E.
Reading edition
E, î, verkorting voor East (als E. N. E. = Oost Noord Oost); als telwoord = 250; Ea(ch); E. C. = Eastern Central (postdistrict in Londen) of: Established Church; Eccl(esiastes); Ed(itor); E. G. (Exempli gratia) = bij voorbeeld; Edin(burgh); E(ast) I(ndies); E(ast) I(ndia) Co(mpany); Eliz(abeth); Eng(lish); Epis(copal); Equiv(alent); Et Seq(uentia) = en de volgenden; Etym(ology); Ex(ample); E. &. O. E. = Errors and Omissions excepted; Esq. Esqre (Esquire) = WelEdelgeb. Heer; Etc. (Etcaetera) = enzoovoort; Excy (Excellency) = Excellentie; E sharp = Eis (muziek); E flat = Es (muziek).
Each, îtš, subst. en adj. elk: Each other = elkander.
Eager, îgə, vurig, ongeduldig, gretig, begeerig, scherp; subst. Eagerness.
Eagle, îg’l, arend, adelaar, gouden munt van 10 dollars (Amer.), zeker sterrenbeeld, veldteeken (Rom.), zekere lezenaar; Eagle-eyed (= Eagle-sighted) = met arendsoogen; Eagle-flighted = met eene arendsvlucht; Eagle-pinioned = met arendsvlerken = Eagle-winged; Eaglet = jonge arend.
Eagre, îgə, eigə, springvloed.
Ear, îə, oor, gehoorzin, oplettendheid; aar; Ear verb. aren vormen: No ear for music = geen muzikaal gehoor; I am all ear, all ears = geheel gehoor; I would not say anything against him in the public ear = in het openbaar; He is up to the ears (= over head and ear) in debt = tot over de ooren; He has a flea in his ear = is niet op zijn gemak; To send one off with a flea in his ear = kort en scherp afwijzen; To be together by the ears = elkaar in ’t haar zitten; To come (go, fall) together by the ears = elkaar in ’t haar vliegen; The room fell in about our ears = viel boven ons hoofd in; It goes in at one ear and comes out at the other = het ééne oor in, het andere weer uit; They knocked the idols of their youth about their ears = verachtten hen; We have set them by the ears = tegen elkander opgezet, opgehitst; This set the critics by the ears = deed … opvliegen; He has bitten this man’s ear = hem beleedigd, geërgerd; They eat their ears off = ergeren zich dood; Lend me your ears = verleen mij gehoor, luister naar mij; More is meant than meets the ear = daar zit meer achter; To turn a deaf (favourable) ear to = doof zijn voor (een gunstig oor leenen aan); Ear-ache, îreik, oorpijn; Ear-bob = oorknopje; Ear-cap = oorklep (tegen de koude); Ear-cockle = ziekte in de tarwe; Ear-deafening = oorverdoovend; Ear-drop(per) = oorknopje; Ear-drum = trommelvlies; Earlap = oorlel; Ear-mark = merk: Ear-mark verb. schapen merken; Ear-pick(er) = oorlepeltje; Ear-piercing = oorverscheurend; Ear-shot = gehoorsafstand: The man was within ear-shot = de man kon ons hooren; Ear-trumpet = spreekhoren; Ear-wax = oorvuil, oorsmeer; Earwig, subst. oorworm; oorblazer, verklikker; Earwig verb. gehoor verkrijgen door lasterlijk gepraat over anderen; Eared = met ooren of aren; Earing = het aren vormen; steekbout (zeeterm).
Earl, ɐ̂l, graaf; Earl-marshal = opperceremoniemeester; hoofd van het Court of Chivalry, erfelijk in het geslacht van de hertogen van Norfolk; Earldom = rang of waardigheid v. een earl.
Early, ɐ̂li, vroeg, vroegtijdig, eerste, bijtijds, vroeg opstaand: It’s early days = wel wat spoedig; Early English = het Engelsch tusschen 1250–1350; An early party = eene partij, waarbij de gasten niet laat blijven; Early times = vóórhistorische tijd; Early in May = in ’t begin v. Mei; As early as May = reeds in Mei; Early to bed and early to rise, makes a man healthy and wealthy and wise = de morgenstond heeft goud in den mond = The early bird catches the worm; Easter fell early that year = het was een vroege Paschen.
Earn, ɐ̂n, verdienen, verkrijgen: To earn a living = den kost verdienen; Earnings = verdiensten.
Earnest, ɐ̂nist, adj. ernstig, vurig, ijverig, dringend; subst. ernst, vooruitzicht op, pand, onderpand, handgeld: I am in (good) earnest = ik meen het; This is an earnest of further honours = wekt gegronde verwachtingen op; I shall be earnest to know how the matter proceeds = ik verlang vurig om te weten; Earnest-money = geld als borg voor de geldigheid van een gesloten koop, handgeld, godspenning; Earnestness = ernst, vuur, ijver, enz.
Earth, ɐ̂th, subst. aarde, grond, de wereld, vossehol; Earth verb. in den grond stoppen, met aarde bedekken, in den grond kruipen: He made his millions right up from the bare earth = na met niets begonnen te zijn; How on Earth could you do it = hoe ter wereld; Earth-bag = zandzak; Earth-board = ploegzool (die de aarde omwerkt); Earth-bob = pier; Earth-born = aardsch, laaggeboren; Earth-bound = in de aarde bevestigd; Earth-bred, (Earth-fed) = laag, verachtelijk; Earth-created = uit stof geschapen; Earth-drake = monster, draak; Earth-flax = amant (soort asbest); Earth-hunger = begeerte naar grond- of landbezit; Earth-light = van de aarde op de maan teruggekaatst licht (= Earth-shine); Earth-nut = aardkastanje, aardaker; Earthquake = aardbeving: Blind force and violence played earthquake(s) with peace and order = vernietigden; Earth-work = aardwerk (Mil.); Earth-worm = aardworm; Earthen = aarden; Earthenware = aardewerk, potten en pannen; Earthling = aardbewoner, sterveling; wereldling; Earthly = aardsch, stoffelijk; mogelijk, begrijpelijk; Earthly-minded = aardschgezind; subst. Earthly-mindedness; Earthy, aardsch, aard—, ruw: They are of the earthy = door en door aardschgezind, wereldsch; An earthy savour = grondlucht.
Ease, îz, subst. gemak, kalmte, rust, ongedwongenheid; Ease verb. geruststellen, verlichten, van pijn verlossen, loslaten: At ease = op zijn gemak, zonder pijn; Chapel of Ease = hulpkerk; A lady of ease = in goeden doen; To set a person at his ease = iemand op zijn gemak zetten; Stand at ease = op de plaats, rust! To take one’s ease = het zich gemakkelijk maken; He eased my mind = stelde mij gerust: To ease a screw = losser draaien; To ease the screw = de schroef helpen door zeilen bij te zetten; To ease a ship = wat afhouden om het stampen te voorkomen; He was eased of his pain = verlost; The rope was eased away (off) = het touw werd langzaam gevierd; The cyclists eased up = reden langzamer (om stil te houden); Easeful = kalm, vreedzaam; Easeless = ongemakkelijk; Easement = verlichting, verzachting; recht van overgang (bijv. over eens anders land).
Easel, îz’l, schildersezel; Easel-picture = klein schilderijtje, paneeltje.
Easiness, îzinəs, kalmte, gemakkelijkheid, lichtzinnigheid, welwillendheid: Easiness of belief = lichtgeloovigheid; Easiness of mind = gemoedsrust.
East, îst, subst. Oosten; adj. oost, oostelijk: The East = het Oosten, het morgenland; de Levant; East of North = N.-Oostelijk; Bounded to the East by France = ten oosten door F. begrensd; East-end = oostzijde; armenbuurt in Londen; East-ender = bewoner van die buurt; East-India = Oost Indië (The East-Indies); East-Indiaman = Oostindievaarder; East-Indian = Oost Indisch; Oost Indiër; Easterling = Oosterling, handelaar v. de Oostzeekusten; goudstuk (door Richard I in het Oosten geslagen), soort v. zwemvogel; Easterly = oostelijk; Eastern, adj. en adv. Oostersch, Oostelijk, naar het Oosten: Eastern Empire = Oostersch Rom. Rijk; Brit. Ind.; Eastern question = Oostersche; Easting = oosterende wind; Easterner = bewoner der oostelijke staten (Amer.); Eastward = oostelijk, oostwaarts(ch).
Easter, îstə, Paschen: Easter-eggs = Paascheieren; Easter-holidays = Paaschvacantie; Easter Monday = 2de Paaschdag; Easter Sunday.
Easy, îzi, gemakkelijk, ongedwongen, vrij van zorgen, pijn, etc., gerust, welgesteld, ondoordacht, licht te bepraten: Easy come, easy go = zoo gewonnen, zoo geronnen; Easy of digestion = licht verteerbaar; Easy with it = kalmpjes aan! He is in easy circumstances = hij is in goeden doen; I fell into easy chat with him = begon een gezellig praatje met hem; You may make yourself easy on that = daarop kunt gij gerust zijn; Stand easy! = op de plaats rust; To take it easy = rust; To easy = zachter voortbewegen; Easy-chair = gemakstoel; He is an Easy-going man = hij neemt de dingen gemakkelijk op = takes things easy.
Eat, ît, eten, opeten, smaken, wegvreten: These peas eat very well = smaken lekker; To eat dirt = zoete broodjes bakken; To eat one’s terms = de jurid. colleges loopen en de 3 verplichte gezamenlijke diners bijwonen aan een der Inns of Court; To eat one’s words = zijne woorden terugnemen; To eat into = uitbijten; They have eaten far into the pudding = een heel gat gegeten in; I’ll eat my head off, if it isn’t true = mag sterven; The horses are eating their heads off in the stables = zijn doodeters, voeren niets uit; To eat one’s heart out = zich ‘opvreten’ van verveling of verdriet; A sense of his wrongs had eaten him up = verteerd; Eatable = eetbaar: Eatables and drinkables = eet- en drinkwaren; Eater: A great, a poor eater = een groote, kleine eter; Eating: Eating-house = ordinaris.
Eatanswill, ît’nzwil, opgeblazen (als de inwoners van E. in The Pickwick Papers).
Eau de Cologne, oudəkəloun, Eau de Cologne.
Eaves, îvz, vooruitspringende beneden dakrand: Eavesdrop, subst. het v. den dakrand druppelend water; Eaves verb. afluisteren, den luistervink spelen; Eavesdropper = luistervink.
Ebb, eb, subst. ebbe, verval; Ebb verb. ebben, achteruitgaan, in verval geraken: Ebb and flow, Ebb and tide = eb en vloed; To be at an ebb = at a low ebb = aan lager wal, gedrukt; To ebb away = afnemen; Ebb-tide = eb.
Ebenezer, ebənîzə, kerk, vereenigingslokaal voor Dissenters.
Eblis, eblis, duivel der Mahomedanen: Hall of Eblis = hel.
Ebon, eb’n, van ebbenhout, donker, zwart; Ebonize = ebbenhoutkleurig maken; Ebony = ebbenhout: A bit of ebony = neger; Dealer in ebony = slavenhandelaar.
Ebullience, Ebulliency, ibɐlj’ns(i), subst. overkoken, overstroomen; adj. Ebullient; Ebullition, ebəliš’n, het koken, (op)borrelen, uitstorting.
Eburnean, îbɐ̂nj’n, adj. ivoren.
Ecce Homo, eksihoumou, voorstelling van Christus met de doornenkroon.
Eccentric(al), eksentrik(’l), excentrisch, excentriek, zonderling; subst. excentriek; Eccentric-rod = excentriekstang; Eccentricity = excentriciteit, zonderlingheid.
Ecclefechan, ekləfek’n.
