VIII. De verkooping op Björne.
Margaretha Meijboom translation
Vaak verwonderen wij jongeren ons over de verhalen der ouden.
„Was er dan elken dag bal, heel uw heerlijke jeugd door?” vroegen wij hen. „Was het leven dan één voortdurend sprookje? Waren alle jonge dames toen mooi en beminlijk? En eindigde ieder feest met een schaking door Gösta Berling?”
Dan schudden de ouden hun eerwaardige hoofden en begonnen te vertellen van het snorren der spinnewielen en ’t klapperen der weefstoelen, van de drukte in de keukens, van ’t slaan van den dorschvlegel op den dorschvloer, van ’t klinken van den bijl in ’t bosch. Maar het duurde niet lang, of ze waren weer op den ouden toon aan ’t vertellen.
Dan hielden de sleden voor de stoep stil, dan snelden de paarden voort door donkere bosschen, met de vroolijke jonge menschen, dan ging de dans door de zalen en de snaren van de viool klonken. Dan suisde met gezang en gedruisch de wilde jacht om ’t Löfvenmeer. Ver weg kondt ge hen hooren. De boomen in ’t bosch wankelden en vielen. Alle machten des verderfs werden ontketend, de vlammen knetterden, de waterval verwoestte geheele gebouwen, de wilde dieren slopen rond om de hoeven. Onder de hoeven der achtvoetige paarden werd alle stille geluk vernield. Waar de wilde jacht voorbij kwam werden de harten der mannen wild en de vrouwen moesten bleek van schrik vluchten van hun haardsteden. En wij luisterden—verwonderd, zwijgend, bang en toch met stil genot.
„Wat voor menschen waren dat toch!” dachten wij.
„Nooit zullen we zulke menschen zien!”
„Dachten die menschen nooit over wat zij deden?” vroegen wij.
„Ja zeker dachten ze, kinderen,” antwoordden de ouden.
„Maar niet, zooals wij denken,” beweerden wij. Maar dan begrepen de ouden niet wat wij meenden.
Maar wij dachten aan den wonderlijken geest der zelfbeschouwing, die reeds zijn intrede in onze harten gedaan had. Wij dachten aan hem, aan zijn ijzige oogen en zijn lange, kromme vingers;—aan hem, die in den donkersten hoek van onze ziel zit en ons zieleleven uit elkaar haalt, zooals oude vrouwen met lapjes wol doen,—en stuk pluist.
Stuk voor stuk hadden die lange, harde kromme vingers uit elkaar gehaald, tot onze heele ziel daar lag als een bundel vodden en toen waren onze beste gevoelens, onze meest impulsmatige gedachten, alles, wat we gedaan en gezegd hadden, onderzocht, doorgekeken en uit elkaar gehaald en de ijzige oogen hadden er naar gekeken en de tandelooze mond had hoonend gelachen en gefluisterd. „Zie, ’t zijn vodden, enkel vodden.”
Er waren ook in dien tijd wel menschen, die hun ziel hadden opengezet voor den geest met de ijzige oogen. Bij één van hen zat hij aan de bron der handelingen, honend lachend om goed en kwaad, alles begrijpend, niets veroordeelend, onderzoekend, vorschend, uit elkaar pluizend, de bewegingen van haar hart en de kracht harer gedachten verlammend door onophoudelijk honend te lachen.
De schoone Marianne droeg den geest der zelfbeschouwing in zich. Zij voelde dat zijn koude oogen en zijn hoonlachen ieder van haar daden en woorden volgde. Haar leven was een tooneelstuk, waarvan hij de eenige toeschouwer was. Zij was geen mensch meer, zij leed niet, genoot niet, had niet lief; zij speelde de rol van de mooie Marianne Sinclaire en de zelfbeschouwing zat met ijskoude oogen en vlijtig, pluizende vingers en zag haar optreden.
Zij was als ’t ware in twee helften verdeeld. Bleek, onsympathiek en hoonend zat de éene helft van haar ziel spottend neer te zien op de andere, die handelde en nooit had die wonderlijke geest, die haar ziel uit elkaar pluisde, een enkel woord van meêgevoel.
Maar waar was hij dan geweest, die bleeke bewaker van de bron harer handelingen, in dien nacht toen zij ’s levens volheid had leeren kennen?
Waar was hij toen zij, de verstandige Marianne, Gösta Berling kuste, terwijl honderden oogen op hen rustten, en toen zij in wanhoop zich neerwierp in de sneeuw om te sterven? Toen waren de ijskoude oogen verblind, de hoonlach verdwenen, want de hartstocht was haar ziel binnengestormd. ’t Gedruisch van de wilde jacht had gebruist in haar ooren. Zij was geheel en al mensch geweest in dien éénen verschrikkelijken nacht.
O! gij hoonende geest der zelfbeschouwing. Toen Marianne met onuitsprekelijke inspanning haar verstijfde armen ophief en ze om Gösta’s hals legde, toen moest gij, als de oude Beerencreutz uw oogen opheffen van de aarde en de sterren aanzien. In dien nacht was uw macht gebroken. Ge waart dood, terwijl zij haar hymne aan de liefde dichtte, dood, terwijl zij naar Sjö ijlde, naar den Majoor, dood, toen zij de vlammen den hemel rood zag tinten boven de toppen der boomen.
Zie, zij waren gekomen, de sterke stormvogels, de demonische arenden van den hartstocht. Met vlammende vleugels en stalen klauwen daalden zij ruischend neer over u, gij geest met de ijzige oogen. Zij sloegen hun klauwen in uw nek en slingerden u ver weg in de onbekende ruimte. Dood en verbrijzeld waart ge. Maar nu waren ze voorbij gevlogen, de fieren, de geweldigen, wier wegen niet te berekenen zijn en die geen menschenoog ooit heeft gevolgd. En van uit de onbekende diepte was de geest der zelfbeschouwing weer verrezen en had opnieuw zijn intocht gehouden in de ziel der schoone Marianne.
De geheele maand Februari lag Marianne ziek op Ekeby. Op Sjö was zij door de pokken besmet. Die vreeselijke ziekte had haar geweldig aangetast, uitgeput en verkouden als ze was. Zij was den dood nabij; maar aan ’t eind der maand werd zij beter. Zwak was zij voortdurend en zeer geschonden. Nooit meer zou men haar „de mooie Marianne” noemen.
Het verlies van haar schoonheid, dat rouw over heel Wermeland zou brengen, alsof ’t land een zijner kostbaarste schatten verloren had, was nog aan niemand dan aan haar zelf en haar verpleegster bekend.
Zelfs de kavaliers wisten ’t niet. Niemand werd in de besmette ziekenkamer toegelaten.
Maar wanneer is de macht der zelfbeschouwing grooter dan bij ’t herstellen van een ernstige ziekte? Dan zit hij en staart ons aan met zijn ijzige oogen; en plukt en pluist met zijn harde, kromme vingers. En als men goed toekijkt, ziet men achter hem nog een bleek schepsel en dat staart ons aan en verlamt ons met zijn hoonenden glimlach en daarachter nog een en nog een, allen glimlachend om elkaar en om de geheele wereld.
