I.
Reading edition
I, ai; I(sland); I(d) e(st) = dat is; Ibid(em) = op dezelfde plaats; Icel(andic); Id(em) = hetzelfde; I’d = I would, I had; I(esus) H(ominum) S(alvator) = Jezus de Redder der Menschen; I’ll = I will, I shall; Ill(inois); Illus(trious); I’m = I am; Imp(erator); Imp(ersonal); Imp(erative); Imp(er)f(ect); I(ndian) N(avy); Incog(nito); Indic(ative); Inf(initive); in Ital(ics) = cursief; I(esus) N(azarenus) R(ex) I(udaeorum) = Jezus de Nazarener de Koning der Joden; Inst(ante) = van deze maand; Inst(ant) = oogenblik; Instit(ution) = instelling; Int(erest); Inter(jection); Introd(uction); Io = Iowa; I O(we) U (= you) = ik ben u schuldig, schuldbekentenis; Ir(eland); I(rish) S(ociety); Isl(and).
I, ai, ik: Not I = ik dènk er niet aan; ikke niet.
Iachimo, jakimou; Iago, jâgou.
Iambic, aiambik, subst. en adj. Jambisch(e voet, vers); Iambus, aiambəs, Jambische voet.
Iberia, aibiriə, Iberië: Iberian = Iberisch; bewoner van Iberië.
Ibex, aibeks, steenbok.
Ibis, aibis, Ibis (Egypte).
Icarian, aikêriən, Icarisch, vermetel; bewoner van Icarië; Icarus, ikərɐs.
Ice, ais, subst. ijs; Ice verb. met ijs bedekken, in ijs veranderen, laten bevriezen, met ijs afkoelen, met suikerglazuur bedekken: He has broken the ice = het ijs gebroken, den weg gebaand; kennis aangeknoopt, ’t gesprek begonnen; He iced his office in the dog-days = maakte kil of koud; Ice-age = glaciale of ijsperiode; Ice-bag = ijszak; Ice-berg = ijsberg; Ice-bird = ijsvogel; Ice-blink = ijsblink; Ice-boat = ijsboot, ijsbreker: Ice-boat race; Ice-bound = ingevroren, door het ijs ingesloten; Ice-box = ijskast; Ice-breaker = ijsbreker; Ice-cap = Ice-bag; Ice-cellar = ijskelder; Ice-cream = roomijs; Ice-drift = ijsgang; Ice-field = ijsveld; Ice-floe = ijsschots; Ice-foot = ijsgordel (om den oever); Ice-hole = wak; Ice-house = ijspakhuis; Ice-needle = ijsnaald (bij het bevriezen); Ice-pack = pakijs; Ice-safe = ijskast; Ice-shove = kruien; Ice-spar = veldspaath; Ice-spur = ijsspoor; Ice-water, Ice(d) water = ijswater.
Iceland, aisland, IJsland; Iceland-moss = IJslandsch mos; Icelander; adj. Icelandic.
Ichabod, ikəbod (I Sam. IV, 21).
Ich dien, îk dîn, het motto van den Prince of Wales.
Ichneumon, iknjûm’n, pharao-rat; sluipwesp.
Ichnolite, iknəlait, fossiele voetindruk.
Ichor, (a)ikə, godenbloed, bloed, bloedwater, waterige etter.
Ichthyocolla, ikthiəkolə, vischlijm; Ichthyolite, ikthiəlait, vischsteen; Ichthyology, ikthiolədži, kennis der visschen.
Ichthyosaurus, ikthiəsôrəs, ichthyosaurus, voorwereldlijke vischhagedis.
Icicle, aisik’l, ijskegel.
Iciness, aisinəs, koude, kilheid, koelheid.
Icing, aisiŋ, suikerglazuur; Icing-machine ijsmachine.
Icon, aikon, aik’n, icon.
Iconoclasm, aikonəklazm, beeldstormerij; Iconoclast, aikonəklast, beeldstormer; Iconoclastic(al), beeldstormerig, radicaal.
Iconolator, aikənolətə, beeldendienaar; Iconolatry = beeldendienst.
Icosahedron, aikəsəhîdr’n, aikəsəhedr’n, twintigzijdige figuur.
Icteric, ikterik, geelzuchtig; middel tegen geelzucht: Icteric disease = geelzucht.
Ictus, iktəs, rhythmus: Ictus solis = zonnesteek.
Icy, aisi, ijsachtig, ijskoud; Icy-pearled = met pareltjes van ijs bedekt. Zie Ice.
Ida, aidə; Idaho, aidəhou; Iddesleigh, idəsli.
Idea, aidîə, denkbeeld, begrip, meening, thema, plan: The idea of such a thing! = ’t idee! Stel je voor! His fixed idea = idée fixe; Ideal = ideaal, denkbeeldig; subst. ideaal; Idealism = idealisme; Idealist = idealist; adj. Idealistic; Ideality, aidialiti, ideale toestand; Idealization, subst. v. Idealize, aidîəlaiz, idealiseeren, idealen vormen.
Idem, aid’m, idem.
Identic(al), aidentik(’l), hetzelfde, identiek; Identify, aidentifai, vereenzelvigen, de gelijkheid bewijzen of bepalen; subst. Identification; Identity, aidentiti, identiteit.
Ideograph, (a)idiəgraf, zinnebeeldig schriftteeken; Ideographic(al) = ideographisch; Ideography, (a)idiogrəfi, ideographie.
Ideological, (a)idiəlodžik’l, ideologisch, dweepziek; Ideologist = ideoloog, dweper; Ideology = ideologie, dweperij.
Ides, aidz; de 15e van Maart, Mei, Juli en October, en de 13e der andere maanden.
Id est, id est, dat is.
Idiocy, idjəsi, domheid, onnoozelheid.
Idiograph, idjəgraf, handelsmerk.
Idiom, idj’m, taaleigen, dialect; Idiomatic(al), idjəmatik(’l), idiomatisch, in overeenstemming met het taaleigen.
Idiosyncrasy, idiəsinkrəsi, persoonlijke reactie op bepaalde invloeden (van hooikoortslijders bijv.); adj. Idiosyncratic(al).
Idiot, idjət, idioot; ook adj.: Idiot(’s) fringe = idiotenfranje, ponnies; Idiotic(al), idiotik(’l), idioot; Idiotism = idiotisme.
Idle, aid’l, nietsdoende, leegloopend, niet aan ’t werk; traag, lui, ongebruikt, nutteloos, onbeduidend; ijdel; Idle verb. den tijd in ledigheid doorbrengen, leegloopen, luieren, verlummelen (away): To be kept idle = leeg (moeten) loopen; Idle story = praatje; Idle talk = beuzelpraat; Idle-wheel = wiel, dat de beweging van het ééne rad op het andere overbrengt; Idleness: Hours of idleness = ledige uren; Idler = leeglooper, nietsdoener: He is a busy idler = hij heeft het altijd druk en voert niets uit.
Idol, aid’l, afgod (ook fig.); Idolater, aidolətə, afgodendienaar, vergoder, aanbidder; Idolatress; Idolatrous, aidolətrɐs, afgodisch; Idolatry, aidolətri, afgodendienst, vergoding; Idolize, aidəlaiz, verafgoden; Idolizer = vergoder.
Idyl(l), aidil, idylle; adj. Idyllic.
If, if, ingeval, indien, of, al: If not = zoo niet: If he be ever so rich = hoe rijk hij ook zij; He is fifty if he is a day = tenminste vijftig; Not if I know it = niet als ik er wat aan doen kan; He was doing good work, if he had known it = zonder het te weten.
Igneous, igniəs, vurig, gloeiend; door vuur voortgebracht.
Ignis fatuus, ignisfatjuəs (Meerv. Ignes fatui, ignîzfatjuai), subst. dwaallicht, bedriegelijk iets; adj. dwaas, ijdel.
Ignitable, ignaitəb’l, ontbrandbaar; Ignite, ignait, in brand steken, vuurrood worden, doen ontvlammen: The tank became ignited and burst = raakte in brand; Ignitible = Ignitable; Ignition, igniš’n, ontbranding; Ignitor, ignaitə, ontbrander, ontsteker.
Ignoble, ignoub’l, laag, verachtelijk, onwaardig; subst. Ignobleness.
Ignominious, ignəminjəs, schandelijk, onteerend; Ignominy, ignəmini, schande, oneer, schandelijkheid.
Ignoramus, ignəreiməs, domkop, weetniet; formule door de grand jury oudtijds op eene aanklacht geschreven als er geen voldoende grond tot vervolging bestond.
Ignorance, ignərəns, onwetendheid, domheid: Ignorances = onbewuste zonden; Ignorant, ignərənt, onwetend, ongeletterd: Ignorant of = onbekend met; Not ignorant of = geheel op de hoogte van; Ignore, ignö, niet weten, niet kennen, niet erkennen, voorbijzien, niet tellen: To ignore a bill = een aanklacht als onbewezen afwijzen.
Iguana, igwânə, igweinə, kamhagedis, leguaan; Iguanodon, igwânədon, fossiele leguaan.
Ihlang-ihlang, ilâŋ-ilâŋ, odeur uit eene Oost-Indische bloem.
Ileum, (a)iliəm, kromdarm; Ileus, iliəs, koliek.
Ilex, aileks, steekpalm.
Ilfracombe, ilfrəkûm.
Iliad, iliəd, de Iliade of Ilias; lang verhaal.
Ilk, ilk, elk, het- of dezelfde: Of that ilk = uitdrukking om aan te duiden dat de familienaam van een persoon ook die is van zijne bezitting; van dat slag, die soort.
Ill, il, kwaad, slecht, ongelukkig, ziek; subst. kwaad, ramp, kwaal: Ill at ease = ongerust; Ill blood = kwaad bloed; Ill luck = ongeluk, tegenspoed; Ill weeds grow (thrive) apace = onkruid vergaat niet; It’s an ill wind that blows nobody any good = den een zijn dood is den ander zijn brood; geen kwaad zonder baat; To do ill = verkeerd doen; To fall ill = ziek worden; To fall out ill = mislukken; To fare ill = slecht vergaan; Ill got ill spent = zoo gewonnen, zoo geronnen; To lie ill with diphtheria; Smoking made them ill = misselijk; To take ill = kwalijk nemen; To be taken ill = ziek worden; To think ill of; Ill-advised = onbezonnen; Ill-assorted = slecht bij elkaar passend; Ill-boding = kwaad voorspellend; Ill-breeding = ongemanierdheid; Ill-bred = ruw, lomp; Ill-conditioned = slecht geaard; Ill-concerted (Ill-contrived) = slecht overlegd; Ill-considered = onoordeelkundig; Ill-disposed = slecht gezind; Ill-fated = ongelukkig, rampspoedig; Ill-favoured = leelijk, misvormd; ruw; Ill-feeling = hekel, wrok; Ill-got(ten) = kwalijk of onrechtvaardig verkregen: Ill-gotten goods never prosper = kwalijk verkregen goed gedijt niet; Ill-health = ziekelijkheid; Ill-humour = slechte luim; Ill-mannered = lomp, slechtgemanierd; Ill-matched, Ill-mated = niet bij elkander passend; Ill-nature = boosaardigheid, slechte luim; Ill-natured = boosaardig, knorrig, onhandelbaar; Ill-omened, Ill-starred = onheilspellend; Ill-temper(ed) = (met) slecht en knorrig humeur; Ill-treat = mishandelen; Ill-usage = mishandeling; Ill-used = mishandeld, verguisd; Ill-will = kwaadwilligheid, norschheid; Illness = ongesteldheid, ziekte, verdorvenheid.
Illegal, ilîg’l, onwettig, onrechtmatig; subst. Illegality; Illegalize = ongeldig maken.
Illegibility, iledžibiliti, onleesbaarheid; adj. Illegible.
Illegitimacy, ilədžitiməsi, onrechtmatigheid, onwettigheid; Illegitimate, ilədžitimit, onwettig, buitenechtelijk; onlogisch; Illegitim(at)ize, ilədžitim(ət)aiz, onwettig (voor onecht) verklaren of maken.
Illiberal, ilibər’l, laag, onedel, kleingeestig, gierig; subst. Illiberality.
Illicit, ilisit, ongeoorloofd, onwettig; subst. Illicitness.
Illimitable, ilimitəb’l, onbegrensd.
Illinois, ilinôiz.
Illiteracy, ilitərəsi, ongeletterdheid, onwetendheid: They declared their illiteracy = verklaarden dat zij niet konden lezen of schrijven; Illiterate, ilitərit, ongeletterd, onwetend; ook subst.: Illiterate voters = kiezers, die niet kunnen lezen of schrijven; subst. Illiterateness.
Illogical, ilodžik’l, onlogisch; subst. Illogicalness = Illogicality.
Illume, il(j)ûm, verlichten, verluchten; Illuminant = verlichtingsmiddel; Illuminate = verlichten, verluchten, illumineeren, verklaren; Illuminati, il(j)ûmineitai, Illuminaten (naam van onderscheidene genootschappen); Illumination = het verlichten of versieren, illuminatie, glans, schittering; adj. Illuminative; Illuminator = verluchter; Illumine = Illuminate.
Illusion, il(j)ûž’n, bedrog, begoocheling; Illusionist = visionair, toovenaar, illusionist; Illusive = bedriegelijk; subst. Illusiveness; Illusory = Illusive.
Illustrate, ilɐstreit, iləstreit, ophelderen, toelichten, verduidelijken; subst. Illustration; Illustrative, ilɐstrətiv, ophelderend, verduidelijkend; Illustrator, iləstreitə, ilɐstreitə, illustrator.
Illustrious, ilɐstriəs, doorluchtig, beroemd, schitterend: His Most Illustrious the Prince = Zijne Doorluchtigheid; subst. Illustriousness.
Illutation, iljuteiš’n, modderbad.
Illyria, iliriə, Illyrië; Illyrian = Illyriër, Illyrisch.
Image, imidž, subst. beeld, afbeeldsel, type, beeltenis, voorstelling; Image verb. afbeelden, afspiegelen, een (innerlijk) beeld vormen van: In the image of God = naar het beeld Gods; Image-boy = Ital. beeldjeskoopman; Image-maker = vervaardiger van gipsbeelden; Image-worship = beeldendienst, afgoderij; Imagery, imədžəri, beelden, afbeelding; Imaginable, imadžinəb’l, denkbaar; Imaginariness = onwerkelijkheid; Imaginary, imadžinəri, denkbeeldig, onwerkelijk; Imagination, imadžineiš’n, verbeelding(skracht), voorstelling(svermogen); Imaginative, imadžinətiv, verbeeldings …, rijk aan verbeelding(skracht); subst. Imaginativeness; Imagine, imadžin, zich verbeelden, voorstellen: I did not imagine about these things = daar heb ik niet om gedacht; Imagining = voorstelling, hersenschim.
Imago, imeigou, volkomen ontwikkeld insect.
Imam, imâm, Iman, vorst; Mahomedaansch priester (Turkije).
Imaret, imərət, imâret, Mahom. herberg voor pelgrims.
Imbecile, imbəsîl, imbesil, subst. en adj. zwak(ke naar lichaam of geest), idioot; subst. Imbecility, imbəsiliti.
Imbibe, imbaib, (in)drinken, inzuigen, opslorpen, zuipen, opnemen; subst. Imbibition.
Imbow, imbou, welven.
Imbricate, imbrikeit, elkander bedekken gelijk dakpannen; met dakpanvormige versieringen bedekt (imbrikit) = Imbricated; subst. Imbrication.
Imbroglio, imbrouljou, verwarring, verwikkeling.
Imbrue, imbrû, bezoedelen, baden (in bloed), (bloed) vergieten.
Imbrute, imbrût, verdierlijken.
Imbue, imbjû, doortrekken, drenken, verven, vervullen, doordringen.
Imitability, imitəbiliti, navolgbaarheid; Imitable, imitəb’l, navolgbaar; Imitate, imiteit, nabootsen, navolgen; Imitation, imiteiš’n, navolging, nabootsing; ook adj.: In imitation of = in navolging van; Imitation-lace = onechte kant; Imitative, nabootsend, nagebootst (of); Imitator = nabootser, naäper.
Immaculate, imakjulit, onbevlekt, onberispelijk: Immaculate Conception = Onbevlekte Ontvangenis; subst. Immaculateness.
Immanence, imənens, subst. van Immanent = immanent, onafscheidelijk.
Immanuel, imanjuəl, “God met ons” (naam van Jezus).
Immarginate, imâdžinit, zonder rand.
Immaterial, imətîriəl, onstoffelijk, geestelijk, van geen belang of onverschillig: That is quite immaterial to me = mij totaal onverschillig; Immaterialism = immaterialisme, spiritualisme; Immateriality, imətîrialiti, onstoffelijkheid, onwezenlijkheid, onbelangrijkheid.
Immature, imətjûə, onrijp, ontijdig; subst. Immaturity.
Immeasurable, imežərəb’l, onmeetbaar; subst. Immeasurableness.
Immediate, imîdjit, onmiddellijk, dadelijk, direct, oogenblikkelijk; spoed! (op brieven); subst. Immediateness.
Immedicable, imedikəb’l, ongeneeslijk.
Immemorial, imimôriəl, onheugelijk: From (For, Since) time(s) immemorial = sedert onheugelijke tijden.
Immense, imens, onmetelijk, oneindig, onbegrensd, uitstekend, kranig; subst. Immenseness = Immensity.
Immensikoff, imensikof, groote overjas met bont, pelsjas.
Immerse, imɐ̂s, indompelen, onderdompelen, indoopen, verdiepen, verzinken: He was immersed in his studies = verzonken in; subst. Immersion.
Immigrant, imigr’nt, gaande naar of komende in een vreemd land; subst. immigrant; Immigrate, imigreit, zich in een vreemd land vestigen; subst. Immigration.
Imminence, iminens, subst. van Imminent = nabij, dreigend, boven het hoofd hangend.