Ecclesiastes, eklîziastîz, de Prediker (O. Test.); Ecclesiastic, eklîziastik, subst. geestelijke; adj. geestelijk, kerkelijk = Ecclesiastical: The Ecclesiastical States = de Kerkelijke Staat.
Echinate(d), ekəneit(id), əkaineit(id), stekelig; Echinus, ikainəs, zeeëgel; egelskop (plant); eivormig ornament.
Echo, ekou, subst. echo; Echo verb. weerklinken, weergalmen, terugkaatsen, herhalen: The speech was cheered to the echo = uitbundig toegejuicht; I echoed his sentiment = deelde zijn gevoelen; Echoism = onomatopee; Echometer, ekomətə, klankmeter.
Eclectic, eklektik, eclectisch, schiftend, uitkiezend; subst. eclecticus; Eclecticism, eklektisizm = eclecticisme.
Eclipse, iklips, subst. eclips, verduistering; Eclipse verb. verduisteren; Ecliptic, ikliptik, subst. ecliptica; adj. tot den zonneweg behoorende.
Eclogue, eklog, herdersdicht.
Economic, îkənomik, ekənomik, economisch; huishoudelijk, spaarzaam; Economics, îkənomiks, ekənomiks, (staat)huishoudkunde; Economical = spaarzaam; Economist = spaarzaam gebruiker: Political Economic = economist; Economize = spaarzaam zijn, sparen; Economy = economie (= Political Economy) = besparing, zuinigheid, (Goddelijke) inrichting, stelsel, bouw; orde v. zaken, regeling.
Ecorché, eiköšei, spierfiguur ter bestudeering (voor kunstenaars).
Ecstasy, ekstəsi, extase, opgetogenheid, geestverrukking of vervoering; ziekelijke overprikkeling; flauwte; Ecstatic(al), ekstatik(’l), verrukt, onbeschrijfelijk genotvol, verrukkelijk.
Ectype, ektaip, copie, afgietsel.
Ecuador, ekwədö, əkwâdö.
Ecumenic(al), îkjumenik(’l), algemeen.
Eczema, eksîmə, eczeem; adj. Eczematous, əksemətɐs.
Edacious, ideišəs, gulzig, vraatzuchtig; Edacity, idasiti, vraatzucht, gulzigheid.
Eddish, ediš, etgroen, nagras, stoppelveld.
Eddy, edi, draaikolk, dwarrelwind; Eddy verb. dwarrelen, draaien; Eddy-water = zog, kielwater; Eddy-wind = wervelwind.
Eddystone, edist’n.
Eden, îd’n, Eden, Paradijs.
Edentate(d), identeit(id), zonder snijtanden.
Edgar, edgə.
Edge, edž, subst. rand, kant, scherpe kant, snede, zoom, hevigheid, scherpheid; Edge verb. scherpen, afranden, afsteken, begrenzen, omzoomen, zich zijdelings voortbewegen, scherp bij den wind houden: To edge one’s way through a crowd = zich een weg banen; It sets my teeth on edge = het doet mij griezelen; It has taken away (off) the edge of hunger = het heeft den eersten honger gestild; To turn up the edges of one’s trousers = de broekspijpen omslaan; To edge away from the coast = zich van de kust langzaam verwijderen; We edged in with the coast = langzamerhand naderden wij de kust; He edged me on = zette mij aan; Edge-rail = rechtopstaande spoorstaaf (niet liggende, zooals bij trams); Edge-tool = snijdend of scherp werktuig; He plays with edge-tools = speelt met vuur; Edgeways, Edgewise = met den scherpen kant vooruit: I couldn’t get in a word edgeways = er geen woord tusschen krijgen.
Edgecombe, edžk’m.
Edging, edžiŋ, boordsel, franje, rand.
Edible, edib’l, eetbaar; subst. Edibleness.
Edict, îdikt, edict, verordening.
Edification, edifikeiš’n, stichting, opbouwing; Edificatory = stichtend; Edifice, edifis, gebouw; Edify, edifai, stichten, opbouwen: An edificeing sermon = stichtelijke preek.
Edile, îdail, aedilis.
Edinburgh, edinbɐrə.
Edison, edis’n.
Edit, edit, uitgeven (d.w.z. voor de pers gereed maken), redigeeren: Dickens’ Letters edited by his daughter, and published by L.; Edition, idiš’n, uitgave, druk; Editor = uitgever, redacteur; Editorial, editôriə’l, redactioneel; subst. hoofdartikel: Editorial management = redactie; Editorial staff = redactie (personeel); Editorship = redacteurschap; Editress = redactrice.
Edith, îdith.
Edomite, îdəmait.
Educate, edjukeit, opvoeden, onderrichten; Education, edjukeiš’n, opvoeding, onderwijs: Board of Education = Raad van Onderwijs; Educational = opvoedings …, paedagogisch: Educational institutions = opvoedingsgestichten, opvoedingsinrichtingen; Educationist = voorstander van onderwijs; ervaren paedagoog; Educator = opvoeder.
Educe, idjûs, afleiden, trekken uit; Educible = afleidbaar.
Educt, îdɐkt, wat zich afscheidt of heeft afgescheiden (chem.); conclusie: The educts of an analysis; Eduction pipe, valve = afvoerbuis; klep voor afgewerkten stoom.
Edulcorate, idɐlkəreit, verzachten, zoeter maken, zuiveren; subst. Edulcoration.
Edward, edwəd, Eduard; Edwin, edwin.
Eel, îl, aal, paling: Eel-buck, (Eel-pot) = aalkorf (om ze te vangen); Eel-fare = broedsel palingen; Eel-pout = aalpuit; Eel-spear = aalgeer, elger.
E’en, în, verkorting van Even, Evening.
E’er, êə, verkorting van Ever.
Eerie, Eery, îri, angstwekkend, huiveringwekkend, geheimzinnig; Eeriness = angst, vooral voor iets bovennatuurlijks.
Efface, efeis, uitwisschen, uitkrabben, in de schaduw stellen; Effaceable = uitwischbaar, enz.; Effacement = uitwissching, enz.
Effect, efekt, subst. effect, indruk, uitvoering, uitwerking, gevolg (Effects = effecten, waarden, bezittingen); Effect verb. uitwerken, teweegbrengen, tot stand brengen, effectueeren: For effect = om den schijn, om den indruk te verhoogen; In effect = werkelijk, inderdaad; Of no(ne) effect = van geene kracht; To no effect, Without effect = vergeefs; His words were to this effect = kwamen hier op neer; He gave effect to this resolution = voerde uit; The cannon took effect = miste zijne uitwerking niet; To carry into effect = ten uitvoer brengen; They effected their escape = bewerkstelligden; Effective = werkzaam, krachtig, werkelijk voorhanden, effectief; ook subst.: An army with an effective of 80.000 men in time of peace = met een effectief; subst. Effectiveness; Effectual = bindend, dringend, krachtig: The blow Effectually pitched him into the water = deed hem pardoes … vallen; Effectuate = bewerkstelligen; subst. Effectuation.
Effeminacy, efeminəsi, verwijfdheid, verweekelijking; Effeminate, efeminit, subst. en adj. verwijfd (persoon); Effeminate verb. (efemineit) verwijfd maken, verweekelijken.
Effendi, əfendi, hooge titel (Turk.).
Effervesce, efəves, opborrelen, zingen (vóór het koken), opbruisen of uitbarsten; subst. Effervescence, Effervescency; Effervescent = opbruisend: Effervescent powder = bruispoeder.
Effete, efît, afgeleefd, versleten.
Efficacious, efikeišəs, werkzaam, krachtig; subst. Efficaciousness = Efficacy, efikəsi, kracht, invloed.
Efficiency, efiš’nsi, werking, kracht, capaciteit; Efficient, efiš’nt, werkzaam, krachtig, afgeëxerceerd; subst, werkende oorzaak; afgeëxerceerd soldaat.
Effigies, efidžîz. Zie Effigy.
Effigy, efidži, beeld, beeltenis, beeldenaar (op eene munt): He was hanged in effigy = in effigie (beeltenis) gehangen.
Effloresce, efləres, uitbotten, zich ontplooien, bloeien, met een korst van witte kristallen bedekt worden; Efflorescence = bloei, het uitbotten, huiduitslag, vorming van kristallen; adj. Efflorescent = bloeiend.
Effluence, efluens, uitvloeisel; Effluent.
Effluvium, eflûvj’m, uitwaseming, uitdamping.
Efflux, eflɐks, uitvloeiing = Effluxion.
Effort, efət, eföt, poging, krachtsinspanning, worsteling, effectbejag: That is an effort to me = kost mij inspanning; Effortless = werkeloos, zonder inspanning.
Effrontery, efrɐnt’ri, onbeschaamdheid.
Effulge, efɐldž, uitstralen; Effulgence = glans; Effulgent = stralend, glanzend.
Effuse, efjûz, uitgieten, storten, uitstroomen; adj. efjûs; Effusion = uitstorting, ontboezeming; adj. Effusive, efjûsiv, verspreid, rijkelijk, demonstratief, overdreven: Polly kissed me effusely = onstuimig.
Eft, eft, watersalamander.
Eftsoon(s), eftsûn(z), in korten tijd, spoedig daarna, opnieuw, dadelijk.
Egad, əgad, goede hemel! Duivekaters!
Egbert, egbət; Egerton, edžət’n; Egeus, idžîəs.
Egg, eg, subst. ei: As sure as eggs is (are) eggs = zoo zeker als wat; To beat up an egg = klutsen; To count one’s eggs = zien wat men heeft; To put all one’s eggs into one basket = alles op ééne kaart zetten; Egg-boiler = eierkoker; Egg-cup = eierdopje; Egg-flip = warm bier met suiker etc., en daarin geklutste eieren; Egg-glass = kleine zandlooper; Egg-nog(g) = advocaat; Egg-plant = eierplant; Egg-shell = eierschaal; Egg-slice = pannekoeksmes; Egg-whipper = Egg-whisk = eierklopper; Eggery = nest met eieren; eierbergplaats, eierrekje; Eggler = eierenhandelaar; eierenverzamelaar.
Egg, eg, aanzetten tot, aanhitsen en opstoken.
Eginhard, edžinhâd.
Egis, îdžis, aegis (schild van Jupiter).
Eglantine, egl’nt(a)in, egelantier, hondsroos.
Ego, egou, îgou, ego; Egoism = egoisme; Egoist = egoist; Egoistic(al) = egoistisch; Egotism = het te veelvuldig gebruik van “ik”; zelfgenoegzaamheid; zelfzucht; Egotist = persoon, die zich aan Egotism schuldig maakt; adj. Egotistic(al); Egotize = te veel over zichzelf praten of schrijven.
Egregious, igrîdžəs, uitstekend, buitengewoon: Egregious folly = kolossale dwaasheid.
Egress, îgres, subst. uitgang, heengaan.
Egret, egrət, îgrət, kleine witte reiger; reigerveer als versiering; zaadpluimpje; Egrette, igret, pluim, bos, lintversiersel.
Egria, îgriə, Eger.
Egypt, îdžipt, Egypte; Egyptian, idžipš’n, subst. Egyptenaar; Zigeuner; groot formaat teekenpapier; adj. Egyptisch, Zigeuner—: Egyptian type = egyptienne, bijzondere soort van dikke drukletter; Egyptologist = Egyptoloog; Egyptology, îdžiptolədži, kennis van Egyptische antiquiteiten, enz.
Eh, ei, ə, He? Wat?
Eidam, aid’m, Edammer kaas.
Eider, aidə: Eiderdown = eiderdons, kussen gevuld met eiderdons; Eider-duck.
Eidolon, aidoulən, schim, verschijning.
Eigh, ei, Hé! Och!
Eight, eit, acht: An eight-day clock = die acht dagen loopt; Eighteen = achttien; Eighteenmo, eitînmou, boekvorm, verkregen door het in 18 bladen (of 36 bladzijden) vouwen van een vel (verkort 18mo); Eighteenth = achttiende; Eightfold = achtvoudig; Eighth = achtste; Eightieth, eitiəth, tachtigste; Eight-score = 160; Eighty = tachtig.
