R. (continued 2)
Reading edition
Respirability, resp(a)irəbiliti, inadembaarheid; adj. Respirable, respirəb’l, rispairəb’l, Respiration, respireiš’n, ademhaling; Respirator = respirateur; Respiratory, respirətəri, rispairətəri, ademhalings …: Respiratory organs = ademhalingsorganen; Respire, rispaiə, ademhalen.
Respite, respit, subst. schorsing, uitstel, respijt, geduld; Respite verb. uitstellen, schorsen, verdagen: Days of respite = respijtdagen.
Resplendence, risplend’ns, luister, glans; Resplendent = glans- of luisterrijk.
Respond, rispond, subst. reponsorie, beurtzang tusschen geestelijke en koor (of gemeente) in een deel der Litany en Communion Service der Angl. Kerk; Respond verb. antwoorden, beantwoorden, vergoeden, voldoen: He responded to my summons = gaf gehoor aan; Respondent, subst. antwoorder, gedaagde; adj. (be)antwoordende, overeenkomstig: Respondent to our wishes = overeenkomstig; Respondentia, respondenšiə, leening op de lading van een schip, respondentia; Response, rispons, antwoord: I doubt response = ik weet niet welk antwoord zal komen; The clerk read the responses = las de antwoorden (kerkdienst); In response to a summons = ingevolge; Responsibility, risponsibiliti, verantwoordelijkheid; adj. Responsible; subst. Responsibilityness; Responsion, risponš’n, antwoord: Responsions = eerste examen voor den B.A. graad (Oxford) = Little Go (Cambr.); Responsive = (be)antwoordend, overeenkomstig: Responsive to your kind words = in overeenstemming met (in antwoord op); Responsory, risponsəri, antwoordend; subst. responsorium.
Rest, rest, subst. rust, kalmte, slaap, doodslaap, bok (bij het biljarten of schieten), steun, pauze, rust (muz.), rest, overschot, de overigen, appeltje voor den dorst (fig.); Rest verb. rusten, slapen, steunen, leunen, berusten op (on), tot rust brengen, laten uitrusten, laten leunen: A shoeblack’s rest = bankje, kastje; He is at rest now = de (eeuwige) rust ingegaan; I hope I have set your heart at rest on that point = u hieromtrent gerustgesteld heb; With lance in rest = met gevelde lans; We retired to rest at eleven = begaven ons ter ruste; These are glorious times, Christmas among the rest = onder andere Kerstfeest; There were men of all kinds, men of genius among the rest = en ook mannen van genie; For the rest = overigens; The train rested at a great station = hield eenigen tijd stil; She rested back in her carriage = leunde achterover; Many members of the family rest in this churchyard = liggen begraven; He rested on his arms = leunde op; Your eye will rest with pleasure on that scene = zal met welgevallen rusten; The decision rests with you = is aan u; The victory will rest with us = zal onzer zijn; Why do you not rest yourself, take rest? = waarom neemt ge geen rust; I am rested now = uitgerust; Rest assured = houd u verzekerd; To rest contented = tevreden zijn; These thoughts rest me when weary, and comfort me in trouble = schenken mij rust; You rest me = je aanwezigheid is een weldadige rust voor me; God rest his soul! = zijn ziel ruste in God; God rest you merry gentlemen = uwe zielen rusten in God; Rest-capital = reserve; Rest-cure = rustkuur; Restful = kalm, rustig; subst. Restfulness; Resting-place = rustplaats, graf; Rest(ing)-stick = schilderstok; Restless = rusteloos, slapeloos, onstuimig, woelig; subst. Restlessness.
Restitution, restitjûš’n, teruggave, schadeloosstelling: To make restitution; adj. Restitutive.
Restive, restiv, koppig, weerspannig; subst. Restiveness.
Restorable, ristôrəb’l, herstelbaar; subst. Restorableness; Restoration, restəreiš’n, herstel(ling), verlevendiging, restauratie: The Restoration = het herstel van het koningschap (met Karel II) in 1660; Restorative, ristôrətiv, subst. en adj. herstellend, versterkend, genezend (middel); Restorator = restaurateur; Restore, ristö, herstellen, genezen, vernieuwen: You will soon be restored = beter zijn; Everything was restored to him = hem teruggegeven; He was restored to favour = in de gunst hersteld; To restore to life = in ’t leven terugroepen; Restored to the throne = op den troon hersteld; Restorer.
Restore, rîstö, opnieuw opslaan (in het pakhuis).
Restrain, ristrein, bedwingen, beteugelen, inhouden, beperken: He was restrained from doing it = hem werd belet; I could not restrain myself from asking that question = mij niet weerhouden; All my remarks are restrained to these = beperkt tot, bepalen zich tot; Restrainable = beteugelbaar, beperkbaar; Restrainedly = in beperkten zin; Restrainer = wie of wat beteugelt of bedwingt; Restraint = dwang, beperking, verkorting, hechtenis: You are under no restraint any longer = weer geheel vrij; It is a great restraint upon us = het legt ons grooten dwang op; To keep under restraint = in hechtenis houden; He put a restraint upon my liberty = hij besnoeide mijne vrijheid; He put all kinds of restraints on us = hij beperkte ons op alle manieren.
Restrict, ristrikt, beperken, bepalen; Restriction, ristrikš’n, beperking, voorbehoud; Restrictive = beperkend, bepalend: subst. Restrictiveness.
Restringent, ristrinž’nt, subst. en adj. stoppend (middel).
Result, rizɐlt, subst. gevolg, uitslag, slotsom; Result verb. volgen uit; uitloopen op: The long results of time = al wat de tijd heeft opgeleverd; Can any good result from it? = hieruit voorkomen; Let us see what it will result in = wat er van komt; Result-fee = belooning voor vorderingen (school); Resultant, subst. resultante (werktuigkunde); adj. als resultaat: The resultant impression is one of contrast rather than of harmony = de totaalindruk; Resultless.
Resume, riziûm, hervatten, weder opnemen, weer aanknoopen: To resume business = weer openen; To resume a discourse = weer opvatten; Old friendships were resumed = werden hernieuwd.
Résumé, reižumei, kort overzicht.
Resummon, rîsɐm’n, opnieuw dagvaarden; subst. Resummons.
Resumption, rizɐmš’n, hervatting.
Resupine, rîsiupain, achterover, op den rug, nalatig.
Resurrection, rezərekš’n, opstanding, verrijzenis; lijkenroof: Christ’s resurrection from the dead; Resurrection-man = lijkendief; Resurrection-pie = pastei van overgeschoten vleesch; Resurrectionist = Resurrection-man.
Resurvey, rîsɐ̂vei, rîsəvei, hernieuwd onderzoek, nieuwe meting.
Resurvey, rîsəvei, opnieuw onderzoeken, opnieuw meten.
Resuscitate, risɐsiteit, opwekken, doen herleven, hernieuwen; subst. Resuscitation; adj. Resuscitative; Resuscitator = wie of wat opwekt of doet herleven.
Ret, ret, roten (v. vlas); Rettery, Rettory = plaats om vlas te roten.
Retail, rîteil, riteil, subst. verkoop of handel in het klein; adj. détail …: Cigars wholesale and retail = in ’t groot en klein; To sell by retail; Sold retail everywhere; He is a Retail dealer = kleinhandelaar; Retail trade = kleinhandel; Retailment.
Retail, riteil, in het klein verkoopen, uit de tweede hand verkoopen, bij stukjes en brokjes mededeelen, aan velen vertellen: He retailed to us accurate accounts of the dishes, the dresses and the scandal at yesterday’s dinner = gaf ons een omstandig verslag van; To retail nonsense = onzin verkoopen; Retailer = slijter, kleinhandelaar.
Retain, ritein, in bezit houden, behouden, onthouden, in dienst nemen, bespreken: The men are especially retained for this purpose = voor dit doel gehouden; Retainer = bediende, vazal, volgeling, honorarium waardoor men zich van de hulp van een barrister verzekert (gewoonl. 10 guineas) = Retaining-fee; I have a retainer from that periodical in my pocket = honorarium (als uitnoodiging om iets te schrijven).
Retake, rîteik, opnieuw nemen of vangen.
Retaliate, ritaljeit, vergelden (upon); subst. Retaliation; Retaliative, Retaliatory = vergeldend, wraaklustig.
Retard, ritâd, subst. vertraging; Retard verb. vertragen, tegenhouden, uitstellen; Retardation = vertraging, uitstel; adj. Retardative; Retarder = wie of wat vertraagt.
Retch, retš, kokhalzen.
Retell, rîtel, opnieuw vertellen.
Retention, ritenš’n, terughouding, vermogen om te onthouden, achterhouding; Retentive = terughoudend, bewarend: He has a retentive memory = een sterk geheugen; The house was still retentive of its former state = had iets behouden van zijn vroegeren toestand; subst. Retentiveness.
Reticence, Reticency, retisens(i), stilzwijgendheid, verzwijging; adj. Reticent.
Reticular, ritikjulə, netvormig, ingewikkeld; Reticulated = netvormig; Reticulation = netwerk; Reticule, retikjûl, dameswerktaschje; Reticulum, ritikjul’m, tweede maag der herkauwers; Retiform = netvormig; Retina, retinə, netvlies; adj. Retinal; Retinitis, retinaitis, ontsteking van het netvlies.
Retinue, retinjû, gevolg, stoet.
Retiracy, ritairəsi, afzondering, voldoend vermogen (Amer.); Retiral, ritair’l, terugtocht, ontslag; inlossing van een wissel; Retire, ritaiə, (zich) terugtrekken, verwijderen, naar bed gaan, heengaan, aftreden, uit de zaken gaan, intrekken: To retire from the army (service) = den dienst verlaten; To retire from business = zich uit de zaken terugtrekken; To retire from the examination = zich terugtrekken; To retire from practice = de praktijk neerleggen; I retire to my bedroom = ik ga naar mijne slaapkamer; They did not know where to retire to = waarheen te gaan; Retired = teruggetrokken, afgezonderd, oud, gepensionneerd, rentenierend: A retired baker, Indian Judge, postman; To go on the retired list = gepensionneerd worden; On retired pay = op nonactiviteitstractement; Retirement = eenzaamheid, afzondering, verwijdering, uittreding, pensionneering; Retiring = (zich) terugtrekkend, bedeesd, bescheiden: He is retiring rather than shy = meer teruggetrokken dan bedeesd; Retiring allowance = pensioen.
Retorsion, ritöš’n: Retorsions = represaillemaatregelen.
Retort, ritöt, subst. scherp, vinnig antwoord; retort; Retort verb. terugwerpen, een scherp antwoord geven: I retorted upon him = ik raakte hem weer, weerlegde hem.
Retouch, rîtɐtš, subst. het retoucheeren; Retouch verb. retoucheeren; weer aanroeren: Don’t retouch on the subject; Retoucher; Retouchment.
Retrace, ritreis, weer naspeuren, opnieuw nagaan, weer óvertrekken (van eene schets, etc.): We retraced the events of our lives = gingen weer na; Let us retrace our steps to the wood = teruggaan naar.
Retract, ritrakt, terugtrekken, intrekken, herroepen: I retract the insult = trek de beleediging in; Retractability = intrekbaarheid; adj. Retractable; Retractation = herroeping, intrekking; Retractile = intrekbaar; Retraction = intrekking, herroeping; Retractor = herroeper, spier voor de terugtrekkende beweging.
Retreat, ritrît, subst. terugtocht, stil verblijf, afzondering, wijkplaats; Retreat verb. terugtrekken, wijken, afzien van: To effect (make) a retreat = zich terugtrekken; To make good one’s retreat = terug trekken, zich een terugtocht verzekeren; The enemies sounded, beat a retreat = gaven (op hoorn of trom) het signaal tot den terugtocht; A pleasant retreat among the valleys = een heerlijk stil plekje; In retreat = uit dienst.
Retrench, ritrenš, besnoeien, verkorten, bezuinigen, beperken, verschansen; Retrenchment = afsnijding, besnoeiing, inkrimping, verkorting, verschansing.
Retributer, ritribjutə, vergelder, vergoeder; Retribution, retribjûš’n, vergelding, belooning, vergoeding; adj. Retributive, Retributory.