Immobile, imoubil, onbewegelijk; Immobility, iməbility, onbewegelijkheid; Immobilization = onttrekken v. geld aan den omloop.
Immoderate, imodərit, buitensporig; subst. Immoderateness; Immoderation = gebrek aan gematigdheid, buitensporigheid.
Immodest, imodəst, onbescheiden, aanmatigend; onkiesch, onkuisch; subst. Immodesty.
Immolate, iməleit, (op)offeren; Immolation = offeren, offer; Immolator = offeraar.
Immoral, imor’l, onzedelijk; subst. Immorality.
Immortal, imöt’l, subst. en adj. onsterfelijk(e), onvergankelijk(e); Immortality = onsterfelijkheid; Immortalize = vereeuwigen, onsterfelijk maken; Immortelle, imötel, immortelle.
Immovability, imûvəbiliti, subst. v. Immovable, imûvəb’l, onbewegelijk, onwrikbaar, onveranderlijk, ongevoelig: Immovables = onroerende goederen, wat “spijkervast” is; Immovableness = Immovability.
Immune, imjûn, adj. vrij, onvatbaar voor: Immune horses = “gezouten” paarden (Z. Afr.); To be immune from; Immunity = vrijstelling, ontheffing, privilege; onvatbaarheid: Immunity from disease; To purchase immunity from military service, etc. = zich vrijkoopen; Immunize = immun maken.
Immure, imjûə, opsluiten, als met een muur omringen.
Immutability, imjûtəbiliti, subst. v. Immutable, imjûtəb’l, onveranderlijk; Immutableness = Immutability.
Imogen, imədžen.
Imp, imp, subst. kabouter, booze geest, deugniet, guit; verlengstuk; Imp verb. van nieuwe vederen voorzien, verlengen; Impish, duivelachtig.
Impact, impakt, schok, stoot; To impact = samendrukken, indrijven.
Impair, impêə, benadeelen, beschadigen, doen verminderen, verminderen, verzwakken: His health was not seriously impaired = had niet erg geleden, was niet ernstig aangetast; subst. Impairment.
Impale, impeil, spietsen, vastnagelen, ompalen; subst. Impalement.
Impalpability, impalpəbiliti, subst. v. Impalpable, impalpəb’l, niet voel- of tastbaar, fijn.
Impan(n)el, impan’l, op de lijst der jury plaatsen, uitloten en beëedigen.
Imparisyllabic, imparisilabik, met een ongelijk getal lettergrepen.
Imparity, impariti, ongelijkheid, verschil.
Impark, impâk, tot park maken; in een wildbaan opsluiten.
Impart, impât, verleenen, mededeelen, een deel geven; Imparter.
Impartial, impâš’l, onpartijdig, billijk, belangeloos; subst. = Impartialness = Impartiality.
Impassability, impâsəbiliti, subst. v. Impassable, impâsəb’l, onbegaanbaar, ontoegankelijk; Impassableness = Impassability.
Impassibility, impasibiliti, subst. v. Impassible, impasib’l, ongevoelig, gevoelloos; subst. Impassibleness.
Impassion, impaš’n: Impassioned = hartstochtelijk, vurig.
Impassive, impasiv, ongevoelig, gevoelloos, onverstoorbaar; subst. Impassiveness.
Impastation, impasteiš’n, samenkneding, marmerimitatie; Impaste, impeist, samenkneden (tot deeg), de kleuren er dik opleggen; Impasto = dikke verflaag.
Impatience, impeiš’ns, ongeduld, afkeer: His impatience of oppression = zijn afkeer (afschuw) van; An impatience of poetry = hekel aan poëzie.
Impatient, impeiš’nt, ongeduldig, vurig verlangend; afkeerig: I am impatient for his arrival = verlang vurig; He was impatient of slavery = kon niet dulden.
Impawn, impôn, verpanden.
Impeach, impîtš, in twijfel trekken, bestrijden; aanklagen, in staat van beschuldiging stellen; Impeachable = bestrijdbaar, aanklaagbaar, berispelijk; Impeacher; Impeachment = beschuldiging, aanklacht, etc.
Impearl, impâl, tot paarlen maken, beparelen.
Impeccability, impekəbiliti, subst. v. Impeccable, impekəb’l, onfeilbaar, schuldeloos.
Impecuniosity, impəkjûniositi, geldgebrek, armoede; Impecunious, impəkjûniəs, arm, zonder geld.
Impede, impîd, beletten, verhinderen; Impediment, impediment, beletsel: He has an impediment in his speech = hij kan sommige letters niet zeggen, stamelt, spreekt onduidelijk, lijdt aan spraakbelemmering; Impeditive = hinderlijk, belemmerend.
Impel, impel, voortdrijven, aanzetten; Impeller; Impellent, subst. aandrift, drijfkracht; adj. aansporend, voortdrijvend.
Impend, impend, boven het hoofd hangen, voor de deur staan, dreigen (over); subst. Impendence; Impendent = Impending.
Impenetrability, impenətrəbiliti, subst. v. Impenetrable, impenətrəb’l, ondoordringbaar, ongevoelig, ondoorgrondelijk; Impenetrate = doordringen.
Impenitence, Impenitency, impenitens(i), verstoktheid; adj. Impenitent, ook subst.
Impennate, impenit, zonder vleugels (veeren), met korte vleugels; Impennes, impenîz, het geslacht der Pinguins.
Imperative, imperətiv, gebiedend, verplicht; subst. gebiedende wijs: The categorical imperative = de categorische imperatief; This is imperative on all vessels = wordt geëischt van, is verplichtend voor.
Imperator, impəreitə, impəreitə, imperator, keizer; adj. Imperatorial.
Imperceivable, impəsîvəb’l, Imperceptible, impəseptib’l, onmerkbaar, onwaarneembaar; subst. Imperceptibleness.
Imperence, impərens = Impudence.
Imperfect, impɐ̂fəkt, onvolkomen of onvolmaakt; onvolmaakt verleden tijd; subst. Imperfection = Imperfectness.
Imperforable, impɐ̂fərəb’l, ondoorboorbaar; Imperforate(d), impɐ̂fərit (impɐ̂fəreitid), zonder openingen, niet doorboord.
Imperial, impîriəl, keizerlijk, rijks…, Britsch; vorstelijk, verheven, gebiedend, heerschzuchtig; subst. imperiaal (voor bagage op een rijtuig); plaats buitenop (koets of diligence), imperiaal (papier: 55 bij 80 cM.), haarbosje aan de onderlip; koepeldak, oude gouden munt: Imperial city = Duitsche vrije rijksstad; Imperial federation = plan tot bevestiging van het Britsche rijk, waarbij de rechten der koloniale parlementen onaangetast blijven; Imperial Institute = een museum in Londen (gesticht in 1887); Imperialism = keizerregeering, federatiepolitiek, streven naar wereldmacht; Imperialist, aanhanger van het imperialisme; adj. Imperialistic.
Imperil, imperil, in gevaar brengen.
Imperious, impîriəs, gebiedend, aanmatigend; heerschzuchtig, dringend; subst. Imperiousness.
Imperishable, imperišəb’l, onvergankelijk, eeuwig; subst. Imperishableness.
Imperium, impîriəm, oppermacht.
Impermanent, impɐ̂mənent, niet duurzaam of standvastig; subst. Impermanence.
Impermeability, impɐ̂miəbiliti, subst. v. Impermeable, impɐmiəb’l, ondoordringbaar: Impermeable to water = waterdicht.
Impersonal, impɐ̂sən’l, subst. en adj. onpersoonlijk (werkwoord); subst. Impersonality.
Impersonate, impɐ̂seneit, verpersoonlijken, voorstellen; Impersonation = vertolking; Impersonator = vertolker.
Impertinence, -cy, impɐ̂tinens(i), wat niet tot de zaak behoort; ongepastheid, onbeschaamdheid, onbehoorlijkheid: Miss Impertinence = kleine wijsneus; adj. Impertinent, ook subst.
Imperturbability, impətɐ̂bəbiliti, subst. v. Imperturbable, impətɐ̂bəb’l, onverstoorbaar, leuk.
Impervious, impɐ̂viəs, ondoordringbaar, ontoegankelijk; subst. Imperviousness.
Impetuosity, impetjuositi, subst. v. Impetuous, impetjuəs, ontstuimig, woest, heftig: subst. Impetuousness.
Impetus, impitɐs, beweegkracht, drijfkracht, aandrift.
Impi, impi, troepenafdeeling der Kaffers.
Impiety, impaiəti, goddeloosheid, ongeloof; adj. Impious, impiəs; subst. Impiousness.
Impinge, impinž, stooten, raken, zondigen tegen: The first circle impinges on the second = raakt (snijdt); The song of the skylark impinged on her ear = trof haar oor; subst. Impingement; adj. Impingent.
Implacability, impleikəbiliti, subst. v. Implacable, impleikəb’l, onverzoenlijk, onverbiddelijk; subst. Implacableness.
Implant, implânt, zaaien, enten, inprenten; subst. Implantation.
Implausible, implôzib’l, onwaarschijnlijk.
Implement, impləment, werktuig, gereedschap.
Implicate, implikeit, inwikkelen, verwikkelen: Two others were implicated (in it) = er bij betrokken; Implication: By implication = erin begrepen, stilzwijgend = Implicative (of).
Implicit, implisit, stilzwijgend of daaronder begrepen, onvoorwaardelijk, blind; ingewikkeld: I have an implicit faith in you = vertrouw u onvoorwaardelijk; subst. Implicitness.
Imploration, imploreiš’n, smeeking; Implore, implö, smeeken.
Imply, implai, insluiten, stilzwijgend er onder begrijpen, beteekenen, insinueeren, te verstaan geven: That is implied in it = er in begrepen.
Impolicy, impolisi, gebrek aan overleg.
Impolite, impəlait, onbeleefd, lomp; subst. Impoliteness.
Impolitic, impolitik, onverstandig, onoordeelkundig.
Imponderability, impondərəbiliti, subst. v. Imponderable, impondərəb’l, onweegbaar: Imponderables = imponderabiliën.
Import, impöt, invoer, belang, gewicht, beteekenis, invloed, nut, inhoud: Imports and exports = in- en uitvoer; Import duties = inkomende rechten; Import trade.
Import, impöt, invoeren, beteekenen, van belang zijn; Importable = invoerbaar; subst. Importation, impöteiš’n: Importations = import artikelen; Importer = importeur.
Importance, impöt’ns, belang, gewicht, invloed, beteekenis, gewichtigheid; Important = belangrijk, gewichtig doende.
Importunate, impötjunit, lastig, aanhoudend, dringend; subst. Importunateness.
Importune, impötjûn, impötjûn, aanhoudend aandringen, lastig vallen; Importunity, impötjûniti, overlast, etc.
Impose, impouz, opleggen, opdringen, voorschrijven, bedriegen, in de handen stoppen: I will not be imposed upon = mij niet laten bedriegen; He never imposed on me on this subject = maakte nooit grooten indruk op mij; Imposing, impouziŋ, indrukwekkend; Imposition, impəziš’n, oplegging, belasting, strafwerk, bedrog: It would be an imposition on his good nature = misbruik maken van.
Impossibility, imposibiliti, onmogelijkheid; adj. Impossible; At impossibly early hours = onmogelijk vroege.
Impost, impoust, belasting, invoerrecht.
Impostor, impostə, bedrieger; Imposture, impostjə, bedrog.
Impotence, Impotency, impətens(i), onmacht, machteloosheid, onvermogen; Impotent, impətent, machteloos, onvermogend, impotent.
Impound, impaund, opsluiten (van verdwaald vee in een pound); opsluiten, beslag leggen op.
Impoverish, impovəriš, verarmen, uitputten, uitzuigen; subst. Impoverishment.
Impracticability, impraktikəbiliti, subst. v. Impracticable, impraktikəb’l, ondoenlijk, onuitvoerbaar, onhandelbaar, koppig; subst. Impracticableness.
Imprecate, imprikeit, vervloeken, verwenschen, een vloek roepen op; subst. Imprecation; adj. Imprecatory, imprikətəri, impreikətəri.
Impregnability, impregnəbiliti, subst. v. Impregnable, impregnəb’l, onneembaar, onverwinlijk, onverstoorbaar.
Impregnate, impregneit, bezwangeren, bevruchten; vruchtbaar maken, doortrekken, verzadigen; adj. impregnit, zwanger; subst. Impregnation.
Impresario, impresâriou, imprezâriou, impressario.
Imprescriptible, impriskriptib’l, onverjaarbaar.
Impress, impres, stempel, afdruksel, merk, motto, indruk; het pressen.
Impress, impres, stempelen, merken, teekenen; drukken, indruk maken, inprenten, op het hart drukken, forsch aandringen; pressen, requireeren: A feeling of impending misfortune impressed me = drukte mij terneer; Impress-money, handgeld; Impressibility = ontvankelijkheid; Impressible, ontvankelijk; Impression = indruk, meening, stempel, afdruk, uitgave of oplaag, flauwe herinnering, invloed, uitwerking; Impressionable = licht voor indrukken vatbaar, prikkelbaar; Impressionism, impressionisme; Impressionist = impressionist; Impressionistic, impressionistisch; Impressive, indrukwekkend; subst. Impressiveness; Impressment: Impressment into military service = gedwongen dienstneming.
Imprest, imprest, voorschot; Imprest-office = departement van de admiraliteit dat voorschotten verleent aan officieren van administratie.
Imprimatur, imprimeitə, verlof (van den censor of corrector) tot het drukken (woordelijk: “dat het gedrukt worde”).
Imprint, imprint, afdruk; naam van drukker of uitgever van een boek, etc., met de plaats en den datum der uitgave.
Imprint, imprint, drukken, stempelen, inprenten.
Imprison, impriz’n, gevangen nemen; subst. Imprisonment: False imprisonment = wederrechtelijke gevangenzetting.
Improbability, improbəbiliti, subst. v. Improbable, improbəb’l, onwaarschijnlijk.
Improbity, improbiti, oneerlijkheid.
Impromptu, improm(p)tjû, adj. extemporé, geimproviseerd; ook subst.; Impromptuist = improvisator.
Improper, impropə, ongeschikt, ongepast, onjuist: Improper-fraction = onechte breuk.
Impropriate, improuprieit, zich toeëigenen; kerkelijke inkomsten en bedieningen in handen van leeken stellen; subst. Impropriation = die overdracht, het overgedragene; Impropriator, improuprieitə, die zich rechten toeëigent; leek, die kerkelijke goederen en bedieningen in handen heeft.
Impropriety, imprəpraiiti, ongepastheid, onwelvoegelijkheid, onjuistheid.
Improvable, imprûvəb’l, verbeterbaar; Improve, imprûv, verbeteren, volmaken, voordeel trekken, gebruik maken van, aankweeken, herstellen, vermeerderen, verhoogen, beter worden, stijgen: He has improved the occasion = heeft de gelegenheid waargenomen; He was called upon to improve the death of three young fishermen = hij werd gevraagd om eene stichtelijke toespraak te houden bij de begrafenis van drie jonge visschers; To improve away = verwijderen, verdrijven; That old gate has been improved off the face of the earth = is gelukkig van den aardbodem verdwenen; Some people improve on (upon) acquaintance = vallen hoe langer hoe meer mee bij nadere kennismaking; That cannot possibly be improved upon = laat geen verbetering toe; Improvement = verbetering, vordering, nuttig gebruik, stijging; Improver = verbeteraar; volontair.
Improvidence, improvidens, zorgeloosheid; Improvident, improvident, zorgeloos.
Improvisation, improvizeiš’n, improvisatie; Improvisator, improvizeitə, Improvisatore, imprəvizatôri, improvisator; Improvise, imprəvaiz, imprəvîz, improviseeren.
Imprudence, imprûd’ns, onvoorzichtigheid; Imprudent, imprûd’nt, onvoorzichtig.
Impudence, impjûdens, onbeschaamdheid; Impudent, impjudent, onbeschaamd; Impudicity = Impudence.
Impugn, impjûn, bestrijden, weerspreken; Impugnable, impjûnəb’l, bestrijdbaar, weerlegbaar; subst. Impugnation; Impugner.
Impulse, impɐls, Impulsion, impɐlš’n, aandrang, aandrift, aansporing; stoot; Impulsive, impɐlsiv, aandrijvend, impulsief; subst. Impulsiveness.
Impunity, impjûniti, straffeloosheid: With impunity = straffeloos.
Impure, impjûə, onrein, onzuiver, besmet, vuil, onkuisch; subst. Impureness = Impurity, impjûriti.
Imputability, impjûtəbiliti, subst. v. Imputable, impjûtəb’l, toerekenbaar; Imputation, impjûteiš’n, beschuldiging, aantijging, verwijt: I will not suffer an imputation on my brother’s character; Impute, impjût, toeschrijven, toerekenen, ten laste leggen (to): Don’t impute the ill success to me = wijt mij niet; Imputer.