Eikon, aikoun, beeltenis, heiligenbeeld.
Eirie, îri = Eerie.
Eisteddfod, aistedhwoud, oorspronkelijk eene vergadering van Keltische zangers tot het ontvangen van prijzen voor hunne werken; thans een jaarlijksche bijeenkomst ter bevordering van Keltische taal en letterkunde.
Either, aidhə, îdhə, een van beiden (onverschillig welke), beide: In either case = in het eene of andere geval.
Ejaculate, idžakjuleit, uitbrengen, uitstooten, uitwerpen; Ejaculation = uitroep; ook = Ejaculatory prayer = schietgebedje.
Eject, idžekt, uitwerpen, uitspuiten, loozen, uitzetten, verdrijven, verbannen, afzetten; subst. Ejection; Ejectment = uitstooting, uitzetting, verdrijving; Ejector = verdrijver, veer of inrichting waarmee patroonhulzen, asch, etc. worden uitgeworpen.
Eke, îk, toevoegen, verlengen, aanvullen, vermeerderen; adv. ook: The meat was eked out by potatoes and apple-sauce = werd aangevuld door; The lion’s skin was eked (out) with the fox’s = moed en list gingen samen; Parish Eke-names = bij(scheld)namen (Vergel. Silly Sutton, Sleepy Ingham, etc.).
Elaborate, ilabərit, adj. doorwrocht, uitgewerkt, uitvoerig, uitgebreid; Elaborate verb. (ilabəreit) nauwkeurig bewerken, met moeite voortbrengen: To elaborate an idea = uitwerken; Elaborateness = zorgvuldige en uitvoerige bewerking; Elaboration = uitwerking, bewerking; Elaborative faculty = onderscheidingsvermogen.
Elaine, ilein.
Eland, îl’nd, eland.
Elapse, ilaps, verstrijken, verloopen.
Elastic (= Elastical), ilastik, elastiek, veerkrachtig: An elastic = A piece of elastic = een elastiekje; Elastics = kousebanden; Elastic-sided boots = bottines met elastiek; Elastic stockings; Elastic tissue = veerkrachtig weefsel; Elasticity, îləstisiti, elasticiteit.
Elate, ileit, adj. opgewonden, blijde, opgeblazen; Elate verb. verheffen (van geest of ziel), opwinden, opgetogen maken, opgeblazen maken; Elater = springkever, springtor; Elation = opgetogenheid, enz.
Elbe (The), dhi-elb, Elbe; Elberfeld, elbəfeld: The Elberfeld system of poor relief = Elberfelder stelsel van armenverzorging.
Elbow, elbou, elleboog, bocht, hoek; Elbow verb. met de ellebogen duwen; bochten: I am at your elbow = vlak bij u; He is out at elbow(s) = hij is in slechten doen; hij zit met zijn elleboog(en) door de mouwen; I am up to my elbows in work = zit tot over de ooren in het werk; He jogged (nudged) my elbow = hij gaf mij een duwtje (ter herinnering); To lift (crook) one’s elbow = onmatig drinken; To shake one’s elbow = dobbelen, spelen; He elbowed people about = duwde op zij; He elbowed his way through the crowd = baande zich met geweld een weg door; Elbow-chair = armstoel; Elbow-grease = harde handenarbeid; Elbow-rest = leuning; Elbow-room = ruimte van beweging.
Eld, eld, ouderdom, grijsaard; oude tijden: Like the princesses of eld.
Elder, eldə, subst. oudere, ouderling, voorvader; adj. ouder, senior; Elder-brethren = de regenten van Trinity House; Elder hand = speler aan de voorhand (kaartspel); My elders = ouderen dan ik; The Elders = voorvaderen; ouderlingen; An elderly gentleman = bejaard, oudachtig heer; Eldership = de betrekking van ouderling, de ouderlingen; hooge ouderdom; eerstgeboorte; Eldest = oudste: Elder born = eerstgeborene.
Elder, eldə, vlier: Elder-gun = proppenschieter.
El Dorado, eldərâdou, eldəreidou, Eldorado.
Eldri(t)ch, eldritš, vreemd, spookachtig, ijzingwekkend.
Eleanor, eliənö, elənö; Eleazer, îlieizə.
Elecampane, elək’mpein, alant.
Elect, ilekt, subst. uitverkorene, gekozene; adj. uitverkoren, gekozen; Elect verb. uitkiezen, verkiezen, kiezen: The Lord Mayor Elect = de nieuw gekozen (nog niet zijne functies aanvaard hebbende); The Elect = de uitverkorenen Gods; Election = keus, verkiezing, praedestinatie, genadekeus: Election auditor = iemand belast met het opmaken van de kosten voor eene parlementsverkiezing; Election cry = verkiezingsleus; Election judges = twee rechters, die de protesten (Petitions) tegen eene verkiezing onderzoeken; Electioneer, ilekšənîə, stemmen werven bij verkiezingen: Electioneering-agent = verkiezingsagent; Elective = uitkiezend, verkiezend: Elective affinity = chem. verwantschap, affiniteit; Elective franchise = kiesrecht; Elector = kiezer, keurvorst; Electoral college = kiescollege; Electoral law = kieswet; Electoral offences = knoeierijen; Electorate, ilektərit, de gezamenlijke kiezers; keurvorstendom; Electorship = ambt van een keurvorst; Electress = keurvorstin.
Electrepeter, ilektrepətə, stroomwisselaar.
Electric, ilektrik, electrisch, electriseer …: Electric battery = electr. batterij; Electric car = electr. tramwagen; Electric circuit = kringstroom; Electric clock; Electric column = kolom van Volta; Electric current = electr. stroom; Electric eel = sidderaal; Electric jar = Leidsche flesch; Electric launch = motorboot met electr. beweegkracht; Electric light; Electric machine = electriseermachine; Electric plant = electr. installatie; Electric railway; Electric ray = sidderrog; Electric shock = electr. schok; Electric spark = electr. vonk; Electric wire = telegraafdraad; Electrical engineer = electr.-technicus; Electrical engineering = electrotechniek; Electrician, ilektriš’n, elektriš’n = electricien; Electricity, ilektrisiti, elektrisiti, electriciteit; Electrification, ilektrifikeiš’n, subst. electriseeren; Electrificate verb. Electrify, ilektrifai, electriseeren (ook fig.); Electrization, ilektrizeiš’n, subst. electriseeren; Electrize verb. Electrize, ilektraiz.
Electro, ilektrou, in samenstellingen: electro, electrisch; Electrocution, ilektrəkjûš’n, terechtstelling door electriciteit (Amer.); Electrology, ilektrolədži, de wetenschap der electriciteit; Electrolyze, ilektrəlaiz, door electriciteit ontleden; Electro-motion, ilektrəmouš’n, beweging door electriciteit; Electrophorus, ilektrofərɐs, electrophoor; Electro-plate, ilektrəpleit, galvanisch verzilverd of verguld; ook subst. en verb.; Electroscope, ilektrəskoup, electroscoop; Electron = electroon.
Electrum, ilektr’m, barnsteen; mengsel van goud met ⅕ deel zilver, zilverhoudend gouderts.
Electuary, ilektjuəri, electuarium, likkepot.
Eleemosynary, elimosinəri, subst. de van aalmoezen levende, adj. uit liefdadigheid gegeven, weldadigheids—.
Elegance, Elegancy, eləg’ns(i), sierlijkheid, bevalligheid: Elegances = beschaafde gebruiken of manieren; Elegant = fijn, smaakvol, voornaam.
Elegiac, elidžaiak, elîdžiak, elegisch; elegie; Elegist, elədžist, dichter van elegieën; Elegize = elegie dichten, weeklagen; Elegy = elegie.
Element, eləment, (hoofd) bestanddeel, element: I am in (out of) my element in this company = voel mij in dit gezelschap (niet) thuis; Elements = beginselen; brood en wijn (aan ’t avondmaal); Elemental, eləment’l, de elementen betreffend, elementair, aanvankelijk, oorspronkelijk: Elemental spirits = de geesten van vuur, aarde, lucht en water, i.e. salamanders, gnomen, sylphen en undinen; Elementalism, eləmentəlizm, de theorie volgens welke de goden der oudheid verpersoonlijkte natuurkrachten waren; Elementariness, eləmentərinəs, elementaire toestand, eenvoudigheid; Elementary, eləmentəri, eenvoudig, elementair: Elementary education = lager onderwijs.
Elephant, eləf’nt, olifant: White elephant = een weinig benijdenswaardig bezit (meer kostbaar dan voordeelig): To buy a white elephant = er in loopen; To see the white elephant = de merkwaardigheden van eene stad zien (meest in ongunst. zin); To have seen the white elephant = de nieuwste knepen kennen, slim zijn; Elephantpaper = olifantspapier (711 × 534 mM.); Elephantiasis, eləfɐntaiəsis, olifantsziekte; Elephantine, eləfant(a)in, olifants-, olifantachtig, reusachtig, onbeholpen; Elephantoid, eləfantoid, eləfantoid, olifantachtig.
Eleusinian, eljusiniən.
Elevate, eləveit, verb. verheffen, verhoogen, veredelen, opvroolijken, van trots doen zwellen; adj. verheven, hoog = Elevated: Slightly elevated = aangeschoten; Elevated railway = luchtspoorweg; Elevation, eləveiš’n, verhevenheid, verhooging, opheffing, verheffing, hoogte, verticale opstand (tegeno. platte gr.): To my tallest elevation = in mijne volle lengte; Elevator = ascenseur, elevator; Elevatory = opheffend.
Eleven, ilev’n, elf, elftal: The Eleven = de Apostelen; At the eleventh hour.
Elf, elf, subst. elf, kabouter, fee; Elf-arrow, Elf-bolt, Elf-dart = vuursteen (in den vorm van een pijl); Elf-child = wisselkind (door feeën achtergelaten voor het echte); Elf-fire = dwaallicht; Elf-lock = Poolsche vlecht (haarziekte); Elfin, subst. fee; adj. tot de feeën behoorende; Elfish = elfachtig, elven—, kwaadaardig.
Elgin marbles, elginmâb’lz, de beelden uit den tempel van Minerva te Athene, door Earl Elgin tusschen 1801–1802 naar Engeland gebracht.
Elia, îliə, Eliah, ilaiə, Elia (I Kron. VIII, 27).
Elicit, ilisit, uitlokken, krijgen uit, aan het licht brengen.
Elide, ilaid, een klinker of lettergreep weglaten.
Eligibility, elidžibiliti, verkiesbaarheid, enz.; Eligible, elidžib’l, verkiesbaar, bevoegd; begeerlijk, verkieselijk, huwbaar: An eligible = geschikte partij; subst. Eligibleness.
Elijah, ilaîdžə, Elia (I Kon. XVII, 1).
Eliminant, ilimin’nt, eliminante.
Eliminate, ilimineit, verdrijven, buiten beschouwing laten, terzijde stellen, elimineeren; subst. Elimination.
Elinor, elinö; Eliot, eljət; Elisabeth, ilizəbeth; Elisha, ilaišə.
Elision, iliž’n, elisie, bijv. o’er voor over.
Elite, ilît, élite.
Elixir, iliksə, elixer, bitter, hartsterking: Elixir of life = levenselixer = Life’s elixir.
Eliza, ilaizə; Elizabeth, ilizəbeth; Elizabethan, ilizəbeth’n, ilizəbeth’n, ilizəbîth’n, uit den tijd van koningin E.
Elk, elk, eland; wapiti (Amer.); wilde zwaan, wilde eend.
Ell, el, lengtemaat (in Engeland ± 114 c.M., in Schotl. ± 94,5 c.M., in Holland 69 c.M.): Give him an inch, he will take an ell = als men hem den vinger geeft, neemt hij de geheele hand; Ell-wand = ellestok, el.
