← Table of contents
Gösta Berling

XXIX. Liefde overwint alles.

Margaretha Meijboom translation

Onder de trap naar de galerij in de kerk te Svartsjö is een groote kast, vol versleten spaden van de doodgravers, van gebroken kerkbanken, oude stukken blik en andere prullen.

Daarin, onder een dikke laag stof, voor de oogen der menschen verborgen, staat een kist met prachtig mozaiek van paarlemoer ingelegd. Veegt men ’t stof weg dan glimt en glinstert zij als de bergwand in een sage. De kist is gesloten en de sleutel is goed bewaard en wordt niet gebruikt. Geen sterveling mag een oog in die kist slaan. Niemand weet wat er in is. Eerst als de negentiende eeuw haar einde nadert wordt de sleutel in ’t slot gestoken, de deksel opgelicht en de schatten die daar verborgen zijn aan menschenoogen vertoond.

Zoo heeft de eigenaar van de kist het beschikt.

Op de koperen plaat op den deksel staat: Labor vincit omnia. (De arbeid overwint alles). Maar een ander opschrift zou beter gepast hebben. Er had moeten staan: Amor vincit omnia. (De liefde overwint alles). Ook die oude kist in de kast onder de trap in de kerk is een bewijs voor de almacht der liefde.

O Eros, alles beheerschende God!

Voorwaar! Gij, o Liefde zijt eeuwig. Oud is het menschengeslacht op aarde; maar gij hebt het gevolgd door alle eeuwen heen. Waar zijn de goden van ’t Oosten, de sterke helden, die den bliksem als wapen voerden, zij die aan de oevers van den heiligen stroom offers aannamen van melk en honing?

Dood zijn ze! Dood is Bel, de sterke krijgsman, dood Thot, de reus met de havikskop; dood zijn de heerlijke goden, die rustten op bedden van wolken van den Olympus, dood zij, die heldendaden deden en in het wel versterkte Walhalla woonden. Al de goden der ouden zijn dood, behalve Eros, Eros de alles beheerschende.

Zijn werk is alles wat ge ziet. Hij houdt de geslachten in stand. Hem ziet ge overal. Waar kunt gij gaan, dat ge zijn voetspoor niet ziet? Wat hooren uw ooren, waar ge niet den wiekslag van zijn suizende vleuglen in hoort. Hij woont in de harten der menschen en in den kiemenden zaadkorrel. Voel zijn hartslag trillen in de dooden dingen en beef!

Wat woont er op aarde, dat niet verlangen voelt naar hem en zijn lokstem hoort. Niets ontkomt aan zijn macht. Alle oude wraakgoden zullen vallen, alle kracht en geweld voorbij gaan. Maar voorwaar! Gij, o liefde, zijt eeuwig!

De oude Eberhard zit aan zijn schrijftafel, een prachtig meubel, met ontelbare laden, met marmeren blad en beslagen met oud koper. Hij werkt met vlijt en ijver, alleen boven in den kavaliersvleugel. O, Eberhard, waarom zwerft ge niet rond in bosch en veld in de laatste dagen van den stervenden zomer, zooals de andere kavaliers doen. Ge weet het toch, dat niemand ongestraft de godin der wijsheid dient. Gebogen is uw rug, al zijt ge ook maar even zestig jaar; het haar dat uw schedel dekt is uw eigen niet, rimpels zijn gegroefd in uw voorhoofd, dat zich over uw ingezonken oogen welft, en het verval van den ouderdom vertoont zich in de vele plooien om uw tandeloozen mond.

O Eberhard! Waarom zwerft gij niet door bosschen en velden? De dood zal U zooveel te eerder van uw schrijftafel halen, omdat ge u door ’t leven er niet van weg hebt laten lokken.

Oom Eberhard haalt een dikke streep onder zijn laatsten regel. Uit de ontelbare laden van zijn schrijftafel haalt hij de geelgeworden, gekreukelde vellen te voorschijn, al de ongelijke deelen van zijn groot werk, dat werk, dat den naam van Eberhard Berggren door de tijden heen zal dragen. Maar juist als hij ’t eene pak op ’t andere heeft gestapeld en er in stille verrukking op zit te staren, gaat de deur open en de jonge gravin treedt binnen.