En terwijl Marianne daar lag en zich zelf bekeek met al die ijzige oogen, stierf alle sterk en warm gevoel in haar.
Zij lag daar—en ze speelde, dat zij ziek was, dat ze ongelukkig, verliefd, wraakzuchtig was. Wel was ze dat alles; maar ’t was maar spel. Alles werd onwerkelijk, werd spel onder ’t staren van die ijzige oogen, die haar aanzagen, en die zelf weer door andren werden bekeken in een eindelooze rij. Alle sterke levenskrachten sluimerden weer in haar. Zij had kracht gehad tot gloeienden haat, tot toewijdende liefde voor ééne nacht, langer niet. Zij wist niet eens of ze Gösta Berling wel lief had. Zij verlangde hem te zien om te probeeren of hij haar buiten zichzelve kon brengen. Zoolang de ziekte duurde, had zij maar één heldere gedachte gehad: zij had er voor gezorgd, dat haar ziekte niet bekend werd. Zij wilde haar ouders niet zien; zij wilde geen verzoening met haar vader. Ze wist, dat hij berouw zou hebben over wat hij gedaan had, als hij wist hoe ziek ze was.
Daarom beval zij, dat aan haar ouders en alle anderen gezegd zou worden, dat een oogziekte, die ze vaak had, haar noodzaakte achter dichte gordijnen te zitten. Zij verbood de kavaliers een dokter uit Karlstad te halen. Ze had wel pokken, maar in een zeer lichten graad en in de huisapotheek te Ekeby was genoeg om haar leven te redden.
Zij dacht niet aan sterven; zij lag er alleen op te wachten, dat ze beter zou zijn om met Gösta naar den geestelijke te gaan om hun huwelijk te laten sluiten. Maar nu was de ziekte voorbij, de koorts af. Zij was weer koud en verstandig. ’t Was haar, alsof zij de eenige wijze in een wereld van dwazen was. Zij haatte niet en had niet lief. Zij begreep haar vader, zij begreep hen allen. Hij die begrijpt, haat niet meer.
Zij had gehoord, dat Melchior Sinclaire van plan was auctie te houden op Björne en alles te vernielen, wat hij bezat, opdat zij ’t niet van hem erven zou. Men zei, dat hij alles zoo grondig mogelijk bederven wilde: eerst zou hij de meubels en ’t huisraad verkoopen, dan ’t vee en de landbouw-gereedschappen en eindelijk de geheele hoeve. En al het geld zou hij in een zak doen en die in ’t Löfvenmeer gooien. Verstrooid, vernield, vernietigd zou haar erfdeel worden. Marianne glimlachte goedkeurend, toen zij dat hoorde. Zóó was zijn karakter, zoo moest hij handelen.—Zonderling kwam het haar voor; dat zij ooit den lof der liefde gezongen had. Zij had gedroomd van een hut en van zijn hart; nu kon ze niet begrijpen, dat zij zoo gedroomd had.
Zij snakte naar natuur! Zij was dat eeuwige tooneelspelen zoo moe. Nooit voelde zij diep en sterk. Ze betreurde nauwlijks haar schoonheid, alleen huiverde ze voor ’t medelijden van vreemden.
O als ze maar één oogenblik zichzelf vergeten kon. Eén woord zeggen, één beweging maken, één daad doen, die niet berekend was.
Op een morgen toen haar kamer ontsmet was en zij gekleed op de sofa lag, liet zij Gösta Berling roepen. Het antwoord was, dat hij naar de verkooping op Björne was.
’t Was een groote verkooping op Björne.
’t Was een oud rijk huis. Van alle kanten stroomden de menschen toe om te bieden. De groote Melchior Sinclaire had alles wat in huis was, opeengehoopt, in de groote zaal. Duizenden dingen waren er op groote hoopen gestapeld, die tot aan den zolder reikten. Hij was zelf ’t huis rond gegaan, als de engel der verwoesting op den dag des oordeels en had alles, wat hij wilde verkoopen, bijeen gesleept. Keukengerei: zwarte pannen, houten stoelen, tinnen kroesen—dat alles liet hij met rust, want daaraan was niets wat hem aan Marianne deed denken; maar dat was ook ’t eenigste, wat aan zijn toorn ontkwam.
In Mariannes kamer brak hij in en vernielde alles. Haar poppenkastje stond daar en haar boekenrekje, het stoeltje, dat hij voor haar had laten maken, haar versierselen, haar kleeren, haar sofa, haar bed,—dat alles moest weg.
Daarna ging hij van de eene kamer naar de andere. Hij rukte alles weg, wat hem hinderde en droeg zware lasten naar de auctiezaal. Hij steunde onder ’t gewicht der zware sofa’s en marmeren tafels, maar hij hield vol. En hij haalde alles door elkaar in een ontzettende verwarring. Hij brak de kasten open en haalde er ’t prachtige familiezilver uit. Weg er meê: Marianne had het aangeraakt. Hij nam armen vol van ’t sneeuwwitte damast, sterke zelfgeweven stukken, de vrucht van vele jaren arbeid en smeet het op hoopen. Weg er meê. Marianne was niet waard het te bezitten. Hij stormde door de kamers, met stapels porcelein. Hij gaf er niet om of hij dozijnen borden brak, en greep de oude servies koppen, met het familiewapen er in gebakken. Weg er meê. Wie ze hebben wil, mag ze nemen. Hij gooide bergen beddengoed van den zolder: kussens en dekens zóó zacht, dat men er in neerzonk, als in een golf. Weg er meê! Marianne heeft er op geslapen. Hij wierp de oude, welbekende meubels verbitterde blikken toe. Was er wel een stoel of een sofa, waar zij niet op gezeten had, een schilderij waar zij niet naar gezien, een kroon, die haar niet had verlicht, een spiegel, die haar beeld niet had weerkaatst. Hij balde somber de vuist tegen deze wereld van herinneringen. ’t Allerliefst was hij er op ingestormd met een knods en had alles kort en klein geslagen.
Maar ’t scheen hem toe, alsof hij nog grondiger wraak nam door ’t alles te verkoopen. Weg naar vreemden moest het. Weg om te vervuilen in de huizen der armen, weg om te worden verwaarloosd onder de handen van onverschillige vreemden. Kende hij ze niet van uit de kamers der boeren, de slordige meubelen op verkoopingen gekocht, verkocht en onteerd, zooals nu zijn mooie dochter was. Weg met hen. Laat ze staan met ’t paardenhaar uitpuilend uit de gaten, met afgestooten verguldsel, met gebroken pooten en gesprongen tafelbladen: laat ze ’t heimwee hebben naar hun vroeger tehuis. Weg er meê naar alle wereldstreken! zoodat geen oog ze meer zien, geen hand ze weer bijeenbrengen kan.
Toen de auctie begon, had hij de halve zaal gevuld met een ongelooflijk verwarden hoop huisraad.