Retrievable, ritrîvəb’l, herstelbaar; subst. Retrievableness; Retrieval, ritrîv’l, herstel; Retrieve, ritrîv, herstellen, terugvinden, weer goed maken, apporteeren: She afterwards retrieved her shortcomings = maakte weer goed; Retriever = jachthond (die geschoten wild apporteert).
Retroact, ritrəakt, retrəakt, terugwerken; Retroaction = terugwerking; adj. Retroactive.
Retrocede, rîtrəsîd, teruggaan, wijken; subst. Retrocession, rîtrəseš’n.
Retrogradation, rîtrəgrədeiš’n, achteruitgang, ontaarding; Retrograde, rîtrəgreid, retrəgreid, adj. (zich) achterwaarts bewegend, achteruitgaand, ontaardend; Retrograde verb. achteruitgaan, ontaarden; Retrogression, rîtrəgreš’n, achteruitgang, ontaarding; adj. Retrogressive.
Retrorse, ritrös, achterwaarts gebogen.
Retrospect, rîtrəspekt, retrəspekt, terugblik; Retrospection = terugblik; Retrospective: Retrospective law = wet met terugwerkende kracht; Retrospective view = terugblik, teruggewende blik; He is a retrospicient (rîtrəspiš’nt) man = een man, die met voorliefde den blik achterwaarts richt.
Return, ritɐ̂n, subst. terugkomst, terugkeer, omloop, teruggave, belooning, beantwoording, verkiezing, officieel rapport, winst, opbrengst, voordeel, retourkaartje; Return verb. terugkomen, terugkeeren, terugzenden, nogmaals vóórkomen, terugbetalen, kwijten, antwoorden, officieel rapporteeren, verkiezen: A return of hospitality = contra-beleefdheid; The return of spring = de terugkeer der lente; By return mail (post) = per keerende post; In return for this = ter vergoeding hiervan; In return of services rendered = ter vergelding van; On return = in commissie; To make a false return of one’s income to the tax-gatherers = onjuiste opgave doen; To meet with a base return = ondankbaar behandeld worden; To obtain a fair return upon capital = behoorlijke rente maken; Returns = omzet, tegenwaarde, ontvangsten; The government returns = de officieele statistieken; I wished him many happy returns of the day = dat hij het nog dikwijls mocht beleven; Small profits and quick returns = kleine winst bij vluggen omzet; He has not returned evil with (for) evil = geen kwaad met kwaad vergolden; A great liberal majority was returned = werd verkozen; My partner did not return my suit = heeft niet aan mijn invite (kaartspel) gevolg gegeven; To return thanks = bedanken; To return a visit = een visite terugbrengen; Return-cargo = retourvracht; Return-check = sortie (theat.); Return-day = dag, waarop een beschuldigde wordt voorgebracht om de uitspraak te hooren; Return-match = revanchepartij; Return-ticket = retourbiljet; Returnable = wat hersteld of teruggegeven kan worden: Returnable goods; Returning officer = voorzittend ambtenaar bij eene Parlementsverkiezing.
Reunion, ri-jûnj’n, hereeniging, reunie; Reunite, rîjunait, hereenigen, verzoenen.
Revaccinate, rîvaksineit, herenten; subst. Revaccination.
Revalenta, revəlentə, revalenta, linzenmeel.
Reveal, rivîl, openbaren, bekend maken; Revealable = wat geopenbaard kan worden; subst. Revealableness; Revealer.
Revel, rev’l, subst. luidruchtige pret of partij; Revel verb. pret maken, luidruchtig feest vieren, brassen: Master of the revels = een soort van “Prins Carnaval” bij de oude feesten op Kerstmis; Reveller = zwierbol, pretmaker; Revelry = luidruchtige feestvreugde, brasserij.
Revelation, revəleiš’n, openbaring, laatste bijbelboek = Book of the Revelation; adj. Revelational.
Revenge, rivenž, subst. wraak(zucht), revanche; Revenge verb. wreken, weerwraak nemen: In revenge of former insults = uit wraak over; I did it out of revenge = uit wraak; To give an adversary his revenge = “revanche” geven; He glutted his revenge = wreekte zich vreeselijk; To take one’s revenge on; I will be revenged on you = ik wil mij op u wreken; Revengeful = wraakgierig; subst. Revengefulness; Revenger = wreker.
Revenue, revənjû, inkomsten, tollen: The Public Revenue(s) = de inkomsten van den staat; Revenue-cutter = recherchevaartuig (tegen den smokkelhandel); Revenue-officer = ambtenaar der douane.
Reverberant, rivɐ̂bərənt, weergalmend, terugkaatsend; Reverberate, rivɐ̂bəreit, terugkaatsen, weergalmen; Reverberation = terugkaatsing, weergalming; oven; adj. Reverberative = Reverberatory, subst. reverbeer (strijk-, puddel-)oven = Reverberatory furnace.
Revere, rivîə, eerbiedigen, hoogachten; Reverence, revərens, subst. eerbied, hoogachting, eerwaarde; Reverence verb. vereeren, eerbiedig groeten: Your Reverence = Uw Eerwaarde; Saving your reverence = met allen eerbied, met alle respect; Reverencer; Reverend, revərend, eerwaardig, eerwaarde (voor geestelijken): The Very Reverend Dean of W. = de hoogeerwaarde deken van W.; The Right Reverend Bishop of London = zijne hoogwaardigheid; The Most Reverend Archbishop of Canterbury = zijne doorluchtige hoogwaardigheid; Reverent, revərent, eerbiedig, nederig, onderdanig; He laid the book down Reverentially (revərenšəli) = hij legde het boek eerbiedig neer; Reverer = vereerder.
Reverie, revəri, revərî, mijmering, droomerij.
Revers, rivîə, revers.
Reversal, rivɐ̂s’l, herroeping, vernietiging, omlegging.
Reverse, rivɐ̂s, omgekeerd, tegengesteld; subst. keerzijde, achterkant, omverwerping, omkeer, tegenspoed, nederlaag, tegenovergestelde; Reverse verb. omkeeren, omleggen, omschakelen, de richting wijzigen, onderstboven keeren, omverwerpen: That is the reverse of the medal = de keerzijde; He said the reverse of what he intended = het omgekeerde; The chairman reversed the order of the day = veranderde, keerde om de orde der werkzaamheden; He held his pipe reversed = hij had de pijp met de opening naar beneden in den mond; Reverser = stroomwisselaar; Reversible = omkeerbaar, herroepelijk, wat aan beide kanten gedragen kan worden: Reversible Coat; Reversion, rivɐ̂š’n, atavisme, het weder toevallen (van een erfgoed) aan een persoon na den dood van den tegenwoordigen bezitter: He has an estate in reversion of £ 300 a-year; Reversionary, rivɐ̂šənəri: He had a reversionary right to the crown = het recht op de kroon kon op hem terugvallen; Reversioner = iemand die eene reversion heeft; Revert, rivɐ̂t, omkeeren, terugkomen, terugkeeren tot den schenker of diens erfgenamen: That will revert to you = dat zal u later ten deel vallen; He reverted to the subject again and again = kwam telkens weer terug; The conversation reverted to our plan = kwam weer op; Revertible = teruggaand, terugkeerend; Revertive = omkeerend, wisselend.
Revest, rîvest, weder bekleeden, weder instellen, terugkeeren tot den vorigen eigenaar.
Revet, rivet, bekleeden; Revetment = bemanteling (vestingb.).
Review, rivjû, subst. overzicht, revisie (ook jur.), recensie, aankondiging, tijdschrift met opstellen en recencies, revue, inspectie; Review verb. terugzien op, herzien, recenseeren, inspecteeren: The Review of Reviews is a well-known monthly = de “revue der revues”; Works reviewed in this number = in dit nummer besproken; The queen reviewed the fleet off Spithead = hield eene vlootschouw bij; Reviewer = recensent.
Revile, rivail, smaden, beschimpen; subst. Revilement; Reviler; He said it revilingly = smadelijk.
Revisal, rivaiz’l, revisie; Revise, rivaiz, subst. herziening, revisie; Revise verb. herzien, verbeteren, revideeren; Reviser = corrector; Revising barrister = revisor der kiezerslijsten; Revision, riviž’n, herziening, revisie; adj. Revisional = Revisionary.
Revisit, rîvizit, nogmaals bezoeken.
Revival, rivaiv’l, herleving, weder opleving, weder opvoering, herstel; godsdienstige opwekking of herleving = Revivalism; Revivalist = voorstander van (bijeenkomsten tot) opwekking van godsdienstig leven; Revive, rivaiv, herleven, nieuw leven herkrijgen, weer opleven (opvoeren), opwekken, vernieuwen, weer moed imboezemen: Old differences should not be revived = men moet geen oude koeien uit de sloot halen; Let me revive your memory a little = wat opfrisschen; Reviver = soort vlekkenwater, borrel; Revivify, rîvivifai, opnieuw bezielen; Revivor, rivaivə, hervatting van een rechtsgeding.
Revocability, revəkəbiliti, rivoukəbiliti, herroepbaarheid; adj. Revocable, revəkəb’l, rivoukəb’l, subst. Revocableness; Revocation, revəkeiš’n, herroeping; Revoke, rivouk, subst. renonceeren; Revoke verb. herroepen, intrekken, vernietigen, renonceeren (bij het kaarten): The judgment cannot be revoked = is onherroepelijk.
Revolt, rivoult, rivolt, subst. opstand, oproer; Revolt verb. in opstand komen, walgen van: The labourers were in revolt = maakten oproer; In vain did he try revolt = beproefde hij het met oproer; The meal revolted him = stond hem tegen; Revolter = oproermaker, oproerling, afvallige; A revolting deed = stuitende; A revolting smell = walgelijke.
Revolution, revəl(j)ûš’n, omwenteling, omloop, revolutie: The rotation of the earth on its axis, and its revolution round the sun = en haar loop om de zon; Revolutionary, subst. revolutionair; adj. omwentelingsgezind: Revolutionary ideas = revolutionaire denkbeelden; Revolutionist = omwentelingsgezinde; Revolutionize = eene omwenteling veroorzaken, een geheelen omkeer brengen in: Darwin’s works have revolutionized all our old-world systems = al onze ouderwetsche stelsels omvergegooid.
Revolve, rivolv, omdraaien, omwentelen, voortrollen, overleggen, overdenken: There he stood, revolving many memories = terwijl hij vele herinneringen bepeinsde; To revolve in one’s mind = overpeinzen; Revolver = revolver; Revolving: Revolving light = draaiend licht van een vuurtoren; Revolving winds = dwarrelwinden.
Revulsion, rivɐlš’n, plotselinge en geweldige ommekeer; afleiding (eener ziekte); Revulsive, adj. afdrijvend; subst. afdrijving, afdrijvend middel.
Reward, riwöd, subst. belooning, vergoeding, jagersrecht; Reward verb. beloonen, vergelden: Give it him as a reward = ter belooning; Rewarder; Rewardless = zonder belooning.
Rewrite, rîrait, opnieuw schrijven: Sixth edition, entirely rewritten = geheel nieuw bewerkte uitgaaf.
Reynard, rein’d, ren’d; Reynold, ren’ld, Reinout; Reynolds, ren’ldz. Rhadamant(h)ine, radəmant(h)in, streng rechtvaardig, afdoende, zonder beroep.
Rhaetian, rîšən: Rhaetian Alps.
Rhapsodic(al), rapsodik(’l), rhapsodisch, zonder samenhang; Rhapsodist = rhapsode (rondtrekk. Grieksch volkszanger), reciteerder van verzen; Rhapsodize = rhapsodieën opzeggen, zingen of voordragen; Rhapsody, rapsədi, rhapsodie.
Rhea, rîə, Rhea; Amerik. struis.
Rheims, rîmz.
Rhenish, reniš, subst. Rijnwijn = Rhenish wine; Rhenish Prussia.
Rhetia, rîšiə, Rhetië.
Rhetoric, retərik, declamatie, welsprekendheid; Rhetorical, rətorik’l, oratorisch: Rhetorical art; Rhetorician, retəriš’n, redekunstenaar, declamator.
Rheum, rûm, abnormale afscheiding van de slijmvliezen, tranen, slijm; Rheumy eyes = druipoogen.
