XIII. Neef Christoffel.
Margaretha Meijboom translation
Boven in den kavaliersvleugel hadden ze een ouden roofvogel. Hij zat altijd in ’t hoekje dicht bij de kachel en paste op, dat ’t vuur niet uitging. Ruig en grijs was hij. De kleine kop met den grooten snavel en de doffe oogen, zat somber en scheef op den langen mageren hals boven een grooten pelskraag. Want de roofvogel had zomer en winter zijn pels om.
Hij was bij den zwerm geweest, die in ’t gevolg van den grooten keizer over Europa stormde, maar wat naam en titel hij toen droeg, kon niemand met zekerheid zeggen. In Wermeland wist men niet anders, dan dat hij meê in den grooten oorlog geweest was, en in woeste veldslagen had meegedaan; ook dat hij in 1815 uit zijn ondankbaar vaderland had moeten heengaan. Hij had bij den Zweedschen kroonprins bescherming gevonden en die had hem geraden naar het Wermeland te trekken. De tijden waren zóó geworden, dat hij wiens naam eenmaal de aarde deed beven, nu blij moest zijn, dat niemand hem, den eens zoo gevreesde, kende.
Hij had den kroonprins zijn eerewoord gegeven Wermeland niet te verlaten, en niet zonder noodzakelijkheid bekend te maken waar hij was.
En zoo kwam hij naar Ekeby met een eigenhandig schrijven aan den Majoor, van den kroonprins, die hem bijzonder recommandeerde. Toen werden de deuren van den kavaliersvleugel voor hem geopend.
In den beginne dacht men er veel over, wie wel de beroemde man wezen zou, die zich onder een aangenomen naam verborg. Maar langzamerhand veranderde hij in een kavalier en een Wermelander. Alle menschen noemden hem neef Christoffel, zonder precies te weten, waarom hij juist dien naam gekregen had.
’t Is niet goed voor een roofvogel in een kooi te zitten. Hij is aan wat anders gewend, dan van ’t eene stokje op ’t andere te springen en gevoerd te worden. Doodsgevaar en ’t moorden van menschen brachten eens zijn ziel in beweging, hij walgde van den laffen vrede.
’t Is waar, de andre kavaliers waren ook zulke tamme vogeltjes niet. Maar niemand had toch zulk heet bloed als neef Christoffel. Een berenjacht was ’t eenige wat hem opvroolijken kon en zijn verflauwde levenslust weer opwekken, een berenjacht of een vrouw, één enkele vrouw. Hij was weer opgeleefd, toen hij tien jaar geleden voor ’t eerst gravin Märta gezien had, die toen reeds weduwe was. Een vrouw grillig als de oorlogskans, prikkelend als ’t gevaar, tintelend van leven en pittigheid. Hij had haar lief. En nu zat hij daar en werd oud en grijs zonder haar tot vrouw te kunnen vragen. Nu had hij haar in geen vijf jaar gezien. Hij verkwijnde en stierf weg als een arend, die gevangen is. Met ieder jaar werd hij meer verschrompeld en kouwelijk.—Hij moest dieper in zijn pels en dichter bij ’t vuur kruipen.
Zoo zat hij daar op den morgen vóór paaschen. Van avond zal men de paaschvuren aansteken. Alle kavaliers zijn uit, maar hij zit binnen bij den haard.
Ach neef Christoffel, neef Christoffel, weet ge ’t niet?
De lente, de heerlijke lente is gekomen!
De natuur ontwaakt uit haar slaap en in de blauwige wolkjes spelen kleine engelen met vlindervleugeltjes een dartel spel. Als rozen aan een rozenstruik stralen hun gezichtjes daar in de wolken. Zij luiden als met duizend klokjes: „weest blij, de lente is gekomen! de heerlijke lente!”
Maar neef Christoffel zit stil en begrijpt daar niets van. Hij leunt met zijn hoofd op de stijve vingers en droomt van een kogelregen en van den boom der eer, die op ’t slagveld groeit. Voor de oogen van zijn ziel verschijnen lauweren en rozen, die den zachten adem van de lente niet noodig hebben om te bloeien.
O die arme, eenzame, oude vreemde man, die daar boven in den kavaliersvleugel zit, zonder volk, zonder vaderland, hij die nooit zijn moedertaal hoort, hij die eens een naamloos graf zal vinden op ’t kerkhof van Svartsjö. Kan hij er wat aan doen, dat hij een arend is en geboren is om te vervolgen en te dooden?
O neef Christoffel! lang genoeg hebt ge zitten droomen in den kavaliersvleugel. Op—drink den vonkelenden wijn des levens in de hooge burchten. Weet dan, neef Christoffel, dat er vandaag een brief aan den Majoor gekomen is, een koninklijk document, met het Zweedsche rijkszegel gesloten. De brief is aan den Majoor gericht, maar de inhoud heeft betrekking op u. ’t Is zoo wonderlijk u te zien, terwijl ge dien brief leest, gij oude roofvogel! Uw oog krijgt nieuwen glans, en ge heft uw hoofd. Ge ziet de deur van uw kooi openspringen en de geheele wereld ligt voor u. Spreid nu uw breede vleugels uit!
Neef Christoffel graaft diep in zijn kist met kleeren. Daaruit haalt hij de zorgvuldig bewaarde uniform met goud borduursel en trekt die aan. Hij zet den hoed met veeren versierd op het hoofd en weldra rijdt hij weg van Ekeby op zijn prachtig wit rijpaard.
Dat is wat anders dan te zitten bibberen bij den haard. Nu ziet hij ook, dat de lente gekomen is.