Dwars door de zaal had hij een lang aanrecht laten zetten. Daarachter stond de verkooper en riep op; daar zaten de schrijvers en noteerden, en daar had Melchior Sinclaire een vat brandewijn staan. In de andre helft der zaal in de vestibule en buiten op de plaats stonden de koopers.
Er waren er vele! En er was veel gedruisch en vroolijkheid. Er werd druk geboden en verkocht. Maar bij ’t brandewijnvat, met al zijn bezittingen in een grenzelooze verwarring achter zich, zat Melchior Sinclaire, half dronken en half krankzinnig. ’t Haar zat in verwarde pruiken om zijn rood gezicht, zijn woeste, met bloed beloopen oogen rolden in hun kassen. Hij schreeuwde en lachte alsof hij in de beste stemming was, en ieder, die een bod deed, riep hij bij zich en bood hem een borrel aan.
Onder hen, die hem zagen, was ook Gösta Berling, die zich onder de koopers had gemengd, maar zorgvuldig vermeed hem onder de oogen te komen. Hij rilde van wat hij zag, en zijn hart werd beklemd door een bang voorgevoel van naderend onheil.
Hij vroeg zich verwonderd af, waar Mariannes moeder wel zijn zou. En nu ging hij, half tegen zijn zin, maar door ’t noodlot gedreven, Mevrouw Gustava Sinclaire zoeken.
Hij ging door vele deuren eer hij haar vond. De groote landeigenaar had maar weinig geduld en hij hield niet van klachten en vrouwentranen. Hij was haar onophoudelijk schreien over ’t lot, dat de schatten van haar huis trof, moede. ’t Maakte hem razend, dat zij kon schreien om linnen en beddegoed nu zij, die zooveel meer waard was, zijn mooie dochter verloren was, en hij had haar met gebalde vuisten ’t heele huis doorgejaagd, door de keuken heen in de provisiekamer.
Verder kon ze niet en hij had zich vergenoegd met haar daar te zien zitten in elkaar gekrompen achter de trap, harde slagen, misschien den dood verwachtend. Hij liet haar daar zitten, maar sloot de deur af en stak den sleutel in zijn zak. Daar kon ze nu blijven zitten tot de verkooping voorbij was. Honger lijden zou ze niet en hij was vrij van haar gejammer te hooren.
Daar zat ze gevangen in haar eigen provisiekamer, toen Gösta de gang door naar de keuken ging. Daar zag hij plotseling ’t gezicht van Mevrouw Gustava voor ’t venster hoog in de muur. Zij was daarheen naar boven gekropen en keek uit haar gevangenis.
„Hij heeft me opgesloten!”
„De landheer?”
„Ja, ik was bang, dat hij me dood zou slaan. Maar hoor eens Gösta, neem den sleutel van de deur van de zaal en ga door de keuken naar de deur van de provisiekamer; daar past die sleutel op. Doe de deur open, dan kom ik hier uit.”
Gösta deed het en een paar minuten later stond het oude vrouwtje in de groote, leege keuken.
„U hadt een van de meisjes de deur moeten laten opendoen,” zeide Gösta.
„Meen je, dat ik hun dat kunstje leeren wil? Neen, dan zouden ze mijn provisiekast nooit meer met rust laten. En ik heb ook de bovenste planken wat opgeruimd. Dat was wel noodig. Ik kan niet begrijpen dat ik daar zoo’n rommel heb kunnen maken.”
„U hebt ook zooveel te doen, tante,” zei Gösta verontschuldigend.
„Ja, daar kun je van op aan! als ik niet overal te gelijk ben, dan komt er geen spinnewiel en geen weefstoel in beweging. En als....”
Ze hield plotseling op en droogde haar tranen af.
„Goede hemel, wat sta ik toch te praten,” zei ze, „ik zal nu wel nooit meer iets hebben na te zien. Hij verkoopt immers alles, wat we hebben.”
„Ja, ’t is ellendig,” zei Gösta.
„Je weet wel, de groote spiegel in de zaal, dat prachtige stuk! Er is geen naad in ’t glas, geen vlekje op de lijst! Ik heb hem van moeder gekregen en die wil hij nu verkoopen.”
„Maar wat bezielt hem toch?” vroeg Gösta.
„Och, ’t is alleen, omdat Marianne niet weerom komt. Hij heeft daar aldoor op gewacht. Hij heeft dagen lang in de groote laan op en neer geloopen en naar haar uitgezien. Hij verlangt zóó, dat ik bang ben dat hij er gek van wordt. Maar ik durf niets te zeggen.”
„Marianne meent, dat hij boos op haar is.”
„Och dat meent ze niet. Ze kent hem wel. Maar ze is trotsch en wil niet de minste zijn. Ze zijn allebei even hard en koppig. En ik zit er tusschen in en op mij komt alles neer!”
„Weet u, dat Marianne met mij trouwen wil, tante?”
„Och Gösta, dat doet ze toch niet! Dat zegt ze maar om haar vader te plagen. Ze is veel te verwend om met een arm man te trouwen, en veel te trotsch ook. Ga nu gauw naar huis en zeg haar, dat haar erfdeel weg is als ze niet dadelijk komt. Och! hij laat alles gaan zonder er behoorlijk geld voor te krijgen!”
Gösta werd boos. Daar zat die vrouw nu op haar groote keukentafel en had geen hart voor iets anders, dan voor haar spiegels en porcelein.
„U moest u schamen!” barstte hij uit. „U laat uw dochter in de sneeuw liggen en dan meent u, dat ’t uit pure boosaardigheid is, dat ze niet thuiskomt.
„En u meent, dat ze den man, waar ze van houdt, zal verlaten, alleen om haar erfdeel niet te verliezen.”
„Lieve Gösta, wordt nu ook niet boos! Ik weet immers niet, wat ik zeg. Ik heb geprobeerd Marianne binnen te laten, maar hij trok me weg van de deur. Ze zeggen hier altijd, dat ik nergens verstand van heb. Ik gun je Marianne graag, Gösta, als je haar gelukkig kunt maken. Maar ’t is zoo makkelijk niet een vrouw gelukkig te maken, Gösta!”
Gösta zag haar aan. Hoe kon hij boos worden op zulk een menschje! Schuw en gejaagd was zij, maar ze had toch zulk een goed hart.
„Tante vraagt niet eens, hoe ’t met Marianne is,” zei hij zacht.
Zij barstte in schreien uit. „Word je dan niet boos, als ik dat vraag?” zei ze. „Ik heb er aldoor naar verlangd ’t je te vragen. Ik weet niets meer van haar, dan dat ze leeft. Geen groet heb ik van haar gehad al dien tijd; niet eens toen ik haar kleeren zond. En toen dacht ik dat jelui me niets meer van haar wilden vertellen.”
Gösta kon het niet langer uithouden. Hij was woest en dwaas. Soms moest onze Lieve Heer hem zijn wolven achterna zenden om hem tot gehoorzaamheid te dwingen—maar de tranen van de oude vrouw waren voor hem erger dan ’t huilen der wolven!