Rheumatic, rumatik, rheumatisch, jichtig: Rheumatics = rheumatiek; Rheumatism, rûmətizm, rheumatisme.
Rhine, rain, Rijn: The Lower, Middle, Upper Rhine.
Rhino, rainou, “duiten”, “moppen”: To sport the rhino = over de brug komen (fig.).
Rhinoceros, rainosəros, neushoorndier.
Rhinoscope, rainəskoup, neusspiegel; Rhinoscopy, rainoskəpi, onderzoek van den neus.
Rhode Island, roud-ail’nd; Rhodes, roudz, Rhodes (eiland); Rhodesia, roudîziə; Rhodian, roudj’n, subst. en adj. (bewoner) van Rhodes.
Rhododendron, roudədendron, Rhododendron.
Rhomb, rom(b), ruit; Rhombic = ruitvormig.
Rhomboid, rombôid, scheefhoekig parallelogram; Rhomboidal, rombôid’l, ruitvormig.
Rhone, roun, Rhône.
Rhubarb, rûbâb, rabarber.
Rhumb, rɐm(b), kompas, windstreek; Rhumb-card = windroos; Rhumb line = lijn welke alle meridianen onder denzelfden hoek snijdt.
Rhyme, raim, subst. rijm, poëzie, metrum; Rhyme verb. (be)rijmen, harmonieeren: The plan has neither rhyme nor reason = is hoogst ongerijmd en roekeloos; He answered without rhyme or reason = zijn antwoord had slot noch val; Male, female rhyme = mannelijk (staand), vrouwelijk (slepend) rijm; Rhymeless = rijmloos; Rhymer, Rhymester = rijmelaar, verzensmid.
Rhythm, rithm, ridhm, klankmaat, rhythmus; Rhythmic(al) = rhythmisch, welluidend; periodiek (v. ziekten).
Rial, rîəl, Spaansche reaal.
Rialto, rialtou.
Riancy, raiənsi, vroolijkheid; Riant = vroolijk.
Rib, rib, subst. rib, inhout (van een schip), hoofdnerf (van een blad), vrouw (1 Mos. II. 21); Rib verb. met ribben omsluiten, van ribben voorzien; Rib-roast = afranselen; Rib-roaster = ribbestoot; Ribbed = geribd; Ribbing = geribd verwulf.
Ribald, ribəld, subst. en adj. liederlijk (mensch); Ribaldry = liederlijke en vuile taal, ontucht.
Rib(b)and, rib’n(d) = Ribbon: He took up the ribalds (ribbons) of the conversation, and kept them in his own hand = hij nam de leiding van het gesprek en behield die.
Ribbon, rib’n, lint, band(je): Blue Ribbon, Zie Blue; To handle the ribbons = zelf mennen; To tear (in)to ribbons = in flarden scheuren; Ribbon-grass = rietachtig kanariegras; Ribbonism = beginselen der Ribbon Society = een geheim Iersch genootschap (van Ribbonmen), opgericht in 1808, die een groen bandje als insigne dragen.
Ribston pippin, ribst’npipin, een fijne soort appel.
Rice, rais, rijst: The Duke and Duchess left for their honeymoon amid a complete shower of rice and throwing of the slipper = te midden van een ware bui van rijst en het nawerpen van de pantoffel; Rice-bird = rijstvogeltje; Rice-flour; Rice-milk = rijstepap; Rice-paper; Rice-plantation = rijstveld; Rice-pudding = rijsttaart; Rice-starch; Rice-table = ind. rijsttafel; Rice-weevil = rijstworm.
Rich, ritš, rijk, kostelijk, voortreffelijk, overvloedig, vruchtbaar, sterk, voedzaam, zoet, saprijk, klankrijk, gepeperd: The Rich = de rijken; The New Rich = parvenus; Such food is too rich for me = mij te machtig; She has a rich voice = heerlijke, klankrijke; He is rich beyond the dreams of avarice = rijker dan een vrek het zich durft droomen; Rich in silver = rijk aan zilver; Riches = rijkdom(men), pracht; Richness = rijkheid, overvloed(igheid), voedzaamheid, volheid.
Richard, ritšəd, Richard; Richardson, ritšəds’n; Richmond, ritšm’nd.
Rick, rik, subst. hooimijt, hoop koren; Rick verb. ophoopen, tot een mijt vormen.
Ricketiness, rikətinəs, subst. v. Rickety.
Rickets, rikəts, Engelsche ziekte.
Rickety, rikəti, aan de Engelsche ziekte lijdend, zwak in de gewrichten, wankel, waggelend: Rickety stairs = wrak.
Rickshaw, rikšô, tweewielig karretje door een man getrokken (Indië, China, Japan) = Jinricksha.
Ricochet, rikəšet, rikəšei, rikəšet, subst. terugstuiting, opstuit, afkaatsing; ricochetschot; Ricochet verb. ricochet schieten, terugstuiten, even aanraken.
Rid, rid, adj. bevrijd; Rid verb. bevrijden, afhelpen, reinigen, zuiveren: He could not get rid of his toothache = van zijne kiespijn niet afkomen; He rid me of my pain = hielp mij van de pijn af; To rid of caterpillars, from moss; Riddance, rid’ns, bevrijding, verlossing: He made a clear riddance = hij zette alles aan kant; He is gone, and it’s a good riddance = wij zijn gelukkig van hem af; A gentle riddance = daar zijn we netjes afgekomen.
Ridden, rid’n, part. perf. van to ride.
Riddle, rid’l, subst. raadsel; groote zeef; Riddle verb. oplossen, in raadsels spreken, in de war brengen, ziften, besnoeien, met kogels doorboren: To propose, to solve a riddle = opgeven, raden; The fence was riddled with bullets = doorboord van geweerkogels; Don’t riddle your plans before they are ripe = breng niet in de war; Riddler = raadselachtig spreker.
Ride, raid, subst. rit, toertje, rijweg; Ride verb. rijden, voor anker rijden: To give a ride = laten rijden (ook kinderen op den rug); To go long bicycle rides = fietstochten maken; The young ladies have gone for a ride = zijn uit toeren; To have a ride = To take a ride = een ritje doen; To have donkey rides = ezeltje rijden; It’s a two hours’ ride = twee uur sporens; Within a few minutes’ railroad ride = binnen een paar minuten sporens; To ride a bicycle, a horse; She can’t ride an ounce under sixteen stone = zij weegt bepaald geen ons minder dan 224 Eng. ponden; The ship rides easy, hard = het schip rijdt gemakkelijk, zwaar op zijn anker; The ship was riding at anchor = het schip reed op zijn anker; To ride in a railway-carriage (in a coach) = rijden in; He attempted to ride off under cover of a mistake = hij trachtte zich schoon te wasschen door te beweren, dat het een vergissing was; The steamer will ride out the storm = de stoomboot zal den storm wel afrijden (voor anker); I rode outside an omnibus = boven op; He rode roughshod over me = tiranniseerde mij; He rides well to hounds = hij blijft (bij de vossenjacht) steeds achter en zoo dicht mogelijk bij de honden; He rode to cover = reed ter jacht (Zie Cover); Rider = rijder, ruiter, pikeur, temmer; bijblad, toegevoegde clausule: I have been a rider in cabs, on omnibuses = heb gereden in; To add, To put, To move as a rider = als clausule toevoegen, voorstellen; The rider was an old gentleman = passagier; He selected the hardest rider from my book = het moeilijkste vraagstuk; Riderless.
Ridge, ridž, subst. hoogte, rug of keten, nok, vorst (van het dak); Ridge verb. in voren ploegen: The sea was ridging roughly eastward, and almost overwhelmed the vessel = de golven vormden hooge kammen van west naar oost; Ridge-pole, Ridge-piece, Ridge-plate = nokstuk (timmerwerk aan den nok); Ridge-tile = vorstpan; Ridgy = zich in ruggen of hoogten verheffend.
Ridicule, ridikjûl, subst. belachelijkheid, hoon, spot; Ridicule verb. belachelijk maken, bespotten: To cover (treat) with, To turn into ridicule = belachelijk maken; He is a past master of killing ridicule = volleerd in vernietigenden (bijtenden) spot; His proposal was ridiculed by the whole meeting = werd bespot; Ridiculer; Ridiculous, ridikjuləs, belachelijk, bespottelijk; subst. Ridiculousness.
Riding, raidiŋ, rij - -; subst. rijden, rijweg; eene der drie afdeelingen van Yorkshire: They were playing the game of “spy for ridings” = ze speelden “vangertje”, waarbij de gevangen jongen den vanger op zijn rug moet laten rijden; Riding-academy = Riding-school; Riding-breeches; Riding-crock, (-crop, -rod, -whip) = karwats; Riding-habit = rijkleed voor dames; Riding-hall = rijschool; Riding-lights = ankerlichten; Riding-master = pikeur, stalmeester; Riding-rimes (rhymes) = rijmen in twee-regelige versjes; Riding-school = rijschool; Little Red-Riding-Hood = Roodkapje.
Ridotto, ridotou, bal masqué.
Rife, raif, overvloedig, algemeen heerschend, vol van (with): Bribery was rife = omkooperij kwam veel voor; subst. Rifeness.
Riffler, riflə, raspvijl.
Riffraff, rifraf, gepeupel, uitvaagsel; uitschot.
Rifle, raif’l, subst. geweer met getrokken loop; Rifle verb. wegvoeren, rooven, leegplunderen, een getrokken loop maken (Rifles = fuseliers, jagers); Rifle-barrel = getrokken loop; Rifle-barrelled = met getrokken loop; Rifle-brigade, Rifle-corps; Rifleman = jager, scherpschutter; Rifle-pit = kuil voor scherpschutters; Rifle-range = schietbaan; Rifle-shot = geweerschot: He lived within rifle-shot of my retreat = op geweerschotsafstand; Rifler = roover, plunderaar.
Rift, rift, subst. kloof, spleet, scheur, gebrek, misverstand, oneenigheid; Rift verb. scheuren, splijten, kerven.
Rig, rig, subst. tuigage, want, opschik, voertuig, vischgerei, grap, streek; Rig verb. optuigen (ook fig.), uitdossen; voor den mal houden: I am up to your rigs = ik weet wat je in ’t schild voert; I never thought of running such a rig = dat me zoo iets gebeuren zou; To run the rig upon = voor den mal houden; He gets a new rig-out = een nieuw pak; He was rigged out in a pair of new trousers = uitgedost in; He rigged the market = hij beheerschte de markt (Am.); Rigger = scheepstuiger; riemschijf; speculant; Rigging = tuigage, want: Running, Standing rigging = loopend, staand want; Riggish = verpierewaaid.
Riga, raigə, rîgə.
