XX. Vrouw Musica.
Margaretha Meijboom translation
Toen nu niets meer Gösta Berling genoegen kon doen, nadat hij de jonge gravin had helpen vluchten, besloten de kavaliers hulp te zoeken bij de goede vrouw Musica, die zoo machtig is en zooveel ongelukkigen troost. Daarom lieten zij op een Juliavond de deuren van de groote zaal te Ekeby opendoen en de luiken er van de vensters nemen. De zon en de lucht werden binnengelaten, de groote roode avondzon en de koele, zachte, met geuren verzadigde avondlucht. De gestreepte overtrekken werden van de meubels genomen, de piano werd open gemaakt en het gaas van de Venetiaansche kronen afgedaan. De vergulde gieren onder de wit marmeren tafels mochten weer schitteren in ’t licht; de witte godinnen dansten weer in ’t zwarte veld boven de spiegels; de verschillende bloemen in ’t zijden damast glinsterden in ’t avondrood. Er werden rozen geplukt en in ’t water gezet, en de geheele zaal werd met hun geur vervuld. ’t Waren wonderlijke rozen, wier naam niemand kende en die uit vreemde landen naar Ekeby waren gekomen. Daar waren gele rozen, in wier aderen het bloed rood was als dat van een mensch, en roomkleurige met donzen randen, en lichtroode met groote bladeren, die buiten aan den rand kleurloos werden als water, en donkerroode met zwarte schaduwen. Zij brachten alle rozen van Altring binnen, die uit verre landen gekomen waren, om de oogen van schoone vrouwen te verlustigen.
Dan halen zij muziek en muzieklessenaars naar binnen en koperen instrumenten en strijkstokken en violen van allerlei grootte. Want nu zal de goede vrouw Musica op Ekeby regeeren en beproeven Gösta Berling te troosten.
Vrouw Musica heeft de Oxford-symphonie van Vader Haydn gekozen, en de kavaliers repeteeren die. Patroon Julius zwaait den dirigeerstok en ieder bespeelt zijn eigen instrument. Alle kavaliers kunnen spelen; anders zouden ze immers geen kavaliers zijn.
Als alles klaar is, zenden zij een bode naar Gösta Berling. Hij is voortdurend mat en moedeloos; maar hij verheugt zich over de prachtige zaal en over de mooie muziek, die hij nu zal hooren. Want dit is immers bekend genoeg, dat voor wie lijdt, de goede vrouw Musica het beste gezelschap is. Zij is vroolijk en schertst als een kind. Zij is vurig en innemend als een jonge vrouw. Zij is goed en wijs als de ouden van dagen, die een gezegend leven achter zich hebben.
En toen speelden de kavaliers zóó zacht, zóó teer, als een bijna onhoorbaar suizen.
De kleine Ruster neemt de zaak ernstig op. Hij leest de noten met den bril op den neus, kust de tonen uit zijn fluit en laat de vingers spelen over de kleppen en gaten. Oom Eberhard zit gebogen over de violoncel; zijn pruik is over zijn ééne oor heengegleden; zijn lippen beven van aandoening. Berg staat daar trotsch met zijn lange fagot. Nu en dan vergeet hij zich en blaast uit alle kracht; maar dan slaat Patroon Julius hem op zijn dikke hersenkas met den dirigeerstok.
’t Gaat goed, ’t gaat schitterend! Zij tooveren vrouw Musica zelf te voorschijn uit de doode noten. Spreid uw toovermantel uit, lieve vrouw Musica, en voer Gösta Berling terug naar het land der vreugde, waar hij thuis behoort.
Is dat werkelijk Gösta Berling, die daar bleek en moedeloos zit, en dien de oude heeren nu zoeken te vermaken als een kind? Nu is ’t voorwaar geen tijd van vreugd in Wermeland.
Ik weet waarom de ouden hem liefhadden.
Ik weet wel hoe lang de winteravonden kunnen worden en hoe de duisternis in de ziel kan sluipen op zulke eenzame hoeven. Ik kan wel begrijpen hoe het was als hij kwam.
Stel u voor een Zondagmiddag, als er niet gewerkt wordt en de gedachten traag worden. Stel u voor een hardnekkigen Oostenwind, die de kou in de kamer zweept, een kou, waartegen geen vuur helpt. Stel u voor een enkele vetkaars, die onafgebroken gesnoten moet worden. Stel u voor, een eentonig psalmgezang, uit de keuken weerklinkend.