Hij vertelde haar de waarheid:
„Marianne is al dien tijd ziek geweest,” zei hij, „ze heeft de pokken gehad. Vandaag mocht ze opstaan en op de sofa liggen. Ik heb haar sinds dien eersten nacht niet meer gezien.”
Met een sprong stond Mevrouw Gustava op den grond. Ze liet Gösta staan zonder een woord te zeggen en vloog weg naar haar man.
De menschen in de zaal zagen haar naar hem toe loopen en hem haastig iets in ’t oor fluisteren. Zij zagen, dat zijn gezicht nog rooder werd en dat zijn hand, die hij aan de kraan van ’t vat hield, die onwillekeurig omdraaide, zoodat de brandewijn over den vloer stroomde.
Allen kwam het voor, dat Mevrouw Gustava zulke gewichtige tijding bracht, dat de verkooping onmiddellijk gestaakt moest worden. De hamer van den oproeper viel niet meer neer, de pennen van de schrijvers krasten niet meer, geen nieuw bod werd gehoord.
Melchior Sinclaire schrikte op uit zijn gedachten.
„Nu,” riep hij uit. „Wat moet dat worden?”
En een oogenblik later was de verkooping weer in vollen gang.
Gösta zat in de keuken te wachten en Mevrouw Gustava kwam schreiend naar hem terug.
„Het hielp niet,” zei ze. „Ik dacht, dat hij zou ophouden, als hij hoorde, dat Marianne ziek geweest was; maar hij laat ze doorgaan. Hij zou wel willen ophouden, maar hij durft niet om de menschen.”
Gösta trok de schouders op en nam afscheid van haar.
In de vestibule kwam hij Sintram tegen.
„Een verduiveld vermakelijke historie!” riep Sintram en wreef zich in de handen. „Je bent toch een kranige kerel, Gösta, dat je dat klaar gekregen hebt.”
„’t Wordt nog vermakelijker over een poosje,” fluisterde Gösta. „De predikant van Broby is hier met een slee vol geld. Men zegt, dat hij ’t heele Björne koopen wil en contant betalen. Ik wil wel eens zien wat de landheer dan voor een gezicht zetten zal.”
Sintram trok beide schouders op en lachte lang, zich inwendig verkneukelend. Toen ging hij de groote zaal in, recht op Melchior Sinclaire af.
„Wil je een borrel, Sintram, dan moet je voor den duivel eerst een bod doen.”
„Je bent toch een geluksvogel,” zei Sintram. „Hier komt iemand aanrijden met een slee vol geld. Hij wil Björne koopen met inboedel en veestapel en al. Hij heeft afspraak gemaakt met een massa menschen, dat ze voor hem bieden zullen. Hij zelf zal zich vooreerst wel niet vertoonen.”
„Je wilt zeker wel zeggen wie ’t is, als ik je een borrel voor je moeite geef?”
Sintram nam het glas en ging een paar stappen achteruit, eer hij antwoordde.
„’t Moet de dominé van Broby zijn, broeder Melchior.”
Melchior Sinclaire had beter vrienden dan de predikant van Broby. Jaren lang bestond er al een veete tusschen hen. Men zei, dat de groote landeigenaar in donkre nachten op den loer gelegen had op den weg, waarlangs de predikant moest komen en hem menig pak slaag gegeven had, dien duitendief, dien boerenplaag!
Wel was Sintram een eind achteruit gegaan; maar toch ontkwam hij niet geheel aan den toorn van Melchior Sinclaire. Hij kreeg een glas tusschen de oogen en ’t heele vat brandewijn over zijn voeten; maar toen volgde er ook een tooneel, dat nog lang zijn hart verheugde.
„Wil de dominé mijn landgoed hebben!” brulde Sinclaire. „Staan jelui hier aan den dominé mijn goed te verkoopen?
„De verkooping is uit,” schreeuwde hij.
„Weg met jelui! Nooit, zoolang ik leef, krijgt de dominé van Broby mijn goed. Weg met jelui! Ik zal je leeren voor den dominé te bieden!”
Hij stoof op den oproeper en de schrijvers af. Zij weken uit. In de verwarring werd de toonbank omgegooid en de landheer stoof als een razende op de menigte vreedzame menschen in.
En ze vluchtten in wilde verwarring. Een paar honderd menschen drongen naar de deur, bang voor één man.
Hij bleef staan en schreeuwde: „weg met jelui!” Hij zond ze vloeken achterna en zwaaide een stoel boven zijn hoofd als wapen.
Hij vervolgde ze tot in de vestibule; maar niet verder. Toen de laatste vreemde de trap op was, ging hij in de zaal terug en sloot de deur achter zich. Toen trok hij een matras en een paar kussens uit den hoop, ging er op liggen en sliep in—midden in de wanorde. Hij werd niet wakker voor den volgenden morgen.
Toen Gösta thuis kwam, hoorde hij, dat Marianne hem spreken wilde. Dat trof goed, hij had er juist over gedacht, hoe hij haar te spreken zou krijgen.
Toen hij in de donkre kamer kwam, waar ze lag, bleef hij eerst aan de deur staan. Hij kon niet zien waar ze was.
„Blijf, waar je ben Gösta,” zei Marianne, „’t kan gevaarlijk zijn dicht bij me te komen.”
Maar Gösta was de trap op komen stormen, bevend van ontroering en verlangen. Wat kon hem de besmetting schelen! Hij wilde de zaligheid genieten haar weer te zien.
Want zij was schoon, zijn geliefde. Niemand had zulk zacht haar, zulk een hoog rein voorhoofd. Haar geheele gelaat was één geheel van schoone vormen en lijnen. Hij dacht aan de wenkbrauwen, scherp en fijn geteekend, als de honingweg in de lelie, aan de kloeke gebogen lijnen van de neus, aan de lippen, licht gekruld als kleine golfjes, aan ’t ovaal der wangen en aan den uitgezocht fijnen vorm der kin. Hij dacht aan de teere tint der huid, aan de donkere wimpers onder ’t lichte haar, aan den blauwen oogappel in ’t heldre wit en aan den gloed harer oogen.
Heerlijk was ze, zijn geliefde! hij dacht aan haar warm hart, dat ze onder dat trotsch uiterlijk verborg. Ze had kracht tot toewijding en zelfopoffering en verborg die onder haar elegante houding en trotsche woorden. Het was een zaligheid haar te zien.
In twee sprongen was hij de trap opgekomen en meende ze nu, dat hij aan de deur zou blijven staan? Hij stormde de kamer door en viel op de knieën naast de sofa.
Hij wilde haar zien, haar kussen en afscheid van haar nemen. Hij had haar lief en zou nooit ophouden haar lief te hebben; maar zijn hart was gewend in ’t stof getreden te worden.