In, in, prep. en adv. in, op, naar, bij, tehuis; subst. meest mv.; In verb. inbrengen: In the air = in de lucht; The news is in the air = gaat rond; To be in arms = onder de wapenen; In conclusion = tot besluit, om kort te gaan; In the daytime = overdag, des daags; He is not worthy to be mentioned in the same day as his friend = op één dag; In drink = dronken; In fact = inderdaad; In favour of = ten gunste van; He gave me twenty in fifty in billiards = gaf me 20 op de 50 vóór; In fine = ten slotte; In haste = haastig; In love = verliefd; In name of = bij wijze van; In the name of = in naam van; In the night = ’s nachts; In obedience to = ingevolge; In my opinion = naar mijne meening; In order to = ten einde; In for a penny, in for a pound = wie A zegt, moet ook B zeggen; A penny in the pound = een stuiver van of op de ƒ 12; In the reign of = onder de regeering van; In regard, respect to = met betrekking tot, ten opzichte van; My membership in your society = van uwe vereeniging; I spoke these words more in sorrow than in anger = meer uit droefheid dan uit toorn; A great pleasure is in store for you = staatje te wachten; He is one in a thousand = één uit de duizend; In time = op tijd; In due time = op den rechten tijd; If these things be done in the green tree, what will be done in the dry = in de jeugd … op ouden leeftijd; In vain = te vergeefs; In virtue of his office = krachtens zijn ambt; In writing = in geschrifte, schriftelijk; Are you curious in books on London = gesteld op boeken over L.?; I am in for it = ik ben er bij, kan er niet aan ontsnappen; How soon shall we be in? = in de haven, binnen zijn; They are in and out twenty times a day = hebben standjes en worden weer goed twintigmaal per dag; The liberals are in now = zijn nu aan de regeering; Champagne is not in it = haalt er niet bij; You are not in it with your friend = gij haalt niet bij; To be in with = iets uit te staan hebben (connecties hebben) met; Caught in the act = op heeterdaad betrapt; Come in = kom binnen; He had it in him = het lag in zijn aard, hij kon; In that = aangezien, daar, omdat; In-and-in-breeding = fokken met hetzelfde fokmateriaal; In and out running = afwisselend winnen en verliezen (bij rensport); subst. The ins and outs = hoeken en gaten, moeielijkheden; bijzonderheden: The ins and outs of a town = de hoeken en gaten van eene stad; The ins and outs = regeering en oppositie; The ins and the outs of the matter = alle bijzonderheden of het fijne van.
Inability, inəbiliti, onbekwaamheid, onvermogen.
Inaccessibility, inəksesibiliti, subst. v. Inaccessible, inəksesib’l, ontoegankelijk, ongenaakbaar.
Inaccuracy, inakjurəsi, onnauwkeurigheid; Inaccurate(ness), inakjurit(nəs), onnauwkeurig(heid).
Inaction, inakš’n, werkeloosheid, rust, traagheid; Inactive, inaktiv, werkeloos, vadsig, zonder uitwerking, zonder handeling, flauw (handelsterm), bewegingloos, onwerkzaam; subst. Inactivity, inəktiviti.
Inadequacy, inadikwəsi, onevenredigheid, ongelijkheid, onvoldoendheid; Inadequate, inadikwit, onevenredig, ongelijk, onvoldoende (to); Inadequation, inadikweiš’n, gebrek aan overeenkomst.
Inadmissibility, inədmisibiliti, subst. v. Inadmissible, inədmisib’l, onaannemelijk, niet toelaatbaar.
Inadvertence, -cy, inədvɐ̂t’ns(i), zorgeloosheid, onachtzaamheid; Inadvertent = onbewust, zonder er bij te denken.
Inalienability, ineiljənəbiliti, subst. v. Inalienable, ineiljənəb’l, onvervreemdbaar.
Inalterability, inôltərəbiliti, subst. v. Inalterable, inôltərəb’l, onveranderlijk.
Inane, inein, ledig, zinloos, doelloos, waardeloos; subst. (de) ledige ruimte.
Inanimate, inanimit, onbezield, levenloos, flauw (handelsterm): Inanimate bird = Clay-pigeon; subst. Inanimateness.
Inanition, inəniš’n, ledigheid, uitputting (Med.).
Inanity, inaniti, zinloosheid, zinlooze opmerking, holheid, ledigheid; Inanities = dwaasheden, zinledige gezegden.
Inappellable, inəpeləb’l, waartegen niet geappelleerd kan worden, laatste.
Inappetence, -cy, inapitens(i), gebrek aan eetlust of verlangen; adj. Inappetent.
Inapplicability, inaplikəbiliti, subst. v. Inapplicable, inaplikəb’l, ontoepasselijk, niet behoorende bij.
Inappreciable, inəprîšəb’l, onschatbaar, onmerkbaar.
Inapproachable, inəproutšəb’l, ongenaakbaar, weergaloos.
Inappropriate, inəproupriit, ongeschikt, ongepast; subst. Inappropriateness.
Inapt, inapt, ongeschikt, niet voegzaam, onbekwaam; subst. Inaptitude, inaptitjûd = Inaptness.
Inarch, inâtš, enten zonder den geënten tak van de moederplant te scheiden.
Inarticulate, inâtikjulit, onduidelijk, onverstaanbaar, sprakeloos, zonder geledingen; Inarticulated (inâtikjuleited); subst. Inarticulateness; Inarticulation = onduidelijkheid (in het spreken).
Inasmuch, inəzmɐtš, aangezien, voor zooverre als.
Inattention, inətenš’n, onoplettendheid, achteloosheid; Inattentive, inətentiv, onoplettend, achteloos.
Inaudibility, inôdibiliti, subst. v. Inaudible, inôdib’l, onhoorbaar; subst. Inaudibleness.
Inaugural, inôgjur’l, inauguraal; subst. inaugurale rede (Amer.); Inaugurate, inôgjureit, plechtig in een ambt bevestigen, inhuldigen, openen, beginnen met, in ’t leven roepen; subst. Inauguration: The inauguration of the Queen; Inauguratory, inôgjurətəri, inwijdend, huldigend.
Inauspicious, inôspišəs, onheilspellend, ongelukkig, ongunstig.
Inboard, inböd, adj. binnenboordsch; adv. aan boord: Inboard cargo = vracht in ’t ruim.
Inborn, inbön, aangeboren, natuurlijk.
Inbreathe, inbrîdh, inademen, inspireeren.
Inbred, inbred, aangeboren, inlandsch; door inbreeding verkregen.
Inbreed, inbrîd, fokken met steeds hetzelfde materiaal.
Inca, inkə, vorst (van Peru, vóór 1531).
Incalculable, inkalkjuləb’l, onberekenbaar; subst. Incalculableness.
Incandesce, inkandes, gloeien, doen gloeien; subst. Incandescence = gloeien, gloeihitte; Incandescent = gloeiend, witgloeiend, gloei—: Incandesce lamp = (electrische) gloeilamp; Incandesce light = gasgloeilicht.
Incantation, inkanteiš’n, tooverformule, betoovering.
Incapability, inkeipəbiliti, onbekwaamheid, onbevoegdheid; Incapable, inkeipəb’l, onbekwaam, onbevoegd; Incapacitate, inkəpasiteit, onbekwaam of onbevoegd maken; subst. Incapacitation; Incapacity, inkəpasiti, onbekwaamheid, ongeschiktheid (of, for).
Incarcerate, inkâsəreit, gevangen zetten; Incarcerated hernia = beklemde breuk; Incarceration = gevangenzetting, beklemming.
Incarnate, inkâneit, vleesch worden: To be incarnated = vleesch (mensch) geworden; adj. inkânit: God incarnate = Godmensch; A devil incarnate, an incarnate fiend = een duivel in menschengestalte; Incarnation, inkâneiš’n, vleeschwording, verpersoonlijking, vleeschvorming.
Incase, inkeis. Zie Encase.
Incautious, inkôšəs, onvoorzichtig; subst. Incautiousness.
Incendiarism, insendjərizm, brandstichting, ophitsing: Incendiary, insendjəri, subst. brandstichter, oproermaker, aanstoker; adj. brandstichtend, oproer stokend, ophitsend, vuur—, brand—.
Incense, insens, subst. wierook (ook fig.); Incense verb, insens, insens, bewierooken (ook fig.); Incense-boat = wierookdoosje.
Incense, insens, woedend maken, vertoornen (against, with).
Incentive, insentiv, aansporend, prikkelend; subst. aansporing, prikkeling.
Inception, insepš’n, begin; Inceptive, beginnend, aanvangs—.
Incessant, inses’nt, onophoudelijk, voortdurend; subst. Incessantness.
Incest, insest, bloedschande; Incestuous, insestjuəs, bloedschendig; subst. Incestuousness.
Inch, inš, 2,54 cM. (twaalfde deel van een foot), kleine hoeveelheid; eilandje (Schotl.): At an inch = precies, op een haar; Inch by inch = langzamerhand, voet voor voet: He died by inches = langzaam; Of inches = rijzig; To an inch = precies; Within an inch = bijna; He is every inch a king = in hart en nieren, een echte; He did not bate an inch = liet niets vallen; Give him an inch, he will take an ell = als men hem een vinger geeft, neemt hij de heele hand; This paper gives the story five inches of praise = twijfelachtigen lof = faint praise; He was dressed within an inch of his life = piekfijn uitgedost; I thrashed him within an inch of his life = sloeg hem bijna dood; We did it by inch-meal = bij stukjes en brokjes; Inch-rule = duimstok; Inch-stuff = vuren planken van een inch dikte; Inched (in samenst.): Three-inched.
Inchoate, inkouit, begonnen, aanvangs - -; subst. Inchoation = aanvang; Inchoative, inkouətiv, inkoueitiv, beginnend, aanvangs …
Incidence, insidens, de inval van een straal; het raken: The incidence of taxation = het verdeelen; Angle of incidence = hoek van inval; Area of incidence = omvang van de beteekenis (woord); Line of incidence = lijn van inval; Incident, insident, invallend, voorkomend bij, eigen aan, toevallig; subst. bijomstandigheid, voorval: It is incident to travellers to get accidents = reizigers zijn aan ongelukken blootgesteld; Incident on (to) the occasion = die de gelegenheid meebrengt; Paintings of incident = genrestukken; Incidental, insident’l, bijkomend, toevallig, ondergeschikt, afhankelijk: It is incidental to = het behoort tot; Incidental upon = toevallig volgend op.
Incinerate, insinəreit, tot asch verbranden; Incineration, lijkenverbranding (Amer.); Incinerator, oven voor verbranding van straatvuil, etc.
Incipience, -cy, insipj’ns(i), begin; Incipient, insipj’nt, beginnend, eerste: Boys with incipient beards = met vlas om de kin.
Incise, insaiz, insnijden, graveeren: Incised wound = snijwond; Incision, insiž’n, insnijding, kerf, snede, wond; Incisive, insaisiv, insnijdend, scherp, snij - -; Incisive teeth = snijtanden; subst. Incisiveness; Incisor, insaizə, snijtand; Incisory = snijdend, snij - -; Incisure = insnijding.
Incitant, insitənt, insaitənt, prikkelend; subst. prikkel, opwekkingsmiddel; Incitation, insiteiš’n, aansporing, prikkel; Incite, insait, aansporen, prikkelen; subst. Incitement; Inciter.
Incivility, insiviliti, onbeleefdheid, lompheid; Incivilization, gebrek aan beschaving.
Incivism, insivizm, gebrek aan burgerzin.
Inclemency, inklem’nsi, onmeedoogendheid, guurheid; adj. Inclement, inklem’nt.
Inclinable, inklainəb’l, geneigd; Inclination, inklineiš’n, neiging, geneigdheid, helling, schuinte, inclinatie; Incline, inklain, subst. neiging, helling, hellend vlak; Incline verb. (inklain), neigen, overhellen, geneigd zijn, hellen, richten, bewegen, brengen tot: He inclined to conservatism = helde over naar; To incline lower = goedkooper worden; Inclined-plane = hellend vlak; Incliner.
Inclose, inklouz, insluiten, omringen, omheinen, afrasteren: Inclosed letter = ingesloten brief; Inclosure, inkloužə, insluiting, omheining, het ingeslotene of omheinde.
Include, inklûd, insluiten, omhelzen, bevatten: Costs included = met kosten; Not included = er niet onder begrepen; Inclusion, inklûž’n, insluiting, bevatting; Inclusive, inklûsiv, ingesloten, bevattend, insluitend, er in begrepen.
Incog, inkog, (verkorting van): Incognito, incognito; onbekend (man); Incognita = onbekende (vrouw).
Incoherence, -cy, inkouhîr’ns(i), gebrek aan samenhang of consequentie; adj. Incoherent.
Incombustibility, inkəmbɐstibiliti, subst. v. Incombustible, ink’mbɐstib’l, onverbrandbaar.
Income, inkɐm, inkomen, inkomsten; Income-tax = inkomstenbelasting; Incomeless = zonder inkomen; Incomer = inbezitnemer, nieuwe huurder, opvolger; Incoming, inkɐmiŋ, bezit of ambt aanvaardend, inkomend; subst. ingang, winst, inkomsten (gewoonl. meerv.): The incoming president = de nieuwe president.
Incommensurability, inkəmenšərəbiliti, subst. v. Incommensurable, inkəmenšərəb’l, onderling onmeetbaar; subst. Incommensurableness; Incommensurate, inkəmenšərit, onderling onmeetbaar, onevenredig.
Incommode, inkəmoud, lastig vallen, storen, belemmeren; Incommodious, inkəmoudjəs, hinderlijk, lastig; subst. Incommodiousness = Incommodity.
Incommunicability, inkəmjunikəbiliti, subst. v. Incommunicable, inkəmjûnikəb’l, niet geschikt om te worden medegedeeld; Incommunicableness; Incommunicative = terughoudend, gesloten.
Incomparable, inkompərəb’l, weergaloos, ongeëvenaard; subst. Incomparableness.
Incompatibility, ink’mpatibiliti, onvereenigbaarheid: Incompatibility of temper = wederzijdsche antipathie; Incompatible, ink’mpatib’l, onvereenigbaar (with); ook subst.
Incompetence, -cy, inkompitens(i), onbevoegdheid, ongeschiktheid, onbekwaamheid; adj. Incompetent, inkompitent.
Incomplete, ink’mplît, onvolkomen, onvolledig; subst. Incompleteness = Incompletion, ink’mplîš’n, onvolledigheid.
Incomprehensibility, inkomprihensibiliti, subst. v. Incomprehensible, inkomprihensib’l, onbegrijpelijk, onbegrensd; subst. Incomprehensibleness; Incomprehension = gebrek aan bevattingsvermogen; Incomprehensive = beperkt.
Incompressibility, ink’mpresibiliti, onsamendrukbaarheid; adj. Incompressible.
Inconceivability, ink’nsîvəbiliti, subst. v. Inconceivable, ink’nsîvəb’l, onbegrijpelijk.
Inconclusive, ink’nklûsiv, niet beslissend, niet overtuigend, niet geëindigd, vergeefsch; subst. Inconclusiveness.
Incondensability, inkəndensəbiliti, onverdichtbaarheid; adj. Incondensable.
Incongruent, inkoŋgruent = Incongruous; Incongruity, ink’ngrûiti, gebrek aan overeenstemming of samenhang, ongerijmdheid; Incongruous, inkongruəs, niet bij elkaar passend, ongerijmd.
Inconscious, inkonšəs = Unconscious.
Inconsequence, inkonsikwens, valsche gevolgtrekking, inconsequentie; adj. Inconsequent; Inconsequential = inconsequent, onbelangrijk.
Inconsiderable, inkənsiderəb’l, onbelangrijk, gering; subst. Inconsiderableness.
Inconsiderate, inkənsidərit, onbezonnen, onbedachtzaam, weinig kiesch; subst. Inconsiderateness = Inconsideration.
Inconsistency, inkənsist’nsi, subst. v. Inconsistent, inkənsist’nt, onbestaanbaar, onlogisch, niet passend, inconsequent.
Inconsolable, ink’nsouləb’l, ontroostbaar; subst. Inconsolableness.
Inconspicuous, inkənspikjuəs, onaanzienlijk, niet in ’t oog vallend; subst. Inconspicuousness.
Inconstancy, inkonst’nsi, onstandvastigheid, veranderlijkheid, verscheidenheid; Inconstant, inkonst’nt, onbestendig, veranderlijk, vluchtig.
Inconsumable, inkənsjûməb’l, onverteerbaar, onvernietigbaar.
Incontestable, inkəntestəb’l, onbetwistbaar; subst. Incontestableness.
Incontinence, Incontinency, inkontinens(i), onkuischheid, gebrek aan zelfbeheersching: His incontinence of speech, of money = loslippigheid, geld weggooien; Incontinent, inkontinent, subst. en adj. onkuisch(e); Incontinently = onmiddellijk.
Incontrollable, inkəntrouləb’l, onbedwingbaar.
Incontrovertible, inkontrəvɐ̂tib’l, onbetwistbaar.
Inconvenience, ink’nvînj’ns, subst. ongerief, ongelegenheid; Inconvenience verb. in ongelegenheid brengen, last aandoen; adj. Inconvenient.
Inconvertibility, inkənvɐ̂tibiliti, subst. v. Inconvertible, inkənvɐ̂tib’l, onverwisselbaar, onveranderlijk, niet om te zetten in geld.
Inconvincible, inkənvinsib’l, niet te overtuigen.
Incorporate, inköpərit, adj. nauw verbonden, tot één lichaam gemaakt; niet lichamelijk of als rechtspersoon bestaande; Incorporate verb. (inköpəreit) tot één lichaam maken, als gewettigde corporatie, als rechtspersoon erkennen, in eene corporatie opnemen: Incorporated under the Companies Act 1860 = als r. erkend overeenk. de wet van 1860 op de naamlooze vennootschappen; Incorporator, inköpəreitə, soort van flesch voor sla-aanmaaksel; oprichter; Incorporation, inköpəreiš’n, vereeniging tot één lichaam, innige menging, etc.
Incorporeal, inköpôriəl, onlichamelijk, onstoffelijk; subst. Incorporeity.
Incorrect, inkərekt, onjuist, onwaar; subst. Incorrectness.
Incorrigibility, inkoridžibiliti, subst. v. Incorrigible, inkoridžib’l, subst. en adj. onverbeterlijk(e); subst. Incorrigibleness.
Incorrodible, inkəroudib’l, niet wegroestend.
Incorrupt, inkərɐpt, onbedorven, eerlijk, onomkoopbaar; Incorruptibility, inkərɐptibiliti, subst. v. Incorruptible, inkərɐptib’l, onomkoopbaar, onbederfbaar; Incorruptness, inkərɐptnəs, reinheid, onverdorvenheid.
Incrassate, inkraseit, verdikken, dikker worden; Incrassation = verdikking.