Welnu! en dan hoort ge bellen klinken, en vlugge voeten stampen de sneeuw van zich af op de stoep, en dan komt Gösta Berling de kamer in. Hij lacht en maakt grappen. Hij brengt leven en warmte mee. Hij doet de piano open en speelt, zoodat men zich verbaast over de oude snaren. Hij kan alle liederen zingen, alle melodieën spelen. Hij maakt alle huisgenooten gelukkig.
Hij had het nooit koud en was nooit moe.
De bedroefde vergat zijn smart, als hij hem zag. En wat had hij toch een goed hart. Wat had hij een medelijden met de armen en zwakken. Ja, men moest de ouden over hem hooren spreken.
’t Was zeker op zulk een avond, dat hij op Munkerud kwam, waar de goede rechter woonde, in het kleine, beminnelijke tehuis, dat in deze vertellingen zoo weinig besproken werd, omdat geen stormen het geluk daar schokten. Hij ontmoette daar den proost en zijn vrouw.
En zoodra de proost hem zag, zette hij hem aan de piano. „Ga maar voor de piano zitten, Gösta Berling,” zeide hij, „daar doe je ’t meeste nut.” En toen speelde en zong Gösta Berling, en toen hij een poosje gespeeld had, konden de menschen niet langer stil zitten. De oude, verstandige heeren en dames moesten opstaan en dansen. Zij kregen den kriebel in armen en beenen; zij konden niet blijven zitten. Zoo dansten zij, en toen Gösta een Bellmans liedje begon, vielen zij in, en de vrouw van den proost, oud en dik als ze was, nam haar japon op, sprong en draaide rond, precies alsof ze een meisje van twintig jaar was met fijne beentjes. En ze zong zoo valsch en zoo heesch.
De proost en de anderen lachten zoo hartelijk om haar, en toen zei ze: „Ja, hij daar, die schelm aan de piano, kan oude menschen zoo dwaas maken.”
Maar nu zit Gösta Berling daar stil en bedroefd en luistert naar vrouw Musica’s poging om hem op te wekken. Misschien was hij ’t allerliefst met rust gelaten in zijn smart; maar hij moest immers wel naar de muziek luisteren, ter wille van de oude heeren. Hij voelt wel, dat het zoo jammer voor hen is, dat hij zoo bedroefd is. Zij hebben er geen pleizier in, dat zij de heeren van Ekeby zijn, nu hij zoo veranderd is. ’t Komt hem voor dat hij zien kan, dat ze oud geworden zijn.
En terwijl ze spelen, barst hij plotseling in tranen uit. Hij vindt het heele leven zoo treurig. Hij verbergt het gezicht in de handen en schreit. De kavaliers zijn ontzet. Dit zijn niet de zachte, genezende tranen, die vrouw Musica gewoonlijk te voorschijn roept. Hij snikt als een wanhopende. Geheel radeloos leggen zij hun instrumenten neer.
Dan geeft vrouw Musica hun de gedachte in, dat zij iets vroolijkers moeten probeeren en Patroon Julius neemt zijn guitaar en begint een van zijn vroolijke boerenliedjes te zingen. Hij verdraait zijn gezicht en doet koeien en schapen na.
Maar dat was geen goede inval van vrouw Musica. Gösta slaat plotseling met de gebalde vuist op tafel, zoodat Julius opspringt, en dan zegt hij hun de waarheid.
„Al ben ik ook een ellendige verschoppeling, die niet anders dan kwaad uitricht hier in de wereld,” zegt hij, „dan moet jullie, kavaliers, toch met mijn lijden den gek niet steken. Betere menschen dan jullie zijn, moesten zich daarvoor wachten!”
Hij is onredelijk. Hij weet dat zelf heel goed; maar hij kan niet laten zoo te keer te gaan. En dan blijft hij zitten, zwijgend en beschaamd. De anderen zwijgen ook. Zij zijn diep gekwetst; maar wat helpt het zich te verdedigen? Zelfs de goede vrouw Musica, die zooveel van Gösta Berling houdt, verliest bijna den moed. Maar plotseling herinnert zij zich, dat zij nog een held onder haar dienaren, onder de kavaliers heeft.
Dat is de zachtmoedige Löwenborg, hij, die zijn bruid verloren heeft in de beek, en die nu meer dan ooit Gösta Berlings slaaf is. Hij sluipt naar de piano. Hij loopt er om heen, voelt er voorzichtig aan en strijkt met zijn zachte hand over de toetsen.
