweeft, mag wiegen op den stroom der tonen als een zwaan op de vonkelende golven.