Increase, inkrîs, toename, vermeerdering, aanwas; winst, nut, nakomelingschap: To be on the increase = toenemen; The moon is on the increase = aan het toenemen of wassen; Increase, inkrîs, toenemen, aanwassen, vermeerderen, vergrooten, versterken: To increase the front = opmarcheeren.
Incredibility, inkredibiliti, subst. v. Incredible, inkredib’l, ongeloofelijk; subst. Incredibleness.
Incredulity, inkrədjûliti, ongeloof, twijfelzucht; adj. Incredulous, inkredjulɐs.
Increment, inkriment, aanwas, vermeerdering, het toegevoegde, differentiaal: Unearned increment = toevallige waardevermeerdering (van huizen, enz.).
Incriminate, inkrimineit, van eene misdaad beschuldigen; Incrimination; Incriminatory, inkriminətəri, beschuldigend.
Incrust, inkcrɐst, incrusteeren, inleggen; Incrustate, inkrɐstit, omkorst; Incrustation, incrustatie, ingelegd werk = Incrustment.
Incubate, inkjubeit, (uit)broeden; Incubation, (uit)broeding, incubatie; Incubative = broedend, incubatie …; Incubator = incubator, broedmachine.
Incubus, inkjubɐs, nachtmerrie, zwarte last, hindernis: The question rode her mind like an incubus = werd haar tot een ware nachtmerrie.
Inculcate, inkɐlkeit, inprenten; subst. Inculcation.
Inculpate, inkɐlpeit, inkɐlpeit, beschuldigen, aanklagen; subst. Inculpation; Inculpatory = aanklagend, beschuldigend.
Incumbency, inkɐmb’nsi, prebende; verplichting, last; het liggen op iets; Incumbent, inkɐmb’nt, subst. de met een prebende begiftigde (Rector of Vicar); adj. liggend, rustend, opgelegd als een plicht: I feel it incumbent on me = beschouw het als mijn plicht.
Incumbrance, inkɐmbr’ns, belemmering, bezwaar, hypotheek: Without incumbrance = zonder vrouw of kind; A wife and seven incumbrances = … en zeven kinderen tot zijn last.
Incunabulum, inkjunabjul’m, wiegedruk, boek vóór 1500 gedrukt.
Incur, inkɐ̂, oploopen, zich op den hals halen: To incur debts = schulden maken.
Incurability, inkjurəbiliti, subst. v. Incurable, inkjûrəbl, ongeneeslijk, hopeloos; ook subst.: A Home for Incurables = ongeneeslijke zieken; subst. Incurableness.
Incuriosity, inkjuriositi, subst. v. Incurious, inkjûriəs, onverschillig, zorgeloos; subst. Incuriousness.
Incursion, inkɐ̂š’n, inval, strooptocht; adj. Incursive.
Incurvate, inkɐ̂vit, adj. gebogen, gekromd; Incurvate verb. inkɐ̂veit, inkɐ̂veit, buigen, krommen; subst. Incurvation; Incurve, inkɐ̂v, krommen, zich naar binnen buigen.
Incus, iŋkəs, aambeeldsbeentje.
Indebted, indetid, verplicht, schuldig: He was indebted to her in a large sum = eene groote som gelds schuldig; I am indebted to you for it = dank het u; Indebtedness = verschuldigd zijn, schuld.
Indecence, Indecency, indîs’ns(i), onwelvoeglijkheid, onbetamelijkheid; Indecent = onwelvoegelijk: Indecent assault = aanranding der eerbaarheid; Indecent exposure = onwelvoeglijke ontblooting.
Indeciduous, indisidjuəs, niet afvallend (van bladeren, enz.), altijd groen.
Indecipherable, indisaifərəb’l, niet te ontcijferen of te ontwarren.
Indecision, indisiž’n, besluiteloosheid; adj. Indecisive, indisaisiv; subst. Indecisiveness.
Indeclinable, indiklainəb’l, subst. en adj. onverbuigbaar (woord).
Indecomposable, indîk’mpouzəb’l, onscheidbaar (Chem.).
Indecorous, indikôrəs, indekɐrɐs, onwelvoegelijk; subst. Indecorousness = Indecorum, indikôr’m.
Indeed, indîd, inderdaad, voorwaar, voorzeker; int. wat je zegt! och kom! zoo! ja wel! Kind indeed! = Vriendelijk? ’t mocht wat!
Indefatigability, indifatigəbiliti, subst. v. Indefatigable, indifatigəb’l, onvermoeid; subst. Indefatigableness.
Indefeasibility, indifîzibiliti, subst. v. Indefeasible, indifîzib’l, onvervreemdbaar, onschendbaar, onaantastbaar.
Indefectible, indifektib’l, onfeilbaar, onvergankelijk.
Indefensibility, indifensibiliti, subst. v. Indefensible, indifensib’l, onverdedigbaar.
Indefinable, indifainəbl, onverklaarbaar, niet omschrijfbaar, raadselachtig.
Indefinite, indefinit, onbepaald, onbegrensd, oneindig; subst. Indefiniteness; Prorogued indefinitely = voor onbep. tijd uitgesteld.
Indelible, indelib’l, onuitwischbaar.
Indelicacy, indelikəsi, onkieschheid, grofheid; adj. Indelicate, indelikit.
Indemnification, indemnifikeiš’n, schadeloosstelling; Indemnify, indemnifai, schadeloos stellen (for); Indemnity, indemniti, schadeloosstelling, vergoeding, indemniteit.
Indent, indent, inkerven, uittanden, inkrassen, inspringen (bij het drukken), een contract in duplo maken, in de leer gaan (bij contract), bestellen, requireeren, aanspreken; indrukken, deuken; subst. indent, inkerving, bestelling, requisitie; Indentation = inkerving, uittanding = Indention, ook: inspringing; Indenture, indentšə, subst. gezegeld verdrag, uittanding; Indenture verb, inkerven: Apprentice’s indenture = (leerling)contract; Indenture of mortgage = hypotheekacte; The indentures were cancelled = de contracten werden vernietigd; To make indentures = slingeren als een dronken man.
Independence, indipend’ns, onafhankelijkheid, onafhankelijk bestaan, vermogen: Independence Day = 4 Juli (herdenking van de Amerikaansche onafhankelijkheidsverklaring 4 Juli 1776); Independent, indipend’nt, onafhankelijk, onbevooroordeeld, tot de Independenten behoorende; subst. afgescheidene, wilde: Independent as to means = financ. onafhankelijk; The Independents = godsdienstige, van de Staatskerk afgescheiden sekte.
Indescribability, indiskraibəbiliti, subst. v. Indescribable, indiskraibəb’l, onbeschrijfelijk; Indescribables = pantalon, broek.
Indestructibility, indistrɐktibiliti, subst. v. Indestructible, indistrɐktib’l, onvernietigbaar.
Indeterminable, inditɐ̂minəb’l, onbepaalbaar.
Indeterminate, inditɐ̂minit, onbepaald, besluiteloos; subst. Indeterminateness.
Index, indeks (Meerv. Indexes of Indices, indisîz; dit laatste in de algebra: exponenten), subst. wijzer, bladwijzer, inhoudsopgaaf, arm van wegwijzer, tong, exponent; Index verb. van een index voorzien, op den index plaatsen, aanwijzen (out): Index expurgatory = lijst van boeken, die eerst van de dwalingen moeten worden gezuiverd vóór ze door Katholieken mogen worden gelezen; Index prohibitory = lijst van de door de R.K. kerk verboden boeken; To be placed on the Index; Index-finger = wijsvinger.
India, indjə, Voor-Indië: Further India = Achter-Indië; India ink; Indiaman = Oostinjevaarder; India office = ministerie van koloniën; India rubber = Indian rubber; Indian = Indisch, Indiaansch; subst. Indiër, Indischman, roodhuid: Indian anis = steranijs; A retired member of the Indian Civil Service = gepensioneerd Indisch ambtenaar; Board of Indian Civil Service Studies = Raad voor de studie voor de Brit. Ind. ambtenaarsexamens; Indian corn = maïs; Indian cress = Oostindische kers; Indian file = achter elkaar; Indian fire = soort van Bengaalsch vuur als signaalvuur; Indian ink = Oostindische inkt; An Indian inky day = sombere; Indianlike = als een Indiër of Indiaan; Indian-reed, Indian-shot = Oostindisch riet; Indian rubber = gomelastiek, caoutchouc; overschoen = Indian rubber shoe; Indian summer = warme nazomer; Indian yellow = Oostindisch geel; The Indies = Indië.
Indiana, indjanə; Indianapolis, indjənapəlis.
Indicant, indik’nt, aanwijzend; subst. symptoom: Indicant days = crisis; Indicate, indikeit, aanwijzen, aanduiden; subst. Indication; Indicative, indikətiv, indikətiv, subst. en adj. aantoonend(e wijs); Indicator, indikeitə, indicateur; adj. Indicatory,
Indict, indait, beschuldigen, aanklagen: Indicted for murder; Indictable offence = een zwaar misdrijf (dat door de ‘Grand Jury’ berecht moet worden); Indicter (= Indictor); Indictment = aanklacht; beslissing van de Grand Jury, na onderzoek, om rechtsingang te verleenen.
Indifference, indifərens, onverschilligheid, onpartijdigheid, middelmatigheid; Indifferent = onverschillig(e), van geene beteekenis, tamelijk, zoo-zoo: He is in indifferent health = niet recht gezond; Indifferent pictures = van geen bijzondere waarde; Indifferently printed = niet bijzonder fraai gedrukt; To sleep indifferently = vrij slecht; These words are used indifferently = door elkander; Indifferentism, indifər’ntizm, stelselmatige onverschilligheid, vooral in godsdienst.
Indigence, -cy, indidžens(i), gebrek, nooddruft, armoede.
Indigene, indidžîn, oorspronkelijke bewoner; Indigenous, indidžinɐs, inlandsch, aangeboren, inherent.
Indigent, indidžent, behoeftig, arm.
Indigested, indidžestid, onverwerkt, onrijp, verward, vormloos; Indigestible, indidžestib’l, onverteerbaar, onduldbaar; subst. Indigestibleness; Indigestion, indidžestj’n, slechte spijsvertering; Indigestive = dyspeptisch.
Indignant, indign’nt, verontwaardigd; Indignation, indigneiš’n, verontwaardiging: Indignation-meeting = protest meeting (Amer.); Indignity = indigniti, smaad, hoon, beleediging.
Indigo, indigou, indigo; Indigo-bird = Indigo vink; Indigo composition = indigotinctuur; Indigo-plant = indigoplant; Indigometer, indigomətə, indigometer; Indigotin, indigətin, indigoblauw.
Indirect, indirekt, niet recht, onoprecht, slinksch: Indirect evidence = derivatief bewijs; Indirect-tax = indirecte belasting; Indirection, indirekš’n, oneerlijke practijk, list; Indirectness, scheefheid, omweg, onoprechtheid.
Indiscernible, indizɐ̂nib’l, niet te onderscheiden; subst. Indiscernibleness.
Indiscoverable, indiskɐvərəb’l, niet te ontdekken, onbegrijpelijk.
Indiscreet, indiskrît, onverstandig, onbezonnen, onbescheiden, indiscreet; subst. Indiscretion, indiskreš’n: Years of indiscretion vlegeljaren.
Indiscriminate, indiskriminit, niet te onderscheiden; niet onderscheiden; zonder onderscheid, door elkaar; Indiscriminating = geen onderscheid makend, blind; Indiscrimination, indiskrimineiš’n, gebrek aan onderscheiding(svermogen), verwardheid.
Indispensability, indispensəbiliti, subst. v. Indispensable, indispensəb’l, onvermijdelijk, onmisbaar: subst. Indispensableness.
Indispose, indispouz, ongunstig stemmen, ongeschikt of ongesteld maken; Indisposed; Indisposition, indispəziš’n, afkeer(igheid), ongesteldheid.
Indisputability, indispjutəbiliti, subst. v. Indisputable, indispjutəb’l, indispjûtəb’l, onbetwistbaar; Indisputed, indispjûtid, onbetwist.
Indissolubility, indisəl(j)ubiliti, subst. v. Indissoluble, indisəl(j)ub’l, indisoljub’l, onoplosbaar, onverbreekbaar; Indissolvable, indizolveb’l, onoplosbaar.
Indistinct, indistiŋkt, onduidelijk, verward; subst. Indistinctness.
Indistinguishable, indistiŋgwišəb’l, niet te onderscheiden; subst. Indistinguishableness.
Indite, indait, schrijven, opstellen; Inditer.
Individual, individjuəl, individueel, persoonlijk, eigendommelijk; subst. persoon, individu; Individualism = individualisme, zelfzucht; Individuality, individjualiti, eigenaardig karakter, individualiteit; Individualization = subst. v. Individualize = onderscheiden, als een individu kenmerken; Individuate, individjueit, individualiseeren; subst. Individuation.
Indivisibility, indivizibiliti, subst. v. Indivisible, indivizib’l, subst. en adj. ondeelbaar (iets).
Indo, indou, (in samenstellingen): Indo-Briton = iemand met een Engelschen vader en eene Brit. Ind. moeder; Indo-China; Indo-Chinese = behoorende tot het Z.O. schiereiland v. Azië; Indo-English = de in Indië geboren of wonende Engelschen betreffend; Indo-European = Arisch, Indo-germaansch; Indo-Germanic = Arisch, Indo-germaansch.
Indocile, indousil, indosil, onleerzaam, onhandelbaar; subst. Indocility, indəsiliti.
Indoctrinate, indoktrineit, onderwijzen, in een stelsel inleiden of er mede vertrouwd maken: I indoctrinated him with these notions; subst. Indoctrination.
Indolence, indəlens, vadsigheid, traagheid, pijnloosheid; adj. Indolent, indəlent: Indolent tumour = pijnloos gezwel.
Indomitable, indomitəb’l, ontembaar, onoverwinnelijk.
Indoor, indö, adj. binnen, huiselijk, huis …: Indoors, indöz, indöz, adv. binnenshuis, thuis.
Indorse, indös, Zie Endorse.
Indraught, Indraft, indrâft, binnenstroomen van water of lucht.
Indubitable, indjûbitəb’l, Indubitate, indjûbitit, ontwijfelbaar.
Induce, indjûs, bewegen, nopen, veroorzaken, induceeren; Inducement = aanleiding, beweegreden, drijfveer, prikkel.
Induct, indɐkt, inwijden, installeeren; (into), in een (geestelijk) ambt bevestigen; Induction, indɐkš’n, begin, installatie, bevestiging, inductie (electr.), inleiding, gevolgtrekking uit waargenomen feiten; Induction-coil = inductierol (-klos); Inductive = inleidend, door gevolgtrekking uit waargenomen feiten, inductie, inductief..: Inductive method; Inductive sciences = op waarneming gegronde wetenschappen; Inductor = hij, die installeert, inductor (Electr.).
Indue, indjû, bekleeden, verschaffen.
Indulge, indɐldž, toegeven, zich overgeven, voeden, koesteren, verwennen, zuipen: She indulges her children too much = geeft te veel toe; To indulge a dream = koesteren; He indulges in indolence = geeft zich over aan; This writer indulges himself with a trifle of exaggeration = veroorlooft zich eenige overdrijving; We indulged ourselves with tickets for the opera = permitteerden ons de weelde; Indulgence, Indulgency = toegevendheid, verdraagzaamheid, uitstel van betaling, uitspatting, aflaat; Indulgent = toegeeflijk, zacht.
Indurate, indjureit, verharden, ongevoelig maken, worden; subst. Induration.
Industrial, indɐstriəl, vlijtig, nijverheids..; subst. industriëel: Industrial exhibition = nijverheidstentoonstelling; Industrial school = ambachtsschool; ook soort tuchtschool; Industrial school-ship = opleidingsschip voor verwaarloosde kinderen; A penal industrial settlement = strafkolonie; Industrious, indɐstriəs, vlijtig, nijver, arbeidzaam; Industry, indəstri, ijver, vlijt, nijverheid: School of industry.
Inebriant, inîbriənt, dronken makend (middel); Inebriate, inîbri-it, subst. en adj. dronken (mensch); Inebriant verb. inîbrieit, dronken maken; Inebriation = dronkenschap, roes; Inebriety, inibraiiti, dronkenschap (vooral van een ‘habitual drunkard’).
Inedited, ineditid, onuitgegeven.
Ineffability, inefəbiliti, subst. v. Ineffable, inefəb’l, onuitsprekelijk.
Ineffaceable, inefeisəb’l, onuitwischbaar.
Ineffective, inefektiv, zonder uitwerking, vruchteloos, ondeugdelijk; subst. onbruikbaar mensch; subst. Ineffectiveness; Ineffectual, inefektjuəl = Ineffective.
Inefficacious, inefikeišəs, zonder uitwerking, vruchteloos; subst. Inefficaciousness = Inefficancy = Inefficiency, ook onbekwaamheid; adj. Inefficient.
Inelegance, ineləg’ns, smakeloosheid, onbevalligheid; adj. Inelegant, ineləg’nt.
Ineligible, inelidžib’l, onverkieslijk, onverkiesbaar.
Inept, inept, ongerijmd, dwaas; subst. Ineptitude = Ineptness.
Inequality, inikwoliti, ongelijkheid, oneffenheid, verschil, onbevoegdheid, partijdigheid.
Inequilateral, inîkwilatər’l, ongelijkzijdig.
Inequitable, inekwitəb’l, onbillijk.
Inequity, inekwiti, onbillijkheid.
Ineradicable, iniradikəb’l, onuitroeibaar.
Inert, inɐ̂t, bewegingloos, log, traag; Inertia, inɐšə, traagheid (Natuurk.) = Vis inertiae (inɐ̂ši-î); Inertion = Inertness = traagheid.
Inessential, inəsenš’l. Zie Unessential.
Inestimable, inestiməb’l, onschatbaar.