O, waar zou hij haar vinden, de roos zonder wortel of steun, die hij tot zich kon nemen en de zijne noemen. Niet eens haar, die hij verworpen en halfdood aan den weg gevonden had, mocht hij behouden. Wanneer zou zijn liefde ooit een lied aanheffen, zóó luide en rein, dat geen wanklank het overstemde? Wanneer zou hij ’t paleis van zijn geluk op een grond bouwen, dien niet door een ander hart met onrust en verlangen werd begeerd?
Hij dacht er over, hoe hij afscheid van haar nemen zou.
„Er is groot lijden in je ouderlijk huis!” zou hij zeggen. „Mijn hart breekt als ik er aan denk. Ge moet naar huis gaan en je vader zijn verstand hergeven—je moeder verkeert in voortdurend levensgevaar. Ge moet naar huis, mijn liefste!”
Zie, zulke woorden van vrijwillig ontberen had hij op de lippen. Maar hij sprak ze niet uit.
Hij viel op de knieën aan haar sofa en nam haar hoofd tusschen zijn beide handen—maar kon niet spreken. Zijn hart begon zóó geweldig te slaan, als zou ’t zijn borst doen springen.
De pokken hadden dat heerlijke gelaat geteisterd. De huid was grof geworden en vol lidteekens. Nooit meer zou het roode bloed de wangen kleuren of de fijne blauwe aderen aan de slapen zichtbaar worden. De oogen lagen wat onder de gezwollen oogleden. De wenkbrauwen waren uitgevallen en ’t witte email der oogen was geel geworden. Alles was vernield. De fijne lijnen waren grof en zwaar geworden. Er waren velen, die later Mariannes vervlogen heerlijkheid beschreiden. Maar de eerste man, die haar zag nadat ze haar schoonheid verloren had, gaf zich niet over aan zijn smart. Onuitsprekelijke gevoelens vervulden zijn ziel. Hoe langer hij haar aanzag, hoe warmer ’t in hem werd. Zijn liefde steeg en steeg als een rivier in de lente. Als vuurgolven bruischte zij op uit zijn hart, zij vulde heel zijn wezen, zij steeg op naar zijn oogen als tranen, naar zijn lippen als snikken, ze deed zijn handen, zijn geheele lichaam trillen.
O, haar lief te hebben! haar te verdedigen, haar alles, alles te vergoeden! Haar slaaf, haar beschermengel te zijn!
Sterk is de liefde, als zij den vuurdoop van de smart heeft ondergaan. Hij kon niet tot Marianne spreken over scheiding en zelfverloochening. Hij kon haar niet verlaten. Hij was haar ’t leven verschuldigd. Hij zou doodzonden kunnen begaan om harentwil.
Hij sprak geen verstandig woord. Hij kuste haar en schreide tot de oude ziekenverpleegster het tijd vond, dat hij heenging.
Toen hij was heengegaan lag Marianne te denken aan hem en zijn ontroering. „Het doet goed zóó bemind te worden,” dacht ze.
Ja, dat deed goed.... maar hoe was ’t met haar zelf? Wat voelde zij? Och niets, minder dan niets.
Was zij dood—haar liefde—of gevlucht? Waar was het kind van haar hart gebleven? Leefde het nog? Was het in den donkersten hoek van haar hart gekropen verstijfd door den blik der ijzige oogen, verschrikt door ’t hoonlachen, half gesmoord door de beenige vingers.
„Och, mijn liefde!” zuchtte ze, „kind van mijn hart! Leeft gij? of zijt ge dood—dood als mijn schoonheid?”
Den volgenden morgen vroeg kwam de machtige landheer bij zijn vrouw. „Zorg dat het huis weer in orde komt, Gustava,” zeide hij, „ik rijd uit om Marianne thuis te halen”.
„Ja, beste Melchior, ik zal er voor zorgen,” antwoordde zij.
Daarmeê was alles in orde tusschen hen. Een uur later was de landheer op weg naar Ekeby.
Men kon zich geen beschaafder en welwillender oude heer voorstellen dan de landheer, zooals hij daar in de open caleche zat in zijn besten pels, met zijn fijnsten halsdoek om. Nu lag zijn haar plat gekamd om zijn schedel; maar zijn gezicht was bleek, zijn oogen ingezonken.
Een weergalooze glans stroomde van den heldren hemel op dien Februarimorgen. De sneeuw fonkelde als de oogen van jonge meisjes, als de eerste dans gespeeld wordt. De berken staken hun kantwerk van fijne, bruinroode twijgen op naar den hemel; hier en daar zat een donzige franje van schitterende naaldjes.
Er lag feestglans over dien dag. De paarden hieven, als dansten ze, de voorpooten op, en de koetsier knalde met de zweep uit pure vergenoegdheid.
Na een korten rit hield de slee van den landheer stil voor Ekeby. De knecht kwam naar buiten.
„Waar zijn de heeren?” vroeg de landheer.
„Op de jacht. Zij jagen op den grooten beer van de Gurlita Klätt.”
„Allemaal?”
„Allemaal, mijnheer! Wie niet meêgaat om den beer, gaat meê om den knapzak.”
De landheer lachte, dat ’t over de geheele plaats klonk en gaf den knecht een daalder voor dat antwoord.
„Zeg mijn dochter, dat ik hier ben om haar te halen. Ze behoeft niet bang voor de kou te zijn. Ik sla de kap van de caleche op en heb de wolfspels bij me om er haar in te wikkelen.”
„Wil mijnheer niet binnenkomen?”
„Neen, dank je, ik zit hier goed!”
De knecht verdween en de landheer zette zich tot wachten. Hij was dien morgen in een onverstoorbaar goed humeur. Hij had wel gedacht, dat hij wat op Marianne zou moeten wachten. Misschien was ze nog niet eens op. Hij zou in dien tijd maar wat rondkijken.
Aan ’t dak hing een lange ijspegel, waar de zon een gruwelijken last meê had. Zij begon van boven af, smolt een droppel los, en wilde die er langs naar beneden laten loopen. Maar als de droppel halfweg was, was ze weer verstijfd. Aanhoudend deed de zon opnieuw moeite, maar zonder resultaat.
Eindelijk was er een kleine zonnestraal, een vrijbuiter, die zich vasthechtte aan de punt van den ijspegel;—een kleintje, dat glinsterde van opgewondenheid en in een oogenblik had hij zijn doel bereikt: een droppel plaste op den grond. De landheer zag lachend naar hem. „Je bent nog zoo dom niet,” zei hij tegen den zonnestraal.
De plaats was stil en leeg. Geen geluid kwam uit het groote huis. Maar de landheer werd niet ongeduldig. Hij wist, dat de vrouwlui veel tijd noodig hebben eer ze klaar zijn.
Hij zat naar de duiventil te kijken. Die was dicht. De duiven werden opgesloten in den winter, opdat de havik ze niet grijpen zou. Nu en dan kwam een duif en stak haar witte kop door de tralies.
„Die wacht op het voorjaar,” zei Melchior Sinclaire. „Maar ze zal nog wat geduld moeten hebben.”