Ellen, el’n; Ellesmere, elzmîə; Ellinor, elinö; Elliot(t), eljət.
Ellipse, ilips, ellips; Ellipsis, ilipsis, uitlating; Elliptic(al), iliptik(’l), elliptisch; subst. Ellipticity.
Elm, elm, iep; Elmen = iepen; Elm(en)-tree; Elmy = met veel iepen.
Elmo’s-fire, elmouzfaiə, St. Elmusvuur.
Elocution, eləkjûš’n, (gekunstelde) voordracht; Elocutionary = de wijze van spreken betreffend; Elocutionist = bekwaam in, of leeraar in voordracht.
Elodes, iloudîz, zweetziekte.
Elohim, ilouhim, eləhim, een der namen voor God in het Oude T.
Elongate, iloŋgeit, îloŋgeit, verlengen, uitrekken; subst. Elongation.
Elope, iloup, wegloopen (met een minnaar), zich laten schaken; subst. Elopement.
Eloquence, eləkwens, welsprekendheid; adj. Eloquent.
Else, els, ander, anders, bovendien: What else? = nog iets? Else-ways = op eene andere manier; Elsewhere = elders, ergens anders; Somewhere else = ergens anders.
Elsinburg, elsinbɐrə; Elsinore, elsinö, Elseneur.
Elucidate, il(j)ûsideit, verduidelijken, ophelderen, verklaren; subst. Elucidation; Elucidative = verklarend; Elucidator = verklaarder; Elucidatory: Elucidatory notes = verklarende aanteekeningen.
Elude, il(j)ûd, ontduiken, ontwijken, ontsnappen; subst. Elusion; adj. Elusive; Elusory = bedriegelijk.
Elul, îləl, de 6de maand van het Joodsche burgerlijk jaar.
Elvish, elviš = Elfish.
Ely, îli; Elysian, iliž’n, Elyzeesch, hemelsch; Elysium, iliž’m, Elysium, Paradijs.
Elytra, elitrə, schildvleugels; enkelv. Elytrum.
Elzevir, elzəvɐ̂ elzəviə, een van de Elzevier-uitgaven der klassieken gedurende de 16e en de 17e eeuw te Amsterdam en Leiden: Elzevir editions.
’Em, əm, samentrekking van them.
Emaciate, imeišieit, vermageren, wegkwijnen; subst. Emaciation.
Emanant, emən’nt, voortkomende uit; Emanate, eməeit, voortkomen uit; The emanations of radium = uitstraling.
Emancipate, imansipeit, vrij maken, emancipeeren; subst. Emancipation; He was an emancipationist = voorstander van de vrijverklaring der slaven; Emancipator = bevrijder; Emancipist = vrijgelaten gedeporteerde (Austral.).
Emarginate, imâdžinit, uitgerand, uitgetand.
Emasculate, imaskjuleit, ontzenuwen, castreeren; subst. Emasculation.
Embale, əmbeil, emballeeren.
Embalm, əmbâm, balsemen, doorgeuren, bewaren; subst. Embalmment.
Embank, əmbaŋk, indijken, van eene kade voorzien; Embankment = indijking, dijk, kade.
Embargo, əmbâgou, subst. beslag (op schepen), verbod, belemmering; Embargo verb. beslag leggen en tegenhouden.
Embark, əmbâk, (zich) inschepen, zich wagen of begeven in: He embarked his fortune in trade = stak … in; Don’t embark in such a trade = laat u niet in met; Embarked in litigation = in een proces gewikkeld; subst. Embarkation, embâkeiš’n.
Embarrass, əmbarəs, beletten, in moeielijkheden brengen, verlegen maken, verwarren; Embarrassment = verwarring, verlegenheid, moeielijkheid.
Embassador. Zie Ambassador.
Embassy, embəsi, gezantschap, zending, gezantschapshotel.
Embattle, əmbat’l, in slagorde scharen; van kanteel en voorzien: Embattled fields = slagvelden.
Embed, əmbed, als in een bed leggen, bedelven.
Embellish, əmbeliš, verfraaien, versieren; subst. Embellishment.
Ember, embə: Ember days = Woensdag, Vrijdag en Zaterdag van een bepaalde week in ieder jaargetijde, waarop vasten en onthouding is voorgeschreven; quatertemper; Ember-fast; Ember-tide.
Ember, embə, ijsduiker = Emberdiver, Ember-goose.
Embers, embəz, gloeiende asch of sintels.
Embezzle, əmbez’l, verduisteren; subst. Embezzlement; Embezzler = verduisteraar.
Embitter, əmbitə, verbitteren.
Emblaze, əmbleiz, in brand zetten, verlichten, doen schitteren; blazoeneeren; Emblazon, əmbleiz’n, blazoeneeren, schitterend versieren, verheerlijken; Emblazement, Emblazery, heraldieke versiering.
Emblem, embl’m, subst. zinnebeeld, attribuut; Emblemata, əmblemətə, losse figuurtjes van goud of zilver, waarmede de ouden hunne gouden en zilveren vaten plachten te versieren; Emblematic(al) = zinnebeeldig; Emblematize, əmblemətaiz, embləmətaiz, zinnebeeldig voorstellen.
Emblements, embləments, opbrengst van bouwland, oogst.
Embodiment, əmbodiment, belichaming; Embody, əmbodi, belichamen, vereenigen, omvatten, organiseeren.
Embolden, əmbould’n, aanmoedigen, verstouten.
Embolism, embəlizm, inlassching van eene maand, embolie, verstopping in een bloedvat; Embolus, embəlɐs, klontertje dat embolie veroorzaakt.
Emboss, əmbos, reliefwerk maken, drijven; Embossed = gedreven.
Embouchure, Fr. uitspraak, monding, mondstuk.
Embowed, əmbaud, gewelfd, gebogen.
Embowel, əmbau’l, de ingewanden uitnemen, ontweien; subst. Embowelment.
Embower, əmbauə, in een lustwarande verblijven of verbergen.
Embrace, əmbreis, subst. omhelzing; Embrace verb. omhelzen, gretig aangrijpen, aannemen, omvatten, bevatten; trachten om te koopen (van jury); Embrace(o)r = omkooper; Embracery = poging om eene jury om te koopen; Embracive = alles omvattend: That is an embracive title.
Embrangle, əmbraŋg’l, verwarren, dooreenhaspelen: To embrangle messages.
Embrasure, əmbreižə, schietgat of opening; schuinsche verbreeding van deur- of vensteropening.
Embrocate, embrəkeit, een pijnlijk lichaamsdeel met een smeersel wrijven; Embrocation = wrijving, smeersel.
Embroider, əmbrôidə, borduren (ook fig. = fantaseeren); Embroidery = borduurwerk, kunstmatige versiersels (ook fig.): Embroidery frame = borduurraam.
Embroil, əmbrôil, verwarren, verwikkelen: Embroiled with each other = met elk. gebrouilleerd; subst. Embroilment.
Embryo, embriou (Embryon, embriən), embryo, kiem: In embryo = in den eersten en onvolkomen toestand; Embryonal = kiem- -; Embryonic = embryonaal.
Emend, imend, emendeeren, verbeteren = Emendate, îməndeit, subst. Emendation; Emendator, emendeitə, îməndeitə = emendator; adj. Emendatory.
Emerald, emər’ld, smaragd, bep. Eng. drukletter: Emerald green = smaragdgroen; Emerald Isle = Ierland.
Emerge, imɐ̂dž, oprijzen uit, zich verheffen, te voorschijn komen, ontstaan; subst. Emergence, ook Emergency = plotselinge verschijning, onverwachte gebeurtenis, moeilijkheid, dringende noodzakelijkheid: In case of emergency = geval van nood; In an emergency = desnoods; Emergency-door = nooddeur; Emergency-loan; Emergency-man = noodhulp, ook bij geboycotte Iersche landheeren; Emergent = opduikend, ontstaand, dringend.
Emeritus, imeritɐs, emeritus: Pastor emeritus = emeritus predikant.
Emerods, emərodz, aambeien.
Emersion, imɐ̂š’n, oprijzing; emersie.
Emerson, eməs’n.
Emery, eməri, amaril: Emery-paper = schuurpapier; Emery-wheel = slijprad.
Emetic, imetik, subst. en adj. braakwekkend (middel): Tartar emetic = braakwijnsteen.
Emeu, îmju. Zie Emu.
Emigrant, emigr’nt, subst. landverhuizer; ook adj.; Emigrant-ship; Emigrate, emigreit, uit het land verhuizen; subst. Emigration.
Emilia, imîljə; Emily, emili.
Eminence, eminens, verhevenheid, hoogte, hooge rang, beroemdheid, onderscheiding, eminentie; Eminent = verheven, uitstekend; Eminently = in hooge mate.
Emir, imîə, îmə, emir.
Emissary, emisəri, subst. (geheime) gezant, bespieder.
Emission, imiš’n, uitstraling, uitstrooming, emissie, uitgifte, het bedrag in omloop gebracht; Emissive = uitstralend, uitzendend = Emissory.
Emit, imit, uitzenden, uitstralen, (laten) uitstroomen, uiten, uitwerpen, uitgeven, in omloop brengen.
Emma, emə; Emmanuel, əmanjuəl.
Emmet, emət, mier.
Emollient, imolj’nt, subst. en adj. weekmakend, verzachtend (middel).
Emolument, imoljument, emolument, nut, voordeel, salaris.
Emotion, imouš’n, aandoening, ontroering, gisting; Emotional = ontroerend, gemoeds …
Empale, əmpeil, omheinen, met palen omgeven; spietsen.
Empan(n)el, əmpan’l, subst. lijst van de gezworenen; Empale verb. zulk een lijst maken, hen oproepen.
Emperil, əmperil = Imperil.
Emperor, empərə, keizer: Purple Emperor = pauwenoog (kapel); Emperor paper = grootst formaat teekenpapier, 165 cM. bij 118 cM.
Emphasis, emfəsis, nadruk, klem: I wish to emphasize this fact = den nadruk te leggen op; Emphatic = nadrukkelijk: Emphasis form = de vorm van een bevestigend werkwoord met to do.
Empire, empaiə, keizerrijk, rijk, heerschappij, macht: The Empire City = (bijnaam van) New-York; Empire Day = 24 Mei (geboortedag van Koningin Victoria); Empire gown.
Empiric, əmpirik, empirisch (= Empirical); subst. empiricus, kwakzalver; Empiricism, əmpirisizm = empirie; kwakzalverij.
Employ, əmplôi, subst. bezigheid, beroep, dienst; Employ verb. gebruiken, besteden, aanwenden, bezig zijn met: He has many men in his employ = aan ’t werk; To be employed = in dienst zijn; He employed himself actively whilst there = werkte hard; Employable = bruikbaar; Employee = emplôi-î, employé; Employer = werkgever, principaal; Employment = bezigheid, beroep, plaatsing, belegging: Thrown out of employment = werkloos.
Emporium, əmpôriəm, handelscentrum, stapelplaats, entrepot, bazaar, magazijn.
Empower, əmpauə, machtigen, in staat stellen.
Empress, emprəs, keizerin.
Emptiness, em(p)tinəs, ledigheid, holheid, waardeloosheid.
Empty, em(p)ti, adj. ledig, leeg, hongerig, leegstaand, vergeefsch, ijdel, nutteloos, woest en ledig; Empty verb. ledigen, uit- of weggieten, leeg worden, zich ontlasten: The room was empty of everything but a lamp = er was niets in de kamer dan; The empties = alle ledige dingen (zooals bussen, flesschen, zakken, kisten, enz.); He got (they gave him) the empties = den bons; Empty-handed = met leege handen; Empty-headed = onwetend; Empty-hearted = harteloos; Emptyings = droesem van bier, cider, etc.; gist (Amer.).