Inevitability, inevitəbiliti, subst. v. Inevitable, inevitəb’l, onvermijdelijk; subst. Inevitableness.
Inexact, inəgzakt, onnauwkeurig; subst. Inexactitude = Inexactness.
Inexcitable, inəksaitəb’l, loom, lusteloos.
Inexcusable, inəkskjûzəb’l, onvergeeflijk; subst. Inexcusableness.
Inexhaustibility, inəgz(h)ôstibiliti, subst. v. Inexhaustible, inəgz(h)ôstib’l, onuitputtelijk, onvermoeid = Inexhaustive, inəgz(h)ôstiv, niet uitputtend.
Inexorability, ineksərəbiliti, subst. v. Inexorable, ineksərəb’l, onverbiddelijk; subst. Inexorableness.
Inexpedience, -cy, inəkspîdj’ns(i), ongeschiktheid, onraadzaamheid; adj. Inexpedient, inəkspîdj’nt.
Inexpensive, inəkspensiv, goedkoop.
Inexperience, inəkspîrj’ns, onervarenheid; Inexperienced = onervaren, onbevaren.
Inexpert, inəkspɐ̂t, onbedreven; subst. Inexpertness.
Inexpiable, inekspiəb’l, onverzoenbaar; subst. Inexpiableness.
Inexplicability, ineksplikəbiliti, subst. v. Inexplicable, ineksplikəb’l, onverklaarbaar: Inexplicables = broek; subst. Inexplicableness.
Inexpressible, inəkspresib’l, onuitsprekelijk; Inexpressibles = broek; Inexpressive, inəkspresiv, zonder uitdrukking.
Inexpugnable, inəkspɐgnəb’l, inəkspjûnəb’l, onoverwinnelijk, onneembaar.
Inextinguishable, inəkstiŋgwišəb’l, onbluschbaar.
Inextricable, inekstrikəb’l, niet ontwarbaar; subst. Inextricableness.
Inez, ainîz.
Infallibilism, infalibilizm, het dogma van, en het geloof aan de pauselijke onfeilbaarheid; Infallibility, infalibiliti, onfeilbaarheid; Infallible, infalib’l, onfeilbaar, zeker; subst. Infallibleness.
Infamous, infəmɐs, schandelijk, verfoeilijk, berucht; Infamy, infəmi, schande, laagheid.
Infancy, inf’nsi, kindsheid, minderjarigheid, aanvang, eerste stadium.
Infant, inf’nt, kind, minderjarige; adj. klein, teeder, kinderlijk; kinder …: Infant in arms = schootkindje; Infant games; Infant mortality; Infant-school, Infants’ school = bewaarschool; His infant son = zoontje; Infanta, infantə, Infante, infanti, koninklijke prinses of prins, behalve de troonopvolgster of den troonopvolger (Spanje); Infanticide, infantisaid, kindermoord(enaar); Infantile, inf’nt(a)il, Infantine, inf’nt(a)in, kinderachtig; kinderlijk = Infantlike.
Infantry, inf’ntri, infanterie: Infantryman = infanterist.
Infatuate, infatjueit; Infatuated = blind ingenomen met, dwaas verliefd op (with); Infatuation, infatjueiš’n, verdwaasdheid, dwaze verliefdheid.
Infect, infekt, besmetten, aansteken; Infection = besmetting, smetstof: To catch (take) the infection = besmet, aangestoken worden; Infectious, infekšəs, besmettelijk, aanstekelijk; subst. Infectiousness; Infective = Infectious.
Infecundity, infikɐnditi, onvruchtbaarheid.
Infelicitous, infilisitɐs, ongelukkig; Infelicity, infilisiti, ongeluk, ellende, rampspoed, ongelukkig gekozen uitdrukking.
Infer, infɐ̂, eene gevolgtrekking maken, een besluit trekken; Inferable = afleidbaar, volgend; Inference, infərens, gevolgtrekking; Inferential, infərenš’l, afleidbaar = By inference; I could only gather it inferentially = slechts uit het medegedeelde opmaken.
Inferior, infîriə, minder, lager, ondergeschikt; ook subst.: I am inferior to none in love of country = doe voor niemand onder; Inferiority, infîrioriti, minderheid.
Infernal, infɐ̂n’l, helsch, duivelsch, verfoeilijk, kolossaal, kras: Infernal machine = helsche machine; Infernal-stone = helsche steen.
Inferno, infɐ̂nou, de hel.
Infertile, infɐ̂t(a)il, onvruchtbaar; subst. Infertility.
Infest, infest, aanvallen, overvallen, invallen, verwoesten, onveilig maken, kwellen; wemelen van (= To be infested with); subst. Infestation.
Infidel, infidel, subst. en adj. ongeloovig(e); Infidelity, infideliti, ongeloof, twijfelzucht, ontrouw, verraad, bedrog.
Infiltrate, infiltreit, insijpelen, langzaam doordringen; subst. Infiltration.
Infinite, infinit, oneindig, grenzeloos; subst. oneindigheid, oneindige ruimte, onbepaalde hoeveelheid, Hoogste Wezen; Infinitesimal, infinitesim’l, oneindig klein; Infinitude, infinitjûd, Infinity, infiniti, oneindigheid.
Infinitival, infinitaiv’l, infinitiv’l, tot de onbep. wijs behoorend; Infinitive, infinitiv, onbepaalde wijs.
Infirm, infɐ̂m, zwak, onzeker, weifelend; Infirmarian, infɐ̂mêriən, ziekentrooster; Infirmary = ziekenhuis; Infirmity = zwakheid (ook fig.); ziekelijkheid = Infirmness.
Infix, infiks, inplanten, inprenten.
Inflame, infleim, doen ontvlammen, verbitteren, doen gloeien; gloeiend worden: He inflamed them against England = zette ze op tegen; Inflammability, inflaməbiliti, ontvlambaarheid, ook fig.; Inflammable, inflaməb’l, ontvlambaar (Inflammables = brandbare lichamen); subst. Inflammableness; Inflammation, infləmeiš’n, ontbranding, opwinding, ontsteking; Inflammatory, inflamətəri, prikkelend, ontsteking veroorzakend, opruiend.
Inflatable, infleitəb’l, opblaasbaar; Inflate, infleit, opblazen, uitzetten, opdrijven, opgeblazen maken; Inflater = fietspomp; Inflation = opblazing, kunstmatige opdrijving, etc.: The inflation of (To inflate) worthless securities with an artificial value; Inflationist, infleišənist, voorstander van de vermeerdering van papieren geld; agioteur (Amer.); Inflator = Inflater; Inflatus = inspiratie.
Inflect, inflekt, buigen, krommen, verbuigen, moduleeren; Inflection = (ver)buiging, kromming, buigingsvorm, modulatie; Inflectional = buigings …; Inflexibility, subst. v. Inflexible, infleksib’l, onbuigzaam, onverbiddelijk; Inflexion(al) = Inflection(al).
Inflict, inflikt, opleggen (van boete of straf), doen gevoelen, toebrengen; Infliction, inflikš’n, het toebrengen, opgelegde straf, last, bezoeking.
Inflorescence, inflores’ns, bloeiwijze.
Inflow, inflou. Zie Influx.
Influence, influens, subst. invloed, macht; Influence verb. invloed hebben op, inwerken op: He has influence at Court = invloed aan het hof; These things have no influence with me = hebben geen invloed; He bragged of influence over his mother = dat hij zijne moeder naar zijne hand kon zetten; Influential, influenš’l, invloedrijk; Influenza, influenzə, griep; besmettelijke paardenziekte.
Influx, inflɐks, instrooming, toevoer, toevloed.
Inform, inföm, onderrichten, mededeelen, aangeven; vorm geven aan, bezielen: He informed against me = diende een aanklacht in tegen mij; He informed me of it = berichtte het mij; His book is informed with intense conviction = is bezield door, gloeit van; Informed with one spirit = bezield; Informant = aanbrenger, zegsman; Information, infömeiš’n, kennis, bericht, inlichting(en), kennisgeving, geschreven beëedigde aanklacht; Informer = aanklager: Common informer = verklikker.
Informal, inföm’l, niet formeel; Informality = informaliteit.
Infra, infrə: Infra dig = beneden de waardigheid.
Infract, infrakt, schenden; Infraction = schending, breuk: Infraction of faith = trouwbreuk.
Infrequence, -cy, infrîkw’ns(i), zeldzaamheid; adj. Infrequent, infrîkw’nt.
Infringe, infrinž, inbreuk maken op, schenden, overtreden; subst. Infringement; Infringer.
Infuriate, infjûriit, adj. woedend, razend: Infuriate verb. (infjûrieit), woedend of razend maken.
Infuse, infjûz, ingieten, ingeven, inprenten, een infusie maken, drenken: He infused his life into his poetry = legde in, doordrong; Infuser; Infusibility, subst. v. Infusible, infjûzib’l, onsmeltbaar; Infusion, infjûž’n, ingieting, doordringing, infusie.
Infusoria, infjusôriə, infusiediertjes; adj. Infusorial = tot de infusoria behoorend of die bevattende; Infusorian = infusiediertje.
Ingathering, ingadhəriŋ, inzameling: Feast of Ingathering (2 Mos. 23, 16).
Ingelow, indžəlou.
Ingeminate, indžemineit, herhalen.
Ingenious, indžîniəs, vernuftig, talentvol, vindingrijk, geestig; subst. Ingeniousness = Ingenuity, indžənjûiti.
Ingenue, Fr. uitspr. naïef, onschuldig, ingenue; ook subst.
Ingenuous, indženjuəs, oprecht, openhartig, ongekunsteld; subst. Ingenuousness.
Ingest, indžest, voedsel in de maag brengen; subst. Ingestion.
Ingle, iŋg’l, vuur, haard (Schotl.): In the ingle of a window = hoekje; Ingle-nook = hoekje van den haard.
Inglorious, inglôriəs, roemloos, onbekend, schandelijk; subst. Ingloriousness.
Ingoing, ingouiŋ, subst. het ingaan, aanvaarden; adj. binnengaand, een ambt aanvaardend.
Ingot, iŋgət, in-got, baar of staaf (goud, zilver, staal).
Ingraft, ingrâft, enten; Ingrafter = enter; Ingraftment.
Ingrain, ingrein, (predikatief: ingrein), adj. in de wol geverfd, ingeworteld, doortrapt; Ingrain verb. ingrein, ingrein, in de wol verven, doordringen, verzadigen; Ingrain(-carpet) = in de wol geverfd vloerkleed.
Ingram, iŋgram.
Ingrate, ingreit, ondankbaar, ondankbare; Ingrateful, ingreitf’l, ondankbaar.
Ingratiate, ingreišieit, (zich) in de gunst dringen bij (with), steeds reflexief.
Ingratitude, ingratitjûd, ondankbaarheid.
Ingredient, ingrîdj’nt, bestanddeel.
Ingress, ingres, toegang, intrede, aanvaarding; Ingression = intrede.
Ingulf, ingɐlf, (als in een afgrond) verzwelgen.
Ingurgitate, ingɐ̂džiteit, verzwelgen; subst. Ingurgitation.
Inhabit, inhabit, wonen, bewonen; Inhabitable = bewoonbaar; Inhabitancy = woonplaats, domicilie; Inhabitant = bewoner, inwoner; Inhabitation = bewoning.
Inhalation, inhəleiš’n, subst. v. Inhale, inheil, inademen, inhaleeren: Inhaler = respirateur, inhaleertoestel.
Inharmonic(al), inhâmonik(’l), Inharmonious, inhâmounjəs, onwelluidend.
Inhaul(er), inhôl(ə), inhaler (zeeterm).
Inhere, inhîə, onafscheidelijk verbonden zijn; Inherence, Inherency, inhîr’ns(i), onafscheidelijkheid, inhaerentie; Inherent = inhaerent: It is inherent in the blood = zit in het bloed.
Inherit, inherit, erven; Inheritability, erfelijkheid, overerving; Inheritable = erfbaar; Inheritance = erfenis, erflating; Inheritor = erfgenaam; vr. Inheritress = Inheritrix.
Inhibit, inhibit, terughouden, beletten, verbieden; subst. Inhibition, inhibiš’n, verbod tot het uitoefenen van geestelijke bedieningen, aangaan van schulden, geven van crediet; adj. Inhibitory.
Inhospitable, inhospitəb’l, onherbergzaam, ongastvrij; subst. Inhospitality.
Inhuman, inhjûm’n, onmenschelijk, wreed: An inhuman hunger = verschrikkelijke honger; subst. Inhumanity, inhjumaniti.
Inhumation, inhjumeiš’n, begraving; Inhume, inhjûm, begraving.
Inimical, inimik’l, vijandelijk, schadelijk.
Inimitability, inimitəbiliti, subst. v. Inimitable, inimitəb’l, onnavolgbaar; subst. Inimitableness.
Iniquitous, inikwitɐs, zondig, onrechtvaardig; Iniquity, inikwiti, ongerechtigheid, onrechtvaardigheid, zonde, misdaad.
Inirritability, iniritəbiliti, subst v. Inirritable, iniritəb’l, ongevoelig.
Initial, iniš’l, beginnend, eerste, voorste; subst. beginletter, vóórletter; Initial verb. met zijn initialen teekenen (borduren), parafeeren; Initiate, inišiit, nieuw …; nieuweling, ingewijde; verb. (inišieit), inleiden, in de eerste beginselen onderrichten, inwijden; Negotiations on the lines initiated at Bloemfontein = onderhandelingen in de lijn der voorloopige besprekingen te B; subst. Initiation; Initiative = inleidend; subst. eerste stap, begin, initiatief: To take the initiative in; Initiatory = inleidend, inwijdend.
Inject, indžekt, inspuiten, inbrengen; subst. Injection: Inject-cock = injector; Inject-pipe; Inject-syringe = injectiespuitje; Injector = injector.
Injudicious, indžudišəs, onoordeelkundig, onverstandig; subst. Injudiciousness.
Injunct, indžɐŋkt, uitdrukkelijk verbieden, inscherpen; Injunction = opdracht, bevel, rechterlijk verbod: To give strict injunctions to = To lay strong injunctions upon a person = iemand op het hart binden.
Injure, inžə, onrecht doen, verongelijken, krenken, benadeelen, kwetsen; Injurer; Injurious, indžûriəs, nadeelig, schadelijk, krenkend; subst. Injuriousness; Injury, inžəri, onrecht, schade, beleediging, krenking, verwonding: He is detained by an injury to his leg = door eene wond aan zijn been.
Injustice, indžɐstis, onrecht(vaardigheid).
Ink, iŋk, subst. inkt; Ink verb. zwart maken, met inkt besmeren; Ink-bag = inktblaas (bij visschen); Ink-blot = vlek; Ink-bottle = inktflesch; Ink-eraser = inktgomelastiek; Ink-fish = inktvisch; Ink-holder = reservoir; Ink-lines = gelinieerd blad; Ink-slinger = broodschrijver, journalist (Amer.); Inkstand = inktkoker, inktstel; Ink-stone = inktsteen; Inkiness = inktachtigheid, zwartheid; Inking: Inking-ball = drukbal; Inking-pad = inktkussen; Inky = inktachtig, zwart; Inkyburn = de Hel: I wished him at Inkyburn = ik wou, dat hij op de Mookerhei zat.
Inkle, iŋk’l, breed lint, soort sajet.
Inkling, iŋkliŋ, wenk, flauw idee (van): He has an inkling of it = hij weet er iets van; I gathered an inkling of their project = kreeg er de lucht van.
Inknit, in-nit, inbreien, vastmaken.
Inknot, in-not, met een knoop vastmaken.
Inland, inland, binnenlandsch: Inland duty = accijns; Inland navigation = binnenscheepvaart; Inland revenue = binnenlandsche rechten; Inland sea = binnenzee; Inland town = landstad, binnenl. stad.
Inlay, inlei, inlei, subst. mozaïek, fineerhout; Inlay verb. inlei, inleggen, met mozaïek versieren; Inlaid, inleid; predikatief: inleid: A mother-of-pearl inlaid desk = met paarlemoer ingelegde.
Inlet, inlet, ingang, baai, inham.
Inly, inli, innerlijk: Man’s conscience is an inly-written law = innerlijke, in zijn binnenste geschreven; He chuckled inly = lachte in zich zelf.
Inmate, inmeit, medebewoner, huisgenoot, bewoner: The carriage was crumbled up, and most of the inmates killed = inzittenden.
Inmost, inmoust, binnenste, geheimste.
Inn, in, subst. herberg; college van rechtsgeleerden en studenten: Inns of Chancery = opleidingsschool voor de studenten in de rechten (in vroeger tijd); Inns of Court = 4 colleges: Inner en Middle Temple, Lincoln’s en Gray’s Inn, waar de aanstaande juristen hunne opleiding tot barrister ontvangen, examens afleggen en later vaak hunne bureau’s (Chambers) hebben; Inn-keeper = herbergier.
Innate, in-neit, in-neit, ineit, in- of aangeboren: Innate ideas = aangeboren begrippen; subst. Innateness.
Inner, inə, meer naar binnen gelegen, innerlijk, binnen …: The inner man = inwendige mensch, maag; The inner office = kantoor van den chef; That’s an inner = een mooi schot; He has made an inner = hij heeft in de roos (behalve de “witte”) geschoten; Innermost = binnenste.
Innervate, inɐ̂veit, prikkelen; Innervation = zenuwprikkeling (versterking); Innerve = sterken.
Inning, iniŋ: Innings = aangeslibd land; beurt om te spelen (bij het cricket), gelegenheid, kans: To have one’s innings = “aan slag” zijn (fig.); He had a long innings = prachtige gelegenheid.
Innocence, inəsens, onschuld, onnoozelheid; Innocent = onschuldig; Innocentius: You needn’t do the innocent with me = je van den domme houden; Massacre of the Innocents = Innocents’ Day = 28 December (Zie Matth. II, 16).
Innocuous, in-nokjuəs, onschadelijk; subst. Innocuousness.