Hij richt zich op in den zadel en laat zijn paard galoppeeren. De dolman met bont gevoerd waait op; de veeren op den hoed wiegen heen en weer. De man is als verjongd even als de aarde, hij is ontwaakt na een langen winterslaap. Het oude goud kan nog schitteren. Het kloeke krijgsmansgezicht ziet fier onder den driekanten hoed uit.
Een merkwaardige rit! Beken borrelen op uit den grond en anemonen botten uit waar hij rijdt. Trekvogels roepen en jubelen om hem heen, om hem, den bevrijden gevangene. De geheele natuur schijnt zijn vreugde te deelen.
Heerlijk als een overwinnaar komt hij. De lente zelf zweeft voor hem uit op een wolk. Teer en luchtig blaast die lichtende geest op zijn horen en wekt alom zalige vreugde.
En om neef Christoffel heen rijden allerlei oude wapenbroeders en zetten hun paarden aan. ’t Geluk zelf staat op de teenen in ’t zadel; en de eer zit op zijn statigen telganger; en de liefde op een vurig Arabisch paard.
Een merkwaardige rit, een merkwaardige rit.
De lijster roept hem aan:
„Neef Christoffel, neef Christoffel, waar ga je heen?”
„Naar Borg, naar mijn bruid, naar Borg, naar mijn bruid!” antwoordt neef Christoffel.
„Rijd niet naar Borg, rijd niet naar Borg! Een jonggezel kent geen zorg!” roept de vogel hem na.
Maar hij luistert niet meer naar die waarschuwing. Heuvel op, heuvel af rijdt hij, tot hij er eindelijk is. Hij springt uit den zadel en wordt bij de gravin toegelaten.
Alles gaat goed. Gravin Märta is genadig gestemd. Neef Christoffel ziet, dat ze niet weigeren zal zijn beroemden naam te dragen en op zijn slot te heerschen.
Hij zit daar en stelt het gelukkige oogenblik, waarop hij haar den brief van den koning zal laten zien, nog wat uit. Hij geniet van dat wachten.
Zij zit te praten en onderhoudt hem met allerlei verhalen. Hij lacht en bewondert haar. Maar omdat ze juist in een van de kamers zitten, waar gravin Elisabeth de gordijnen van juffrouw Marie heeft opgehangen, begint de gravin ook haar historie te vertellen. En ze doet het zoo vermakelijk als ze kan.
„Ja,” zegt ze eindelijk, „zóó slecht ben ik. Hier hangen nu die gordijnen, opdat ik iedren dag aan mijn zonde zal denken. ’t Is een ontzettende boete. Brr, dat afschuwelijke knoopwerk!”
De groote krijgsman, neef Christoffel ziet haar aan met bliksemende oogen.
„Ik ben ook oud en arm,” zegt hij, „en ik heb tien jaar lang aan den haard gezeten en naar mijn geliefde verlangd. Vindt Uw Genade dat soms ook belachelijk!”
„O, dat is heel wat anders!” barst de gravin uit.
„God heeft mij mijn geluk en mijn vaderland afgenomen, en me gedwongen eens anders brood te eten,” zegt neef Christoffel ernstig. „Ik heb geleerd de armoede te eerbiedigen.”
„U ook al!” roept de gravin en heft de handen ten hemel. „Wat zijn de menschen toch braaf geworden! goede hemel, wat zijn ze braaf!”
„Ja,” zegt hij, „onthoud dit wel, gravin! Wanneer God mij ooit weer macht en rijkdom gaf, dan zou ik die beter gebruiken, dan door ze te deelen met een dame van de wereld, met een geblankette hartelooze kat, die met de armoede spot.”
„Daar hebt u gelijk aan, neef Christoffel.”
En daar marcheert neef Christoffel de kamer uit en rijdt weer naar Ekeby terug, maar de engeltjes volgen hem niet, de vogels roepen hem niet meer aan en hij ziet de lachende lente niet.
Hij kwam op Ekeby aan juist toen de paaschschoten vielen en de paaschvuren werden aangestoken. Ze hebben een groote pop van stroo gemaakt met een kop van oude lappen, waarop met houtskool een gezicht geteekent is. Ze heeft de afgedragen kleeren van een vrouw uit ’t armhuis, een pook, een bezemsteel en een horentje met heksenzalf om den hals. Ze is klaar voor de rit naar de heksendansplaats.
Majoor Fuchs laadt zijn buks en schiet die keer op keer af in de lucht. Dan wordt er een brandstapel gemaakt van takjes, de tooverheks wordt er op gegooid en verbrand. Ja, de kavaliers doen waarlijk al wat in hun vermogen is, om op de oude beproefde manier de macht van den booze te fnuiken.
Neef Christoffel staat met een donker gezicht naar dit alles te kijken. Plotseling rukt hij den grooten koninklijken brief uit zijn manchet en gooit dien op ’t vuur. God alleen weet, wat hij op dat oogenblik dacht.
Misschien verbeeldde hij zich, dat ’t gravin Märta zelf was, die daar op den brandstapel lag. Misschien meende hij, dat nu die vrouw alles samen genomen niet meer waard bleek te zijn dan lompen en stroo, er ook niets meer op de wereld was, dat waarde had.
Hij gaat weer naar den kavaliersvleugel, maakt het vuur aan en bergt zijn uniform op. Weer gaat hij rustig in ’t hoekje van den haard zitten en elken dag wordt hij ruiger en grijzer. Hij kwijnt langzaam weg als een gevangen arend.
Hij is geen gevangene meer, maar hij geeft niet om zijn vrijheid. De wereld staat hem open. ’t Slagveld, de eer, het leven wacht hem. Maar hij heeft geen kracht meer om de vleugels uit te slaan.