Empurple, əmpɐ̂p’l, purperrood kleuren.
Empyreal, əmpiriəl, empirîəl, den hemel betreffend; hemelsch, vurig = Empyrean, empirîən, əmpiriən, subst. hoogste hemel, firmament.
Ems, emz.
Emu, îmjû, casuaris (Australië); Emu-wren = klein Australisch vogeltje.
Emulate, emjuleit, wedijveren met, nastreven: He emulated popularity; Emulation = wedijver, naijver, concurrentie; Emulator = wedijveraar.
Emulgent, imɐldž’nt, subst. en adj. afvoerend (middel).
Emulous, emjulɐs, wedijverend, naijverig.
Emulsion, imɐlš’n, emulsie; amandelmelk; Emulsive = geschikt voor emulsie, verzachtend.
Emunctory, imɐŋktəri, afscheidend.
Enable, əneib’l, in staat stellen, machtigen.
Enact, ənakt, vaststellen, bepalen, tot wet verheffen; voorstellen, spelen, volvoeren: To enact a part = eene rol spelen; Enactment = wetsbekrachtiging, wet, verordening; Enactor = wetgever; Enacture = volbrenging.
Enamel, ənam’l subst. email, glazuur; Enamel verb. emailleeren, glazuren, opsmukken; Enamellar, adj. op email gelijkend, glad, glanzig; Enameller = emailleerder, brandschilder.
Enamour, ənamə, verliefd maken, bekoren: To be enamoured of = verliefd op.
Encamp, ənkamp, (laten) kampeeren; subst. Encampment.
Encase, ənkeis, in een koker sluiten, omsluiten: Encased in black silk = gestoken, gedost.
Encash, ənkaš, in baar geld uitbetalen (ontvangen), incasseeren.
Enceinte, Fr. uitspr., subst. wal, ringmuur; adj. zwanger.
Enchafe, əntšeif, sarren, boos maken.
Enchain, əntšein, ketenen, boeien; Enchainment = aaneenschakeling.
Enchant, əntšânt, bekoren, verrukken, betooveren: Enchanted ring = tooverkring; Enchanter = toovenaar, betooveraar; Enchantment = betoovering; Enchantress = heks, betooverende vrouw.
Enchase, əntšeis, zetten (b.v. van juweelen in goud), ciseleeren; drijven, sieren; Enchaser = graveur, ciseleur.
Encircle, ənsɐ̂k’l, omringen, omgeven, omarmen, omsluiten.
Enclasp, ənklâsp, omvatten, omsluiten.
Enclitic, ənklitik (= Enclitical), enklitisch, onafscheidelijk verbonden.
Enclose, ənklouz, omgeven, omringen, omheinen, insluiten: The enclosed = bijgaande (ingesloten) stukken; Enclosure = omheining, afsluiting, insluiting.
Encomiast, ənkoumiast, lofredenaar; Encomiastic = lovend; Encomium, ənkoumj’m, lof, loftuiting.
Encompass, ənkɐmpəs, omringen, omgeven; subst. Encompassment.
Encore, âŋkö, verb. bisseeren: To give an encore = biscouplet geven; Encore! = bis!
Encounter, ənkauntə, subst. ontmoeting, treffen, gevecht; Encounter verb. (onverwacht) ontmoeten, stooten op, beloopen worden door, het hoofd bieden.
Encourage, ənkɐridž, aanmoedigen, steunen; subst. Encouragement; Encourager = begunstiger.
Encroach, ənkroutš, inbreuk maken op (on), benadeelen, indringen, inbreuk maken, misbruiken: He encroached on my kindness = maakte misbruik van; Encroachment = inbreuk, benadeeling, aanmatiging.
Encrust, ənkrɐst, incrusteeren, (zich) omkorsten.
Encumber, ənkɐmbə, belemmeren, versperren, nauwer maken, met schulden belasten; Encumbrance = hindernis, last, hypotheek: Married people, no encumbrance = zonder kinderen tot hun last; Encumbrancer = hypotheekhouder.
Encyclic(al), əns(a)iklik(’l), subst. rondgaand schrijven, encycliek; adj. rondgaand.
Encyclop(a)edia, ənsaikləpîdjə, encyclopedie; Encyclop(a)edian = Encyclopedic(al), ənsaikləpîdik(’l), ənsaikləpedik(’l), encyclopedisch; Encyclopedist, ənsaikləpîdist, encyclopedist (1750–1770 in Frankrijk).
End, end, subst. einde, eindje, stukje, besluit, uitslag, dood, grens, oogmerk, doel, resultaat, nut; End verb. eindigen, ophouden, een einde maken aan, besluiten, voleindigen: The end justifies the means = het doel heiligt de middelen; The end is not yet = het einde is niet te voorzien; There’s an end of the matter = daar is de zaak mee uit; At an end = ten einde, uit; At the end = ten slotte; At one’s wit’s (wits’) end = ten einde raad; In the end = bij slot van rekening; No end = vreeselijk, erg, enorm: No end of a fool (fun, a row, time) = een groote dwaas (veel, hoogloopend, zeer veel); For a fortnight on end = veertien dagen aan één stuk; This train runs 80 miles on end = zonder stoppen; His hair stood on end = was te berge gerezen; To no end = vergeefs; To this end = met dit doel; World without end = van eeuwigheid tot amen; To come (draw) to an end = afloopen; He cannot make both ends meet = hij kan niet rondkomen (vergel. Joindre les deux bouts); He put an end to it (to himself) = maakte er een einde aan (aan zijn leven); He roamed to the ends of the earth = zwierf tot de uiterste grenzen der aarde; All’s well that ends well = eind goed, al goed; End-all = slot, einde voorgoed; Ending = einde, uitgang; Endless = eindeloos; subst. Endlessness; Endlong = rechtuit; Endmost = laatst, uiterst; Endways, Endwise = overeind, rechtop, in de lengte.
Endanger, əndeinžə, in gevaar brengen, aan schade blootstellen.
Endear, əndîə, bemind of dierbaar maken; Endearing, dier, lief: Endearing terms = lieve namen of woorden; Endearment = toegenegenheid, teederheid, bekoring.
Endeavour, əndevə, subst. poging, inspanning; Endeavour verb. pogen, trachten.
Endecagon, əndekəgon, elfhoek.
Endemic, əndemik (= Endemical), subst. endemie, locale ziekte; adj. inheemsch, endemisch.
Endirons, endaiənz, standaards waarin het spit draait, of die dienen om de houtblokken te steunen.
Endive, endiv, andijvie.
Endocardium, endəkâdj’m, binnenste hartvlies; Endocarditis = hartvliesontsteking.
Endogamy, əndogəmi, huwelijk onder de leden van denzelfden stam; adj. Endogamous: Endogamous marriage.
Endogastritis, endəgastraitis, maagvliesontsteking.
Endorse, əndös, endosseeren, in omloop brengen, bevestigen, onderschrijven: These typewriters are endorsed as the best = verklaard de beste te zijn; Endorsee = iemand aan wien een wissel, etc. geëndosseerd is; Endorsement = endossement, giro, bevestiging; Endorser = endossant.
Endow, əndau, begiftigen, doteeren; Endower = schenker; Endowment = huwelijksgift, schenking, dotatie; talent, gave.
Endue, əndjû, aantrekken, bekleeden met.
Endurable, əndjûrəb’l, verdraaglijk; Endurance, əndjûr’ns, duur, voortduring; lijden, lijdzaamheid, geduld, uithoudingsvermogen; Endure, əndjûə, duren; verdragen, dulden, uithouden: He was very enduring = kon het lang uithouden.
Endymion, əndimiən; Eneid, îniid, de Eneïde.
Enemy, enəmi, vijand, tegenstander: The Enemy = de Duivel; de tijd; How goes the enemy? = hoe laat is het; The hands of the enemy = wijzers v. d. klok.
Energetic (= Energetical), enədžetik, krachtig; Energetics, enədžetiks, de leer van het arbeidsvermogen; Energic(al), ənɐ̂dzik(’l) krachtig, werkzaam; Energize, krachtig werken (handelen), energie verleenen; Energy, enədži, energie, nadruk, beweging: Conservation of energy = de leer van het behoud van het arbeidsvermogen.
Enervate, ənɐ̂veit, enəveit, verzwakken, ontzenuwen; subst. Enervation.
Enfeeble, ənfîb’l, verzwakken; subst. Enfeeblement.
Enfeoff, ənfef, met een leen of eene schenking begiftigen, overdragen; Enfeoffment = begiftiging, leenbrief.
Enfilade, enfileid, subst. bestrijking overlangs; Enfilade verb. overlangs bestrijken: Enfilading fire = overlangsch vuur; This window enfilades the park = geeft uitzicht op het park in zijn geheele lengte.
Enfist, ənfist: The book enfists the reader = pakt, bindt.
Enforce, ənfös, doorzetten, dwingen, opleggen, opdwingen, doen eerbiedigen: The law was enforced = werd streng toegepast; Enforced absence = gedwongen; subst. Enforcement.
Enfranchise, ənfranš(a)iz, vrijmaken, vrij laten, het burgerrecht verleenen, het kiesrecht geven; subst. Enfranchisement: Enfranchisement of copyhold lands = het veranderen van deze in freeholds.
Engage, əngeidž, verbinden, engageeren, bespreken, in dienst nemen, in dienst treden (Engage oneself), bewegen tot, verplichten, zich bezig houden met, aan den gang brengen, wikkelen (in een strijd), slaags raken, zich begeven in, op zich nemen, zich verbinden: I am engaged = ben bezet, niet te spreken, heb al eene uitnoodiging; They engaged in general conversation = het gesprek werd algemeen; Engagement = afspraak, verplichting, verloving, aanstelling, bezigheid; gevecht: A general and close engagement = algemeen gevecht van man tegen man; I am under an engagement to him = ik ben jegens hem gebonden; To break, enter into, stand by an engagement = eene verbintenis verbreken, aangaan, houden; Meet your engagements = betaal uwe schulden; Engaged-wheels = in elkander grijpende raderen; het drijvende rad heet engaging, het gedrevene engaged wheel; Engaging = innemend, boeiend.
Engender, əndžendə, voortbrengen, telen, veroorzaken.
Engine, endžin, machine, locomotief (= Fire-engine, Locomotive-Engine); Engine verb. van machines voorzien: Light engine = losse machine; Engine-driver = machinist; Engine-hose = brandspuitslang(en); Engine-house = machineloods, brandspuithuisje; Engine-man = machinist, spuitgast; Engine-wright = locomotiefconstructeur.
Engineer, endžinîə, subst. ingenieur, machinist v. een trein (Amer.), officier of soldaat van de genie, technicus, machinist (op een schip); Engineer verb. aanleggen, op touw zetten, klaarspelen: Civil engineer; Electric engineer; Practical engineer = werktuigkundige; Then the Dreyfus case was engineered = op touw gezet; With a little tact it could be engineered = met een beetje tact kon het wel klaargespeeld worden; Civil and Military engineering = burgerlijke en militaire bouwkunde of genie; Engineering-drawing = machineteekenen.
Engird, əngɐ̂d, omgorden = Engirdle.
England, iŋlənd; Englander = Brit, Engelschman: A Little Englander = tegenstander van de uitbreiding van het rijk.
English, iŋgliš, Engelsch, ook subst.; English verb. verengelschen, in het E. overbrengen; She (He) is English = zij (hij) is een(e) Engelsche(-man); The King’s (Queen’s) English = zuiver Engelsch; Englishman = Engelschman; Englishwoman = eene Engelsche; Englishry = bewoners (in een ander land) van Engelschen stam.
Engorge, əngödž, gulzig verslinden; Engorged = volbloedig; Engorgement = vraatzucht; congestie.
Engraft, əngrâft, enten, indrukken, inplanten; subst. Engraftment.