Innominate, in-nominit, naamloos: Innominate bone = schaambeen.
Innovate, inəveit, nieuwigheden invoeren, veranderingen aanbrengen; subst. Innovation; Innovative = verzot op ’t invoeren van nieuwigheden; Innovator.
Innoxious, in-nokšəs, onschadelijk; subst. Innoxiousness.
Innuendo, injuendou, wenk, (hatelijke) toespeling.
Innumerability, in-njumərəbiliti, subst. v. Innumerable, in-njûmərəb’l, ontelbaar, talloos = Innumerous.
Innutritious, injutrišəs, niet voedzaam = Innutrative.
Inobservance, inobzɐ̂v’ns, Inobservancy, subst. v. Inobservant, inobzɐ̂v’nt, achteloos.
Inoccupation, inokjupeiš’n, gebrek aan bezigheid, werkeloosheid.
Inoculate, inokjuleit, enten, inenten; subst. Inocculation.
Inoffensive, inofensiv, onschadelijk, argeloos; subst. Inoffensiveness.
Inoperative, inopərətiv, zonder uitwerking.
Inopportune, inopətjûn, ongelegen, ontijdig; subst. Inopportunity.
Inordinate, inödinit, ongeregeld, buitensporig: To keep inordinate hours = ongeregeld opstaan en te bed gaan.
Inorganic(al), inöganik(’l), onbewerktuigd.
Inosculate, inos’kjuleit, inmonden van aderen; nauw verbinden; in nauw verband staan.
In-patient, in-peiš’nt, verpleegde (in een hospitaal, etc.).
Inquest, inkwest, onderzoek: Coroner’s inquest = gerechtelijke lijkschouwing.
Inquietude, inkwaiitjûd, ongerustheid.
Inquire, inkwaiə, vragen, onderzoeken: Inquire after him = informeer naar; He inquired into the matter = onderzocht; Inquire within = informatiën hier te verkrijgen; Inquirer; Inquiring look = vorschende, vragende blik; Inquiry, inkwairi, vraag, onderzoek, navraag: Writ of Inquiry = rechterlijk bevel ter vaststelling van het bedrag eener schadeloosstelling; To make inquiries = onderzoek doen; Inquiry-office = informatiebureau; Inquisition, inkwiziš’n, onderzoek, inquisitie, gerechtelijk onderzoek; Inquisitive, inkwizitiv, onderzoekend, nieuwsgierig; subst. Inquisitiveness; Inquisitor, inkwizitə, rechter met het onderzoek belast, inquisiteur; Inquisitorial, inkwizitôriəl, streng onderzoekend, tot de inquisitie behoorende.
Inroad, inroud, vijandelijke inval, inbreuk: To make an inroad upon = inbreuk maken op.
Inrush, inrɐš, inval, binnendringen.
Insalubrious, insəl(j)ûbriəs, ongezond; subst. Insalubrity, insəl(j)ûbriti.
Insane, insein, krankzinnig, dol; subst. Insaneness = Insanity, insaniti.
Insatiability, inseišəbiliti, subst. v. Insatiable, inseišəb’l, onverzadelijk; Insatiate, inseišit, onverzadelijk, onverzadigd.
Inscribe, inskraib, opschrijven, graveeren, opdragen, wijden, inprenten (Inscribe on the memory), beschrijven; Inscriber; Inscription = opschrift, opdracht, onderschrift; Inscriptive = van een opschrift voorzien.
Inscrutability, inskrutəbiliti, subst. v. Inscrutable, inskrûtəb’l, onnaspeurlijk; subst. Inscrutableness.
Insect, insekt, subst. insect; adj. als van een insect, klein, verachtelijk: Insect-powder; Insecticide, insektisaid, praeparaat om insecten te dooden; Insectivora, insektivərə, insecten-etenden; Insectivorous, insektivərɐs, insectenetend.
Insecure, insəkjûə, onveilig; subst. Insecurity, insəkjûriti.
Insensate, insensit, gevoelloos, zinneloos, onzinnig.
Insensibility, insensibiliti, subst. v. Insensible, insensib’l, onmerkbaar, ongevoelig, niet bewust, onverschillig, bewusteloos: Insensible of danger, Insensible of pain, Insensible to shame; Insensibly = onmerkbaar, langzamerhand; Insensitive = ongevoelig (to); Insensient = gevoelloos.
Inseparability, insepərəbiliti, subst. v. Inseparable, insepərəb’l, onscheidbaar, onafscheidelijk; subst. Inseparableness; Inseparate = onscheidbaar (from).
Insert, insɐ̂t, opnemen, invoegen; Insertion, insɐ̂š’n, plaatsing of opneming (Amer. = Insert), inlassching, tusschenzetsel.
Inset, inset, inzetten, inleggen; Inset = het ingezette, ingezet blad.
Insheathe, inšîdh, in de scheede steken.
Inshore, inšö, nabij of aan de kust, naar de kust toe.
Inside, insaid, insaid, subst. binnenkant, binnenste, inhoud, passagier binnenin; adj. insaid, aan den binnenkant, inwendig, binnen: To turn inside out = binnenste buiten; Inside callipers = bolpasser; Insider, insaidə, ingewijde.
Insidious, insidjəs, verraderlijk, sluw, arglistig; subst. Insidiousness.
Insight, insait, inzicht, begrip.
Insignia, insigniə, onderscheidingsteekenen.
Insignificance, Insignificancy, insignifik’ns(i), onbeteekenendheid; adj. Insignificant.
Insincere, insinsîə, onoprecht, huichelachtig; subst. Insincerity, insinseriti.
Insinuate, insinjueit, zich ongemerkt indringen, ongemerkt voeren of plaatsen tusschen (among), bedekt te kennen geven, kronkelen: They insinuated the pony among carts and baskets; She insinuated herself into her mother’s favour; Insinuating, insinjueitiŋ, kronkelend, inpakkend, vleierig; Insinuation = vleiend op- of indringen; insinuatie; Insinuative = insinueerend, inpakkend; Insinuator.
Insipid, insipid, laf, smakeloos; subst. Insipidity, insipiditi.
Insist, insist, aandringen, staan op, blijven bij: This need hardly be insisted on = hierover behoeven we niet uit te weiden; Insistence (Insistance) = halstarrigheid, aandrang; adj. Insistent.
Insnare, insnêə, verstrikken, verleiden; Insnarer.
Insobriety, insəbraiiti, onmatigheid.
Insociable, insoušəb’l, ongezellig.
Insolence, insəlens, onbeschaamdheid; adj. Insolent.
Insolubility, insoljubiliti, subst. v. Insoluble, insoljub’l, onoplosbaar, onverklaarbaar.
Insolvency, insolv’nsi, staat van onvermogen; Insolvent, insolv’nt, subst. en adj. onvermogend(e), insolvent.
Insomnia, insomniə, slapeloosheid.
Insomuch, insoumɐtš, voor zooverre, zóó dat.
Inspan, inspan, aanspannen (Transvaal).
Inspect, inspekt, inspecteeren, het opzicht houden over; Inspection, inspekš’n, nauwkeurig onderzoek, opzicht: For your kind inspection = ter inzage; Inspector = inspecteur; Inspectorate = Inspectorship = opzienerschap, inspectie (-district).
Inspiration, inspireiš’n, inademing, ingeving, inspiratie; Inspirational = geinspireerd, inspireerend; Inspirationist = iemand die gelooft dat ieder woord van den Bijbel door den H. Geest is ingegeven; Inspiratory, inspairətəri, inspirətəri: Inspiratory muscle = longspier; Inspire, inspaiə, inademen, ingeven, inboezemen, bezielen.
Inspirit, inspirit, bezielen, geest en leven mededeelen, opwekken, moed geven.
Inspissate, inspisit, adj. verdikt; Inspissate verb. (inspiseit, inspiseit), verdikken, indampen; dik worden; subst. Inspissation.
Instability, instəbiliti, onbestendigheid, wankelmoedigheid.
Install, instôl, met een ambt bekleeden, installeeren; Installation = installatie; Installment = installatie, afdoening, termijn (van betaling), gedeelte: They bought a piano on the installment plan = op afbetaling in termijnen; The article will be inserted in installments = bij gedeelten.
Instance, inst’ns, subst. aandrang, verzoek, instantie, geval, voorbeeld; Instance verb. een voorbeeld aanhalen of geven: At the instance of = op aandrang van; He resigned at the instance of popular clamour = op den krachtigen aandrang der volksstem; For instance = bij voorbeeld; It was a kind thought in the first instance = in de eerste plaats; Instant, inst’nt, loopend, dadelijk, dringend; subst. oogenblik; The fifth inst(ant) = de 5de dezer; This instant, On the instant = dadelijk; Instantaneous, inst’nteinjəs, oogenblikkelijk, in een oogenblik, moment - -; subst. Instantaneousness; Instanter, instantə, dadelijk, onmiddellijk; Instantly = dadelijk: We expect it instantly = elk oogenblik.
Instate, insteit, aanstellen, plaatsen.
Instauration, instôreiš’n, hernieuwing, herstelling.
Instead of, instedəv, in plaats van.
Instep, instep, wreef (van den voet): To be (To go) high in the instep = den neus in den wind steken.
Instigate, instigeit, aansporen, aanzetten, ophitsen; subst. Instigation: Under the instigation of = op aansporing van; Instigator, instigeitə, aanzetter, ophitser.
Instil, instil, indruppelen, langzamerhand inprenten; subst. Instillation = Instilment.
Instinct, instiŋkt, subst. natuurdrift; adj. (instiŋkt), bezield, doordrongen van, vol: Instinct with life; Instinctive, instiŋktiv, instinctmatig, spontaan.
Institute, institjût, subst. instelling, wet, genootschap(sgebouw), (wets)instituut; Institute verb. instellen, stichten, vaststellen, beginnen, aanstellen: An inquiry was instituted into (as to) his actions = ingesteld; Institution, institjûš’n, instelling, aanstelling, wet, stichting, genootschap(sgebouw); Institutional = instellend, vastgesteld, elementair; Institutor, institjûtə, insteller, oprichter: Institutor of law = wetgever.
Instruct, instrɐkt, onderwijzen, leeren, instrueeren, last geven: To instruct national opinion = opvoeden; He was instructed out = hij werd op hooger last uit zijn ambt ontslagen (Amer.); Instruction = onderwijs, bevel, last; Instructional = onderwijs - -, opvoedings; Instructive = onderwijzend, leerzaam; subst. Instructiveness; Instructor, onderwijzer, instructeur; vr. Instructress.
Instrument, instrument, werktuig, instrument (ook fig.), middel, gereedschap, stuk, document, oorkonde; Instrument verb. instrument, instrumenteeren; Instrumental, instrument’l, instrumentaal; dienstbaar, bevorderlijk voor: That will be instrumental to your welfare = zal strekken tot; Instrumentality = bemiddeling, werktuig, middel: By the instrumentality of = door middel van; Instrumentary, instrumentəri = Instrumental; Instrumentation = arrangement, instrumenteering; Instrumentoon, instrum’ntûn, kwispeldoor (Amer.).
Insubordinate, insəbödinit, weerspannig, oproerig; subst. Insubordination.
Insuccess, insəkses: Methods, received with conspicuous insuccess = waarmee men absoluut geen succes had.
Insufferable, insɐfərəb’l, onverdragelijk.
Insufficiency, insəfiš’nsi, ongenoegzaamheid, onbekwaamheid; adj. Insufficient.
Insufflation, insəfleiš’n, inblazing, opgeblazenheid; Insufflator = inblaasapparaat.
Insular, insiulə, van een eiland, geisoleerd, bekrompen; subst. Insularism = Insularity, insiulariti.
Insulate, insiuleit, afzonderen, isoleeren (ook in natuurk. zin): Insulating-stool (electr.); The insulation of overhead wires = het isoleeren van; Insulator, insiuleitə, isolator.
Insult, insɐlt, beleediging, hoon.
Insult, insɐlt, beleedigen, honen; Insulter.
Insuperability, insiupərəbiliti, subst. v. Insuperable, insiûpərəb’l, onoverkomelijk; subst. Insuperableness.
Insupportable, insəpötəb’l, on(ver)dragelijk; subst. Insupportableness.
Insuppressible, insəpresib’l, niet te onderdrukken.
Insurable, inšûrəb’l, verzekerbaar; Insurance, inšûr’ns, verzekering (in ’t algemeen; op het leven ook wel assurance), assurantie: To effect (To make) an insurance = een verzekering sluiten; Accident insurance = verzekering tegen ongevallen; Fire, Hailstorm, Life, Live Stock, Marine, Sanitary insurance = verzek. tegen brand, hagelslag, levensverzek., veeverzek., zeeassurantie, verz. tegen ziekte en invaliditeit; Insurance-agent; Insurance-broker = assuradeur; Insurance-company = verzekeringsmaatschappij; Insurance-money = verzekeringspremie; Insurance-office = assurantiekantoor; Insurance-policy = assurantiepolis; Insure, inšûə, verzekeren: I insured my voyage out and home = heb mij voor de heen- en terugreis verzekerd; Insured: The insured party = Party insured = de verzekerde; Insurer = verzekeraar.
Insurgence, -cy, insɐ̂dž’ns(i), opstand; Insurgent, insɐ̂dž’nt, subst. en adj. oproermaker, oproerig.
Insurmountable, insəmauntəb’l, onoverkomelijk; subst. Insurmountableness.
Insurrection, insərekš’n, opstand, muiterij: They rose (were roused) in insurrection against their lawful prince = kwamen in (werden gebracht tot) opstand tegen; adj. Insurrectional = Insurrectionary; Insurrectionist = Insurgent.
Insusceptibility, insəseptibiliti, subst. v. Insusceptible, insəseptib’l, onvatbaar (voor indrukken).
Intact, intakt, onaangeroerd, ongeschonden.
Intaglio, intaljou, intâljou, subst. gegraveerde edelsteen, tegenover Cameo (die in relief is gesneden).
Intake, inteik, inham, vernauwing, insnoering.
Intangibility, intandžibiliti, subst. v. Intangible, intanžib’l, onvoelbaar, ontastbaar.
Integer, intədžə, het geheel, geheel getal; Integral, intəgr’l, subst. geheel getal, integraal; adj. geheel, volledig, ongeschonden, integraal …; Integrant, intəgr’nt, deel van een geheel vormend, integreerend: Integrant parts = samenstellende deelen; Integrate, intəgreit, het geheel aanwijzen, de integraal vinden van; subst. Integration.
Integrity, integriti, oprechtheid, braafheid, onverdorvenheid, volledigheid.
Integument, integjument, vlies, vel, huid; adj. Integumental = Integumentary.
Intellect, intəlekt, verstandelijk vermogen; ontwikkeling, de ontwikkelden: Intellects = verstand: Disordered in his intellects; Intellective, intəlektiv, verstandelijk; Intellectual, intəlektjuəl, verstands …, intellectueel: Intellectual powers = verstandelijke vermogens; Intellectalism, intəlektjuəlizm, de leer dat alle kennis van de zuivere rede komt, rede-overschatting; Intellectuality = verstandelijk vermogen.
Intelligence, intelidžens, verstand, oordeel, begrip, verkregen kennis, vlugheid v. begrip; bericht, inlichting, nieuws: A wink of intelligence = knipoogje van verstandhouding; Intelligence department = informatie-departement (-bureau); Intelligence-office = informatiebureau, adreskantoor; Intelligent, intelidžent, verstandig, vlug v. geest, intelligent; Intelligibility, intelidžibiliti, begrijpelijkheid, duidelijkheid; adj. Intelligible.
Intemperance, intempər’ns, onmatigheid, overdaad; Intemperate, intempərit, onmatig, te buiten gaande; guur, ruw.
Intend, intend, zich voornemen, van plan zijn, bedoelen, bestemmen: He is intended for the church = zal predikant worden; I intend to leave (leaving) at four = ben van plan; She is intended to marry him = zij is voor hem bestemd; He is not intended to listen = niet van plan; Intended = subst. en adj. verloofd(e).
Intendancy, intend’nsi, intendance; Intendant = intendant.
Intense, intens, krachtig, ingespannen, hevig, geweldig, bovenmate; subst. Intenseness; Intensification = versterking, verhooging; Intensifier = versterker; Intensify, intensifai, verhoogen, versterken.
Intension, intenš’n, spanning, intensiteit; Intensity, intensiti, intensiteit, kracht, hevigheid; Intensive, intensiv, versterkend, intensief: Intensive cultivation.
Intent, intent, subst. plan, voornemen, bedoeling: He is the right man to all intents and purposes = in alle opzichten, inderdaad; To the intent that = opdat (veroud.); He is intent on his work = ijverig bij, vervuld van zijn werk; He looked intently at me = opmerkzaam; Intention = voornemen, doel, bedoeling, einde: By the first intention = snel; Intentional = met een bepaald oogmerk; A well-intentioned man = met goede bedoelingen; Intentness = gespannen opmerkzaamheid, ijver.
Inter, intɐ̂, ter aarde bestellen, begraven; Interment = teraardebestelling.
Inter, intə, in samenstellingen: tusschen in: Inter alia, (intəreiljə) = o.a.
Interact, intərakt, subst. tusschenbedrijf, tusschenwerk; Interact verb. intərakt, wederzijds werken op; Interactaction = wisselwerking.
Interbreed, intəbrîd, kruisen van dieren of planten.
Intercalate, intɐ̂kəleit, inlasschen, inschuiven (van een dag, b.v.); Intercalary = ingelascht: Intercalary day; Intercalation = inlassching.
Intercede, intəsîd, tusschenbeide komen, pleiten, voorspreken; Interceder.
Intercept, intəsept, onderscheppen, tegenhouden, verbreken, afsnijden, versperren, afbreuk doen aan: To intercept the trade; subst. Interception.