De duif kwam zoo regelmatig terug, dat hij zijn horloge uithaalde en op haar lette.
Precies iedere drie minuten kwam ze terug.
„Neen, kleintje!” zei hij, „meen je, dat het voorjaar in drie minuten klaar komt? Je moet leeren wachten.”
En zelf moest hij ook wachten; maar hij had den tijd.
De paarden krabden eerst ongeduldig in de sneeuw; maar toen werden ze slaperig van ’t staan en ’t in de zon kijken. Ze staken de koppen bij elkaar en sliepen in. De koetsier zat stijf op den bok, met zweep en teugel in de hand, ’t gezicht naar de zon gekeerd en sliep zóó vast, dat hij snorkte.
Maar de landheer sliep niet. Hij was nooit minder gestemd tot slapen dan nu. Zelden had hij genoegelijker uren doorgebracht, dan deze blijde uren wachtens.
Marianne was ziek geweest. Zij had niet eerder kunnen komen; maar nu zou ze wel komen. Ja, natuurlijk zou ze komen. En alles zou weer goed worden.
Nu kon ze toch wel zien, dat hij niet boos op haar was. Hij was immers zelf gekomen met de caleche en twee paarden er voor.
Daar ginds op de plank buiten de opening van de bijenkorf had een mees een echte duivelsche list bedacht. Hij moest middageten hebben. En daarom klopte hij op het plankje met zijn scherp snaveltje. Binnen in de korf hingen de bijen in een groote, donkere zak. Alles in de beste orde. De hofmeesters deelen de porties eten uit, de schenkers draven van mond tot mond met nectar en ambrosia. Zij, die in ’t midden zitten, ruilen altijd door van plaats met de buitenste, opdat warmte en comfort gelijkelijk verdeeld worden.
Daar hooren ze ’t kloppen van den mees. En er gaat een gegons van nieuwsgierigheid door de geheele korf. Is dat een vriend of een vijand? Is er gevaar voor de bijenmaatschappij? De koningin heeft een kwaad geweten. Zij kan den loop der zaken niet rustig afwachten. Zijn het de geesten der vermoorde hommels? broedbijen, die daar buiten spoken?
„Ga zien, wat dat is,” beveelt zij de portierster.
Deze gaat. Met een „Leve de koningin!” stormt ze naar buiten, en wip, heeft de mees ze gepakt. Met uitgestrekten hals en vleugels, die trillen van spanning, grijpt hij haar aan, verbrijzelt haar en eet haar op. Niemand bericht haar dood aan haar meesteres.
En de mees begint weer te kloppen. En de bijenkoningin gaat voort haar portiersters naar buiten te zenden en allen verdwijnen ze. Niemand komt terug om te vertellen wie er klopte. Hu! ’t wordt griezelig daar in de donkre korf. ’t Zijn de wraakgeesten, die daar buiten hun spel drijven. Hadden ze maar geen ooren! konden ze hun nieuwsgierigheid, maar bedwingen en rustig afwachten.
De machtige landheer lachte, dat hem tranen in de oogen kwamen, over de domme vrouwlui daar in de korf en den slimmen baas daar buiten.
’t Is geen kunst te wachten, als men zoo zeker van zijn zaak is en zooveel heeft om zich meê bezig te houden.
De zon begon te dalen in ’t westen. Melchior Sinclaire keek op zijn horloge.
’t Was drie uur! en Moeder zat al van twaalf uur af met het eten te wachten.
Op ’t zelfde oogenblik kwam de knecht zeggen, dat Juffrouw Marianne hem wenschte te spreken.
De landheer nam de wolfspels over den arm en liep vroolijk de trappen op.
Toen Marianne zijn zware stappen op de trap hoorde wist ze nog niet, of ze meê naar huis wilde gaan of niet. Zij wist alleen, dat er een eind moest komen aan dat lange wachten.
Zij had gehoopt, dat de kavaliers terug zouden komen; maar ze kwamen niet. Dus moest ze zelf zorgen, dat er een eind aan kwam. Dit kon ze niet langer uithouden.
Ze had gedacht, dat hij boos weer weg zou rijden, als hij vijf minuten gewacht had, of dat hij de deuren zou hebben opengebroken of ’t huis in brand gestoken, maar hij zat daar rustig, glimlachend en wachtte. Ze voelde haat noch liefde voor hem. Maar er was een stem in haar hart, die haar waarschuwde zich niet weer in zijn macht te laten komen. En behalve dat wilde zij haar woord aan Gösta houden. Was hij maar in slaap gevallen of onrustig geworden of had hij maar eenig teeken van twijfel gegeven, of was hij maar met de slee in de schaduw gereden. Maar hij was louter geduld en zóó zeker van zijn zaak. Zoo zeker, zóó aanstekelijk zeker, dat ze komen zou, als hij maar wachtte.
Dat deed haar pijn in ’t hoofd. ’t Deed iedere zenuw in haar trillen. Ze had geen rust, zoolang ze wist, dat hij daar zat. ’t Was alsof zijn sterke wil haar bond en de trappen afsleepte. Zij wilde ten minste met hem spreken.
Eer hij kwam, liet zij de gordijnen opentrekken, en ging zoo liggen, dat haar gezicht in ’t volle daglicht kwam. Haar doel was hem daarmeê op de proef te stellen, maar Melchior Sinclaire was dien dag een wonderlijk man.
Toen hij haar zag, vertrok hij zijn gezicht niet, sprak geen woord. ’t Was alsof hij niet zag, hoe veranderd ze was. Hij wist, hoe trotsch hij geweest was op haar schoonheid. Maar hij liet geen smart blijken. Hij beheerschte zich volkomen, om haar geen verdriet te doen. Dat trof haar. Zij begon te begrijpen hoe ’t mogelijk was, dat haar moeder nog altijd van hem hield.
Hij toonde geen den minsten twijfel. Hij deed geen verwijten, maakte geen verontschuldigingen.
„Ik zal je de wolfspels aandoen, Marianne. Die is niet koud. Hij heeft altijd door op mijn schoot gelegen.”
Toch ging hij naar den haard en warmde de pels. Toen hielp hij haar op te staan, sloeg de pels om haar heen, deed een shawl om haar hoofd, kruiste die over de borst en bond die op den rug vast.
Zij liet hem begaan.—Ze had geen wil meer. ’t Deed haar goed zoo verzorgd te worden, ’t was zalig niet te hoeven willen. ’t Was zoo rustig voor een mensch zóó moe en geslingerd als zij, voor een mensch, die niet één gedachte, niet één aandoening zijn eigen noemen kon.
De landheer lichtte haar op in zijn armen, droeg haar naar beneden in de sleê, sloeg de kap op, stopte de pels goed over haar heen en reed van Ekeby weg.
Ze sloot de oogen en zuchtte, gedeeltelijk van welbehagen, gedeeltelijk van smart. Ze nam afscheid van ’t leven, van ’t werkelijke leven. Maar wat deed dat er toe voor haar, die toch niet leven kon—alleen maar komediespelen!