Boven in zijn kamer heeft Löwenborg een groote houten tafel, waarop hij toetsen heeft geschilderd en een lessenaar gezet. Daar kan hij uren zitten en de vingers over de witte en zwarte toetsen laten gaan. Daar studeert hij, speelt schalen en études, en daar speelt hij zijn Beethoven. Vrouw Musica heeft hem met haar bijzondere genade bijgestaan, zoodat hij vele van de zes-en-dertig sonates gecopieerd heeft.
Maar de oude man waagt zich nooit aan eenig ander instrument, dan zijn houten tafel. Voor de piano heeft hij een eerbiedigen angst.
Die lokt hem, maar schrikt hem nog meer af. Dat rammelende instrument, waarop zooveel polka’s getrommeld worden, is voor hem een heiligdom. Hij heeft het nooit durven aanroeren. Dat wonderlijk ding met de vele snaren, die aan ’t werk van den grooten meester leven kunnen geven! Hij hoeft er zijn oor maar tegen te leggen, en dadelijk hoort hij de andantes en de scherzo’s daarbinnen bruisen. Ja, de piano is het ware altaar, waaraan vrouw Musica gediend moet worden. Maar hij heeft nooit op een piano gespeeld. Hij is immers zelf nooit zoo rijk geworden, dat hij er een kon koopen, en op deze heeft hij nooit den moed gehad te spelen. De Majoorske was ook niet bijzonder bereid die voor hem open te doen.
Hij heeft er wel Poolsche dansen en walsen en Bellmansche liedjes op hooren trommelen. Maar voor zulke onheilige muziek kon het heerlijke instrument ook niet anders dan een gebroken geluid geven en jammeren. Neen, als Beethoven kwam, dan zou het zijn eigen helderen klank laten hooren.
Nu meent hij, dat de tijd voor hem en Beethoven misschien gekomen is. Hij zal moed vatten en ’t heiligdom aanroeren en zijn jongen heer en meester er toe brengen zich over die sluimerende welluidendheid te verheugen.
Hij zet zich neer en begint te spelen. Hij is heelemaal onzeker en verward, maar hij voelt voor zich heen en komt een paar maten door, beproeft den juisten klank te voorschijn te brengen, rimpelt het voorhoofd, doet het over—en slaat dan de handen voor ’t gezicht en schreit.
Ja, lieve vrouw Musica, dat is hard voor hem. ’t Heiligdom is immer geen heiligdom. Daar liggen geen klare, heldere tonen in verborgen te droomen, daar is geen doffe, machtige donder, geen geweldig bruisende orkaan. Niets van die heerlijke tonen, die de lucht van het Paradijs vervulden, is er overgebleven. ’t Is een oude, rammelende piano en anders niet.
Maar dan geeft vrouw Musica den slimmen overste een wenk. Hij neemt Ruster mee. Zij gaan naar boven en halen Löwenborgs tafel met de geschilderde toetsen.
„Ziehier, Löwenborg,” zegt Beerencreutz, als zij terugkomen, „hier is je piano. Speel nu voor Gösta.”
En dan houdt Löwenborg met schreien op en gaat Beethoven spelen voor zijn bedroefden vriend. Nu zal hij wel weer blij worden.
In ’t hoofd van den ouden man klinken de lieflijkste tonen. Hij kan niet laten te gelooven, dat Gösta hoort hoe mooi hij speelt. Gösta merkt zeker, hoe goed hij van avond speelt.
Er zijn geen moeilijkheden meer voor hem. Hij speelt zonder eenige moeite zijn loopjes en trillers. Hij wou, dat de meester zelf hem hooren kon.
Hoe langer hij speelt, hoe meer hij in vuur komt. Hij hoort iederen toon met bovenaardsche kracht.
„o Smart,” speelt hij, „waarom zou ik u niet liefhebben? Omdat uw lippen koud, uw wangen vaal zijn? Omdat uw omhelzing verstikt, uw blik versteent?”
„o Smart, gij zijt een van die trotsche, schoone vrouwen, wier liefde moeilijk te winnen is, maar die heeter branden dan anderen. Gij verstootene! Ik heb u mijn hart gewijd en had u lief. Ik liefkoosde u zoodat de koude van u week, en uw liefde maakte mij zalig.