Intercession, intəseš’n, voorspraak, tusschenkomst, bemiddeling: To make intercession to a person for; adj. Intercessional: Intercessor, intəsesə, middelaar, tusschenpersoon: Intercessiony = bemiddelend.
Interchange, intətšeinž, subst. ruil, wisseling, ruilhandel, afwisseling; Interchange verb. intətšeinž, wisselen, ruilen, ruilhandel drijven, afwisselen; subst. Interchangeability, adj. Interchangeable = verwisselbaar, afwisselend.
Intercolonial, intəkəlounj’l, interkoloniaal, tusschen de koloniën onderling.
Intercommunicate, intəkəmjûnikeit, onderling gemeenschap hebben, met elkaar verkeeren, meedeelen; Intercommunication, onderling verkeer = Intercommunion; Intercommunity, wederzijdsche mededeeling, gemeenschappelijkheid.
Intercourse, intəkös, omgang, verkeer.
Intercross, intəkros, onderling kruisen.
Intercurrent, intəkɐr’nt, ongeregeld: Intercurrent pulse.
Interdependence, intədipend’ns, onderlinge afhankelijkheid; adj. Interdependent.
Interdict, intədikt, verbod: To put an interdict upon = verbieden; To lay under an interdict.
Interdict, intədikt, verbieden: To interdict a person from a thing, To interdict a person, a thing = iemand uitsluiten van (bijv. kerkelijke gemeenschap), subst. Interdiction; adj. Interdictory.
Interest, intərest, belangstelling, belang, voordeel, invloed, aandeel, interest; Interest verb. belang stellen, belang inboezemen, belang hebben, enz.: I disposed of a third interest in the factory = ik verkocht een derde aandeel; To attend to a person’s interests = waken voor de belangen; To excite a person’s interest = belangstelling wekken; To have an interest in = belang hebben bij; He has little or no interest = weinig of geen invloed; Most of them lost on interest account, and closed mills = konden hun interest niet goedmaken; To promote a person’s interests = iemand’s belangen bevorderen; Put out at interest = op interest gezet; To take an interest in = belangstellen in; Compound, simple interest = samengestelde, enkelvoudige interest; The cotton (iron, landed, moneyed, shipping) interest = de gezamenlijke katoenspinners (ijzerhandelaars, landeigenaren, geldmannen, reeders); Interest-ticket, Interest-warrant = coupon; He interested himself for me = stelde belang in mij, trok zich mijner aan; I am interested in your fate = stel belang in; He is interested in the matter = heeft belang bij; Interested marriages (marriages of interest) = waarbij andere belangen in het spel zijn dan de liefde; Interesting = belangwekkend.
Interfere, intəfîə, tusschenbeide komen, benadeelen, storend werken, interfereeren, aanslaan of strijken (van paarden): Don’t interfere with me = bemoei u niet; If it does not interfere with your plan = niet verstoort; Interference, intəfîr’ns, bemiddeling, bemoeiing, botsing, interferentie; Interferer; Interfering = storend, belemmerend.
Interim, intərim, subst. tusschentijd; adj. tijdelijk: In the interim = voorloopig.
Interior, intîriə, binnen, inwendig, binnenlandsch; subst. binnenste, binnenland: Department (Secretary) of the Interior = Departement (Minister) v. Binnenlandsche Zaken (Amer.); Interior angle = binnenhoek.
Interjacency, intədžeis’nsi, tusschenligging; adj. Interjacent.
Interjaculate, intədžakjuleit, aanmerkingen (opmerkingen) tusschenin maken = To interject; Interjection = tusschenwerpsel; adj. Interjectional = Interjectionary = Injectory: Interjectionary remarks = tusschenin gemaakte aanmerkingen.
Interlace, intəleis, tusschenvlechten, doorheen vlechten; doorvlochten of ineengestrengeld zijn: Interlaced arches = kruisbogen; subst. Interlacement.
Interlaminated, intəlamineitid, tusschen twee platen of vlakken gelegen.
Interlard, intəlâd, doorspekken, vermengen.
Interleaf, intəlîf, doorschoten blad; To interleave, intəlîv, doorschieten met wit papier.
Interline, intəlain, tusschen (de regels) schrijven; Interlinear, Interlineal, intəlinjə(l), tusschen de regels, interliniair; Interlineation, intəlinieiš’n, plaatsing tusschen de regels, doorhaling en vervanging van woorden.
Interlock, intəlok, in elkaar sluiten (-haken, -grijpen).
Interlocution, intələkjûš’n, onderhoud; Interlocutor, intəlokjutə, deelnemer aan een gesprek: My interlocutor = de persoon met wien ik spreek; Interlocutory = uit eene samenspraak bestaande; voorloopig.
Interlope, intəloup, beunhazen, opjagen der prijzen, zich onbevoegd indringen; Interloper = indringer, beunhaas.
Interlude, intəl(j)ûd, tusschenspel, “entre-acte”, intermezzo (ook fig.).
Interlunar, intəl(j)ûnə, den tijd van de nieuwe maan betreffende: Interlunar nights.
Intermarriage, intəmaridž, onderling huwelijk (tusschen families of stammen); Intermarry, intəmari, onder elkander huwen.
Intermaxillary, intəmaksiləri, intəmaksiləri: Intermaxillary bone = tusschenkaaksbeen.
Intermeddle, intəmed’l, zich (ongepast) bemoeien met; Intermeddler = bemoeial.
Intermediary, intəmîdjəri, tusschenliggend of komend, verbindings - -; subst. agent, tusschenpersoon.
Intermediate, intəmîdjit, tusschen(komend of liggend), verbindings - -, indirect: Intermediate cylinder = middelb. druk cylinder; Intermediate education (Intermediate schools) = middelbaar onderwijs (hoogere burgerscholen); Intermediate person = tusschenpersoon.
Interminable, intɐ̂minəb’l, oneindig, vervelend, gerekt; subst. Interminableness.
Intermingle, intəmiŋg’l, (zich) onderling vermengen.
Intermission, intəmiš’n, tusschenpoos, onderbreking; Intermissive.
Intermit, intəmit, tijdelijk afbreken, ophouden, verpoozen; Intermittence, Intermittency = onderbreking; Intermittent fever = intermitteerende koorts = Intermitting fever.
Intermix, intəmiks, onder elkander mengen; Intermixture = mengsel, dooreenmenging.
Intermural, intəmjûr’l, tusschen de muren.
Intermuscular, intəmɐskjulə, tusschen de spieren.
Intern, intɐ̂n, interneeren, waren naar het binnenland zenden (Amer.); Internal = innerlijk, inwendig, inlandsch; Internation = zending naar het binnenland; Internment = interneering.
International, intənašən’l, subst. “de Internationale” Zie: Internationalist adj, internationaal: International law = volkenrecht; Internationalism = internationalisme; Internationalist, subst. lid van de “Internationale”, soc. arbeidersvereenig. opgericht te Londen in 1864; adj. tot de “I” behoorende; Internationalize = internationaal maken.
Internecine, intənîs(a)in, moorddadig, verdelgings-: Internecine war.
Internodal, intənoud’l, tusschen twee knoopen of geledingen; Internode, intənoud, lid of been tusschen twee knoopen of geledingen.
Internuncius, intənɐnšəs, pauselijk vertegenwoordiger.
Interoceanic, intəroušianik, tusschen twee oceanen.
Interosseal, intərosiəl, tusschen de beenderen gelegen = Interosseous.
Interpellant, intəpel’nt, in de rede vallend; interpellant; Interpellate, intəpeleit, interpelleeren; Interpellation = interpellatie.
Interplead, intəplîd, met iemand over eigendomsrecht procedeeren.
Interpolate, intɐ̂pəleit, inschuiven, tusschenvoegen, interpoleeren; Interpolator; Interpolation = interpolatie.
Interpose, intəpouz, tusschenplaatsen, (zich) opdringen, in de rede vallen, tusschen beide komen, in ’t voorbijgaan opmerken: They didn’t interpose in her management, or interfere in the choice of servants = zij bemoeiden zich niet met; To interpose appeal = appèl aanteekenen; Interposer; Interposition, intəpəziš’n, tusschenkomst, bemiddeling.
Interpret, intɐ̂prət, verklaren, vertalen, vertolken; Interpreter = tolk, uitlegger: Student interpreter = leerling tolk; Interpretation, intəpriteiš’n, vertolking, verklaring.
Interregnum, intəregn’m, tusschenregeering.
Interrogate, interəgeit, (onder)vragen; subst. Interrogation; Interrogative, intərogətiv, subst. en adj. vragend (voornaamwoord); Interrogator, interəgeitə, (onder)vrager, interpellant; Interrogatory, intərogətəri, vragend; subst. verhoor, schriftelijke vraag.
Interrupt, intərɐpt, in de rede vallen, afbreken, storen; Interrupter; Interruption = onderbreking, storing, pauze; adj. Interruptive.
Interscapular, intəskapjulə, tusschen de schouderbladen.
Intersect, intəsekt, (door)snijden, (door)kruisen; Intersection = doorsnede, snijpunt, kruispunt.
Interspace, intəspeis, tusschenruimte; Interspace verb. intəspeis, tusschenruimte overlaten of aanvullen, innemen.
Intersperse, intəspɐ̂s, overal verspreiden, (rond)strooien.
Interstice, intɐ̂stis, intəstis, tusschenruimte; adj. Interstitial, intəstiš’l.
Intertropical, intətropik’l, tusschen de tropen of keerkringen.
Intertwine, intətwain, dooreenvlechten; subst. Intertwinement.
Intertwist, intətwist = Intertwine.
Interval, intəv’l, tusschenruimte(-tijd), interval, pauze, vlakke grond tusschen heuvels (ook intervale gespeld; Amer.): At intervals = van tijd tot tijd.
Interveined, intəveind, geaderd.
Intervene, intəvîn, liggen tusschen, tusschenbeide komen, storen; Intervention, intəvenš’n, tusschenkomst, bemiddeling.
Intervertebral, intəvɐ̂təbr’l, tusschen de wervels.
Interview, intəvjû, subst. samenkomst, gesprek, formeel bezoek van een dagbladcorrespondent aan een bekend persoon om hem op onderscheidene punten te hooren; Interview verb. formeel bezoeken om ingelicht te worden; Interviewer.
Interweave, intəwîv, dooréénweven.
Intestacy, intestəsi, afwezigheid van een testament; Intestate, intestit, zonder testament overleden, niet bij testament vermaakt; subst. persoon, die zonder testament gestorven is.
Intestinal, intestin’l, tot de ingewanden behoorende; darm …; Intestine, intestin, inwendig, binnenlandsch: Intestine war = burgeroorlog; Intestines = darmen, ingewanden.
Inthral, inthrôl, tot slavernij brengen, insluiten.
Intimacy, intiməsi, gemeenzaamheid, vertrouwelijkheid; Intimate, intimit, adj. gemeenzaam, vertrouwelijk; subst. boezemvriend(in); Intimate verb. (intimeit) vertrouwelijk mededeelen, te kennen geven; Intimation, intimeiš’n, kennisgeving, wenk: Intimation of death = kennisgeving van overlijden.
Intimidate, intimideit, vrees aanjagen, ontmoedigen, beangst maken; subst. Intimidation; adj. Intimidatory.
Intimity, intimiti, intimiteit.
Intitulation, intitjuleiš’n, subst. v. Intitule, intitjûl, betitelen.
Into, intu, in (drukt “richting” uit): He was laughed into good humour again = door lachen werd zijn goed humeur hersteld; Let me look into it = laat mij het eens onderzoeken, inzien; This room looks into the garden = ziet uit op; He reasoned them into courage = hij wist door zijne woorden hun moed te doen herleven; You are sitting well into the fire = je zit haast bovenop het vuur.
Intolerability, intolərəbiliti, subst. v. Intolerable, intolərəb’l, onduldbaar, onverdragelijk; subst. Intolerableness.
Intolerance, intolər’ns, onverdraagzaamheid, niet in staat zijn te verdragen; adj. Intolerant, intolər’nt, ook subst.
Intonate, intəneit, intoneeren, aanheffen; Intonation, intouneiš’n, aanhef, intonatie, toongeving; Intone = aanheffen, intoneeren, zingen (v. kerkgezangen).
Intoxicant, intoksik’nt, dronken makend, bedwelmend(e drank); Intoxicate, intoksikeit, dronken maken, opwinden, dol maken; Intoxication, dronkenschap.
Intractability, intraktəbiliti, subst. v. Intractable, intraktəb’l, onhandelbaar, weerspannig; subst. Intractableness.
Intramural, intrəmjûr’l, binnen de muren.
Intranquillity, intraŋkwiliti, ongerustheid.
Intransitive, intransitiv, onovergankelijk.
Intransmissible, intransmisib’l, wat niet overgedragen kan worden.
Intrench, intrenš, met loopgraven omringen, verschansen; Intrenchment = verschansing.
Intrepid, intrepid, onverschrokken, onversaagd; subst. Intrepidity, intrəpiditi.
Intricacy, intrikəsi, ingewikkeldheid, neteligheid; Intricate, intrikit, ingewikkeld, netelig, duister; subst. Intricateness.
Intrig(u)ant, intrigənt, intrigant; Intrig(u)ante, intrigant, intrigant, intrigante.
Intrigue, intrîg, subst. kuiperij, intrigue; Intrigue verb. kuipen, intrigeeren: He is an intriguer, an intriguing fellow = een kuiper of intrigant.
Intrinsic(al), intrinsik(’l), innerlijk, eigen, echt.
Introcession, intrəseš’n, verzakking (Med.).
Introduce, intrədjûs, inleiden, invoeren, inlasschen, bekend maken, voorstellen; subst. Introduction, intrədɐkš’n: Letter of introduction = aanbevelingsbrief; He made some introductory (introductive) remarks = eenige inleidende opmerkingen.
Introit, introu-it, introïtus, woorden gezongen of opgezegd bij den aanvang der mis.
Intromission, intrəmiš’n, invoeging, toelating;—verb. Intromit, intrəmit.
Introspection, intrəspekš’n, zelfonderzoek; Introspective, intrəspektiv, bespiegelend.
Introversion, intrəvɐ̂š’n, naar binnen wenden of gekeerd zijn; adj. Introversive; Introvert, intrəvɐ̂t, naar binnen wenden: An Introverted nature = eenzelvige aard.
Intrude, intrûd, zich indringen, lastig vallen, zich opdringen: I hope I do not intrude = niet ongelegen kom; He intruded himself upon the minister = drong zich op aan; Intruder; Intrusion, intrûž’n, indringing, het lastig vallen, onrechtmatige bezitneming van onbeheerd goed; Intrusive, intrûsiv, opdringend; subst. Intrusiveness.
Intrust, intrɐst, toevertrouwen: He intrusted me with his secret, He intrusted his secret to me = vertrouwde mij toe.
Intuition, intjuiš’n, intuitie, innerlijke aanschouwing, niet op waargenomen feiten berustend; Intuitive, intjûitiv, innerlijk aanschouwend, intuitief.
Intumesce, intjumes, opzwellen, uitzetten; Intumescence = opzwelling, gezwel; adj. Intumescent.
Intussusception, intəsəsepš’n, opneming en inschuiving van het eene stuk of deel in een ander.
Intwine, intwain, Intwist, intwist, samenvlechten, ineenvlechten.
Inundate, inəndeit, inɐndeit, overstroomen; Inundation = overstrooming; overvloed.
Inure, injûə, gewennen, harden, tot eene gewoonte worden; ten goede komen (met to).
Inurn, inɐ̂n, in eene urn verzamelen, bijzetten.
Inutility, injutiliti, nutteloosheid.
Inutterable, inɐtərəb’l, onuitsprekelijk.
Invade, inveid, invallen, inbreuk maken op, schenden; Invader.
Invalid, invalid, krachteloos, ongeldig, van geen waarde; Invalid, invəlîd, invəlid, invəlîd, subst. zieke, zwakke, invalide; adj. teer, zwak, ziek; Invalid verb. door ziekte aangetast worden, ongeschikt verklaren voor actieven dienst, buiten gevecht stellen: They were invalided home = als invalide naar huis gezonden; Invalidate, invalideit, krachteloos of van onwaarde maken, omverwerpen, vernietigen; subst. Invalidation; Invalidism, invəlîdizm, invəlîdizm = invaliditeit; Invalidity, invəliditi = ongeldigheid, krachteloosheid, invaliditeit.
Invaluable, invaljuəb’l, onschatbaar.
Invariability, invêriəbiliti, subst. v. Invariable, invêriəb’l, onveranderlijk, standvastig.
Invasion, inveiž’n, inval, inbreuk, schending; adj. Invasive.
Invective, invektiv, subst. smaadrede, scheldwoord, scherpe aanval; adj. stekelig, smadelijk, satirisch.
Inveigh, invei, uitvaren; Inveigher.
Inveigle, invîg’l, verlokken, verleiden, in de val lokken; subst. Inveiglement; Inveigler.
Invent, invent, uitvinden, verdichten, verzinnen; Invention = uitvinding, ontdekking, verzinsel, plannetje: Pure invention = een grove leugen; The inventions = Tentoonstelling der uitvindingen (1885); Inventive = vindingrijk; subst. Inventiveness; Inventor = uitvinder, bedenker; vr. Inventress.
Inventory, invəntəri, subst. inventaris, lijst; Inventory verb. inventariseeren.
Inveraray, invərêri; Inverness, invənes.
Inverse, invâs, invâs, omgekeerd; subst. omkeering: Inverse proportion = omgekeerde verhouding of reden; The father’s influence varied inversely as the age of the son = in omgekeerde reden tot; Inversion, invɐ̂š’n, omkeering, omzetting (van woorden in een zin); adj. Inversive.
Invert, invât, onderstboven keeren, omzetten: Inverted commas = aanhalingsteekens.
Invertebrata, invɐ̂tibreitə, ongewervelde dieren; Invertebrate, invɐ̂tibrit, ongewerveld; slap (fig.); subst. ongewerveld dier, zwakkeling; Invertebrated = ongewerveld.