Daar is zij, de jonge heerscheres. Zij die allen vereeren en dienen, meer dan grootouders den kleinzoon. Zij, die ze als een arme zieke gevonden hebben en alle heerlijkheid der aarde schonken, zoo als een Sagenkoning de arme schoone, die hij vond in het woud.

Voor haar klinken waldhoorn en viool op Ekeby. Voor haar roert zich alles, voor haar leven en werken allen op het groote landgoed.

Zij is nu gezond; maar nog zeer zwak. De eenzaamheid in dit groote huis valt haar lang, en nu ze weet dat de kavaliers weg zijn, wil ze eens zien hoe het er in den kavaliersvleugel uitziet, dat beruchte vertrek.

Zoo komt ze zacht binnen en ziet naar de gewitte muren en de geelgeruite bedgordijnen; maar ze wordt verlegen, nu ze merkt dat er iemand in de kamer is.

Oom Eberhard gaat haar plechtig te gemoet en voert haar naar den grooten stapel papieren.

„Zie eens, Mevrouw de gravin, zegt hij, „nu is mijn werk gereed. Nu zal het de wereld in gaan. Nu zullen groote dingen geschieden.”

„Wat zal er dan gebeuren, Oom Eberhard?”

„Och Mevrouw de gravin! als een bliksemstraal zal dit werk inslaan in de wereld, licht brengen en dooden! Sedert Mozes hem van uit Sinaïs donderwolk deed neêrdalen en hem in ’t heilige der heilige van den Tempel plaatste,—al dien tijd is hij veilig geweest, de oude Jehova! Nu zal het ieder duidelijk worden wie hij is! Inbeelding! leegte! damp! het doodgeboren kind van onze eigen, arme hersens!—Hij zal in ’t niet verzinken,” zei de grijsaard en legde zijn gerimpelde hand op de papieren. „Hier staat het en als de menschen dat lezen, moeten zij ’t gelooven. Zij zullen verschrikt opstaan en hun domheid inzien; zij zullen de kruisen stukslaan en voor brandhout gebruiken, de kerken voor korenbeurzen en de priesters zullen de aarde gaan bebouwen.”

„Ach, oom Eberhard,” zei de jonge gravin met een lichte rilling, „is u zulk een verschrikkelijk mensch? staan er zulke vreeselijke dingen in dat boek?”

„Vreeslijk?” herhaalde de oude man—„het is immers de waarheid!—Maar wij zijn als kinderen die hun gezicht in den schoot van een vrouw verbergen, zoodra ze een vreemdeling zien. Wij zijn gewoon ons voor de waarheid te verbergen, voor de eeuwig vreemde! Maar nu zal zij komen en haar tenten onder ons opslaan, nu zullen allen haar kennen.”

„Allen?”

„Niet alleen de filosofen, maar allen, Mevrouw de Gravin, allen!”

„En zal dan Jehova sterven?”

„Hij en alle engelen, alle heiligen, alle duivelen, alle leugens!”

„En wie zal dan de wereld besturen?”

„Gelooft u dan werkelijk dat iemand die vroeger bestuurde? Gelooft u dan aan een voorzienigheid, die de menschen en de haren der menschen telde? Niemand heeft de wereld bestuurd en niemand zal het voortaan doen.”

„Maar wat zal er dan van ons, arme menschen, worden?”

„Wat we geweest zijn! Stof! Hij die uitgebrand is, kan niet meer branden. Hij is dood! Wat zijn wij, die door ’t leven fladderen? De vonken des levens spatten van den een op den ander. Wij worden ontstoken, vlammen op en worden uitgebluscht. Dat is het leven!”

„Ach Eberhard, is er dan geen leven na dit?”

„Neen!”

„Niets aan de andere zijde van ’t graf?”

„Niets!”