Engrail, əngreil, kartelen, versieren; Engrailment = gekartelde of uit een kring van puntjes bestaande rand op een geldstuk.
Engrain, əngrein, in de wol verven, drenken in, inwortelen: Engrained with filth = door en door vuil.
Engrave, engreiv, graveeren, inprenten, indrukken; Engraver (on copper, on steel, on stone, on wood); Engraving = gravure, houtsnee.
Engross, əngrous, geheel innemen of bezitten, geheel in beslag nemen, aan zich trekken, in ’t groot opkoopen; in ’t net schrijven; Engrosser = copiïst; subst. Engrossment.
Engulf, əngɐlf, verzwelgen, verzwolgen worden, zich uitstorten, verdwijnen (onder de aarde).
Enhance, ənhâns, verhoogen, verheffen, vermeerderen, verzwaren; subst. Enhancement.
Enid, înid.
Enigma, inigmə, raadsel; Enigmatic(al), ook enigmatik(’l), raadselachtig, duister; Enigmatize = in raadselen spreken.
Enisle, ənail, tot eiland maken, isoleeren.
Enjoin, əndžôin, opleggen, bevelen, verbieden, vermanen (met on).
Enjoy, əndžôi, genieten, zich verheugen over, zich laten smaken, bezitten; zich vermaken (= Enjoy oneself): Did you enjoy your holiday = hebt ge plezier gehad in de vacantie? Enjoyable = genietbaar, genotvol; Enjoyer = bezitter, genieter; Enjoyment = genot, vreugde.
Enkindle, ənkind’l, aansteken, doen ontvlammen, opwekken.
Enlace, ənleis, omstrengelen, omgeven.
Enlard, ənlâd, lardeeren.
Enlarge, ənlâdž, grooter maken, verwijden, uitzetten, uitweiden over, in vrijheid stellen, grooter worden: Such an education enlarges the heart = maakt het hart ontvankelijker; subst. Enlargement.
Enlighten, ənlait’n, verlichten, beschaven, duidelijk maken, inlichten; subst. Enlightenment.
Enlink, ənliŋk, aaneenschakelen.
Enlist, ənlist, inschrijven, registreeren, in dienst nemen, winnen voor, werven, dienstnemen (into): I got him enlisted into my company; I enlist my pity in your behalf = ik heb medelijden met u; subst. Enlistment: Voluntary enlistment.
Enliven, ənlaiv’n, verlevendigen, opwekken, opvroolijken; Enlivener = opwekkend middel.
Enmesh, ənmeš, in een net vangen, omstrikken.
Enmity, enmiti, vijandschap, vijandige gezindheid.
Ennea …, eniə (in samenstellingen), negen: Enneagon, eniəgon, negenhoek; adj. Enneatic(al): Enneatic(al) days = iedere negende dag van eene ziekte; Enneatic(al) years = ieder negende jaar van een menschenleven.
Enniskillen, eniskilən.
Ennoble, ənoub’l, adelen, veredelen, verheffen; subst. Ennoblement.
Enoch, înok.
Enormity, inömiti, kolossaalheid, buitengewoonheid, gruwelijke misdaad, wreedheid, afschuwelijkheid; adj. Enormous; subst. Enormousness.
Enough, inɐf, genoeg, voldoende (hoeveelheid): Hold, enough = schei uit, ’t is genoeg; That is an easy pillow enough = zeer gemakkelijk; That’s right enough = volkomen juist; Sure enough = voorzeker, inderdaad; It is true enough = maar al te waar; Well enough = vrij goed, voldoende; Enough and to spare = meer dan genoeg; Enough is as good as a feast = de tevredenheid gaat boven alle schatten.
Enow, inau = Enough.
Enquire, əŋkwaiə = Inquire.
Enrage, ənreidž, woedend maken, vertoornen.
Enrapt, ənrapt, verrukt; subst. Enrapture, ənraptšə.
Enravish, ənraviš, verrukken; subst. Enravishment.
Enrich, ənritš, verrijken, tooien, vruchtbaar maken; subst. Enrichment.
Enrobe, ənroub, (be)kleeden, tooien.
Enrockment, ənrokm’nt, steenstorting, hordenwerk voor havenhoofden, wallen, dammen, enz.
Enrol(l), ənroul, inschrijven, registreeren, opnemen, aanmonsteren: They enrolled themselves members of the university = lieten zich inschrijven als; They were prepared to enrol themselves = bereid dienst te nemen; Enrolment = inschrijving, register, oorkonde.
Enroot, ənrût, doen wortel schieten.
Enschedule, ənšedjûl, opteekenen, inschrijven.
Ensconce, ənskons, zich verbergen, zich neerzetten: They ensconced themselves on one of the sofas = zij doken in; Ensconced in an angle = verscholen, verdekt opgesteld.
Enshrine, ənšrain, wegsluiten (als iets heiligs), koesteren (met heilige liefde).
Enshroud, ənšraud, omhullen, bedekken.
Ensiferous, ensifərɐs, zwaarddragend; Ensiform, ensiföm, zwaardvormig.
Ensign, ensain, vlag, standaard, signaal, vaandrig, (onderscheidings)teeken, insigne, verhuurbordje, uithangbord; Ensign-bearer = vaandeldrager; Ensigncy, Ensignship = vaandrigrang.
Ensilage, ensilidž, subst. ingekuild voeder, inkuiling van groen veevoeder en vruchten; Ensilage verb. inkuilen = Ensile.
Enslave, ənsleiv, tot slaaf maken, onderwerpen; subst. Enslavement.
Ensnare, ənsnêə, in eene val lokken, verstrikken, verlokken.
Ensphere, ənsfîə, omringen, een bolvorm geven aan.
Ensue, ənsiû, volgen, voortkomen; Ensuing: Ensuing ages = het nageslacht.
Ensure, ənšûə. Zie Insure.
Entablature, əntablətjuə, Entablement, ənteib’lm’nt, entablement, architraaf, fries en kroonlijst samen.
Entail, ənteil, subst. = Entailed estate, grondbezit, dat van vader op zoon moet overgaan; de regeling van de overdracht van goederen; Entail verb. vermaken (zóó, dat het vermaakte onvervreemdbaar is), na zich sleepen, meebrengen, leiden tot: My property has got no entail on it = ik kan vrij beschikken over; To cut off the entail = The Estate in Tail veranderen in een Estate in Fee Simple, waarover de erflater vrij beschikken mag; subst. Entailment.
Entangle, əntaŋg’l, verstrikken, verwarren, verlegen maken; subst. Entanglement = verwikkeling, verwarring, verlegenheid, valstrik, havenversperring.
Enter, entə, binnengaan, binnenkomen, instroomen, intreden, zich begeven in, lid worden van, toelaten, inschrijven, boeken, aanvangen, beginnen, inklaren (v. goederen), indringen, ingaan (fig.), indrijven: To enter the cargo = bij de douane aangeven; To enter the church = geestelijke worden; He entered the lists against a formidable adversary = trad het strijdperk binnen, bond het gevecht aan met; He entered his office = trad binnen; To enter a protest against = aanteekenen tegen; To enter into conversation = aanknoopen; I enter into your feelings = begrijp volkomen, deel in; To enter into the Kingdom of Heaven = binnengaan; To enter into (on) one’s rest = de eeuwige rust ingaan; He was entered of the Inner Temple = werd lid van; A new actor entered on the scene = trad op; She entered to him = zij kwam bij hem op het tooneel; Entered to national account = geboekt voor het rijk; To enter upon the joys of Heaven = deelachtig worden; He entered upon his office = aanvaardde zijn ambt.
Enteric, ənterik, darm…: Enteric fever = typheuse koorts; Enteritis, entəraitis, ingewandsontsteking; Entero …, entərou (in samenstellingen), ingewands…, buik …
Enterclose, entəklous, doorgang tusschen twee kamers.
Enterprise, entəpraiz, subst. onderneming, waagstuk, speculatie, energie, ondernemingsgeest; ook verb.; Enterprising = ondernemend, vermetel.
Entertain, entətein, onthalen, zich onderhouden, bezighouden, handhaven, voeden of koesteren, in overweging nemen, vermaken: I do not entertain the idea of it = ik denk er niet over; To entertain an offer, an overture = op een aanbod (voorstel) ingaan; To be entertained at (to) dinner = de gast zijn; Entertainer = onderhouder, patroon, gastheer: I am the entertainer = ik betaal; Entertaining = amusant; Entertainment = onthaal, gastvrijheid, feestmaal, vermaak, geestesgenot, koesteren (van gedachten).
Enthral, ənthrôl, tot slaaf maken, onderwerpen, betooveren; subst. Enthralment.
Enthrone, ənthroun (Enthronize, ənthrounaiz), ten troon verheffen, zetelen, wijden (een bisschop); subst. Enthralment.
Enthuse, ənthjûz, in geestdrift (in vuur) geraken, vol geestdrift zijn (Am.): To Enthuse over; Enthusiasm, ənthjûziazm, geestdrift, overdreven ijver; Enthusiast = geestdriftig, vurig bewonderaar of vereerder; adj. Enthusiastic(al).
Entice, əntais, verlokken of verleiden; subst. Enticement.
Entire, əntaiə, adj. geheel, volkomen, oprecht, onbetwist, zuiver; subst. bier (direct v. de brouwerij), niet gecastreerd paard; subst. Entireness = Entirety.
Entitle, əntait’l, aanspraak of recht geven op, betitelen, noemen.
Entity, entiti, zijn, aanwezen, bestaand iets: That remarkable entity, the French people = dat merkwaardig geheel.
Entoil, əntôil, verstrikken.
Entomb, əntûm, (levend) begraven; Entombment = begrafenis.
Entomologic(al), entəməlodžik(’l), entomologisch; Entomologist = entomoloog; Entomology, entəmolədži, insectenleer.
Entozoön, entəzouən, ingewandsworm.
Entrails, entreilz, ingewanden, binnenste.
Entrain, əntrein, ten gevolge hebben, meesleepen; inladen (in een trein): The troops entrained for Kimberley.
Entrammel, əntram’l, verwarren, verstrikken.
Entrance, entr’ns, binnenkomst, intrede, intocht, optreden, aanvaarding, toelating, ingang, monding, inklaring: His entrance into his office = het aanvaarden van zijn ambt; Entrance-examination = toelatingsexamen; Entrance-duty = invoerrecht; Entrance-fee = inleggeld, entrée(geld); Entrance money = toegangsprijs; Entrance subscription = entree (bij het lid worden.)
Entrance, əntrâns, verrukken, in geestverrukking brengen; subst. Entrancement.
Entrant, entr’nt, optredende, deelnemer.
Entrap, əntrap, in eene val vangen, verstrikken.
Entreat, əntrît, smeeken, dringend verzoeken: Entreative words = smeekbeden; Entreaty = dringend verzoek, smeekbede.
Entrée, Fr. uitspr., toegang; Entrées = Entremets, Fr. uitspr., tusschengerechten (in Engel.).
Entrench, əntrenš, verschansen (m. loopgr.); subst. Entrenchment.
Entrepot, Fr. uitspr., hoofdstapelplaats, magazijn, entrepôt.
Entrust, əntrɐst (Zie Intrust): He was entrusted with your interests = hem werden toevertrouwd.
Entry, entri, ingang, (binnen)komst, intocht, optreden, steeg, boeking, post, inklaring, declaratie, inbezitneming: To make one’s entry = zijn intocht houden; To make an entry = declareeren (van goed); Will you make an entry of this = dit opschrijven? The entries were six in all = deelnemers; (Book-keeping by) Double, Single entry = dubbel, enkel boekhouden; Bill of entry = lijst der voor invoer in te klaren goederen; Entry-money.
Entwine, əntwain, Entwist, əntwist, omwinden, omslingeren.
Enucleate, injûklieit, ontwarren, ophelderen; subst. Enucleation.