Invest, invest, bekleeden; beleggen, blokkeeren, omsingelen; Investment = bekleeding; omsingeling, blokkeering, belegd geld, geldbelegging: To make an investment = geld beleggen; Investor = belegger.
Investigate, investigeit, nauwkeurig onderzoeken, navorschen; subst. Investigation; Investigator.
Investiture, investitjuə, investituur, bekleeding (met een ambt), inbezitstelling.
Inveteracy, invetərəsi, het ingeworteld zijn, hardnekkigheid, oude veete; Inveterate, invetərit, diep geworteld, hardnekkig, aarts …, verouderd (van ziekte); gebeten op; subst. Inveteracyness.
Invidious, invidjəs, hatelijk, boosaardig; subst. Invidiousness.
Invigorate, invigəreit, kracht geven of bijzetten, versterken; subst. Invigoration; adj. Invigorative; Invigorator = versterkend middel.
Invincibility, invinsibiliti, subst. v. Invincible, invinsib’l, onverwinnelijk, onoverkomelijk; subst. Invincibleness.
Inviolability, invaiələbiliti, subst. v. Inviolable, invaiələb’l, onschendbaar, onverbreekbaar; Inviolate, invaiəlit, ongeschonden, ongebroken.
Invisibility, invizibiliti, subst. v. Invisible, invizib’l, onzichtbaar: The Invisible = de Onzienlijke; Invisible green = donkergroen; subst. Invisibleness.
Invitation, inviteiš’n, uitnoodiging; adj. Invitatory.
Invite, invait, uitnoodigen, verlokken, verleiden, aantrekken, oproepen; subst. uitnoodiging: To invite subscriptions = de inschrijving openstellen; Invitee, invitî, genoodigde: Inviter; Inviting = aanlokkelijk; subst. Invitingness.
Invocation, invəkeiš’n, in- of aanroeping; adj. Invocatory of Invocatory.
Invoice, invôis, subst. factuur, geleibrief; Invoice verb. in eene factuur opnemen; Invoice-book.
Invoke, invouk, aanroepen, oproepen.
Involuntariness, invol’ntərinəs, subst. v. Involuntary, invol’ntəri, onwillig, onwillekeurig; subst. To play an involuntary = iets à l’improviste spelen, improviseeren.
Involute, invəl(j)ût, ingerold, met de randen naar binnen omgevouwen; Involution, invəl(j)ûš’n, inwikkeling, ingewikkeldheid, machtsverheffing (Wisk.).
Involve, involv, inwikkelen, omringen, ingewikkeld en moeilijk begrijpelijk maken, verwarren: I don’t like roundabout phrases and involved constructions = ingewikkelden zinsbouw; Involve this quantity to the third power = verhef deze grootheid tot de derde macht; This involved delay = bracht uitstel mee; subst. Involvement: Involvement in debt.
Invulnerability, invɐlnərəbiliti, subst. v. Invulnerable, invɐlnərəb’l, onkwetsbaar, onwondbaar; subst. Invulnerableness.
Inward, inwəd, innerlijk, inwendig; Inwards, inwədz, subst. ingewanden; adv. naar binnen, landwaarts in; Inwardness = natuur, wezen.
Inweave, inwîv, inweven, invlechten.
Inworking, inwɐ̂king, innerlijke werking.
Inwrap, inrap, inwikkelen, verwarren.
Inwreathe, inrîdh, omkransen.
Inwrought, inrôt, ingelegd, doorweven.
Iodic, ai-odik, jood - -: Iodic acid; Iodine, ai-əd(a)in, jood; Iodoform, ai-oudəföm, ai-ədəföm, jodoform.
Ionia(n), ai-ounjə(n), subst. Ionië(r); adj. Ionisch; Ionic, ai-onik, Ionish.
Iota, ai-outə, eene Grieksche letter, stip, tittel, kleine hoeveelheid: He would not yield an iota; The tiniest iota = het geringste.
I. O. U., aioujû, schuldbekentenis (= I owe you = ik ben u schuldig).
Iowa, aiəwə.
Ipecacuanha, ipəkakjuanə, braakwortel.
Ipswich, ipswitš, ipsidž.
Iranian, aireinj’n, îreinj’n, subst. bewoner v. Iran; adj. Ireensch: Iranian languages = de Arische talen.
Irascibility, (a)irasibiliti, subst. v. Irascible, (a)irasib’l, opvliegend, driftig; subst. Irascibleness.
Irate, aireit, airit, toornig, woedend; Ire, aiə, toorn, gramschap; Ireful = toornig.
Ireland, aiəl’nd; Irene, airîni; Iricism, airisizm, Iersch idioom.
Iridescence, irides’ns, kleurenspel of -gloed (als van den regenboog); Iridescent, irides’nt, regenboogachtig, gloedvol; Iridian = regenboog - - -.
Iris (Meerv. Irides), airis (airidîz), regenboog, ring om den oogappel; zwaardlelie; Irised, airist, met kleuren als van den regenboog.
Irish, airiš, Iersch; onbeschaamd, dom; subst. Iersche taal (linnen): Irish apricots = aardappelen; Irish assurance = doldriestheid; Irishman = Ier; Irish moss = Zie Carrageen; Irish stew = gestampte aardappelen en uien met schapenvleesch; Irishwoman = Iersche; Irishise, airišaiz, in het Iersch dialect overzetten; Irishism = Iersch idioom; Irishry = de Ieren.
Irksome, ɐ̂ks’m, vervelend, afmattend; subst. Irksomeness.
Iron, aiən, subst. ijzer, strijkijzer; ook adj. Iron verb, met ijzer beslaan, boeien, kluisteren, strijken: Box iron = (bout)strijkijzer; Cast iron = gegoten ijzer; Head iron = oorijzer; Wrought iron = gesmeed ijzer; In irons = in de boeien geslagen; He has many (more irons than one) irons in the fire = hij onderneemt vele dingen te gelijk; Strike the iron while it is hot = smeed het ijzer terwijl het heet is; The iron entered his soul = een groot leed trof hem; The iron age = het ijzeren tijdperk; Iron crown = ijzeren kroon; Iron-banded = met ijzer beslagen; Iron-bound = van ijzeren banden voorzien, door rotsen ingesloten, onbuigzaam; Iron-clad, subst. pantserschip; adj. gepantserd, met ijzer beslagen; Iron-filings = ijzervijlsel; Iron-fisted = hardhandig; begeerig, vrekkig; Iron-founder = ijzergieter; Iron-foundry = ijzergieterij; Iron-gray = grauwzwart(e kleur); ijzerschimmel; Iron-hearted = hardvochtig, wreed; Iron-heater = strijkbout; Iron-liquor = een bijtmiddel (ververij); Iron-master = chef van ijzergieterij, groothandelaar in ijzer; Iron-monger = ijzerhandelaar; Iron-mongery = ijzerwaren; Iron-mould = ijzersmet; Iron-mould verb. roestvlekkig maken of worden; Iron-side = gehard soldaat (oorspr. een van Cromwell’s soldaten); Iron-smith = grofsmid; Iron-stone = ijzererts; Iron-ware = ijzerwaren; Iron-work = ijzerwerk; Iron-works = ijzergieterij; Ironer = strijkster; Ironing: To take in ironing = strijkster zijn; Ironing-board = strijkplank; Irony = ijzerhoudend, ijzerhard.
Ironic(al), aironik(’l), ironisch; Irony, airəni, ironie, scherts: A stroke of irony = ironische zet.
Iroquois, irəkwôi.
Irradiance, -cy, ireidj’ns(i), uitstraling, glans; Irradiant = stralend; Irradiate, ireidjeit, stralen, verlichten, ophelderen; adj. ireidjit, stralend; subst. Irradiation.
Irrational, irašən’l, onredelijk, dwaas, ongerijmd; subst. Irrationality.
Irreclaimable, irikleiməb’l, onverbeterlijk, verstokt; subst. Irreclaimableness.
Irreconcilability, irekənsaibiliti, subst. v. Irreconcilable, irek’nsailəb’l, adj. onverzoenlijk, onbestaanbaar, onvereenigbaar; onverzoenbare; subst. Irreconcilableness.
Irrecoverable, irikɐvərəb’l, niet terug te krijgen, onafwendbaar, onherstelbaar, onverbeterlijk; subst. Irrecoverableness.
Irredeemable, iridîməb’l, onafkoopbaar, onaflosbaar, onverbeterlijk; subst. Irredeemableness.
Irreducible, iridjûsib’l, onherleidbaar, onverkleinbaar, onoverwinnelijk; subst. Irreducibleness.
Irreformable, iriföməb’l, onveranderbaar, onverbeterlijk.
Irrefragability, irifrəgəbiliti, subst. v. Irrefragable, irefrəgəb’l, ontwijfelbaar, onwedersprekelijk, onwederlegbaar.
Irrefutable, irifjûtəb’l, irefjutəb’l, onwederlegbaar; subst. Irrefutableness.
Irregular, iregjulə, onregelmatig, afwijkend, ongeregeld, ongewoon: Irregulars = ongeregelde troepen; subst. Irregularity, iregjulariti.
Irrelative, irelətiv, geen betrekking hebbende op, niet behoorende bij.
Irrelevance, ireləv’ns. Irrelevancy, subst. v. Irrelevant, ireləv’nt, niet toepasselijk, ongepast.
Irreligion, irilidž’n, ongodsdienstigheid, goddeloosheid; adj. Irreligious; subst. Irreligiousness.
Irremediable, irimîdjəb’l, ongeneeslijk, onherstelbaar; subst. Irremediableness.
Irremovability, irimûvəbiliti, subst. v. Irremovable, irimûvəb’l, niet verwijderbaar, niet afzetbaar, vast, onwrikbaar.
Irreparability, irepərəbiliti, subst. v. Irreparable, irepərəb’l, onherstelbaar; subst. Irreparableness.
Irrepleviable, iriplevjəb’l, onaflosbaar.
Irrepressible, iripresib’l, niet te onderdrukken, onbedwingbaar.
Irreproachable, iriproutšəb’l, onberispelijk, onschuldig; subst. Irreproachableness.
Irresistibility, irizistibiliti, subst. v. Irresistible, irizistib’l, onweerstaanbaar; subst. Irresistibleness.
Irresolute, irezəl(j)ût, besluiteloos; subst. Irresoluteness = Irresolution.
Irresolvability, irizolvəbiliti, subst. v. Irresolvable, irizolvəb’l, onoplosbaar.
Irrespective, irispektiv, afgezien van, zonder aanzien van: God is irrespective of persons = God kent geen aanzien des persoons.
Irresponsibility, irisponsibiliti, subst. v. Irresponsible, irisponsib’l, onverantwoordelijk, onbetrouwbaar.
Irresponsive, irisponsivə, niet antwoordend of beantwoordend; subst. Irresponsiveness.
Irretentive, iritentiv, zwak (van geheugen).
Irretrievable, iritrîvəb’l, onherstelbaar; subst. Irretrievableness.
Irreverence, irevərens, oneerbiedigheid; adj. Irreverent = Irreverential.
Irreversibility, irivɐ̂sibiliti, subst. v. Irreversible, irivɐ̂sib’l, onherroepelijk, onveranderlijk; subst. Irreversibleness.
Irrevocability, irevəkəbiliti, subst. v. Irrevocable, irevəkəb’l, onherroepelijk; subst. Irrevocableness.
Irrigate, irigeit, besproeien, bevloeien, irrigeeren; subst. Irrigation; Irrigator = irrigator.
Irritability, iritəbiliti, subst. v. Irritable, iritəb’l, prikkelbaar, lichtgeraakt, knorrig; subst. Irritableness.
Irritant, irit’nt, subst. en adj. prikkelend (middel); Irritate, iriteit, prikkelen, vertoornen; subst. Irritation; adj. Irritative.
Irruption, irɐpš’n, inval, inbraak (v. water).
Isaac, aizək.
Isabel, izəbel, Isabella (-kleurig paard).
Isaiah, aizeijə; Iseult, isûlt.
Ishmael, išməel: Ishmaelite, išməlait, afstammeling van Ismaël (Gen. XVI, 12), verstooteling.
Isidore, isidö, Isidorus.
Isinglass, aiziŋglâs, vischlijm: Isinglass-stone = mica.
Isis, aisis, Isis.
Islam, izl’m, isl’m, islâm, Islam; adj. Islamic; Islamism; Islamite; adj. Islamitic.
Island, ail’nd, subst. eiland, vluchtheuvel; Island verb. als met eilanden bezaaien, tot een eiland vormen; Islander = eilandbewoner; Isle, ail, eiland; Isle verb. tot eiland maken, op een eiland wonen.
Islay, ailei.
Islet, ailət, eilandje.
Isleworth, aizlwɐ̂th; Islington, izliŋt’n.
Isobar, aisəbâ, isobaar = Isobaric line.
Isochromatic, aisəkrəmatik, van gelijke kleur.
Isochronal, aisokrən’l, Isochronous, aisokrənɐs, isochroon.
Isolate, (a)isəleit, afzonderen, isoleeren; adj. (a)isəlit; subst. Isolation.
Isomeric(al), aisəmerik(’l), isomeer; subst. Isomerism; Isometric = isometrisch.
Isomorphism, aisəmöfizm, vormgelijkheid (bij kristallen); adj. Isomorphous.
Isonomy, aisonəmi, gelijkheid voor de wet.
Isopod, aisəpod, schaaldier met gelijkvormige pooten, pissebed; Isopodous, aisopədɐs, met pooten van gelijke lengte; tot de Isopods behoorende.
Isosceles, aisosilîz, gelijkbeenig: Isosceles triangle.
Isotheres, aisəthîəz, isotheren.
Isotherm, aisəthɐ̂m, isotherm; adj. Isothermal, aisəthɐ̂m’l: Isothermal lines = isothermen.
Israel, izrə-el, Israël; Israelite, izrəlait, Israëliet; adj. Israelitish, izraəlaitiš.
Issuance, isjuəns, uitvaardiging, uitgifte.
Issue, išû, isjû, subst. uitstrooming, uitstorting, uitgang, fontanel, nageslacht, kroost, uitslag, resultaat, uitvaardiging, uitgifte, uitgave, nummer, uitspraak, geschilpunt; Issue verb. uitstroomen, uitstorten, afstammen, voortkomen, eindigen, in omloop brengen, uitgeven, uitvaardigen: Fresh issues are demanding solution now = geheel nieuwe kwesties; The government was in no danger of being defeated on that issue = op dat punt; To force an issue = met geweld een resultaat bereiken; I will join (take) issue with you on that question = ik wil den strijd met u aanbinden; The question at issue is too important for me to stay away = het geschilpunt of punt onder discussie (dat aan de orde is); She died without male issue = zonder mannelijk oir; To issue a probate = de executeurs machtigen het testament uit te voeren; Issueless = zonder nakomelingen; zonder gevolg; Issuer = uitgever; emittent.
Isthmian, is(t)miən, tot eene landengte (speciaal die van Corinthe) behoorende: Isthmian games = Isthmische spelen; Isthmus, is(t)məs, landengte.
Istria, istriə, Istrië.
It, it, het (3e pers.): There is not much in it = het heeft niet veel om het lijf; Claret is not in it = Bordeaux haalt er niet bij, is bij lange na zoo lekker niet; We had a splendid time of it = een heerlijken tijd; He does not like me as it is = mag mij toch al niet.
Italian, italj’n, subst. en adj. Italiaan(sch): Italian iron = plooi- of frizeerijzer; Italian warehouseman = verkooper van delicatessen, zooals: fijne oliën, macaroni, gedroogde vruchten, etc.; Italianism; Italianize = als een Italiaan spreken, een Italiaanschen aard geven of aannemen.
Italic, italik, subst. cursieve letter; adj. cursief: In italics = cursief (gedrukt); Italicize, italisaiz, cursief drukken.
Italy, itəli, Italië.
Itch, itš, subst. jeuking, schurft; hunkering; Itch verb. jeuken, hunkeren: He has an itching palm = hij is tuk op een fooi, is licht om te koopen; He has itching for a drubbing = hij moet noodig een pak slaag hebben; Itchiness = jeuk, schurftigheid; adj. Itchy.
Item, ait’m, subst. bepaald punt, bijzonderheid, post (v. rekening, etc.), exemplaar, nieuwsbericht, artikeltje, inlichting (Amer.); Item verb. afzonderlijk vermelden of noteeren; adv. eveneens: An item of humanity = een stuk mensch; Item-man = correspondent (Amer.); Itemize = in bijzonderheden vermelden.
Iterate, itərit, adj. herhaald; Iterate verb. (itəreit) herhalen; subst. Iteration; adj. Iterative.
Itinerancy, (a)itinər’nsi, rondreis (ambtelijk of voor zaken); Itinerant, rondreizend of rondzwervend; ook subst. = Itinerant preacher; Itinerary = rondtrekkend, reis - -; subst. reisbeschrijving, reisgids, reisplan, route; Itinerate = gebedenboek voor reizende R.K. geestelijken; rondreizen, rondgaan; Itinerating library = rondgaande.
Its, its, zijn of haar (bez. voornw.); Itself, itself, zichzelf: In its = op zichzelf; Of its = vanzelf, uit zichzelf.
Ivan, îvân, îvân; Ivanhoe, aiv’nhou.
Ivied, aivid, met klimop begroeid.
Ivory, aivəri, subst. ivoor, olifantstand; ook adj.: Gate of ivory = poort der droomen (Zie Gate en Horn); Ivory-black = ivoorzwart; Ivory-carver; Ivory-turner = kunstdraaier; Ivories = tanden, biljartballen, dobbelsteenen.
Ivy, aivi, klimop: To pipe in an ivy-leaf = zich zoo goed mogelijk troosten; Ivy-mantled = met klimop begroeid; Ivy-tod = klimopboschje.
Izzard, izəd, Ibex, steenbok.