← Table of contents
Gösta Berling

XXXII. De markt van Broby.

Margaretha Meijboom translation

Den eersten Vrijdag in October begint de groote jaarmarkt in Broby, die acht dagen duurt. ’t Is ’t groote feest van den herfst. Die wordt voorafgegaan door de groote slacht en veel gebak in elk huis, de nieuwe winterkleeren worden gereed gemaakt om dan voor ’t eerst gedragen te worden; feestgerechten, zooals gebraden gans en kaaspannekoeken staan den heelen dag op tafel; ’t brandewijnrantsoen wordt verdubbeld; er wordt niet gewerkt. Er is feest op elke hoeve.

Bedienden en arbeiders krijgen hun loon uitbetaald en overleggen wat zij op de markt zullen koopen. Van verre komen menschen in kleine groepjes aanwandelen met den ransel op den rug en den staf in de hand. Velen drijven hun vee naar de markt. Kleine koppige jonge stieren en geitjes, die stil blijven staan en de voorpooten stijf voor zich uitzetten, bezorgen heel wat ergernis aan de eigenaars en heel wat pleizier aan de toeschouwers. De logeerkamers op de heerehoeven worden gevuld door lieve gasten. Nieuwtjes worden verteld, en prijzen van huishoudelijke artikelen besproken. Kinderen loopen te droomen van marktgeschenken en marktgeld.

En op den eersten marktdag. Welk een gewemel van menschen op de heuvels bij Bro, bij en over ’t groote jaarmarktsveld! Kramen zijn opgericht, waar de koopman uit de steden zijn waren heeft uitgespreid, terwijl het volk uit het dal en uit West-Gothland hun goederen opstapelen op eindelooze rijen metalen platen, waarboven het zeildoek wappert. Koordendansers, orgeldraaiers en blinde vioolspelers zijn er genoeg, ook waarzeggers, suikergoedverkoopers en brandewijnschenkers. Om de kramen heen staan houten en steenen vaten op rijen.

Uien en mierikwortels, appels en peren, worden verkocht door de tuiniers van de groote hoeven.

Uitgestrekte vierkante plaatsen op de markt zijn ingenomen door roodbruine koperen pannen, met glimmend vertinsel.

Men kan toch wel op de markt merken, dat er nood geleden wordt op Svartsjö en Bro en Löfvik en de andre gemeenten aan ’t Löfvenmeer. De handel gaat slecht bij de kramen en de platen. De meeste beweging is nog op de groote veemarkt, want menigeen moet zijn koe en zijn paard verkoopen om den winter door te komen. Daar heeft men ook den woesten, spannenden paardenhandel.

Vroolijk gaat het toe op de markt van Broby. Als men maar geld heeft voor een paar borrels, kan men den moed er nog wel in houden. En ’t is niet alleen de brandewijn, die de menschen blij maakt. Zij, die uit hun eenzame huizen in ’t bosch komen naar de markt met haar golvende menschenmassa, en die joelende, lachende schare hooren bruisen, worden als in een roes van vreugde, verwilderd door het onstuimige marktleven.

Wel wordt er veel handel gedreven onder al die menschen, maar dat is toch de hoofdzaak niet. ’t Is er vooral veel om te doen veel vrienden en verwanten mee naar de karren te krijgen, en ze op schapenworst, spritsen en brandewijn te tracteeren, of „het” meisje over te halen een gezangboek en een zijden zakdoek aan te nemen, of naar marktcadeautjes te zoeken voor de kleintjes thuis.

Alle menschen, die niet thuis moesten blijven om op hun huis en hof te passen, zijn naar de markt te Broby gekomen. Daar zijn de kavaliers van Ekeby en de boeren uit ’t bosch van Nygaard, de paardenkoopers uit Noorwegen, de Finnen uit de noordelijke bosschen, de landloopers van den grooten weg.

Nu en dan ontstaat er in die golvende zee een maalstroom, die zich in steeds enger wordenden kring om een middelpunt beweegt. Niemand weet, wat er daar te doen is, vóór een paar politie-agenten zich door de menschenmassa heenwerken, om een eind aan een gevecht te maken of een omgevallen kar op te rapen. En ’t volgend oogenblik is er een nieuwe oploop om een koopman, die een woordenstrijd met een welbespraakt meisje heeft.