Right, rait, subst. recht, aanspraak, rechterhand, rechterkant, rechterzijde (in eene wetgevende vergadering); stuk land, aandeel in fabriek of mijn (Amer.); adj. en adv. recht, billijk, rechtvaardig, juist, rechter of rechts(ch); Right verb. recht zetten, oprichten, recht laten wedervaren, zich oprichten: The Right = Rechterzijde (Parl.); Mr. Right is not yet come = de rechte Jozef is nog niet verschenen; Bill (Declaration) of Rights = het Eng. charter van 1689; It would not come right = het wou niet goed komen; We shall soon put (set) this to rights = dat spoedig in orde brengen; I’ll send him to the right-about very soon = hem gauw wegzenden, rechtsomkeert doen maken; To have a (no) right to = recht (geen recht) hebben op; He did not hear, know the rights of it = hoorde, wist er het fijne niet van; They killed a right and left of rabbits = schoten konijnen rechts en links neer; Good shooting does not guarantee rights and lefts at partridges = is nog geen waarborg voor eene goede patrijzenjacht; By rights = eigenlijk; You are in the right = hebt gelijk; She had a fortune in her own right = zij had zelf fortuin; A duchess in her own right = eene hertogin die zelf de rechten heeft, aan dien rang verbonden (behalve een zetel in The House of Lords); He was standing on the right = hij stond aan den rechterkant; To the right = naar rechts; He was strictly within his rights = in zijn recht; Right about face (turn) = rechtsomkeert; All right, my boy = in orde, baasje; You are right = hebt gelijk; That is right, set him right = goed zoo, help hem op weg; It is not right for you to say so = het past u niet; I am on the right side of fifty = nog geen vijftig; On the right side of five guilders = over de; On the right side of fortune = schatrijk; To put right = in orde brengen, verbeteren; We’ll soon set it right = het gauw in orde brengen; Right across = dwars over; Right away = terstond (Amer.); A right down Londoner = oprechte, echte; Right down to the bottom = loodrecht naar de diepte; Right opposite = vlak hier tegenover; To tell right out = zonder omwegen; To read right through = in één stuk door; Right to the point = recht op het doel af; I am right glad that I went right up to the top of the building = erg blij, … heelemaal naar; I must be righted, or I will right myself = er zal mij recht geschieden, of ik zal mij zelven recht verschaffen; Things will right themselves = zullen wel van zelf in orde komen; To right the helm = het roer midscheeps leggen; To right a pole = een paal rechtop zetten; Right angle = rechte hoek; Right-angled = met rechte(n) hoek(en); Right-hand = rechtsch; subst. rechterhand, ook fig. = Right-hand man = rechter nevenman; Right-handed = rechtsch, handig; Right-hearted = rechtschapen; Right-honourable = titel voor al de pairs in Engeland, voor de zoons en dochters van Dukes en Marquesses, en de dochters en oudste zoons van Earls, voor leden van den Privy Council, den Speaker van het House of Commons, den Lord Chancellor, de Lord Chief Justices, en den Lord Chief Baron; voor de Lord-mayors van London, Dublin en York, en voor den Lord-Provost van Edinburgh, zoolang zij in functie zijn; Right-lined = rechtlijnig; Right-minded(ness) = rechtgeaard(heid); Righteous, raitšəs, rechtvaardig, rechtschapen, heilig, billijk; Righteousness = rechtschapenheid, reinheid des harten, volkomen gehoorzaamheid aan Christus; Righter: Women’s Righter = kampioen voor vrouwenrechten; Rightful = rechtvaardig, rechtmatig: He is the rightful heir = de rechtmatige erfgenaam; subst. Rightfulness; Rightly = terecht, precies: You rightly refused to accompany him = hebt terecht geweigerd.
Rigid, ridžid, (ge)streng, stijf, onbuigzaam, hard: Rigid dirigible = bestuurbare ballon van het stijve stelsel; Rigid examinations = strenge; subst. Rigididity = Rigidness.
Riglet, riglət, lijstje; filet.
Rigmarole, rigməroul, subst. onzin, gewauwel; verhaal door één begonnen, en achtereenvolgens door de anderen van het gezelschap voortgezet; adj. dwaas, onzinnig, vervelend.
Rigorism, rigərizm, (ge)strengheid, stiptheid; Rigorist, subst. iemand van strenge beginselen; adj. streng, stipt; Rigorous, rigərəs, (ge)streng; straf, stipt, onbuigzaam, hard; subst. Rigorousness; Rigour, rigə, strengheid, hardheid, nauwkeurigheid.
Rig Veda, rigveidə, het eerste der 4 Veda’s.
Rile, rail, “het land” opjagen.
Rill, ril, subst. beekje; Rill verb. vlieten; Rillet = klein beekje.
Rily, raili, uit zijn humeur, boos.
Rim, rim, subst. rand, invatsel, garnituur (v. een bril, b.v.); Rim verb. van een rand, etc. voorzien: Her eyes were rimmed round with weeping = zij had randen om de oogen van.
Rime, raim, subst. rijm, rijp (zie Rhyme); Rime verb. tot rijp doen bevriezen; Rime-frosted = berijpt.
Rimose, raimous, raimous, vol barsten en spleten; subst. Rimosity, raimositi; Rimous, raiməs = Rimose.
Rimple, rimp’l, subst. rimpel; Rimple verb. rimpelen.
Rimy, raimi, berijpt, koud en nevelig.
Rind, raind, subst. schors, huid, schil; Rind verb. schillen: Cheese rind, Pork rinds; Rindless.
Rinderpest, rindəpest, longziekte (vee).
Ring, riŋ, subst. ring, kring, circus, renperk, krijt, kliek; klank, stel harmonische klokken; Ring verb. omringen, van een ring voorzien, een kring van schors van een boom snijden; klinken, luiden, doen klinken of weergalmen: The Ring = onafgebroken keten van rijtuigen in Hydepark; kringvormig opgesteld publiek bij een bokspartij, bokspartij; There is a ring in his voice which gains your sympathy = eigenaardige toon of klank; There’s a ring = er wordt gebeld; To blow rings = kringetjes (rook) blazen; To be trained to the ring = voor het circus opgeleid; Swinging-rings = ringen (gymn.); He rang the changes on her praise = prees haar op alle manieren; The bells rang out the old year and rang in the new = luidden het oude jaar uit en het nieuwe in; I rang up the chemist = belde op (per telefoon); The curtain was rung up for the second act = de bel voor het tweede bedrijf luidde; To ring up a (forgotten) letter = in herinnering brengen; The house rang with merriment = vroolijkheid weerklonk door het huis; Ring-bolt = ringbout; Ring-dove = ringduif; Ring-dropper = kwartjesvinder; Ring-finger = ringvinger; Ring-formed = ringvormig; Ring-leader = belhamel; Ring-mail = maliënkolder; Ring-master = pikeur (van een circus); Ring-streaked = met ringen gestreept; Ring-tailed = met kringen op den staart; Ring-worm = soort duizendpoot, dauwworm (Med.); Ringer = klokkenluider; Ringing, subst. het luiden, gelui; adj. klinkend, welluidend: It is still ringing in my ears = het tuit me nog in de ooren; Ringlet = ringetje, krulletje.
Rink, riŋk, subst. ijsbaan, baan voor kunstrijders, lokaal voor het rijden op rolschaatsen; Rink verb. rijden in een Rink: Skating-rink.
Rinse, rins, spoelen, omwasschen (away, off, out); Rinsing-tub.
Riot, raiət, subst. oproer, muiterij, drinkgelag, burengerucht; Riot verb. oproer maken, muiten, zwelgen, rumoerig zijn, snel slaan (pols): The Riot Act was read = de oproerige menigte werd gesommeerd (met verwijzing naar de Riot Act van 1714) uiteen te gaan; To kick up a riot = herrie schoppen; To run riot (Zie Run); Rioter = zwelger, oproermaker; Riotous, raiətɐs, oproerig, ongebonden; subst. Riotousness = Riotry.
Rip, rip, subst. scheur, teenen vischmand, bedrieger, deugniet, waardeloos iets, knol, snoepreisje; Rip verb. openrijten, lostornen, losscheuren (up), onthullen, uitstooten: A six months’ rip to America = uitstapje; Don’t rip up old sores (half-scarred wounds) = rijt geen oude wonden open; Ripper = tornmesje; iets uitstekends: She is a ripper = eene aardige, kranige meid; Jack the Ripper = een berucht vrouwenmoordenaar; A ripping little girl = flinke, bovenste beste, kranige meid.
Riparian, raipêriən, aan een oever gelegen of wonende; ook subst.
Ripe, raip, rijp, ontwikkeld, dringend: Ripe wants = dringende behoeften; He is ripe for the madhouse = rijp voor; Ripen = rijp worden of maken; subst. Ripeness.
Ripon, rip’n.
Ripost(e), ripoust, tegenstoot, vlug en vinnig antwoord.
Ripple, rip’l, subst. gekabbel, golving; groote kam om vlas te repelen; Ripple verb. rimpelen, kabbelen; repelen: Chestnut hair with a ripple in it; It excited ripples of interest = teekenen v. belangstelling; The rippling of the waves = het kabbelen der golven; Ripple-marks = indrukken van de wijkende golven op het strand; The beach was Ripple-marked = het strand had overal de indrukken der golven.
Riprap, riprap, steenstorting (als fundament); ook verb.
Rise, raiz, subst. opstand, opkomst, opslag, verhooging, rijzing, verheffing, bron, het opkomen, toeneming, verbetering, bevordering; Rise verb. opstijgen, opstaan, opkomen, opzwellen, voortkomen, wassen, toenemen: The rise of the Dutch Republic = de opkomst der Nederl. republiek; That gave rise to many cordial greetings = gaf aanleiding tot; The Rhine takes its rise in Switzerland = ontspringt in; I took (got) a rise out of him = ik ben hem te slim af geweest, heb hem belachelijk gemaakt; The water is on the rise = aan het opkomen; Each epithet rose above the other = elk volgend epitheton was steeds mooier; The House rose at three in the morning = de zitting werd gesloten; The company rose from table = stond van tafel op; The whole nation rose in arms = vatte de wapenen op; The wind soon rose to a storm = verhief zich; The colour rose to her cheeks = steeg haar naar de wangen; He rose to the occasion, emergency = was tegen de moeilijkheid opgewassen; He would not rise to my scheme = hij wou mijn plan niet begrijpen, er niets van weten; He rose to the suggestion = hij begreep den wenk; The words Plenty, Abundance and Exuberance rise upon each other in expressing the idea of fulness = het begrip overvloed wordt telkens sterker uitgedrukt door; Riser: I am not an early riser = niet matineus; Rising, subst. opstaan, opstand, opgang, gezwel; adj. opgaande, opkomend, toenemend, aanzwellend: The rising of Lazarus = de opwekking van L.; The rising generation = het opkomend geslacht; They adore (worship) the rising (risen) sun = zij aanbidden de opgaande zon.
Risibility, rizibiliti, subst. v. Risible, rizib’l, belachelijk, lachwekkend; tot lachen geneigd.
Risk, risk, subst. gevaar, risico; Risk verb. wagen, in de waagschaal stellen: He did it at the risk of his life = met gevaar van eigen leven; I won’t run the (a) risk = wil mij daaraan niet blootstellen; You are subject to the risks = moet de risico dragen; Risker; Risky = gevaarlijk, gewaagd: A risky experiment = gewaagde proefneming.
Risorial, raisôriəl: Risorial muscle = lachspier.
Rite, rait, godsdienstige plechtigheid, ritus; Ritual, ritjuəl, subst. rituaal, liturgisch boek met formulieren; adj. ritueel: Is thy meat ritually prepared? = koscher; Ritualism = ritus; Ritualist = voorstander van de richting der High Church; kenner der kerkgebruiken; adj. Ritualistic.
Rivage, rividž, oever, kust.
Rival, raiv’l, subst. mededinger, medeminnaar; adj. mededingend, concurreerend; Rival verb. mededingen, wedijveren: He was my rival for that place = mededinger; Rivalry = Rivalship = medeminnaarschap, wedijver.
Rive, raiv, scheuren, opensplijten: The tree was riven (riv’n) by (with) lightning = door den bliksem gespleten; River.
River, rivə, rivier, stroom: We sailed down, up the river = de rivier af, op; In (On) the river = op de rivier; The Rivers = Delta van den Niger, het Niger-coast Protectorate; River-basin = stroomgebied; River-bed, River-channel = bedding eener rivier; River-craft = riviervaartuigen; River-driver = vlotter (Amer.); River-god = stroomgod; River-hog = Z. Amer. waterzwijn; River-head = bron; River-horse = nijlpaard; River-side = oever.
Rivers, rivəz.
Rivet, rivət, subst. klinknagel; Rivet verb. vastklinken, strak richten op (to, on), diep inprenten: It remains riveted in my mind for ever = staat in mijne ziel gegrift; He was riveted to that post = hij zat er vast aan (kon er nooit eens uit); The Eiffel Tower is the work of the riveter = het werk van den vastklinker, den klinkhamer.
Riviera, rivjêrə.
Rivose, raivous, rivous, gerimpeld.
Rivulet, rivjulet, beek, riviertje.
Rixdollar, riksdolə, rijksdaalder (ƒ 1,50 tot ƒ 2,50).
Roach, routš, (blank-)voorn: As sound as a roach = zoo gezond als een visch.
Road, roud, weg, reis, reede: To be in the road(s) = op de reede liggen; I am off my road = verdwaald; He was on the road to Vienna = op reis naar; There is no royal road to learning = de weg naar de wetenschap is vol moeilijkheden; I have lost my road = ben verdwaald; To put a person on the right road to = den weg wijzen naar; He has taken to the road = struikroover geworden; Road-agent = tolgaarder; roover (Am.); Road-bed = grondlaag v. weg of spoor; Road-book = gids voor steden, wegen en afstanden; Road-hog = onbesuisd fietsrijder; Roadman = Road-mender = wegwerker; Road-metal = steenen voor macadamwegen; He was sitting by (on) the roadside = zat aan den weg; Roadstead = reede; Roadster = rijpaard, koetsier v. diligence, schip (op de reede), soort fiets; Roadway = straatweg, bereden gedeelte van een brug.