Enumerate, ənjûməreit, optellen, opnoemen; Enumeration = optelling, lijst; adj. Enumerative.
Enunciate, inɐnšieit, uiten, uitspreken, verklaren; Enunciation = uitdrukking, bewoordingen, uitspraak, verklaring; adj. Enunciative.
Envelop, ənveləp, omringen, omwikkelen, verbergen; Envelope, envəloup, omslag, enveloppe; de coma (zie dit woord) van een planeet, omhulsel, versterkte wal: A visiting-card is carried in an open envelope for one centime — kan worden verzonden; Envelopment = inwikkeling, omslag.
Envenom, ənvenəm, vergiftigen, verbitteren.
Enviable, enviəb’l, benijdenswaardig; Envied, envid, benijd; Envious, enviəs, afgunstig: The envious flood = de boosaardige golven (vloed); subst. Enviousness.
Environ, ənvair’n, omringen, omgeven, insluiten; Environs ook envir’nz, omstreken, omgeving; subst. Environment.
Envisage, ənvizidž, onder de oogen zien, beschouwen.
Envoy, envôi, afgezant, bode; slotstrophe welke een opdracht bevat (ook ənvôi); Envoyship = ambt v. envoy.
Envy, envi, subst. nijd, afgunst, voorwerp van afgunst; kwaadaardigheid; Envy verb. benijden, misgunnen: In envy = uit jaloerschheid, nijd.
Enwrap, ənrap, omwikkelen, inwikkelen, omhullen.
Enwreathe, ənrîdh, be-, omkransen.
Eolian, ioulj’n, Eolic, iolik, Eolisch.
Eon, îən, eeuw, eeuwigheid.
Eostre, îəstə, Angelsaksische godin.
Epact, îpakt, epakt, epacta.
Eparch, epək, gouverneur, bisschop (Grieksche kerk); Eparchy = provincie; diocees.
Epaule, əpôl, hoek van een bastion; Epaulement = epaulement, borstwering.
Epaulet(te), epôlet, epaulette.
Epenthesis, ipenthisis, epenthesis.
Ephemera, ifemərə, ééndagsvlieg, ding van één dag; Ephemeral, kortstondig, ephemeer; Ephemeris, ifeməris (Meerv. Ephemerides, îfemeridîz), sterrekundige tafel, astronomische almanak; Ephemeron, ifeməron, = Ephemera.
Ephesian, ifîž’n, subst. Ephezer; adj. van Ephesus, efəsɐs.
Ephialtes, efialtîz, nachtmerrie.
Ephod, efod, rijk en kort opperkleed der Joodsche (hooge)priesters.
Ephor, efö, opziener; mv. Ephors of Ephori, efərai, ephoren (Sparta).
Epic, epik, adj. episch, verhalend; subst. epos, heldendicht.
Epicede, episîd, lijk- of klaagzang.
Epicene, episîn, gemeenslachtig.
Epicure, epikjuə, epicurist, gastronoom; Epicurean, epikjurîən, adj. epicuristisch, weelderig; subst. epicurist, lekkerbek; Epicureanism, epikjurîənizm = Epicurism = epicurisme.
Epidemic, epidemik (Epidemy, epidəmi), epidemie: An epidemic of typhoid was raging; Epidemic(al) = heerschend, epidemisch.
Epidermis, epidɐ̂mis, opperhuid.
Epigastric, epigastrik, tot het bovendeel van den onderbuik (= Epigastrium) behoorende.
Epiglottis, epiglotis, keelklep; adj. Epiglottic.
Epigram, epigram, puntdicht, epigram; adj. Epigrammatic(al); Epigrammatist, epigramətist, maker van puntdichten; Epigram verb. Epigrammatize.
Epigraph, epigraf, opschrift, motto.
Epilepsy, pilepsi, vallende ziekte; Epileptic, epileptik, subst. epilepticus; adj. epileptisch (= Epileptical).
Epilogical, epilodžik’l, Epilogistic, epiləžistik, epilogisch, tot een epiloog behoorend; Epilogue, epilog, epiloog.
Epiphany, əpifəni, Driekoningen (6 Jan.).
Epiphyte, epifait, woekerplant.
Epirus, epirəs.
Episcopacy, əpiskəpəsi, bisschoppelijke regeering der kerk; Episcopal, əpiskəp’l, episcopaal; Episcopalian, əpiskəpeilj’n, subst. lid v. de episcop. kerk; adj. bisschoppelijk; Episcopate, əpiskəpit, subst. bisdom, waardigheid van bisschop; het episcopaat.
Episode, episoud, episode, voorval, tusschenverhaal; Episodial, episoudj’l; Episodic(al), episodik(’l), tot eene episode behoorend, toevallig.
Epistle, ipis’l, subst. brief, Zendbrief; gedeelte van de Zendbr., dat bij ’t Avondmaal wordt voorgelezen; Epistle side = rechterzijde van het altaar (als men er vóór staat) waar dit voorgelezen wordt; Epistolary, əpistələri: Epistolary style = briefstijl.
Epistyle, epistail, architraaf.
Epitaph, epitaf, grafschrift.
Epithalamium, epithəleimj’m, bruiloftsdicht of lied.
Epithelium, epithîliəm, opperhuid, slijmhuid.
Epithet, epithet, subst. epitheton, toenaam, bijnaam.
Epitome, əpitəmî, korte inhoud, kort begrip; Epitomist = maker van een epitome; Epitome verb. Epitomize = condenseeren.
Epoch, epok, îpok, tijdstip, tijdperk; Epoch-making; Epochal, epək’l, opzienbarend.
Epode, epoud, epode, slotzang, refrein.
Epopee, epəpî, Epos, epos, heldendicht.
Epsom Salts, eps’msôlts, Engelsch zout.
Equability, îkwəbiliti, ekwəbiliti, gelijkmatigheid; Equable, îkwəb’l, ekwəb’l, gelijkmatig, gelijkvormig.
Equal, îkw’l, subst. gelijke, wederga; adj. gelijk, gelijkvormig, opgewassen tegen; Equal verb. gelijk zijn (worden, maken), evenaren: His mental (social) equal; He is not (does not feel) equal to it = hij is er niet tegen opgewassen; Equal to the occasion = berekend voor zijn taak, slagvaardig; Not to be equalled = zijns gelijke niet hebben; Equality, ikwoliti, gelijkheid, enz.; Equalization, ikwəl(a)izeiš’n, gelijkmaking; Equalize = gelijkmaken.
Equanimity, îkwənimiti, gelijkmoedigheid.
Equate, ikweit, herleiden tot een gemiddelde, in den vorm van een vergelijking brengen; Equation, ikweiš’n, vergelijking, equatie of verevening: Equation of time = tijdsverevening.
Equator, ikweitə, evenaar, aequator; Equatorial, îkwətôri’l, adj. aequatoriaal, ook subst. = bepaalde astronomische kijker; Equatorial current = aequatoriaalstroom; Equatorial regions = de tropen.
Equer(r)y, ekwəri, ikweri, stalmeester.
Eques, îkwiz = Equites.
Equestrian, ikwestriən, subst. ruiter, kunstrijder; adj. te paard zittend, tot het rijden behoorend: Fair equestrian = amazone; Equestrianism = rijkunst; Esquestrienne, ikwestrien, ikwestrien, kunstrijderes.
Equiangular, îkwiaŋgjulə, gelijkhoekig.
Equibalance, îkwibal’ns, subst. evenwicht; Equibalance verb. in evenwicht zijn met.
Equidifferent, îkwidifər’nt, met gelijke verschillen.
Equidistant, îkwidist’nt, op gelijken afstand.
Equilateral, îkwilatər’l, subst. en adj. gelijkzijdige (figuur).
Equilibrate, îkwilaibreit, in evenwicht zijn (houden, brengen), in evenwicht blijven; Equilibration = evenwicht; Equilibrist, ikwilibrist, ikwilaibrist, koorddanser; Equilibrity, îkwilibriti, evenwicht; Equilibrium, îkwilibriəm.
Equimultiple, îkwimɐltip’l, subst. en adj. met hetzelfde getal vermenigvuldigd (getal).
Equine, îkw(a)in, paardachtig, paarde …
Equinoctial, îkwinokš’l, subst. evenachtslijn; adj. tot de e. behoorende: Equinox, îkwinoks, ekwinoks, dag- en nachtevening: Vernal and autumnal equinox = lente- en herfstnachtevening.
Equip, ikwip, uitrusten; Equipment = equipement.
Equipage, ekwipidž, uitrusting, stoet, gevolg, (staatsie)rijtuig.
Equipoise, îkwipôiz, evenwicht.
Equipollence, îkwipol’ns, gelijkheid van macht of kracht, gelijkwaardigheid; Equipollent = gelijkwaardig.
Equiponderance, îkwipondər’ns, gelijk gewicht; Equiponderant, îkwipondər’nt, van gelijk gewicht; Equiponderate, îkwipondəreit, opwegen tegen, in evenwicht brengen.
Equitable, ekwitəb’l, billijk, onpartijdig; subst. Equitableness.
Equitation, ekwiteiš’n, rijkunst; Equites ekwtîz, de tweede adellijke orde in het oude Rome, die oorspronkelijk de cavalerie vormde.
Equity, ekwiti, billijkheid, rechtvaardigheid; soort van aanvullingsrecht (meer naar den geest dan naar de letter der wet) voor gevallen waarin de oude Common Law niet voorzag: Equity of redemption = de tijd, iemand toegestaan, om de hypotheek op zijne landerijen af te lossen; het hem toekomende overschot na verkoop; Court of Equity = rechtbank waar Equity-recht werd gesproken, vroeger ressorteerend onder het oude Court of Chancery; sedert 1878 onder de Chancery Division van het High Court of Justice.
Equivalence, ikwivəlens, gelijkwaardigheid; Equivalent = equivalent, adj. en subst.
Equivocal, ikwivək’l, dubbelzinnig, verdacht, onzeker; subst. Equivocalness; Equivocate, ikwivəkeit, dubbelzinnig spreken, het niet nauw met de waarheid nemen; subst. Equivocation; Equivocator = draaier.
Equus, îkwɐs, paard.
Era, îrə, tijdperk, jaartelling.
Eradicate, iradikeit, met wortel en tak uitroeien, verdelgen; subst. Eradication; Eradicative, iradikətiv, subst. en adj. radicaal uitroeiend (middel).
Erase, ireis, uitschrappen, uitwisschen; Erasement = uitkrassing, uitschrapping; Eraser = radeermesje; radeergomelastiek; Erasure, ireižə, uitkrassing, geradeerd gedeelte.
Erasmus, irazməs.
Erastian, irastj’n, Erastiaan(sch), genoemd naar Erastus, irastəs, die de Kerk wilde ondergeschikt maken aan den Staat.
Ere, êə, eer, vroeger dan, vóór: Ere ever = voordat; Erelong = eerlang; Erenow = vóór dezen; Ere this = vroeger, te voren; Erewhile = vroeger.
Erebus, eribɐs, Erebus, onderwereld.
Erect, irekt, adj. rechtop, loodrecht, vast, flink; Erect verb. oprichten, stichten, bouwen, monteeren, verheffen, uitzetten, stijf worden, zich verheffen: To Erect a perpendicular = eene loodlijn oprichten; Erectile, irektil, wat opgericht kan worden; Erecting-shop = stelkamer; Erection = oprichting, verheffing, stichting; erectie; gebouw; Erective = oprichtend; Erectness = opgerichte stand of houding; oprechtheid; Erector = oprichter, spier, die ter oprichting dient.
Eremite, erəmait, (h)eremiet, kluizenaar; adj. Eremitic(al).
Ergo, ɐ̂gou, dus, derhalve.
Ergot, ɐ̂gət, moederkoren; Ergotism = moederkoren, vergiftiging hierdoor.
Eric, îrik, erik.
Erica, iraikə, heidekruid.