En dan—tegen den middag begint het groote gevecht. De boeren hebben uitgemaakt, dat de Westgothlanders een te korte el gebruiken en eerst ontstaat er getwist en geschreeuw op hun platen; later gaat men tot gewelddadigheden over. Ieder weet, dat voor velen, die in die dagen niets dan nood en ellende zagen, het juist een genot was er op los te slaan, op iets of iemand; het deed er niet toe wat of wie ze troffen. En, zoodra de sterken en strijdlustigen zien, dat er een gevecht aan de hand is, stroomen ze toe van alle kanten. De kavaliers maken zich juist gereed om door de menigte te dringen en op hun manier vrede te stichten, en de Dalecarliërs snellen toe om de Westgothlanders te helpen.

Sterke Mons van Fors is de ijverigste in dit spel. Dronken is hij en boos ook. Nu heeft hij een Westgothlander op den grond gegooid en begint op hem los te slaan, maar op zijn noodgeschrei komen zijn landslieden op de vechtenden aan en willen sterke Mons dwingen hun kameraad los te laten. Maar daar gooit sterke Mons de pakken goed van de metalen plaat, die ’t dichtst bij hem ligt, en grijpt dat zware stuk, dat een el breed en acht el lang is, met dikke planken bekleed en hij zwaait dit geweldige wapen.

Hij is een vreeslijk man, die sterke Mons. Hij heeft een muur doorgetrapt in ’t cachot te Filipstad, hij heeft een boot uit het meer gelicht en die op zijn schouders naar huis gedragen. En nu hij met die zware plaat om zich heen sloeg, kunt ge wel begrijpen, dat de heele volkshoop, de Westgothlanders incluis, op den loop ging. Maar sterke Mons vliegt ze achterna, en slaat met de zware plaat links en rechts. Voor hem zijn er geen vrienden en vijanden meer: hij wil maar iemand slaan, nu hij eenmaal zoo’n best wapen heeft.

De menschen vluchten in doodsangst voor hem uit. Mannen en vrouwen schreeuwen en springen. Maar hoe kunnen vrouwen met hun kind aan de hand wegkomen? De kramen en de karren staan haar in den weg. Ossen en koeien, die wild worden door ’t geraas verhinderen hen voort te komen.

In een hoek tusschen de kramen is een groep vrouwen vastgeraakt, en op haar stormt de reus af.

Want ziet hij niet midden in de schare een Westgothlander? Hij heft de plaat op en laat hem vallen. Doodsbleek en bevend van angst wachten de vrouwen den aanval af en krimpen ineen onder den doodelijken slag.

Maar toen de plaat gonzend op haar neervalt, wordt zijn kracht gebroken door de hoog opgeheven armen van een man.

Een man is niet ineengekrompen, maar verhief zich hoog boven de omstanders; een man heeft uit vrijen wil den slag ontvangen om al die anderen te redden. Vrouwen en kindren staan daar ongedeerd. Een man heeft de kracht van dien slag gebroken. Maar nu ligt hij ook bewusteloos op het veld.

Sterke Mons licht zijn plaat niet op om verder te stormen. Hij heeft den blik van dien man ontmoet, juist toen de plaat hem op den schedel viel en die heeft hem als met lamheid geslagen. Hij laat zich zonder tegenstand binden en wegvoeren.

Maar in vliegende vaart gaat het gerucht over de markt, dat sterke Mons kapitein Lennart heeft doodgeslagen. Men zegt dat hij, de vriend van het volk, gestorven is om vrouwen en weerlooze kinderen te redden.

En ’t wordt stil op dat groote veld, waar nog pas ’t leven bruiste in al zijn wildheid. De handel en de gevechten houden op; het trakteeren bij de knapzak is uit. Vergeefs lokt de koordedanser ’t volk bij zijn lijn.

De vriend van het volk is dood. Er is rouw over ’t volk gekomen. Zwijgend dringen allen zich voort naar de plaats waar hij ligt. Hij ligt uitgestrekt op het veld,—volkomen bewusteloos. Een wond ziet men niet, maar ’t is alsof zijn schedel iets platter geworden is.

Een paar mannen lichten hem voorzichtig op en leggen hem op de plaat, die de reus heeft laten vallen. Zij meenen te merken, dat hij nog leeft.

„Waar zullen wij hem heendragen?” vragen zij elkaar.

„Naar huis,” antwoordde een barsche stem uit de schare.

O ja, goede mannen, draag hem naar huis! Licht hem op Uw schouders en draag hem naar huis. Hij is Gods speelbal geweest, hij is als een veer door Zijn adem voortgeblazen! Draag hem nu naar huis.