Een paar dagen later zorgde haar moeder er voor, dat ze Gösta spreken kon. Zij zond hem een boodschap, terwijl de landheer zijn lange wandeling deed naar de houthakkerij, en bracht hem bij Marianne.
—Gösta kwam binnen, maar hij groette of sprak niet. Hij bleef aan de deur staan en zag voor zich neer als een koppige jongen.
„Maar Gösta!” barstte Marianne uit. Zij zat in een leunstoel.
„Ja, zoo heet ik!”
„Kom hier, kom eens bij me, Gösta.”
Hij ging zwijgend naar haar toe, maar hief de oogen niet op.
„Kom toch dichter bij, kniel hier naast me.”
„Goede hemel, wat moet dat beteekenen?” riep hij uit—maar gehoorzaamde.
„Gösta, ik wilde je zeggen, dat ik geloof dat het ’t beste was, dat ik weer thuis kwam.”
„Laat ons hopen, dat ze juffrouw Marianne niet weer in de sneeuw voor de deur laten liggen.”
„O Gösta, geef je niet meer om me? Ben ik te leelijk geworden?”
Hij trok haar hoofd naar zich toe en kuste haar, maar bleef er even koel uitzien.
Eigenlijk vond ze ’t grappig. Als hij zich nu in ’t hoofd gezet had jaloersch op haar ouders te wezen—nu, wat zou dat?
’t Zou wel weer overgaan. ’t Vermaakte haar te probeeren hem weer te winnen. Ze wist nauwelijks, waarom ze hem vast wilde houden; maar dat wilde ze nu. Zij dacht er aan, dat het hem toch eens gelukt was haar van zichzelven vrij te maken. Hij was misschien de eenige, die dat weer zou kunnen doen.
En nu begon zij te spreken, zich inspannende om hem terug te winnen. Ze zei, dat het niet haar bedoeling geweest was hem voor goed te verlaten; maar voor een poos moesten zij hun verbintenis verbreken. Hij had immers zelf gezien, dat haar vader op ’t punt geweest was krankzinnig te worden, en dat haar moeder in voortdurend levensgevaar verkeerde. Hij zou toch kunnen begrijpen, dat ze naar huis moest.
Toen barstte zijn toorn in woorden los. Zij behoefde geen comedie te spelen. Hij wilde niet langer haar speelbal zijn. Zij had hem verlaten, zoo gauw ze maar kans zag thuis te komen en hij kon haar niet langer liefhebben. Toen hij eergisteren thuis kwam van de jacht en haar niet vond, zelfs geen groet, geen enkel woord, toen was hem ’t bloed in de aderen verstijfd; hij was bijna gestorven van smart. Maar hij kon iemand, die hem zóó had doen lijden, niet liefhebben. Zij had hem ook nooit liefgehad. Ze was een coquette, die ook hier in de buurt iemand wilde hebben, die haar kuste en liefkoosde—dat was de heele zaak!—
Meende hij dan, dat zij zich door jonge heeren placht te laten kussen?
Och ja, dat was best mogelijk. De vrouwen waren niet zoo heilig, als ze zich wel voordeden. Egoïsme en coquetterie was schering en inslag bij haar. Ze had maar eens moeten weten wat hij voelde, toen hij van de jacht thuiskwam. ’t Was als baadde hij in ijswater. Hij zou nooit over die smart heenkomen, die zou hij levenslang met zich omdragen. Hij zou nooit weer een gewoon mensch worden.
Ze beproefde hem uit te leggen hoe alles gegaan was. Ze wilde hem bewijzen, dat ze hem nog altijd trouw was.
Ja, dat kwam er nu niet meer op aan, want nu had hij haar niet meer lief. Nu had hij haar doorzien. Zij was een egoïst. Ze had hem niet lief. Ze was van hem heengegaan, zonder een woord tot afscheid.
Telkens kwam hij hierop terug. Ze moest er bijna om lachen. Boos kon ze niet worden. Ze begreep zijn boosheid zoo goed. Voor een werkelijke breuk tusschen hun beiden was ze niet bang. Maar eindelijk werd ze toch ongerust. Was er werkelijk in hem zulk een verandering gekomen, dat hij haar niet meer liefhebben kon?
„Gösta, was ik egoïst toen ik naar Sjö ging om den Majoor te halen? Ik wist, dat er pokken waren. ’t Is ook niet prettig, door de sneeuw en de kou met dunne schoenen te loopen.”
„Liefde leeft alleen van liefde, en niet van diensten en weldaden,” antwoordde Gösta.
„Wil je dan dat we van nu af aan vreemden voor elkaar zullen zijn, Gösta?”
„Ja, dat wil ik.”
„Je bent veranderlijk.”
„Ja, dat zegt men.”
Hij was ijskoud, niet te ontdooien, en eigenlijk was ze zelf nog kouder. De zelfbeschouwing zat over haar poging de rol van verliefde te spelen, hoonend te lachen.
„Gösta,” zei ze met inspanning, „ik heb je nooit met opzet onrecht aangedaan; al lijkt het misschien zoo; ik smeek je, vergeef ’t me.”
„Ik kan ’t je niet vergeven.”
Ze wist dat als ze maar zelf diep en scherp gevoeld had, ze hem weer had kunnen winnen. En ze probeerde de rol van de hartstochtelijke te spelen. De ijsoogen lachten hoonend; maar ze probeerde het toch. Ze wilde hem niet verliezen.
„Ga niet heen, Gösta, ga niet boos heen. Denk er aan hoe leelijk ik geworden ben. Niemand kan me meer liefhebben.”
„Dat doe ik ook niet,” antwoordde hij. „Je zult moeten verdragen zooals zooveel anderen, dat je hart in ’t stof getreden wordt.”
„Gösta! ik heb nooit iemand anders dan jou kunnen liefhebben. Vergeef me, verlaat me niet. Je bent de eenige, die me voor mezelf bewaren kan.”
Hij stootte haar terug. „Je spreekt de waarheid niet,” sprak hij ijskoud. „Ik weet niet, wat je van me wilt; maar ik zie, dat je liegt. Waarom wil je mij vasthouden? Je bent zoo rijk, dat je altijd aanbidders genoeg zult hebben.”
En met die woorden ging hij heen.
En nauwlijks had hij de deur achter zich toe getrokken, toen smart en gemis in volle majesteit hun intocht deden in Mariannes hart.
’t Was de liefde, ’t kind van haar eigen hart, dat te voorschijn kwam uit den hoek, waarheen de ijsoogen het verbannen hadden. Zij kwam, de smartelijk verlangde, nu het te laat was. Ze kwam,—ernstig en almachtig—en ’t gemis en de smart droegen de slippen van haar mantel.
Toen Marianne de zekerheid had, dat Gösta Berling haar verlaten had, voelde zij een lichamelijke smart, zóó hevig, dat ze er bijna bewusteloos van werd. Ze drukte de handen tegen het hart en zat uren lang op dezelfde plaats, zonder tranen, strijdende tegen haar zielelijden.