Roam, roum, rondzwerven, omzwerven: I roamed the streets of the city aimlessly = zwierf doelloos door; Roamer.
Roan, roun, subst. roode schimmel; roode kleur; adj. rood- of ijzergrauw.
Roar, rö, subst. gebrul, geloei, gehuil, geschater, gebulder; Roar verb. brullen, loeien, huilen, bulderen, schateren, bruisen, donderen: To keep the company in a roar = aan het schateren; He set the company in (on) a roar = deed schateren van lachen; The whole company set up a roar = begon te brullen van lachen; Roarer = bruisende golf, luid aanslaande hond, aamborstig paard; He has a roaring business (trade) = eene woest-drukke zaak.
Roast, roust, subst. gebraad; adj. gebraden; Roast verb. braden, branden; voor het lapje houden, ongenadig plagen: He rules the roast (roost) = hij is de baas, beheerscht alles; Roast beef, goose, etc.; Roaster; Roasting-jack = toestel waarin het spit draait.
Rob, rob, rooven, bestelen, plunderen: He robbed me of my gold watch = ontstal mij; Robber = roover, dief; Robbery = rooverij, diefstal.
Rob, rob, gelei, conserf.
Robe, roub, subst. toga, tabberd, staatsiemantel; Robe verb. kleeden, in een toga of tabberd kleeden: Gentlemen of the long robe = advocaten of getabberden; Master, Mistress of the robe = titel van een hofbeambte, of hofdame met de zorg voor de garderobe belast; They follow the robe as a profession = zijn bij de magistratuur; Robes of office = ambtsgewaad; In robe and crown the king appeared; I have seen him in his robes in the House of Lords = in zijn pairsmantel gezien.
Robert, robət, Robert; ook: kellner, “Jan”; Robertson, robəts’n; Robinson, robins’n.
Robin, robin, Robert; roodborstje; Robin-Good-fellow = goedige kabouter; Robin-redbreast = roodborstje; Round robin = petitie met de handteek. in een cirkel, zoodat men niet weet wie het eerst geteekend heeft: That beats the round robin = dat is wat al te erg, al te brutaal.
Roborant, robər’nt, subst. en adj. versterkend (middel).
Roburite, robjurait, roburiet.
Robust, rəbɐst, krachtig, sterk, gespierd; subst. Robustness.
Roc, rok, fabelachtige vogel in Arabische sprookjes: Roc’s egg = iets fabelachtigs.
Rocambole, rok’mboul, slangelook.
Rochdale, rotšdeil; Rochester, rotšəstə.
Rochet, rotšət, linnen toog; korte pairsmantel; voorn.
Rock, rok, subst. rots, gesteente, klip, soort bonbon, schommel, spinnewiel; Rock verb. wiege(le)n, schommelen, wankelen: To be on the rocks (fig.) = in (geld)verlegenheid zijn; To run against a rock = zich aan gevaar blootstellen; Rock-alum = aluinsteen; Rockaway = een bepaalde Amer. wagen; Rock-bound = door rotsen omsloten; Rock-cork = bergkurk; Rock-crystal = bergkristal; Rock-oil = steenolie, petroleum; Rock-pigeon = klipduif; Rock-ruby = robijn-roode granaat; Rock-salt = klipzout: Rock-snake = tijgerpython; Rock-soap = bergzeep; Rock-staff = blaasbalgstok; Rock-wood = houtasbest; Rock-work = rotswerk; Rocker = wieg, hobbelpaard, onderstel v. een wieg; Rockery = rotswerk (in tuinen, etc.); Rockiness = rotsachtigheid; Rocking-chair = schommelstoel; Rocking-horse = hobbelpaard; Rocking-stone = schommelsteen; Rocky = rotsachtig, hard als een rots.
Rockefeller, rokfelə.
Rocket, rokət, vuurpijl; Rocket verb. als een pijl opvliegen: To let off a rocket = oplaten; To rocket about (on a horse) = rijden, wippen.
Rockies = Rocky Mountains (Amer.).
Rococo, rəkoukou, Rococostijl (17e eeuw).
Rod, rod, roede (ook maat = 5,029 M.), stok, staf, stang, rotting, scepter, takje: I have a rod in pickle for you = ik heb voor u wat in het vat; Black Rod = koninkl. boodschapper en ceremoniemeester in het Hoogerhuis (altijd een gepension. admiraal of generaal); de staf waaraan hij zijn naam ontleent; Rod-fishing = hengelen.
Rode, roud, imperf. van to ride.
Rodent, roud’nt, knaagdier: He is a political rodent = oude rot (fig.).
Roderic(k), rodərik; Roderigo, rod(ə)rîgou.
Ro(d)ger, rodžə, Rutger; schepers naam voor een ram; stier: We hoisted the Jolly Roger = wij heschen de kapervlag (de vlag draagt “Crossbones and skull” = een schedel met gekruiste doodsbeenderen).
Rodney, rodni; Rodolph(us), roudolf (rədolfəs).
Rodomont, rodəmont, subst. grootspreker, bluffer; adj, blufferig, snoevend; Rodomontade, rodəmonteid, subst. snoeverij, geschetter; Rodomont verb. bluffen, schetteren.
Rody, rodi.
Roe, rou, ree, hinde; kuit: Soft roe = hom; Hard roe = kuit; Roebuck = reebok.
Rogation, rəgeiš’n, litanie: Rogation days (Rogation tide) = de drie dagen vóór Hemelvaartsdag, vóór het feest van den H. Marcus; Rogation week = Hemelvaartsweek.
Roger, rodžə, Zie Rodger.
Rogue, roug, schurk, schalk(je), snaak, grappenmaker, verstooten en daardoor woest geworden olifant: He is a rogue in grain = aartsschurk; Rogue’s march = marsch gespeeld als een soldaat weggejaagd wordt; Roguery = schurkenstreek, snakerij; Roguish = schalksch, schelmachtig; subst. Rogueness.
Roil, rôil, troebel maken, sarren, plagen.
Roister, rôistə, snoeven, rumoer (pret) maken; Roister(er) = snoever, rumoer(pret)maker.
Roland, roul’nd, Roland: To give a Roland for an Oliver = met gelijke munt betalen (fig.).
Roll, roul, subst. het rollen, slingeren (slingering), rol, (presentie)lijst, register, rond broodje, roffel; Roll verb. rollen, wentelen, draaien, slingeren, roffelen, rommelen: To call the roll = appèl houden; To put on the roll = op de rol plaatsen; To strike off the roll = van de rol afvoeren; Master of the Rolls = eerste archivaris v. de Chancery Division of the High Court of Justice; Office of the Rolls = archief; Rolls of Court, Rolls of Parliament = officieele perkamentrollen van het hof of parlement, archieven; The ship rolled and pitched = slingerde en stampte; He rolls himself in luxury (wealth) = baadt zich in weelde; He is like three persons rolled into one = tot één persoon vereenigd; To roll into a ball = op een kluwen winden; To set the ball rolling = een zaakje aan ’t rollen brengen; Roll-call = appèl; Roller = rolstok, rol, zware golf, lange en breede zwachtel, rolletje; Roller-blind = rolgordijn; Roller-skates = rolschaatsen; Rolling = het rollen, golven, etc.: Rolling-fire = pelotonsvuur; Rolling-mill = pletmolen, Rolling-plant = Rolling-stock; Rolling-press = rolpers, mangel; Rolling-stock = rollend materiaal (van een spoor); A rolling stone gathers no moss = op een rollende steen zet zich geen mos aan.
Rollick, rolik, zich op nonchalante, losse en vroolijke manier bewegen, overmoedig zijn: The wood was jubilant with rollicking children = van de dartelende kinderen; We had some rollicking fun yesterday = dolle pret.
Roly-poly, roulipouli, kort en dik; Roly-poly-pudding = opgerold pasteideeg met confituren; He has a roly-poly growlery of style = hij heeft zoo’n gezwollen brommerigen stijl.
Romaic, rəmeiik, nieuw Grieksch(e taal).
Romal, rəmôl, zijden of haren stof, hoofddoek; rəmal, uit leer of paardehaar gevlochten zweep (Amer.).
Roman, roum’n, subst. Romein; adj. Romeinsch, Roomsch, met romein of gewone drukletter: Roman candle = Romeinsche kaars (soort van vuurwerk); Roman Catholic, subst. en adj. Roomsch-Katholiek(e); Roman law; Romanism = Roomsche leer; Romanist = Roomsch-Katholieke; Romanize = latiniseeren, Roomsch maken of worden.
Romance, rəmâns, subst. romance, geschiedkundig verhaal, verdichting, het romantische, romantiek, Romaansche taal; adj. Romaansch; Romance verb. romantische of overdreven verhalen vertellen, overdrijven, liegen; Romancer = Romancist = schrijver van romances of verdichte verhalen, opsnijder.
Romanese, roumənîz, Rumeensch(e taal).
Romanesque, roumənesk, romanesk.
Romantic, rəmantik, romantisch, fantastisch, schilderachtig, tot de Romant. school behoorend; ook subst.: These great romantics; Romanticism = romantiek; Romanticist = iemand, die tot de romantische school behoort: He is neither a realist, nor a romanticist; Romanticness = het romantische.
Romany, roməni, Zigeuner, taal der Z.
Rome, roum, Rome.
Romeo, roumiou; Romford, rɐmfəd.
Romic, roumik, phonetisch spelstelsel van H. Sweet.
Romilly, romili; Romney, romni.
Romp, romp, subst. wild meisje, wild spel; Romp verb. stoeien, dol spelen; Rompish = wild, uitgelaten; subst. Rompishness.
Romulus, romjulɐs.
Ronde, rond, rondschrift (boekdr.).
Rondeau, rondou, rondou, rondeau; soort muziekstuk.
Rood, rûd, kruis, kruisbeeld, roede, stok, ¼ acre (± 10,117 Are); 5,029 M.; Rood-loft = kruisgalerij (in eene kerk).
Roody, rûdi, geil, weelderig.
Roof, rûf, subst. dak, gewelf, verhemelte (= Roof of the mouth); Roof verb. met een dak bedekken, onder dak brengen: Roof of Heaven; To be content with having a roof over one’s head; Roof-tile = dakpan; Roof-tree = vorstbalk; Roofer = daklegger; Roofing-felt = asphaltvilt; Roofless = dakloos; Rooflet = dakje; Roofy = met een dak.
Rook, ruk, subst. roek; bedrieger; kasteel (schaakspel); Rook verb. bedriegen (in het spel vooral); Rooker = bedrieger; Rookery = bosch met veel roekennesten, de gezamenl. roeken, broedplaats van zeevogels of robben; dievenhol(-kwartier), bordeel.
Room, rûm, subst. ruimte, plaats, kamer, vertrek, gelegenheid, aanleiding, donkerblauwe verfstof; Room verb. kamers bewonen: He gave (left) room = hij ging heen, maakte ruim baan voor een ander; Make room there = ruimte daar! uit den weg! My room will be preferred to my company = ze hebben liever dat ik ga dan blijf; I want your room = ik wensch, dat gij heengaat; There is no room for suspicion = aanleiding tot verdenking; He was appointed in (the) room of his brother = werd in zijn broers plaats benoemd; Cloak-room, Zie Cloak; Living-room, Sitting-room = woonkamer; Room-mate = contubernaal; Roominess = ruimte: Turin is unrivalled in the matter of roominess = er is geene ruimer gebouwde stad dan T.; Roomy = ruim.
Roop, rûp, subst. roep, kreet, heeschheid; Roopy = heesch, schor.
Roost, rûst, subst. rek of stok, troep vogels bij elkander op een stok; Roost verb. slapen, op stok zitten: The hens are at roost = op stok; His curse (chickens) came home to roost = hij kreeg zijne trekken thuis; I am going to roost = ga op stok; The barge lies at roost in a boat-house = is opgelegd in; To retire to roost = op stok gaan; Rooster = haan (Amer.).
Root, rût, subst. wortel, stam, grondtoon (van eene snaar), oorsprong, bron; Root verb. doen wortelen, wortel schieten; wroeten, omwroeten, ontwortelen: Extract the root out of 125 = trek den wortel uit; To go to the root of the matter = tot den grond der zaak doordringen; That lies at the root of it = ligt er aan ten grondslag; To take (To strike) root = wortel schieten; Dutch roots = Hollandsche bloembollen; Root and branch = met wortel en tak; The sow has rooted (out) all the plants = omgewroet; Why do you not root it out? = roeit ge het niet uit? He stood rooted to the spot = als aan den grond genageld; Root-bound = ingeworteld, onbewegelijk; Root-crop = knollenoogst; Root-leaf = wortelblad; Rooted: A rooted hatred of injustice = ingewortelde haat; Rooter = plant die wortel schiet; uitroeier; radicaal; Rootless; Rootlet = worteltje; Rooty = wortelrijk.
Rope, roup, subst. touw, rist; Rope verb. draderig zijn, tot draden uitrekken, met een touw trekken, vastmaken, inhouden (van een paard bij een wedstrijd): He gave me the ropes = liet me vrij spel; I have not got rope enough = ben niet vrij genoeg, kan mij niet voldoende bewegen; He knows (has learned) the ropes = weet er alles van; He performed on the slack, tight rope = danste op het slappe, strakke koord; I hope you will put me up to all the ropes = mij geheel op de hoogte zult brengen; A rope of onions = rist uien; A rope of sand = zwakke band; To rope in = met een touw omspannen, inpalmen (ook van personen), binnenhalen: To rope in a remark with quotes = tusschen aanhalingsteekens zetten; Rope-dancer = koorddanser; Rope-ladder = touwladder; Rope-maker = touwslager: To play the rope-maker = achteruitloopen; Rope-railway = kabelspoor; Rope-walk = lijnbaan; Rope-yarn = kabelgaren; Ropery = lijnbaan; Ropiness, subst. v. Ropy = touwachtig, draderig, kleverig, lijmerig.
Roquelaure, roukəlö, rokəlö, korte mantel.
Rorqual, rökwəl, vinvisch.
Rosa, rouzə; Rosabel, rozəbel.
Rosace, rouzeis, rozet; Rosaceous, rəzeišəs, roosachtig.
Rosalia, rəzeiliə; Rosalind, rozəlind; Rosaline, rozəl(a)in; Rosamond, rozəm’nd.
Rosary, rouzəri, rozenkrans; guirlande, rozenperk of rozentuin: To tell over the rosary = den rozenkrans bidden.
Roscid, rosid, met dauw bedekt.
Roscoe, roskou; Roscommon, roskom’n.
Rose, rouz, subst. roos, rozet, rozenkleur, sproeier; adj. rooskleurig: No rose without a thorn; Once he was very near the rose = bijna geestelijke; They drank wine under the rose in their rooms = stilletjes; I told him so under the rose = onder de roos; Without the rose = onverholen; Members of the White Rose = van eene vereeniging ter herinnering aan de terechtstelling van Karel I; She blushed rose all over; Rose-bud = rozeknop; Rose-bug (Rose-chafer) = gouden tor; Rose-bush = rozestruik; Rose-cheeked = met blozende wangen; Rose-cold (Rose-fever) = zware catarrhe met asthmatische verschijnselen; Rose-colour = rozenkleur; Rose-diamond = rozetsteen; Rose-drop = bonbon (met rozengeur), oorknopje, roode neus; Rose-faced = met rozig gelaat; Rose-hued = met rozentint; Rose-knot = rozet; Rose-leaf = rozeblad: They live in an age of rose-leaves and velvet = zij hebben een leventje op een bordje; Rose-mallow = stokroos; Rosemary, rouzməri, rosmarijn; Rose-pink = rose(kleurig); Rose-rash = roseola, huiduitslag; roos; Rose-water = rozenwater: Revolutions cannot be made with rose-water = die het doel wil, moet de middelen willen; Rose-window = rozet(venster); Rose-wood = rozenhout; Rosery = rozenperk.
Rose, rouz, imperf. van to rise.
Roseate, rouzi-it, vol rozen, rooskleurig, bloeiend.
Roseola, rəzîələ, huiduitslag, roos.
Rosebery, rouzbə’ri.
Rosetta, rəzetə: Rosetta stone, steen met hieroglyphen, enz., in Rosetta gevonden; Rosetta wood = O.-I. oranjekleurig hout.
Rosette, rəzet, rozet.
Rosicrucian, rouzikrûš’n, subst. lid v. een geheim genootschap in de 17de eeuw; adj. tot dit genootschap behoorende; Rosicrucianism = leer, enz. van dit genootschap.
Rosin, rozin, hars: To give rosin = afranselen; Rosiny = harsig.
Rosland, rosland, veengrond, heide.
Rostellum, rostel’m, snaveltje (plantk.).
Roster, rostə, rooster, naamlijst.
Rostral, rostr’l, tot snavel of rostrum behoorende; Rostrate(d), rostrit(id), gesnaveld; Rostriform = snavelvormig; Rostrum, rostr’m, snavel (ook van een schip), spreekgestoelte, tribune, platform.
Rosy, rouzi, rooskleurig, bloeiend, roos …
Rot, rot, subst. verrotting, aardappelziekte, schurft, geklets, onzin; Rot verb. verrotten, bederven: It’s all rot = allemaal onzin, bedriegerij; It’s awful (dry, tommy) rot = verschrikkelijk geklets, onzin; They drink rot-gut = bocht; Rotten = verrot, stinkend, wrak, aangestoken, gemeen, beroerd; Rotten-ripe = beursch; subst. Rottenness; Rotter = kletser, onnut wezen.
Rota, routə, ranglijst, rooster, hoogste pauselijk hof van appèl.
Rotary, routəri, draaiend, rondgaand: The rotary motion of our earth round its axis = omdraaiende beweging; Rotary pump = centrifugaalpomp; Rotate, routeit, om een middelpunt wentelen, draaien; adj. routit, wielvormig; Rotation, rəteiš’n, omdraaiing, omwenteling, geregelde opvolging: By (in) rotation = bij afwisseling, beurt om beurt; Rotation of crops = wisselbouw; Rotative = ronddraaiend; Rotator, omdraaier, draaispier; Rotatory = omdraaiend, beurtelings: Rotatory motion = draaiende beweging.
Rote, rout, routine, sleur, gewoonte: By rote = van buiten, in den sleur; Rote of business = routine.
Rotten-Row, rot’nrou, naam v. een rijweg (voor ruiters) in Hydepark.
Rotund, rətɐnd, rond, bolvormig, plechtig, zwaar; subst. Rotundity = Rotundness.
Rotunda, rətɐndə, rotonde.
Rouble, rûb’l, zilveren roebel (= ƒ 1,88).
Rouen, rûən, Rouaan.
Rouge, rûž, subst. rood blanketsel; Rouge verb. (zich) blanketten: If you do not rouge you won’t tell in a ball, handsome though you may be = als ge u niet blanket, maakt ge geen indruk op een bal; Rouge et noir = hazardspel; Rouge-pot.
Rough, rɐf, subst. ruwe klant; ruwe schets, grof pleisterwerk; Rough adj. ruw, ruig, hard, wrang, woest, kras; verb. ruw maken, ruw schetsen, op scherp zetten, dresseeren: The London roughs = het gepeupel van Londen; In the rough = onafgewerkt, ruwweg; To be rough on = hard zijn jegens, zwaar drukken op; Rough-and-ready = ruw doch flink; Rough-and-tumble = ruw en druk: It is a rough-and-tumble farce = het is een woeste, dolle klucht; We have been Roughing it = wij hebben het hard te verantwoorden gehad, hebben ons er doorheen moeten slaan; The weather was rough, but our yacht roughed it out = maar ons jacht hield het goed uit; Rough-cast, subst. ruwe schets, beraping; adj. ruw gevormd, grof; Rough verb. ruw schetsen, berapen; Rough-draft, Rough-draught, ruwe schets; Rough-draw, in het ruwe schetsen; Rough-dry = laten drogen zonder mangelen; Rough-hew = in het ruwe houwen, ontwerpen, schetsen; Rough-hewn = ruw, ongepolijst (ook fig.); Rough-rider = pikeur; wachtmeester-instructeur (Amer.), stout ruiter; Rough-shod = op scherp gezet: He rides rough-shod = hij rijdt maar toe, stoort zich aan niets, gaat zijn gang maar; Rough-wrought = grof bewerkt; Roughen = ruw maken of worden; Roughish = ietwat ruw; Roughness = zuurheid.
Rouleau, rûlou, rolletje, bundel fascinen; Roulette, rûlet, roulette, wiel met punten om stippellijnen te maken: hazardspel.
Roumania, rûmeinjə, Roemenië; Roumanian, subst. en adj. (bewoner) van Roemenië.
Round, raund, subst. kring, bol, ommegang, ronding, rondreis, ronde, cursus, omdraaiing, sport, salvo, schot, patroon, rondelied; adj. rond, vloeiend, vol, ronduit, openhartig, eerlijk, flink, snel; Round verb. rond maken, afronden, rondgaan, rondreizen, ronddraaien, zich keeren tegen, schimpen op (on); prep. en adv. rondom, overal: Thirty-six rounds (of ammunition) = patronen; A round of applause = algemeene toejuiching; A round of beef = runderschijf; A round of cartridges = één patroon voor iederen soldaat; I have made my round of visits = mijne bezoeken; Shall we have a round? = zullen we eens vechten; Let us play one more round = nog één rondje; He is a round peg in a round hole = de rechte man op de rechte plaats; I assure you that I shall bring you round = dat ik u weer zal opknappen of beter maken; It is not easy to bring him round = te bepraten, over te halen; Christmas has come round again = het is weer kerstmis geworden; He came round to my room = kwam mij op mijne kamer opzoeken; He came round = hij draaide bij; You won’t get round me = mij niet beetnemen, bepraten; He lives round the corner = dicht bij; He gave the money round the corner = met tegenzin; (All) round my hat = katterig; als subst. onzin; They have sent the hat round = zijn met den hoed rondgegaan, hebben geld opgehaald; It is a hundred guilders in round numbers = het is in een rond getal een honderd gulden; To walk at a round rate = vlug doorstappen; To ride at a round trot = in vluggen draf; He is an honest man all round = in alle opzichten; The engine rounded a curve in the road = kwam om een bocht in den weg; To round off a story = een verhaal besluiten; The ship was rounded to = werd bijgedraaid; Roundabout, subst. draaimolen, omweg, soort leuningstoel (jasje, manteltje); adj. wijdloopig, omslachtig, veelomvattend, niet openhartig: I sent him to the roundabout = ik stuurde hem weg; Roundabout the town = om de stad heen; Roundabout way = omweg; Round-backed = met ronden rug; Round-dance = rondedans; Round-games = gezelschapsspelen; Roundhand = rondschrift; Round-head, subst. Puritein in Cromwell’s Tijd; adj. van de partij der Puriteinen; Round-house = achterkajuit, hut, retirade, locomotiefloods; Round-ridge = ronde voren maken bij het ploegen; Round-robin; Zie Robin; Round-shouldered = rond in de schouders of rug; Roundsman = beambte die politie- en nachtwachtposten controleert (Amer.); Round-turn = één slag v. een touw om een paal, etc.; Round-up = ’t bijeendrijven van het vee; Rounded = gerond van vokalen; Rounders = een soort kaatsspel; Rounding, subst. het ronden; adj. ongeveer rond; Roundness = openhartigheid, volheid van klank, rondheid.
Roundel, raund’l, klein schild; Roundelay, raundəlei, ouderw. dichtstuk (8 + 5 regels), rondedans.
Roup, rûp, kippen-huidziekte; raup, rûp, publieke verkooping; Roup verb. veilen.
Rouse, rauz, opwekken, doen ontwaken, opjagen, aansporen: He was roused to anger = boos gemaakt; Rousing = opwekkend, aansporend, bezielend, geweldig, ontzettend: A rousing lie.
Roust, raust, opschudden, hard werken, opwekken, in opstand brengen; Roust-about = losse arbeider of matroos op eene rivierstoomboot; leeglooper (Amer.).