’t Gewonde hoofd heeft op de harde brits in de gevangenis gerust, op den stroobos in de schuur. Laat hem nu thuiskomen en op een zacht kussen rusten. Hij heeft onschuldig schande en smart geleden; hij is verjaagd uit zijn eigen huis. Een zwervende vluchteling is hij geweest; Gods wegen is hij gegaan, waar hij ze vinden kon; maar ’t land van zijn heimwee was dat tehuis, waarvan Gods hand de deur voor hem gesloten had. Misschien staat dat huis nu open voor hem, die stierf om vrouwen en kinderen te redden.

Nu komt hij niet als een misdadiger, door zwaaiende drinkebroers begeleid. Nu volgt hem een volk in rouw! in wiens hutten hij woonde, wiens zieken en lijdenden hij geholpen heeft. Draag hem nu naar huis.

En dat doen ze! Zes mannen lichten de plaat op waarop hij ligt, leggen die op hun schouders, en dragen hem over het marktveld. Waar zij gaan, wijken de menschen eerbiedig op zij en blijven staan. De mannen ontblooten ’t hoofd, de vrouwen buigen ’t hunne zooals ze in de kerk doen als Gods naam wordt genoemd.

Velen schreien; anderen spreken er over hoe goed hij was, hoe vroolijk, hoe handig in ’t helpen en raden, hoe vroom. En ’t is merkwaardig om te zien, hoe, zoodra een van de dragers vermoeid wordt, een ander zacht bij hem komt en zijn schouders onder de plaat zet.

Zoo komt kapitein Lennart ook voorbij de plaats waar de kavaliers staan.

„Wij moeten maar meêgaan en toezien, dat hij goed thuiskomt,” zegt Beerencreutz en verlaat zijn plaats aan den kant van den weg om meê naar Helgesaeter te gaan. Zijn voorbeeld wordt door velen gevolgd.

’t Marktveld is als uitgestorven. ’t Volk gaat met kapitein Lennart naar Helgesaeter. Men moest immers toezien of hij goed thuiskwam. Al die noodige dingen, die gekocht moesten worden moeten maar wachten, de marktgeschenken voor de kleintjes thuis worden vergeten, ’t psalmboek wordt niet gekocht, de zijden doeken blijven liggen op de toonbank van den koopman.

Allen moeten meegaan en zien of kapitein Lennart goed thuiskomt.

Als de stoet Helgesaeter nadert, is daar alles stil en verlaten. En weer slaat de overste met zijn vuisten op de gesloten deur. Alle bedienden zijn op de markt. De kapiteinsvrouw is alleen thuis en bewaakt het huis. En nu ook doet zij de deur open.

En ze vraagt,—zooals ze al eens te voren vroeg: „Wat wilt gij?”

En de overste antwoordt,—zooals hij al eens te voren geantwoord heeft:

„Wij zijn hier met uw man.”

Zij ziet hem aan. Hij staat daar stijf en rustig als altijd. Ze ziet naar de dragers achter hem, die schreien en naar heel die menschenmassa daar achter. Ze staat daar op de trap en ziet in honderden schreiende oogen, die angstig naar haar opzien. Eindelijk ziet ze haar man, die op de baar uitgestrekt ligt en drukt de hand tegen haar hart.

„Dat is zijn eigen gezicht!” mompelde zij. Zonder meer te vragen, buigt ze zich neer, trekt een grendel weg, slaat de vestibule-deur wijd open, en gaat de anderen voor naar de slaapkamer.

De overste helpt haar ’t groote ledikant naar voren trekken, bed en kussens schudden, en zoo wordt kapitein Lennart weer op zacht dons en wit linnen gelegd.

„Leeft hij nog?” vraagt ze.

„Ja,” antwoordt de overste.

„Is er nog hoop?”

„Neen, er is niets aan te doen.”

’t Blijft een poos stil in de kamer;—dan komt plotseling een gedachte in haar op:

„Schreien die allen om hem?”

„Ja.”

„Wat heeft hij dan gedaan?”

„’t Laatste wat hij deed was zich dood te laten slaan, om vrouwen en kinderen van den dood te redden.”

Zij zit weer een poos stil en denkt na.

„Wat had hij toch voor een gezicht, overste, toen hij twee maanden geleden thuiskwam?”

De overste springt achteruit. Nu begrijpt hij alles, nu eerst!

„Gösta had hem immers geschilderd!”

„Was het dan om een streek van de kavaliers, dat ik hem buiten zijn huis gesloten heb? Hoe wil jelui dat verantwoorden, overste?”

Beerencreutz haalde de breede schouders op.

„Ik heb veel te verantwoorden.”