„Geen goed of kwaad, geen hoop, geen doel?”

„Niets.”

De jonge vrouw trad naar ’t venster. Zij zag uit over ’t gele loof van den herfst, over de dahlias en asters, die hun hoofden lieten hangen op de door den wind gebroken stengels. Zij zag de zwarte golven van ’t Löfvenmeer, en een oogenblik geeft ze toe aan den twijfel.

„Oom Eberhard,” zegt ze, „wat is de wereld grauw en leelijk! Wat is alles hoopeloos. Ik wil graag sterven!”

Maar op hetzelfde oogenblik was het haar als hoorde zij een jammerkreet diep in haar ziel. Haar sterke levenskracht, haar warm voelen riepen luide om ’t geluk te mogen leven!

„Is er dan niets, dat ’t leven schoonheid geven kan, nu u me God en onsterfelijkheid afneemt?” barstte ze uit.

„Arbeid!” antwoordde de grijsaard.

Maar op haar gezicht komt een uitdrukking van verachting voor deze arme wijsheid. Het ondoorgrondelijke rijst voor haar op! Zij voelt den geest, die in alles leeft. Zij voelt de macht, die gebonden neerligt in alle schijnbaar doode stof, maar die zich ontwikkelen kan tot eindloos wisselend leven. Met duizelend hoofd zoekt zij een naam voor het goddelijk leven in de natuur.

„Ach, Eberhard!” zegt zij. „Wat is arbeid? Is dat een God? Heeft dat een doel in zich zelf? Noem iets anders!”

„Ik weet niets anders,” antwoordde de grijsaard.

Daar heeft zij den naam gevonden, dien ze zoekt, een armen, vaak bezoedelden naam.

„Oom Eberhard, waarom noemt u de liefde niet?”

Daar glijdt een glimlach langs den tandenloozen mond door rimpels en plooien omgeven.

„Hier,” antwoordt de filosoof en slaat met de gebalde vuist op het zware pak, „hier worden alle goden vermoord. En ik heb Eros niet vergeten. Wat is liefde anders dan een drang van het lichaam? Waarom zou ze hooger staan dan andere lichamelijke behoeften? Maakt de honger ons tot een God? Of de vermoeidheid? Zij zijn even veel waard. Het moet nu uit zijn met die dwaasheid. Leve de waarheid!”

De jonge gravin buigt het hoofd. Dat is niet waar! Dat kan niet waar zijn. Maar zij weet er niets tegen te zeggen.

„Uw woorden hebben mijn ziel gewond,” antwoordde ze, „maar nog geloof ik u niet. De goden van wraak en geweld kunt ge dooden. Meer kunt ge niet doen!”

Maar de grijsaard vat haar hand en legt die op zijn boek en antwoordt met al het fanatisme van het ongeloof.

„Als u dit gelezen hebt, moet u mij wel gelooven!”

„Dan hoop ik, dat het mij nooit onder de oogen komt!” antwoordt ze. „Want als ik dat gelooven moet, kan ik niet langer leven.”

En diep bedroefd gaat ze heen.

Maar hij blijft lang zitten peinzen, nadat zij is weggegaan.

Die oude papieren met godslasterlijk schrift bedekt, zijn de wereld nog niet ingegaan. Nog heeft de naam van oom Eberhard niet door de wereld geklonken.

Zijn groot werk ligt wel bewaard in de kist in de kerkkast onder de trap te Svartsjö, en zal eerst aan ’t eind van deze eeuw het licht zien.

Maar waarom heeft hij dat gedaan? Vreesde hij voor de kracht van zijn bewijzen? Was hij bang voor vervolging? Ach hoe weinig kent ge oom Eberhard. Begrijp dit nu goed! Hij heeft de waarheid liefgehad, niet zijn eigen eer! En daarom heeft hij de laatste opgeofferd, niet de eerste, opdat een kind, dat hij als een vader liefhad zou kunnen sterven in het geloof aan wat haar heilig was.

O liefde, gij zijt eeuwig!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings