Y.
Reading edition
Y, oeai; Y(ear); Y(ar)d; Y(ar)ds; Ye = The of Thee; Y(oung) M(en’s) C(hristian) A(ssociation) = Christelijke Jongelingsvereeniging; Yr. = Year, Younger, Your; Ys. = Years, Yours; Y(oung) W(omen’s) C(hristian) A(ssociation) = Christelijke Jonge-dochtersvereeniging; Y-level = waterpas; Y-moth = gamma-uil (insect).
Yacca, jakə, podocarpus, kostbare houtsoort (W.-Indië).
Yacht, jot, subst. jacht; Yacht verb. met een jacht zeilen; Yachter; Yachting = het varen met een jacht, hardzeilen; Yacht(s)man = bezitter van (zeiler met) een jacht; Yacht(s)manship = de kunst een jacht te besturen; Yachtswoman.
Yah, jâ, interj. Och kom! Bah!
Yahoo, jahû, naam door Swift (in Gulliver’s Travels) aan een aapachtig menschenras gegeven; ruwe kerel, gemeen sujet; groen of sukkel (Amer.).
Yahveh, jawei, Jehova.
Yak, jak, buffel met paardestaart (Thibet).
Yaksha, jakšə, Hindoesche halfgod.
Yakut, jakût; Yale, jeil: Yale University (te New Haven).
Yam, jam, yamwortel, broodwortel, broodplant.
Yangtze-Kiang, jaŋtsə-kiaŋ.
Yank, jaŋk, subst. ruk, draai, stoot; Yank verb. rukken, gappen, snateren, ratelen.
Yank(ee), jaŋk(î), subst. Amerikaan; glas whiskey met stroop (Amer.); ook adj. Yank-clock = koekoeksklok; Yankee-doodle = Amerikaansch volkslied; Yankeefied, jaŋkifaid, veramerikaanscht; Yankeeism = idioom of gewoonte der Yankees.
Yap, jap, subst. geblaf, gekef; Yap verb. keffen.
Yard, jɐ̂d, subst. Engelsche en Amer. lengtestandaard (3 feet of 36 inches = ± 91,44 cM.); ra, plaats, rangeerterrein, erf; werf (= Ship-building yard); Yard verb. vee op het erf opsluiten: Government yard; Private yard; Naval yard; He writes by the yard = is een veelschrijver; Yard-arm = nok der ra; Yard-arm and yard-arm = nok aan nok; Yard-man = spoorwegarbeider; Yard-measure, Yard-stick, Yard-wand = (Engelsche-)ellestok of ellemaat; Yard-tackle = noktakel.
Yarkand, jâkand; Yarmouth, jârməth.
Yarn, jân, subst. garen, draad; matrozenverhaal, lang (ongelooflijk) verhaal; Yarn verb. een (langdradig) verhaal vertellen: Shall I (pitch) spin you a yarn? = zal ik jullie een verhaal vertellen?
Yarrow, jarou, gemeen duizendblad.
Yataghan, jatəgan, kromme Turksche dolk.
Yates, jeits; Yaughan, jôn.
Yaup, jôp = Yelp.
Yaw, jô, subst. het gieren van een schip; Yaw verb. gieren; schuimen: To make yaws = gieren.
Yawl, jôl, subst. jol; Yawl verb. Zie Yowl.
Yawn, jôn, subst. wijde opening, gaping; Yawn verb. gapen, geeuwen, wijd openen: Yawning is catching = geeuwen is aanstekelijk.
Yaw-yaw, jôjô, geaffecteerd, lijmerig spreken.
Ycleped, Yclept, iklept, genaamd.
Ye, jî, gijlieden.
Yea, jei, jî, subst. vóórstemmer; adv. jazelfs, zeker, voorwaar: Yea and more = ja zelfs; The yeas have it = de meerderheid is er voor.
Yeames, jeimz.
Yean, jîn, lammeren werpen; Yean kid = geitje, bokje; Yeanling, subst. lam.
Year, jîə, jaar: Civil, Solar, Tropical year = het burgerlijk jaar of het zonnejaar; The year of Grace = het jaar onzes Heeren = The year of our Lord; New Year’s day = Nieuwjaarsdag: New Year’s Eve = Oudejaarsavond(dag); Next year = aanstaande jaar; Last year = verleden jaar; Year by year = jaar op jaar; In years = op jaren; Year in year out; One year with another = het eene jaar door het andere; It may be years first before that happens = daar kunnen nog jaren over verloopen; You bear your years well = houdt u goed voor uw leeftijd; To come to (the) years of discretion = tot (de) jaren des onderscheids komen; To get into (grow in) years = op jaren komen; He has a good thirty years before him = kan nog wel een dikke 30 jaar leven; Year-book = jaarboek; Yearling, subst. dier van één jaar; adj. éénjarig; Yearly = jaarlijks(ch), een jaar durend.
Yearn, jɐ̂n, vurig verlangen, reikhalzen; bedroeven, diep medelijden voelen met (upon, towards, Bijb.).
Yeast, jîst, gist, schuim; Yeast-bitten = naar de gist smakend (v. bier); Yeast-powder = zelfrijzend bakmeel; Yeastiness, subst. v. Yeasty = gistend, schuimend, luchtig.
Yeat(e)s, jeits.
Yelk, jelk; Zie Yolk.
Yell, jel, subst. gil, krijgskreet; Yell verb. gillen, huilen.
Yellow, jelou, subst. het geel, geel van een ei; adj. geel, gouden, ijverzuchtig, jaloersch; Yellow verb. geel maken of worden (Yellows = geelzucht; ijverzucht): He has a yellow streak in him = hij is in zijn hart een lafaard; Yellow bachelor’s buttons = scherpe boterbloem; Yellow boy = goudstuk; Yellow earth = aardgeel, oker; He opened the Yellow envelope = telegram; Yellow fever = gele koorts; Yellow Jack = gele quarantainevlag; gele koorts; Yellow peril = het gele gevaar; Yellow press = de Jingo bladen; Yellow River; Yellow Sea; Yellow-ammer = geelgors, haverkneu (= Yellowhammer); Yellow-bird = wielewaal; distelvink (Amer.); Yellow-golds = goudsbloem; Yellow-rocket = barbarakruid; Yellow-seed = veld-kruidkers; Yellowstone National Park = een in 1872 tot Nationaal Park bestemd gebied van 5500 □ Mijl in Wyoming, Montana en Idaho; Yellowish = geelachtig; subst. Yellowishness; Yellowness = geelheid; Yellowy = geelachtig.
Yelp, jelp, subst. gekef, geblaf; Yelp verb. keffen, blaffen; Yelper = keffer.
Yen, jen, Japansche munt (± ƒ 1,25).
Yenisei, jenisei-î.
Yeoman, joum’n, vroegere eigengeërfde (een kleine grondbezitter, volgend op de Gentry), thans ook huurboer, bootsmans-, kanonniers-, timmermansmaat aan boord van een schip, bereden vrijwilliger: Yeoman’s service = krachtige steun, goede dienst; He has done his party yeoman-service; Yeoman of the wine-cellar = keldermeester; Yeomen of the guard = lijfwacht der E. koningen in 16de eeuwsche uniformen, die aan het hof en bij plechtige gelegenheden dienst doen; hun hoofdkwartier is in den Tower of London; Yeomanry = alle Yeomen; ook een bereden landmilitie (met eigen paarden en uniformen, terwijl het gouvernement de wapens en de munitie verschaft; ze kunnen niet zonder eigen toestemming buitenslands worden gezonden, doch wel opgeroepen worden voor het dempen van oproer).
Yeovil, jouvil.
Yerk, jɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag; Yerk verb. rukken, stooten, aanhalen, slaan met beide achterpooten.
Yes, jes, ja.
Yest, jest, gist = Yeast.
Yester, jestə, gister of vorige (alléén nog in samenstellingen, als: Yesterday; Yestereve, Yestereven, Yesterevening; Yestermorn; Yesternight; Yesternoon; Yesterweek; Yesteryear): The day before yesterday = eergister; I was not born yesterday = ik ben niet van gisteren; Yestern = van gisteren.
Yet, jet, nog, bovendien, verder, thans, reeds, vooralsnog, nochtans, al, echter: Yet again = nog eens; Yet a moment = nog een oogenblik; I have not seen him as yet = ik heb hem tot nu toe nog niet gezien; Never yet = nog nooit; Shall I go now? Not yet = nog niet; Do you know your lesson yet? = kent ge uwe les al? I do not mean to die yet awhile = vooreerst; The Parliament that will yet sit on College Green = toch nog ééns; He is yet only 20 = nu nog maar; Yet time serves = nog is het tijd.
Yew, jû, taxis, taxishout, boog (van dit hout gemaakt); Yew-tree; adj. Yewen.
Yew, jû, komen (v. schuim op kokend zout).
Yid, jid, jood, jodin (mv. Yidden); Yiddish = Joodsch(e taal); Yiddism.
Yield, jîld, subst. opbrengst, productie, winst, oogst; Yield verb. voortbrengen, opbrengen, afwerpen, opleveren, vieren, loslaten, overgeven, toegeven, zwichten, zich onderwerpen (overgeven), wijken: His courage never yields = hij verliest den moed nooit; Such days would yield much pleasure = plachten veel genot te schenken; To yield to conditions = genoegen nemen met; To yield to despair = zich overgeven aan; To yield to superior force = wijken voor; I will not yield to such sentimental reasonings = ik luister niet naar, bezwijk niet voor; You must yield to the times = je schikken in; To yield up the ghost (the breath of life) = den geest geven; Yieldance = toestemming, concessie; Yielding = tot toegeven geneigd, buigzaam, meegaande; subst. Yieldingness.
Yodel, Yodle, joud’l, subst. gejoedel; Yodle verb. joedelen; Jodeller = iemand die joedelt.
Yoga, jouga, een vorm van Hindoesch ascetisme; Yogi, Hindoesch asceet.
Yo-ho, jouhou, hola!
Yoick(s), jôik(s), subst. oude jachtkreet bij de vossenjacht.
Yoke, jouk, subst. juk, jok, span, band, stuk lands dat twee ossen in één dag kunnen omploegen, juk van het roer, stuurtalie; Yoke verb. onder het juk brengen, het juk aandoen, aanspannen, zich verbinden: To bring under the yoke = To put to the yoke = het juk opleggen; To shake (To throw) off the yoke; These two are ill yoked together = passen niet bij elkaar; Yoke-fellow = mede-lijder, levensgezel(lin); Yoke-line, Yoke-rope = stuurtouw; Yoke-toed birds = klimvogels.
Yokel, jouk’l, boerenkinkel, pummel.
Yolk, jouk, dooier; zweet of afscheiding der schapenhuid; Yolk-bag, Yolk-sack = dooiervlies; Yolky = vettig.
Yon(der), jondə, ginds(ch), ginder.
Yonge, jɐŋg.
Yoop, jûp, interj. huup! subst. schreeuw.
Yore, jö, alléén in: In days (times) of yore = in vroeger dagen, lang geleden.
Yorick, jorik; York, jök: Yorickist = aanhanger van het Huis York.
Yorker, jökə: Een yorker gooien, i.e. den bal bij ’t Cricketspel zoodanig gooien, dat hij zonder den grond te raken den Batsman bereikt.
Yorkshire, jökšə, Yorkshire; ook adj. uit Y.; sluw: I am Yorkshire too = ben ook niet van gisteren; He came Yorkshire over me = nam me beet; Yorkshire man = iemand uit Yorkshire geboortig, slimmerd; Yorkshire pudding = soort van vleeschpudding; Yorkshire relish = eene bekende pikante saus; Yorkshire woman.
You, jû, gij, u, gijlieden, ulieden.
Young, jɐŋ, subst. jong (van een dier); adj. jong, jeugdig, krachtig, frisch, groen, onervaren: Young man = jongmensch, bediende, vrijer; Young Mr. Smith = Smith, junior; He is a young one = nog niet droog achter de ooren; The young ones cackle as the old cock crows = zooals de ouden zongen, piepen de jongen; Your young hopeful = veelbelovend zoontje (Iron.); With young = drachtig; Young-eyed = met frisch, jeugdig uitzicht; Younger, jɐŋgə, jonger; Youngest, jɐŋgist, jongst; Youngish, jɐŋgiš, vrij jong, jeugdig; Youngling, subst. jonge man, jong meisje; jong dier, nieuweling; adj. jong; Youngness = jonkheid, het jongzijn; Youngster = jongeling, jongen, knaap; Younker, jɐŋkə, jonge man; lichtmatroos.
Your, jûə, uw(e): Your man of business = je (ware) koopman; Yours, jûəz, de of het uwe: Yours truly = hoogachtend; You and yours = gij en de uwen; This servant of yours = van u; Yourself = gijzelf, uzelf, gijzelven, uzelven: “Poor boy!” “Poor yourself” = loop heen met je Poor; Be yourself = kalmeer je; Tell me yourself, whether that was right = zeg mij zelf; mv. Yourselves.
Youth, jûth, jeugd, jongeling, jonge man, de jongelui; Youthful = jeugdig: A youthful-looking girl = een jeugdig uitziend meisje; subst. Youthfulness.
Yowl, jaul, subst. gehuil; Yowl verb. huilen.
Yucatan, jukətân; adj. Yucatecan.
Yucca, jɐkə, jucca, Adam’s naald.
Yuck, jɐk, subst. jeuk; Yuck verb. jeuken, krabben.
Yuft(s), jɐft(s), juchtleder.
Yukon, jûkon.
Yule, jûl, kersttijd; Yule-block, Yule-log = groot blok hout voor het kerstvuur; Yuletide = kersttijd.