Rout, raut, subst. volkomen nederlaag, algemeene vlucht, oproer, rumoer, twist, gedrang, wanordelijke troep; avondreceptie; Rout verb. in verwarring op de vlucht drijven, omwoelen, wroeten, vernielen (met out): The rout = het schuim, gepeupel, janhagel; To put to (the) rout = op de vlucht slaan; Boys were routing in the streets = waren aan het stoeien; I routed out an edition of Tennyson among his books = schommelde op; The ferret routed out the conies = joeg naar buiten, verdreef (uit hun hol); I routed it up from my memory = ik bracht het mij na eenige inspanning te binnen; Rout-seats and chairs = zitbanken (tegen den muur) en stoelen voor een rout; He is a Router-out of antiquities = snort allerlei oudheden op.
Route, rût, weg; Routine, rutîn, gewoonte, sleur: Routine-business = sleurwerk; Routinist, rutînist, sleurganger.
Routledge, rautlədž.
Rove, rouv, (om)zwerven; in dwarsrijen ploegen (Amer.), scheren van touw of wol door een blok, uitpluizen; Rover = roover, zwerver, wispelturig en ontrouw persoon: Her sweetheart has proved a rover = is gebleken een vlinder (ontrouw) te zijn; They were shooting at rovers = zij schoten in het wild; Rover of the seas = zeeschuimer.
Roving-shot = schot in ’t wild.
Rove, rouv, imperf. en part. perf. v. to reeve.
Row, rou, subst. rij, reeks, gelid, roeitochtje; Row verb. roeien: In a row = in de rij, in ’t gelid; We had a splendid row = heerlijk roeitochtje gedaan; I guess you can hoe your own row = uw eigen zaakje wel opknappen, je eigen straat schoonvegen (Am.); He had a hard row to hoe = had het hard te verantwoorden (Am.); To put (set) in a row = op een rij; He can row his own boat, paddle his own canoe = zijn zaakje alleen wel opknappen; They row in the same boat = zij zijn in hetzelfde schuitje; Rowboat = roeischuitje, roeibootje; Rowlock, roulok, rɐlək, keep of gat waarin de riem rust, roeimik, roeipen, roeiklamp; Rower = roeier; Rowing-club; Rowing-match = roeiwedstrijd.
Row, rau, standje, ruzie, twist; Row verb. ruzie, lawaai maken, schelden: To get into a row with = standjes krijgen met; Hold your row = houd je mond; Don’t kick up a row = maak geen schandaal; What’s the row = wat is er aan de hand?
Rowan, rauən, gewone lijsterbes = Rowan-tree.
Rowdy, raudi, subst. ruwe, woeste kerel; “duiten”; adj. ruw, ploertig, oproerig = Rowdyish; Rowdyism = herrie, baldadig optreden.
Rowel, rauəl, subst. wieltje of rad van een spoor, seton (platte ring van een toom); Rowel verb. wieltje of seton zetten in; Rowel-head = de as van een spoorwieltje.
Rowena, rouînə.
Rowen, rauən, stoppelveld, nagras (Amer.).
Rowland, roul’nd; Rowley, rauli; Roxburgh, roksbərə, roksbɐ̂g.
Royal, rôiəl, subst. tak van een gewei, papierformaat (19 × 24 voor schrijf-, en 20 × 25 inches voor drukpapier), kleine mortier, bovenbramzeil (The Royals = vroeger het eerste regiment infanterie; thans Royal Scots); adj. koninklijk, edel: Royal Academy = Koninklijke (kunst)academie; The Royal Assent is, under the Constitution, still essential to the validity of an Act of Parliament = de koninklijke goedkeuring; Royal bounty = fonds ter ondersteuning van de betrekkingen van gesneuvelde officieren; Royal grants = jaargeld aan de leden der koninklijke familie; Royal Society = Eng. Academie van Wetenschappen; Royalism = koningschap, koningsgezindheid; Royalist, subst. en adj. koningsgezind(e); Royalty, subst. koningschap, majesteit, koninklijke bezitting of rechten; tantième, aandeel: We don’t often see royalty = de leden der kon. fam.; The author gets a royalty of twopence on the shilling = krijgt ⅙ van den verkoopprijs; Royalty rents = vergoeding voor het gebruik van den bovengrond (bij mijnwerkers).
Royster(er). Zie Roister.
Rub, rɐb, subst. het wrijven, wrijving, hinderpaal, sarcasme, schimp; Rub verb. wrijven: There’s the rub = daar zit ’m de knoop; I rubbed my eyes at that = ik wreef me de oogen uit van verbazing; To rub elbows (shoulders) with = gemeenzaam omgaan met (fig.); They began to rub noses = op vriendschappelijken voet te komen; They rubbed their way along the streets = baanden zich een weg; To rub (up) the wrong way = plagen, ergeren; The horse was being rubbed down = werd geroskamd; The piece of sugar was rubbed down = werd al kleiner door het wrijven: I rubbed the dirt off him = wreef het vuil van hem af; He rubbed it out = hij veegde het uit; Shall I rub up your memory? = eens opfrisschen; The chairs and tables were Rubbed up = gewreven; Rubstone = slijpsteen; Rub-a-dub = getrommel; Rubber = wie of wat wrijft of schuurt, slijpsteen, het beslissende spel, gummi, gummiband-(schoen); A rubber of whist = drie spellen, waarvan 2 gewonnen en 1 verloren, of 2 na elkander gewonnen spellen; If you play at bowls, you must look out for rubbers = wie kaatst, moet den bal verwachten; Rubber-stamp = caoutchouc stempel.
Rubbish, rɐbiš, puin, uitschot, nonsens, klets: Rubbish shot here = plaats voor puin, enz.: Rubbishy = pruilerig.
Rubble, rɐb’l, stukken ruwe steen; Rubble-cart; Rubble-stone = bovenste losse deelen van eene steenmassa; Rubble-work = metselwerk met ruwen, onregelmatigen steen; adj. Rubbly.
Rubeola, rûbîələ, mazelen.
Rubicon, rûbik’n, Rubicon: To cross the Rubicon = een beslissenden stap doen.
Rubicund, rûbik’nd, rood(achtig); subst. Rubicundity, rûbikɐnditi; Rubific = roodmakend.
Rubigo, rubaigou, meeldauw, roest.
Rubric, rûbrik, subst. rubriek, kerkelijk voorschrift, adj. rood gemerkt; Rubrical = liturgisch, ritueel: Rubricate = met rood merken; subst. Rubrication.
Ruby, rûbi, subst. robijn, karbonkel, formaat van drukletter; roode puist of vlek; adj. robijnkeurig = Rubied.
Ruche, rûš. Ruching, rûšiŋ, ruche.
Ruck, rɐk, subst. rimpel, vouw, hoop, troep, groote massa; Ruck verb. rimpelen; ergeren, geërgerd zijn: Out of the ruck = ongewoon.
Ruction, rɐkš’n, oploop, vechterij, krakeel.
Rudder, rɐdə, roer; Rudder-post = roersteven.
Ruddiness, rɐdinəs, subst. v. Ruddy.
Ruddle, rɐd’l, subst. roodaarde; Ruddle verb. met roodaarde merken (zooals b.v. schapen): Faces ruddled with rouge and pearl-powder.
Ruddy, rɐdi, adj. blozend, met frissche kleur, rood, ros(sig); subst. goudstuk; Ruddy-faced.
Rude, rûd, ruw, ongeletterd, onbeschaafd, stormachtig, grof, woest, sterk: Don’t be rude = wees niet lomp, onbeschoft: It was a rude awakening = een onaangenaam ontwaken; Rudeness = lompheid, ruwheid.
Rudesheimer, rûdzhaimə, soort v. Rijnwijn.
Rudiment, rûdim’nt, subst. rudiment, beginsel (gewoonlijk meerv.): The rudiments of grammar; Rudimental, rûdiment’l, Rudimentary, rûdimentəri, eerste, aanvangs …; niet geheel ontwikkeld: Rudimentary organs = rudimentaire organen.
Rudolph, rûdolf; Rudyard, rɐdjâd.
Rue, rû, subst. wijnruit; Rue verb. betreuren, treuren om, beklagen, berouwen: You will rue the day, my boy = de dag zal je rouwen: To rue a bargain = een koop ongedaan maken; Rue-bargain = rouwkoop; Rueful = droevig, treurig; subst. Ruefulness.
Ruff, rɐf, subst. groote, geplooide kraag, cachepot, oud kaartspel, het aftroeven, kemphaan, duivensoort; Ruff verb. aftroeven: Ruffed grouse = gekraagd hazelhoen.
Ruffian, rɐfj’n, subst. ruwe klant, roover, moordenaar; adj. woest, gemeen; Ruffianism; adj. Ruffianlike, Ruffianly.
Ruffle, rɐf’l, subst. geplooide rand aan mouw of kraag, jabot: onrust, beroering, opwinding; Ruffle verb. frommelen, plooien, rimpelen, in de war brengen, verstoren, tieren, onstuimig worden, bluffen, zich airs geven: To ruffle a person’s feathers = iemand boos maken; His temper was ruffled = hij was uit zijn humeur; To ruffle it = geuren; Ruffler = bluffer, schetteraar: He was a ruffler of the camp = hij was een schreeuwer (vechtersbaas) van het kamp.
Rufous, rûfəs, bruin- of geelrood.
Rufus, rûfəs.
Rug, rɐg, reisdeken, haardkleedje, dek.
Rugged, rɐgid, ongelijk, ruw, onbeholpen, norsch; subst. Ruggedness.
Rugose, rûgous, rugous, gerimpeld; subst. Rugosity.
Ruin, rûin, subst. ondergang, vernietiging, verderf, ruïne; Ruin verb. in het verderf storten, bederven, te gronde gaan (Ruins = overblijfselen, ruïne): To be the ruin of a person, To bring him to ruin = iemand te gronde richten; To fall into ruins = tot puin vervallen; On the brink of ruin = op den rand des ondergangs; To go to wreck and ruin = te gronde gaan; He has ruined me = mij ongelukkig gemaakt; He ruined his eyes with reading = bedierf; Ruination = verderf, ondergang; Ruiner; Ruinous = bouwvallig, verderfelijk, nadeelig, enorm (van prijzen); subst. Ruinousness.
Rule, rûl, subst. regel, bestuur, regeering, gids, levensregel, regelmaat, reglement, orde, duimstok, liniaal; Rule verb. regeeren, besturen, bedwingen, linieeren, leiden, richten, raden, de oppermacht hebben: As a rule = in den regel; That is the rule now = dat is nu de regel; The rule of three = de regel van drieën; That’s a rule-of-three sum of the simplest kind = dat spreekt als een boek; This street is in the rules of the prison = in deze straat mogen de gegijzelden tegen borgstelling nog komen en wonen = They are prisoners on rule; That is an exception to the rule = op den regel; To become the rule; I know it by rule of thumb = uit de practijk: To lay down a rule = vaststellen; To make it a rule = tot regel stellen; He rules with a rod of iron = heerscht met ijzeren vuist; Ruler = regeerder, bestuurder, liniaal; Ruling = heerschend; subst. rechterl. beslissing: Rule-price = marktprijs.
Rum, rɐm, rum; Rum-blossom (Rum-bud) = roode neus; Rum-shrub = soort punch; Rummy = met een rumsmaak.
Rum, rɐm, vreemd, raar: A rum fellow = zonderlinge, origineele kerel; Rummy = raar.
Rumble, rɐmb’l, subst. kattenbak (van een rijtuig); gerommel; Rumble verb. rommelen, bulderen; Rumbler = rammelkast.
Rumelia, rumîljə, Roemelië.
Ruminant, rûmin’nt, herkauwend, nadenkend; subst. herkauwer; Ruminate = herkauwen, bepeinzen, overdenken; subst. Rumination; Ruminative = nadenkend, goed doordacht; Ruminator = overdenker, peinzer.
Rummage, rɐmidž, doorsnuffelen, doorzoeken: He rummaged among my papers; Rummage-sale = opruiming, lappendag.
Rummer, rɐmə, roemer, groote beker.
Rumour, rûmə, subst. gerucht, faam; Rumour verb. vertellen, rondstrooien, ruchtbaar maken: There is a rumour abroad (Rumour has it) that the king will come = het gerucht loopt; It is rumoured = het heet; It was rumoured abroad = het gerucht werd verspreid; rumourer = verspreider van geruchten.
Rump, rɐmp, stuitbeen, stuitje, kruis, staartstuk; Rump-parliament = romp parlement (1648); Rump-steak = lendenstuk.
Rumple, rɐmp’l, subst. vouw, kreukel; Rumple verb. kreukelen, vouwen.
Rumpus, rɐmpəs, rumoer, spektakel.
Run, rɐn, subst. loop, geloop, toeloop, verloop, aanloop, stormloop, uitstapje, vrije toegang, aard, slag, oppositie, vooroordeel, groote navraag, onafgebroken reeks opvoeringen, weideplaats, afgelegde afstand, beek, punt (bij het cricket) etc.; adj. gesmokkeld, gesmolten (Run-butter); Run verb. loopen, snellen, hardloopen, vluchten, varen, voortdrijven, circuleeren, in trek (mode) zijn, gelden, geldig zijn, vloeien, stroomen, tranen, etteren, smokkelen, verloopen, etc.: By the run = plotseling; In the long run = op den duur; With a run = plotseling, overhaast; There is a violent run against it = groote oppositie; There is a run on the bank = de bank wordt bestormd door aanvragen tot terugbetaling; There is rather a run on wax dolls = vrijwat vraag naar; She had a great run in America = veel toeloop, succes; The piece had a great run = had een kolossaal succes; The play had a run of fifty nights = werd 50 maal achtereen opgevoerd; He has had the full run of himself = is geheel uitgeraasd; I had a good run for my money = heb een mooie kans gehad bij de wedrennen; heb hard moeten loopen om mijn geld te krijgen; The smugglers are to have a run to-night = zullen van avond de goederen zien binnen te smokkelen; I had a run of (ill) luck = ’t liep me alles mee (tegen); The general run of legs was crooked = de menschen hadden haast allen kromme beenen; The general run of mankind = het meerendeel der menschen; A pound a week and the run of his teeth = en de kost voor ’t eten; This place is not one of their runs = deze plaats is niet eene van die, welke zij bereizen of bezoeken; He that runs may read = de oppervlakkigste lezer kan dit begrijpen; The story runs = het verhaal gaat; We run this building as a holiday-home = exploiteeren; I will run the chance for your sake = zal het wagen; I have run this coach from my 18th year = gereden; He had to run the ga(u)ntlet of London society = moest zich aan de critiek der Londensche samenleving blootstellen; The most difficult part was to run the goods = de goederen binnen te smokkelen; Let run the rope = laat schieten; The company will run an extra train on Monday = zal laten loopen; To run aground = aan den grond loopen, vastraken; To run close(ly), To run hard = nabijkomen, op de hielen zitten; He was run hard = erg geplaagd, lastig gevallen; You run that expression very hard = maakt misbruik, wel wat veel gebruik van; I will run you home for a pound = om een pond met je loopen wie ’t eerst thuis is; Our commodities are running low = raken op; To run mad = dol worden; His power of sarcasm was allowed to run riot = hij liet den vrijen teugel aan; We ran short of ammunition = onze ammunitie raakte op; To run about = rondloopen, dwalen; To run after = naloopen; Run-after = gezocht; They ran at their enemies = vielen aan; Many mills ran away in the sudden squalls = vele molens liepen door de vang; The horses ran away = gingen op den loop; He ran on before = liep vooruit; He runs before his master = overtreft; The ship was run down by the steamer = werd in den grond geloopen; The ship ran down the coast = voer langs de kust; The dog ran the hare down = haalde in en pakte; Run-down = afgeloopen, uitgeput; They ran for their lives = zochten hun heil in de vlucht, liepen zoo hard zij konden; They ran from one extreme to the other = sloegen van het eene uiterste in het andere over; The thief was run in = werd ingerekend; Heroism runs in their blood = zit hun in ’t bloed; These things run in families; He ran into me = liep (reed) mij tegen het lijf; He ran into debt = hij maakte schulden; The steamer was run into by an ironclad = werd aangevaren; He was running on badly = sloeg erg door; The conversation ran on the topics of the day = liep over; My mind kept running on that subject = ik kon niet van mij afzetten; He has run out his estate = heeft zijne bezittingen verkwist; I am (have) run out of money = ik ben platzak = My money is (has) run out; Our provisions ran out = raakten op; Now you can run out easily = gemakkelijk uitspelen (bilj.); The poor fellow was run over by the express = werd overreden; He ran over all accounts = ging na; He tried to run round the agreement = te ontduiken; He wanted to run me through the body = mij te doorstèken; He ran through 10,000 pounds = hij lapte er door; My knowledge does not run to that = gaat zoo ver niet; It does not run to footmen with me = zoo ver heb ik het niet gebracht, dat ik er lakeien op na kan houden; The piece was run to its 100th representation = beleefde; The bill ran up till it amounted to 50 pounds = liep op; We shall run up an editorial office for you = een redacteursvertrek voor u gereedmaken, laten zetten; The price of the bread was run up = steeg; To run up against = aanloopen, aanrijden tegen; It ran upon this wise = luidde aldus; Run-away, rɐnəwei, subst. vluchteling; adj. wegloopend: A run-away horse = dat op hol is; That was a run-away knock = dat was een “deurtjebel”; A run-away match = schaking; A run-as-you-please contest = een wedloop waarbij de deelnemers mogen loopen zooals ze willen; Runway = stroombedding, pad, baan, spoor van een dier; Runner = looper, bode, hardlooper, blokkadebreker, smokkelaar, detective, bespieder (van paarden bij wedrennen), bovenste molensteen, onderhout (of kiel) van eene slede; agent voor landverhuizers, handelsagent (Amer.); Runner-up = tweede prijs winnaar; Running: He is in the running for that post = heeft kans; He was out of the running when compared with his opponent = zijn tegenstander knikkerde hem royaal van de baan; Death put him out of the running = belette hem verder mee te doen; Five times running = vijfmaal achtereen; Running account = rekening courant; Running fight = gevecht bij een terugtocht; Running fire = aanhoudend kanon- of geweervuur; Running hand = loopend schrift; Running-gear = wielen, assen, etc. van een voertuig; Running-knot = schuifknoop; Running power = ’t recht om treinen te laten loopen op de lijnen van eene andere maatschappij; Running rigging = loopend want; Running-round = fijt (Amer.); Running title = loopende-, hoofdtitel.
Runagate, rɐnəgeit, afvallige, vluchteling.
Rundle, rɐnd’l, sport.
Rune, rûn, runenpoezie.
Rung, rɐŋ, imperf. en p. perf. van to ring.
Rung, rɐŋ, sport, planken vloer (schip): On the lowest rung of the ladder (fig.).
Runic, rûnik: Runic letters; Runic knot = runenknoop.
Runlet, rɐnlət, klein stroompje (ook: Runnel); vaatje (18 à 18½ gallons = ± 81,784 L.).
Runnet, rɐnet. Zie Rennet.
Runnymede, rɐnimîd, weide op den zuidelijken oever van de Theems, waar John Lackland (1215) de Magna Charta verleende: He had to go to Runnymede = hij moest zoete broodjes bakken.
Runt, rɐnt, dwergdier, dwerg, duivensoort.
Rupee, rupî, O.-I. munt, vroeger = ƒ 1,20, thans ± ƒ 0,70; He was shaking the rupee tree = hij verdiende geld als water.
Rupert, rûpət, Rubrecht: (Prince) Rupert’s drop = glastranen.
Rupture, rɐptšə, subst. breuk, scheuring; Rupture verb. barsten, breken, een breuk krijgen.
Rural, rûr’l, landelijk, boersch: Rural dean = deken, die het toezicht heeft op the clergy and laity van een district; Ruralize = op het land wonen, een landelijk aanzien geven; Ruralness = landelijkheid; A ruridecanal (rûridekn’l) meeting = vergadering of bijeenkomst van rural deans.
Ruse, rûz, krijgslist, kunstgreep, streek.
Rush, rɐš, stormloop, geraas, aanloop, aandrang, levendige vraag, groote drukte, energie; Rush verb. stormloopen, zich storten op, bestormen, voort(door)drijven; voortsnellen, naar binnen stuiven: A rush to the doors = een bestorming van; To rush a bill through Parliament = met spoed behandelen en aannemen; The sailors rushed the boats = bestormden de booten; To rush a fortress (= To carry it with a rush) = door een snellen en onverwachten aanval nemen; He gave us no time for reflection, in fact, rushed us = overrompelde ons feitelijk (met zijne vraag); To be rushed = het erg druk hebben; He rushed in upon me all at once = viel me ineens op ’t lijf; Rush-answers = antwoorden aan abonné’s van een blad per telefoon (Amer.); Rush-seat = onbesproken plaats (Amer.); Rush-time = drukke uren in de City; Rusher = doorzetter, aanpakker.
Rush, rɐš, bies; lor: I don’t care a rush = geef er geen lor om, het kan me niets schelen; Rush-bottomed (= Rushseated) = met matten zitting; Rush-candle = kaarsje van biezenmerg in talk gedompeld; Rush-light = licht van een Rush-candle; zwak en flikkerend licht; Rush-mat = biezen mat; Rushiness, subst. v. Rushy = vol biezen.
Rusk, rɐsk, licht gebak, gestampte beschuit, Rusk verb. stampen v. beschuit (Amer.).
Ruskin, rɐskin; Russell, rɐs’l.
Russet, rɐsət, roodbruin, uit roodbruine en grove stof vervaardigd, boersch; subst. roodbruine stof, soort winterappel; Russety = roodbruin.
Russia, rɐšə, Rusland: Russia leather = juchtleder; Russian, subst. en adj. Rus(sische taal), Russisch; Russophile, rɐsəf(a)il, Russenvriend; ook adj.; Russophobia, rɐsəfoubjə, Russenvrees, Russenhaat; The Russo-Turkish war.
Rust, rɐst, subst. roest, schimmel; Rust verb. roesten, schimmelen, roestig maken: To gather rust = roesten, schimmelen, ontaarden; Rust-eaten = door en door verroest; Rustful = roestig; Rustiness, subst. v. Rusty = roestig, beschimmeld, verschoten, afgedragen, stram, krassend, knorrig, saai: I am a little rusty in my French = mijn Fr. is niet veel meer; He is getting rusty = gaat achteruit, wordt vergeetachtig; To turn rusty = boos, saai worden.
Rustic, rɐstik, subst. landbewoner, boer, lomperd; adj. landelijk, eenvoudig, ongekunsteld, primitief, onhandig, lomp: Rustic beauty = landelijke schoone; Rustic tobacco = boerentabak; Rustic work = rustiek bewerkte meubelen en prieelen; Rusticalness = boerschheid, lompheid; Rusticate, rɐstikeit, op het land wonen, verboeren; voor een tijd wegzenden (van de hoogeschool): A rusticated student; The dean rusticated the whole party = de deken sjeesde het heele troepje; subst. Rustication; Rusticity rɐstisiti, landelijkheid, eenvoud, lompheid, boerschheid.
Rustle, rɐs’l, subst. geruisch. geritsel; Rustle verb. ritselen, ruischen; aanpakken (Amer.); Rustler = doorzettend man, veedief (Amer.).
Rut, rɐt, subst. bronsttijd; wagenspoor, groef, goot, voor; Rut verb. met voren of groeven doorsnijden; bronsten, dekken: In the rut(ting) season = bronsttijd; Ruttish = bronstig, geil; Rutty = met groeven doorsneden.
Rutabaga, rûtəbeigə, Zweedsche koolraap.
Ruth, rûth.
Ruth, rûth, kommer, ellende, mededoogen; Ruthful = ellendig, meedoogend; Ruthless = onbarmhartig, wreed; subst. Ruthlessness.
Rutherford, rɐdhəfəd; Ruthven, rɐthv’n, riv’n.
Ruyter (De), dəraitə; Ryswick, rizwik.
Rye, rai, rogge, whisky uit r. gestookt; Rye-bread = roggebrood; Rye-grass = Engelsch raaigras; Rye-straw = roggestroo.
Ryot, raiət, Hindoesche boer, pachter.