„Ach, wat heb ik geleden! Ach, hoe heb ik verlangd, sinds ik haar verloor, die ik het eerst heb liefgehad. Het was duistere nacht in mij en om mij heen. Ik lag in gebed verzonken, in vurige, onverhoorde gebeden. Geen goede geest daalde neer uit het met sterren bezaaide gewelf, om mij te troosten. Maar mijn verlangen verscheurde het voorhangsel. Gij kwaamt naar mij heenzweven op een brug van maanlichtstralen. Gij kwaamt in lichtglans, o mijn geliefde, en met een glimlach op de lippen. Vroolijke engelen zweefden om u heen. Zij droegen kransen van rozen, zij speelden op den citer en op de fluit. Het was zalig u te zien.
„Maar gij verdweent, ach, gij verdweent.
„En voor mij was er geen brug van maanlichtstralen, toen ik u wilde volgen. Ik lag op aarde, zonder wieken, aan het stof gebonden. Mijn klachten waren als ’t gebrul van een wild dier, als de donder van den hemel. Ik wilde u den bliksem als bode zenden. Ik vloekte de groene aarde.
„Ach, dat het vuur den oogst verteren mocht en pest over de menschen komen! Ik riep den dood aan en de machten der duisternis. Ik meende, dat de pijnigingen der hel zaligheid moesten zijn bij wat ik leed.
„o Smart! Toen werdt gij mijn vriendin. Waarom zou ik u niet liefhebben, zooals men de schoone, strenge vrouwen liefheeft, wier liefde moeilijk te winnen, maar die warmer zijn dan andere?”
Zoo speelde die arme mysticus! Hij zat daar, stralend van geestdrift en geheel bewogen, terwijl de wonderlijkste tonen voor zijn ooren klonken, en hij was overtuigd, dat Gösta ze ook hooren moest en getroost worden.
Gösta zat naar hem te zien. Eerst was hij boos om die nieuwe comedie; maar langzamerhand werd hij zachter gestemd. Hij was onweerstaanbaar, die oude, zooals hij daar zat en zijn Beethoven genoot. En Gösta dacht er aan, dat ook die man, die nu zoo zachtmoedig en zorgeloos was, in lijden gedompeld geweest was, dat ook hij de vrouw, die hij liefhad, verloren had. En nu zat hij daar, stralend van vreugde, bij zijn houten tafel. Meer was dus niet noodig om een mensch blij te maken.
Hij voelde zich beschaamd. „Gösta,” zei hij tot zichzelf, „kun je niet meer lijden en verdragen? Jij, die in armoede heel je leven gehard werdt, jij, die elken boom in ’t bosch, elk grasje op ’t veld hebt hooren spreken van ontbering en geduld, jij, die bent opgegroeid in een land, waar de winter streng en de zomer karig is, heb je de kunst van verdragen verleerd?
„Ach, Gösta, een man moet alles dragen wat het leven geeft, met moed in ’t hart en een glimlach op de lippen; anders is hij geen man. Ontbeer zooveel je wilt, als je de vrouw, die je liefhebt, hebt verloren; laat gewetenswroeging je knagen van binnen; maar toon je een man en een Wermelander! Laat je oogen vroolijk stralen, ga je vrienden met vroolijke woorden tegemoet.
„’t Leven is hard, en de natuur is hard. Maar beide wekken moed en blijdschap als tegenwicht tegen hun hardheid. Anders zou wel niemand het kunnen uithouden.
„Moed en blijdschap. Het is alsof dat de twee eerste plichten zijn. Je hebt die nooit vergeten. Doe het ook nu niet.
„Ben je minder dan Löwenborg, die daar aan zijn houten piano zit, of dan al de andere kavaliers, de moedige, zorgelooze, de eeuwig jonge?
„Je weet immers, dat geen van hen voor lijden bewaard bleef.”
En Gösta ziet ze allen aan. Ach, daar zitten ze allen even ernstig en luisteren naar die muziek, die niemand hooren kan.
Plotseling wordt Löwenborg in zijn droomen gestoord door een vroolijk lachen. Hij heft de handen van de toetsen en luistert als in geestvervoering. Dat is Gösta Berling’s oude lach! Zijn goed vriendelijk, aanstekelijk lachen. ’t Is de lieflijkste muziek, die de oude in zijn leven gehoord heeft.
„Wist ik het niet, dat Beethoven je helpen zou, Gösta?” barstte hij uit. „Nu ben je immers beter!”
Zóo was het, dat de goede vrouw Musica Gösta Berling’s melancholie genas.