En zij zelf was het, die leed, geen vreemde, geen tooneelspeelster. Zij was het zelf.
O, waarom kwam haar vader en scheidde hen van elkaar! Haar liefde was immers niet dood! Alleen door haar zwakte na de ziekte kon ze haar macht niet voelen.
O God, o God! Ze had hem verloren! O waarom was haar liefde te laat ontwaakt.
Ach, hij was de eenige, die haar hart beheerschte. Van hem kon ze alles verdragen. Goedheid en booze woorden van hem bogen haar slechts onder ’t juk van ootmoedige liefde. Als hij haar geslagen had, ze zou als een hond aan zijn voeten gekropen en zijn hand gekust hebben.
Ze wist niet wat ze doen zou om die vreeselijke smart te verlichten.
Zij greep pen en papier en schreef met koortsachtige haast. Eerst schreef zij over haar gemis en haar liefde; daarna smeekte ze—niet om zijn liefde, alleen maar om zijn erbarming. ’t Was een soort gedicht, dat ze schreef.
Toen ze klaar was, meende ze, dat als hij dit las, hij toch gelooven zou, dat ze hem had liefgehad. En waarom zou ze hem niet zenden, wat ze geschreven had.
Ze zou ’t den volgenden dag wegzenden.
Ze geloofde wel, dat ’t hem bij haar terug zou brengen.
Den volgenden dag ging in angst en strijd voorbij. Wat ze geschreven had kwam haar zoo erbarmelijk dom voor. Er was geen rijm of maat aan. ’t Was gewoon proza. Hij zou lachen om zulke verzen.
Haar trots werd ook wakker. Als hij haar niet langer liefhad, was ’t toch een gruwelijke vernedering om zijn liefde te smeeken.
Nu en dan sprak ook haar verstand een woord meê en zei, dat ze er blij om moest zijn, dat ze aan die verbintenis met Gösta Berling en al de droevige gevolgen daarvan, ontsnapt was.
Maar de pijn in haar hart was zóó vreeselijk, dat het gevoel ten slotte de overhand behield. Drie dagen nadat ze tot het bewustzijn van haar liefde, gekomen was, werden de verzen in een couvert gelegd en Gösta’s naam daarop geschreven.
Maar ze werden nooit afgezonden, want eer zij een geschikte bode had kunnen vinden, hoorde zij dingen van Gösta Berling, die haar deden inzien, dat het te laat was om hem terug te winnen.
Maar dàt werd ’t groote verdriet van haar leven, dat ze die verzen niet bij tijds had afgezonden. Al haar smart kwam telkens tot dat punt terug: „Had ik maar niet zoolang gewacht;—had ik ’t maar niet zooveel dagen uitgesteld!”
’t Geluk van haar leven, ’t werkelijke leven hadden die geschreven woorden haar moeten teruggeven. Zij was er zeker van, dat zij hem teruggebracht zouden hebben.
Maar de smart deed voor haar ’t zelfde wat de liefde gedaan had. Zij maakte haar tot een mensch—met de macht zich geheel te geven in goed en in kwaad. Brandende gevoelens stroomden door haar ziel, zonder door de ijskoude zelfbeschouwing te worden gestuit. En daarom werd zij ook, trots haar leelijkheid zeer bemind.
Maar men zegt, dat ze nooit Gösta Berling vergat. Zij treurde over hem, zooals men over een bedorven leven treurt.
En die arme verzen, die een tijd lang zooveel gelezen werden, zijn lang vergeten. Toch zijn ze wonderlijk zooals ze nu voor me liggen, geschreven op geel geworden papier met verbleekten inkt en in dicht zorgvuldig schrift. Heel de ontbering van een menschenleven ligt in die arme woorden en ik schrijf ze af met geheimzinnige ontroering, alsof er geheime krachten in hen woonden.
Ik smeek u, lees ze, en denk er over.
Wie weet toch, welke macht ze gehad zouden hebben, als ze afgezonden waren? Zij zijn zóo vol lijden, dat ze wel getuigen van waar gevoel. Misschien hadden ze hem wel tot haar teruggebracht.
Zij zijn zoo aandoenlijk, zoo teer in hun onbeholpen vormeloosheid. Niemand kan wenschen ze in ’t keurs van rijm en maat gesnoerd te zien. En toch is ’t zoo weemoedig te denken, dat misschien juist hun onvolkomenheid oorzaak was, dat ze niet op tijd werden afgezonden.
Ik smeek u lees ze, en heb ze lief. ’t Is een mensch in zielenood, die ze geschreven heeft:
„Kind, ge hebt liefgehad, maar nimmermeer
Zult gij Liefdes vreugde bezitten.
De storm van ’t lijden ging door uw ziel
Wees blij dat ge tot rust zijt gekomen!
Niet meer zal u de vreugd ten hemel verheffen
Wees blij dat ge tot rust gekomen zijt!
Niet meer zult ge in den afgrond der smart verzinken—
Neen, nimmermeer!
Kind, ge hebt liefgehad, maar nimmermeer
Zal uw ziel in laaien gloed ontvlammen
Ge waart als een dor grasveld
Een korten tijd vlamde ’t op in gloed.
Voor de wentelende rookwolken en de verkoolde massa’s
Vloden de vogelen des hemels met kreten van schrik.
Zij kunnen terugkeeren! Ge zult niet meer branden,
Kunt niet meer branden.
Kind, ge hebt liefgehad; maar nimmermeer
Zult ge de stem der liefde hooren.
De krachten van uw hart zitten als moede kinderen
Op de harde schoolbanken en zien naar buiten
Verlangend naar spel en vrijheid;
Maar niemand roept hen meer!
Zij zitten als op een vergeten post
Niemand roept hen meer!
Kind, die ééne is heengegaan
En met hem ging de liefde en liefdes vreugde!
Hij, dien ge hebt liefgehad, alsof hij u geleerd had
Op vleugelen te drijven door het luchtruim;
Hij, dien ge hebt liefgehad, alsof hij u had gewezen
De eenige veilige plaats in een overstroomde stad,
Hij is heen gegaan! Hij de eenige, die den sleutel had
Van de deur uws harten.
Ik wil u dit eene slechts vragen, geliefde
Leg nooit op mijn schouders de last van uw haat
’t Zwakste van alles—is dat niet een menschenhart?
Hoe zou ’t kunnen leven met de verzengende gedachte,
Dat ’t een ander een kwelling was.
O mijn geliefde—begeert ge mijn dood
Koop u geen dolk, geen gif, geen strop.
Laat mij alleen weten, dat ge wenscht mij te zien verdwijnen
Van de groene aarde, van uit ’t levens sferen
En ik zal weerzinken in het graf.
Gij gaaft me ’s levens volheid, Gij gaaft me liefde
En gij naamt uw gave terug. O, ik weet het wel!
Maar geef mij geen haat in ruil.
Ik heb het leven nog lief, o bedenk dat wel!
Ik weet, dat ik sterven zal onder den last van uw haat.”