„Maar ik geloof, dat dit het ergste is wat je gedaan hebt.”

„Ik heb ook nooit zwaarder gang gedaan dan vandaag naar Helgesaeter. En dan ook—hier hebben nog twee anderen ook schuld aan, behalve wij.”

„Wie dan?”

„Sintram is de eene en u is de andre, nicht! U is een strenge vrouw. Ik weet, dat velen beproefd hebben met u over uw man te spreken.”

„Dat is waar,” antwoordt zij.

Toen vroeg ze hem, haar alles van dat drinkgelag in Broby te vertellen.

Hij vertelt alles, zoo goed als hij ’t zich herinneren kan. Zij luistert zwijgend. Kapitein Lennart ligt nog altijd bewusteloos op het bed. De kamer is vol schreiende menschen; niemand denkt er aan die bedroefde schare te verwijderen. Alle deuren staan open, alle kamers, trappen en gangen zijn vol zwijgende, angstige menschen, tot ver buiten op den weg staan ze op elkaar gepakt.

Toen de overste alles verteld heeft, verheft de kapiteinsvrouw haar stem:

„Als hier kavaliers in de kamer zijn, verzoek ik ze heen te gaan. ’t Valt mij zwaar hen te zien, nu ik bij het sterfbed van mijn man zit.”

Zonder een woord meer te spreken staat de overste op en gaat heen. Zoo doen ook Gösta Berling en de andere kavaliers, die kapitein Lennart gevolgd zijn. Schuw wijken de menschen op zij voor die kleine schare verootmoedigde mannen.

Als ze weg zijn, zegt de kapiteinsvrouw: „Wil iemand van hen, die mijn man in dezen tijd gekend hebben, mij zeggen waar hij geweest is en wat hij gedaan heeft?”

En nu beginnen zij daar binnen getuigenis af te leggen over kapitein Lennart voor zijn vrouw, die hem miskend heeft en in strengheid haar hart tegen hem verhardde. Nu luidt weer de taal der oude hymnen. Daar spreken mannen, die nooit een ander boek dan den bijbel gelezen hebben. Met beeldspraak uit het boek Job, met zinswendingen uit de dagen der patriarchen, spreken zij over Gods gezant, die rondging om het volk te helpen.

’t Duurt lang eer ze uitgesproken hebben. Terwijl de schemering komt en de avond valt, staan ze daar nog en getuigen! De een na de ander treedt vooruit en vertelt van hem aan zijn vrouw, die zijn naam niet heeft willen hooren noemen.

Er zijn er, die vertellen hoe hij hen op ’t ziekbed gevonden heeft en verzorgd. Daar zijn wilde vechtersbazen, die hij getemd heeft, bedroefden, die hij heeft getroost, dronkaards, die hij heeft geleerd nuchter te blijven. Ieder die ondragelijk leed te verduren had, heeft den gezant Gods geroepen en hij kon helpen, ten minste hoop en geloof wekken.

Heel dien avond klonk de taal der hymnen in de ziekenkamer.

Buiten op de hoeve staat de dichte schare en wacht op ’t eind. Zij weten wat daar binnen gebeurt. Wat aan ’t ziekbed gesproken wordt, fluistert de een den ander toe. Wie wat te zeggen heeft dringt zachtjes vooruit. „Daar is een die getuigen kan,” zeggen de anderen, en laten hem door. En zij treden te voorschijn uit het duister, leggen hun getuigenis af en treden weer in ’t duister terug.

„Wat zegt zij nu?” vragen zij, die buiten staan als iemand naar buiten komt. „Wat zegt zij nu, de strenge vrouw van Helgesaeter.

„Zij straalt als een koningin. Zij glimlacht als een bruid! Zij heeft zijn leuningstoel voor ’t bed gezet en de kleederen er op gelegd, die ze zelf voor hem geweven heeft.”

Plotseling wordt het stil. Allen zwijgen. Niemand zegt het; maar allen weten het: „hij sterft.”

Kapitein Lennart slaat de oogen op, ziet rond en ziet genoeg.

Hij ziet zijn huis, de menschen, zijn vrouw en kinderen, de nieuwe kleeren.... en glimlacht! Maar hij kwam alleen bij om te sterven. Hij haalt diep adem en geeft den geest.

Dan zwijgen de getuigen; maar een stem heft den doodpsalm aan. Allen stemmen in. En gedragen door honderden sterke stemmen stijgt het lied omhoog. ’t Is de afscheidsgroet van de aarde aan de scheidende ziel.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings