XVIII. De heks van Dovre.
Margaretha Meijboom translation
De heks van Dovre gaat langs den oever van ’t Löfvenmeer. Men heeft haar zien loopen; ze is klein, heeft een ronden rug, draagt een kleed van bont met een gordel met zilver beslag. Waarom komt ze van de holen der wolven bij de menschenwoningen? Wat zoekt de oude van de rotsen in de groene dalen?
Ze komt bedelen. Ze is begeerig naar gaven, hoe rijk ze ook is. In de bergkloven heeft ze groote, witte zilveren staven liggen en op sappige weiden, diep tusschen de rotsen verborgen, grazen haar groote kudden zwarte koeien met gouden horens. En toch loopt ze met schoenen van boomschors en een smerig kleed van bont, waarvan de gekleurde rand nauwelijks meer te onderscheiden is door ’t eeuwenoude vuil. Ze stopt haar pijp met mos en bedelt ook bij de armste. Maar niemand heeft er pleizier in haar wat te geven;—ze bedankt nooit en heeft nooit genoeg.
Ze is oud. Hoe lang is ’t wel geleden, dat de lichte glans der jeugd lag over ’t breede bruine gezicht, dat nu glimt van vet;—over den platten neus en de oogen die nu onder het vuil glinsteren als gloeiende kolen onder de asch? Hoe lang is ’t geleden, dat ze als een klein meisje op de bergweide zat, en met haar horen de herdersknapen antwoordde op hun liefdesliedjes? Ze heeft verscheidene eeuwen geleefd. De oudste menschen herinneren zich den tijd niet, dat zij niet door ’t land ging. Hun vaders hebben haar al oud gezien, toen zij zelf nog jong waren. En nog is ze niet dood. Ik, die dit schrijf, heb haar zelf gezien.
Machtig is ze, de dochter der Finnen. Ervaren in tooverkunst. Ze buigt nergens voor. Haar breede voeten zetten vaste sporen in ’t grint van den weg. Zij roept de hagel op en bestuurt den bliksem. Zij doet de koeien verdwalen, en hitst de wolven op de schapen aan. Ze kan veel kwaad, maar weinig goed doen. ’t Is ’t beste haar te vriend te houden. Vraagt ze u uw eenige geit af, geef haar die dan; anders valt uw paard, anders brandt uw huis af, of de koe wordt ziek, of uw kind sterft, of uw zuinige vrouw verliest haar verstand.
Nergens is ze welkom; en toch moet ze liefst ontvangen worden met een glimlach. Want wie weet waarom ze komt? Haar bedoeling is niet enkel haar bedelzak gevuld te krijgen. Booze teekenen vergezellen haar. Vossen en uilen huilen onheilspellend in de schemering en afschuwelijke roode en zwarte slangen, die etter spuwen, komen te voorschijn uit het bosch en kruipen tot vlak bij den drempel.
Ze is trotsch. Haar hoofd bevat de groote wijsheid harer vaderen. En dat verheft den geest. Sterke runen zijn gegrift in haar staf; die verkoopt ze niet voor al het goud uit het dal. Tooverliederen kan ze zingen, tooverkruiden koken, ze kan tooverschoten doen knallen over ’t meer, stormknoopen kan ze binden.
Wat denkt ze wel, zij die komt uit de duisternis der bosschen, van de geweldige rotsen, wat denkt ze wel van het volk in het dal. Voor haar, die aan Thor, den reuzendooder, gelooft en aan de machtige goden der Finnen, zijn de Christenen als tamme huishonden voor de wolven. Zij die vrij is als de sneeuwstorm, sterk als de waterval, kan nooit de kinderen van de vlakte liefhebben. Toch komt ze vaak van de bergen af naar hun dwergenmaniertjes kijken. De menschen rillen van schrik als ze haar zien; maar de sterke dochter der eenzame woeste velden gaat rustig tusschen hen door, veilig door den schrik, dien ze verspreidt. De heldendaden van haar stam zijn niet vergeten, zoo min als haar eigene. Zooals de kat op haar klauwen vertrouwt, zoo vertrouwt zij op de wijsheid in haar hersens en op de kracht van de tooverliederen der oude goden. Geen koning is zekerder van zijn macht als zij van ’t rijk des schriks, waar zij regeert. Zoo is de heks al door veel gemeenten getrokken. Nu is ze naar Borg gekomen, en ze ontziet zich niet het grafelijk goed op te gaan. Zelden gaat ze de keuken door. Ze gaat regelrecht de trappen van het terras op; ze zet haar groote schoenen van boomschors op de met bloemen omzoomde paden, even kalm alsof ze op ’t bergpad wandelt.
Nu treft het juist, dat gravin Märta naar buiten is gekomen om de pracht van den Junidag te genieten.
Beneden in den tuin houden twee dienstmeisjes stil op den weg naar de provisiekamer. Ze komen uit de rookkamer, waar het vleesch gerookt wordt en dragen een versch gerookten ham aan een stang tusschen zich in. „Wil mevrouw de gravin eens naar den ham zien?” zeggen de meisjes, „en eens ruiken of die genoeg gerookt is?”
Gravin Märta, die nu huismoeder op Borg is, buigt over de leuning van de trap van ’t terras en ziet naar den ham, maar op ’t zelfde oogenblik legt de finsche vrouw de hand op een van de hammen.
Zie toch eens dat bruine, glimmende zwoerd, die dikke vetlaag. Die frissche lucht van pas gerookten ham. ’t Is godenspijs! Die moet de heks hebben! Daarom legt ze haar hand op den ham.
De dochter der bergen is niet gewend te smeeken en te vragen. Is het niet van haar genade, dat menschen en kruiden leven?
Vorst en onweer en overstrooming, alles heeft ze in haar macht. Daarom past het haar niet te vragen of te smeeken. Zij legt haar hand op wat ze wenscht en dat is het hare.
Maar gravin Märta weet niet van de macht der oude. „Weg, bedelaarster!” zegt ze.
„Geef mij dien ham,” zegt de heks van Dovre, wie de wolven dienen.
„Je bent dwaas!” riep de gravin en beveelt de meisjes het vleesch in de provisiekamer te brengen.
De oogen van de honderdjarige schieten vlammen van toorn en van begeerte. „Geef mij dien bruinen ham!” herhaalt ze, „of je zult er berouw van hebben.”
„’k Geef hem nog liever aan de eksters, als aan zoo een als jij bent.”
Dan trilt de oude van woede. Ze steekt haar staf met runen op en zwaait die wild.
Haar lippen mompelen wonderlijke woorden. Heur haar rijst te berge, haar oogen vonkelen, en haar gezicht is vertrokken.
„Jou zelf zullen de eksters opvreten!” schreeuwt ze eindelijk.
En daarop gaat ze heen, terwijl ze vloeken mompelt en woest met haar staf zwaait. Nu gaat ze weer naar huis; verder naar ’t zuiden gaat ze niet. Nu heeft ze gedaan, wat ze doen moest, waarom zij van de bergen naar ’t dal trok.
Gravin Märta blijft op ’t terras staan en lacht om haar onredelijke boosheid, maar weldra versterft de lach op haar lippen. Want, daar komen ze! Zij kan haar eigen oogen niet gelooven. Ze meent dat ze droomt; maar ze komen—de eksters die haar zullen verslinden. Uit ’t park en den tuin komen ze aansuizen en dalen op haar neer, eksters bij honderdtallen met de klauwen gespannen en den bek vooruit om haar te pikken. Ze komen met gekras en geschreeuw. Zwarte en witte vleugels schitteren voor haar oogen. Duizelend ziet ze achter dien zwerm alle eksters uit die streek aanvliegen, de heele lucht is vol van witte en zwarte vleugels. De metaalgloed der veeren glimt in de morgenzon. De staartveeren ruischen als bij vechtende roofvogels. In steeds kleiner kringen vliegen de monsters om de gravin heen en mikken met snavel en klauwen naar haar gezicht. Ze moet in de vestibule vluchten en de deur sluiten. Zij tuimelt naar binnen, ademloos van angst, terwijl de schreeuwende eksters buiten rondvliegen.
Maar nu was ze ook voor goed afgesloten van de heerlijke schoonheid van den zomer en van ’s levens vreugde. Voor haar bleef er nu niet meer over dan gesloten kamers en neergelaten gordijnen, voor haar was er slechts angst, vertwijfeling en verwarring, die aan waanzin grensde.
Deze vertelling kan ook wel waanzin lijken, maar ze moet toch waar zijn. Er leven honderden oude menschen, die haar kennen en getuigen willen, dat zóó de sage luidt.
De vogels bleven zitten op de leuning van de trap en op ’t dak. Ze zaten daar, alsof ze maar wachtten tot de gravin zich vertoonen zou om haar aan te vliegen. Zij maakten hun nesten in ’t park en bleven daar. ’t Was onmogelijk ze te verjagen van ’t landgoed. Als men op ze schoot werd het maar erger; want voor ieder ekster, die er viel, kwamen er tien nieuwe aanvliegen. Soms moesten er wel velen van hen weg om eten te zoeken, maar ze lieten altijd vertrouwde schildwachten achter. En als gravin Märta zich maar vertoonde, als ze maar uit een venster keek of maar even een gordijn op zij schoof—dan kwamen ze dadelijk. Heel de vreeselijke zwerm kwam naar ’t woonhuis met bruisenden vleugelslag en de gravin vluchtte naar haar kamer midden in ’t huis.
Zij bleef eindelijk in de slaapkamer, die op de roode zaal uitkwam. Ik heb vaak de kamer hooren beschrijven, zooals die er in dien vreeselijken tijd uitzag, toen Borg door de eksters belegerd werd. Zware gordijnen voor deuren en vensters, dikke kleeden op den grond, sluipende, fluisterende menschen.
In ’t hart der gravin was ontzetting. Heur haar werd grijs. Haar huid kreeg rimpels. In één maand werd ze een oude vrouw.
Ze kon haar hart niet stalen tot twijfel aan de booze toovermacht; ’s nachts werd ze met een schok wakker uit vreeselijke droomen en riep, dat de eksters haar zouden verslinden. Zij schreide dagen achtereen over dit lot, wat ze niet ontgaan kon. Ze schuwde de menschen uit angst, dat de vogelzwerm ieder die binnenkwam, op den voet zou volgen en meest zat ze stil, met de handen voor het gezicht en wiegde heen en weer in haar leuningstoel, ziek en ontstemd door de benauwde lucht en barstte dikwijls in klachten en gejammer uit.
Geen menschenlot kon bitterder zijn.
Wie kan laten haar te beklagen?
Ik heb nu niet veel meer van haar te vertellen en wat ik verteld heb, was niet veel goeds. ’t Is alsof mijn geweten me beschuldigt. Ze was toch goedig en vroolijk, toen ze nog jong was en menig genoegelijk verhaal over haar heeft mijn hart verheugd, hoewel ze in dit boek geen plaats vonden.
Maar ’t is maar waar, al wist die arme stumperd het niet, dat de ziel altijd om voedsel vraagt. Van sieraden en spel kan ze niet leven. En als ze geen voedsel krijgt, verscheurt ze als een wild dier eerst anderen en dan zich zelf.