Erie, îri: Lake Erie; Erin, îrin, Ierland: Son of Erin = Ier.
Erinnys, irinis, irainis, Erinnyen, wraakgodinnen; furiën; Erlking, ɐ̂lkiŋ, elfenkoning.
Ermin(e), ɐ̂min, hermelijn, hermelijnen mantel; rechterlijke waardigheid: Ermined = met rechterl. of pairs-waardigheid bekleed.
Ern(e), ɐ̂n, zee-arend.
Ernest, ɐ̂nəst.
Erode, iroud, wegvreten, invreten: Erodent = wegvretend (middel).
Eros, îros.
Erosion, irouž’n, wegvreting, weggevreten plaats; kanker; adj. Erosive, irousiv.
Erotic, irotik, erotisch; minnedicht.
Erotomania, əroutəmeinjə, Erotomany, erətoməni, minnewaanzin, erotomanie.
Err, ɐ̂, dwalen, een fout begaan, zondigen.
Errand, er’nd, boodschap: Bent on an errand = op een boodschap uit; To go (on) an errand, To run errands = boodschap(pen) doen; To be sent on a fool’s errand = voor gek loopen; Errand-boy = loopjongen.
Errant, er’nt, dolend, dwalend: Knight errant = dolende ridder; Errantry = zwerftocht, leven van een dolenden ridder.
Errata, əreitə, Meerv. v. Erratum = fout, vergissing; Erratic(al), əratik(’l), dwalend, doelloos, opvallend, excentriek: Erratic block = erratisch rotsblok.
Erroneous, ərouniəs, verkeerd, onjuist; subst. Erroneousness.
Error, erə, dwaling, vergissing, fout, onregelmatigheid, zonde, overtreding: Writ of error = bevel tot revisie van een vonnis wegens een gebrek in den vorm.
Erse, ɐ̂s, subst. en adj. oud-Schotsch of Iersch.
Erskine, ɐ̂skin.
Erst, ɐ̂st, (superl. van ere), vroeger, eerst: Erstwhile = vroeger.
Erubescence, erubes’ns, roodworden of blozen; adj. Erubescent.
Eructation, irɐkteiš’n, oprisping; uitbarsting, uitwerpsel.
Erudite, erudait, geleerd; Erudition, erudiš’n, geleerdheid.
Erupt, irɐpt, uitbarsten; Eruption, irɐ̂pš’n, uitbarsting, eruptie, uitval, huiduitslag; Eruptive: Eruption countenance = gezicht vol uitslag; Eruption matter = uitgeworpen stoffen (van een vulkaan b.v.).
Ervalenta, ɐ̂vəlentə, revalenta.
Erysipelas, erisipəlɐs, roos; adj. Erysipelatous.
Esau, îsô.
Escalade, eskəleid, subst. escalade, beklimming met stormladders; Escalade verb. met stormladders beklimmen.
Escalop, əskaləp = Scallop.
Escapade, eskəpeid, moedwillige streek, gekke kuur, kwajongensstreek.
Escape, əskeip, subst. ontsnapping, ontkoming, vlucht, ontwijking, ontduiking, reddingtoestel; Escape verb. ontsnappen, ontkomen, vrijkomen; ontvallen, uitstroomen, ontgaan: We had a narrow escape = ontsnapten ternauwernood; We made our escape = wij maakten ons uit de voeten; Escape-ladder = brandladder; Escape-pipe = afvoerpijp; Escape-valve = ventiel; Escape-warrant = bevel tot inhechtenisneming v. een ontsnapt gevangene; Escapement = échappement, schakelrad.
Escarp, əskâp, subst. binnentalud; Escarp verb. tot eene steile helling maken; Escarpment = steilte.
Eschalot, ešəlot, sjalot.
Eschar, eskâ, korst; Escharotic, korstvormend (middel).
Escheat, əstšit, subst. aan de kroon of aan den leenheer (door ontbreken van erfgenamen) vervallen goed; in Amer. aan den staat; Escheat verb. aan de kroon of den leenheer vervallen; Escheatage = het recht van dit vervallen; Escheator = vroeger ambtenaar belast met het toezicht op dergelijke goederen.
Eschew, əstšû, schuwen, vlieden, vermijden.
Escort, esköt, gewapend geleide; Escort, əsköt vergezellen of geleiden.
Escritoire, eskritwö, schrijflessenaar, schrijfmap.
Esculapian, eskjuleipj’n, geneeskundig.
Esculent, eskjulent, subst. en adj. eetbaar (iets), voedsel.
Escurial, əskjûriəl, Eskuriaal.
Escutcheon, əskɐtš’n, wapenschild, familiewapen; dekschild; naambord of spiegel van een schip.
Eskimo, eskimou, Eskimo, ook adj.
Esop, îsəp; Esopian, isoupj’n, Esopic, isopik, Esopisch, van E.
Esophagus, îsofəgɐs, slokdarm.
Esoteric, esəterik, geheim, alléén voor de ingewijden, esoterisch, duister.
Espadon, espəd’n, tweehandig Spaansch zwaard.
Espalier, əspaljə, subst. spalier, latwerk, staketsel; leiboom; Espalier verb. eene reeks van leiboomen maken.
Especial, əspeš’l, onderscheiden, bijzonder, hoofdzakelijk: In especial = voornamelijk.
Espial, əspai’l, spionneeren; Espier = spion.
Espinel, espinel, spinel (edelst.).
Espionage, espiənidž, spionnage.
Esplanade, espləneid, glacis, terras, vlakke wandel- of rijweg.
Espousal, əspauz’l, tot het huwelijk of de verloving behoorend; Espousals = huwelijk, bruiloft, verloving; Espouse, əspauz, huwen, uithuwelijken, aankleven, omhelzen.
Espy, əspai, bespeuren, ontdekken.
Esquimau, eskimou, mv. Esquimaux; Zie Eskimo.
Esquire, əskwaiə, subst. schildknaap, Weledelgeb. Heer (op adressen: G. Bell, Esq. = Den Weledelgeb. Heer B.); Esquire verb. vergezellen, dienen.
Essay, esei, poging, proef, verhandeling, vertoog; Essayist = schrijver van korte verhandelingen.
Essai, əsei, pogen, beproeven.
Essence, es’ns, subst. bestaan, wezen, essence, het wezenlijke, uittreksel, reukwerk: He is the essence of goodness = toonbeeld van; Essential, əsens’l, wezenlijk, werkelijk, bepaald noodzakelijk, gewichtig; subst. hoofdbestanddeel, hoofdzaak, kern: Essential-oils = etherische oliën; Essentiality = wezenlijkheid.
Essera, esərə, netelroos.
Essoi(g)n, əsôin, subst. (Eertijds) het verontschuldigen (de verontschuldiging) van iem. wegens niet-verschijning voor eene rechtbank; Essoin verb. verontschuldigen wegens niet-verschijning ter terechtzitting; Essoinee, esoinî, de niet verschenen en verontschuldigde persoon; Essoin-day = de eerste dag van de zitting waarop de essoins in ontvangst werden genomen.
Establish, əstabliš, vaststellen, inrichten, oprichten, stichten, zich vestigen, vaststellen: To establish a business = eene zaak oprichten; To establish communications (with) = in verbinding stellen; He established himself there = vestigde zich; An established truth = uitgemaakte waarheid; Establishment = vaststelling, bevestiging, regeling, bekrachtiging, vestiging, handelshuis, inrichting, établissement, huishouding, sterkte, staatskerk = The Established Church.
Estacade, estəkeid, estacades, rivier- of havenversperringen.
Estafet(te), estəfet, renbode.
Estate, əsteit, subst. staat, toestand, rang, stand, bezit, landbezit, bezitting, landgoed, plantage: The British legislature consists of the estates of king (queen), lords and commons = drie (stenden) lichamen: koning, lords en gemeenten; Second Estate = the Lords; Third Estate = the Commons; Fourth Estate = de pers; He has come to man’s estate = mannelijken staat; Personal estate = roerend goed; Real estate = onroerend goed.
Esteem, əstîm, subst. achting, waardeering; Esteem verb. achten, waardeeren, beschouwen als.
Esther, estə.
Esthetic, əs-thetik. Zie Aesthetic.
Estimable, estiməb’l, achtenswaardig; subst. Estimableness; Estimate, estimit, subst. schatting, begrooting, meening; Estimate verb. estimeit, schatten, ramen, begrooten, berekenen: On the extremest estimate = naar hoogste schatting; The Army estimates were voted unanimously = de begrooting van oorlog werd met algemeene stemmen aangenomen; The loss is estimated at £ 5000 = wordt begroot; Estimation = schatting, begrooting, hoogachting, meening; Estimator = taxateur.
Estival, estiv’l, istaiv’l, zomersch; Estivate, estiveit, îstiveit, zomerslaap houden; subst. Estivation, estiveiš’n, îstiveiš’n, zomerslaap.
Estop, əstop, belemmeren, afsluiten, uitsluiten (door een voorafgaande handeling of verklaring); subst. Estoppel.
Estovers, əstouvəz, gerechtel. toegestane onderhoudsmiddelen, alimentatie; gebruik van hout van den landheer door den huurder.
Estrade, əstreid, estrade.
Estrange, əstreinž, vervreemden, verwijderen, onthouden; subst. Estrangement.
Estrapade, estrəpeid, steigeren en schoppen van een paard, om zijn ruiter af te werpen.
Estray, əstrei, onbeheerd of weggeloopen huisdier (Jur.).
Estreat, əstrît, subst. afschrift, duplicaat; Estreat verb. een afschrift maken.
Estuarine, estjuər(a)in, tot een estuary behoorend; Estuary, estjuəri, wijde monding eener rivier, zeeboezem.
Esurient, isiûriənt, hongerig, begeerig.
Et caetera, etsetərə, enzoovoort; Et caeteras = en verdere dingen; extra uitgaven.
Etch, etš, etsen; Etcher = etser; Etching-needle = etsnaald, etsstift.
Etern(e), itɐ̂n, eeuwig (dichterlijk) = adj. Eternal = eeuwig, onveranderlijk: The Eternal = de Eeuwige, God; Eternal flower = immortelle; Eternalize = eeuwig doen voortduren; Eternity = eeuwigheid, onsterfelijkheid: To all eternity = tot in eeuwigheid; Eternize = vereeuwigen, onsterfelijk maken.
Etesian, itîž’n, periodiek: Etesian wind = de “mistral” of de “bise” aan de Middell. Zee.
Ethel, ethəl; Ethelbald, Ethelbôld; Ethelbert, Ethelbɐ̂t; Ethelwulf, Ethelwulf.
Ether, îthə, ether; Ethereal, ithîriəl, vluchtig, etherisch, hemelsch; Ethereality, onstoffelijkheid; Etherealize, vergeestelijken; Etherize, met ether verdooven.
Ethic, ethik (= Ethical), ethisch; zedenleer (= Ethics): The Christian ethics.
Ethiop, îthiop, Ethiopiër, Ethiopisch; Ethiopia = Ethiopië; Ethiopian, subst. Ethiopiër; neger, moor; adj. Ethiopisch, zwart; Ethiopic = Ethiopisch, Ethiopiër.
Ethnic, ethnik, subst. heiden; adj. ethnologisch; heidensch = Ethnical.
Ethnographer, əthnogrəfə, ethnograaf; Ethnographic(al), ethnəgrafik(’l), ethnographisch; Ethnography, əthnogrəfi, ethnographie; Ethnologic(al), ethnəlodžik(’l), ethnologisch; Ethnologist, əthnolədžist, ethnoloog; Ethnology, əthnolədži, ethnologie.
Ethyl, ethil, aethyl.
Etiolate, îtiəleit, (doen) verbleeken, bleek worden (door onthouding van licht); subst. Etiolation.
Etiology, etiolədži, îtiolədži, leer der (ziekte) oorzaken.
Etiquette, etiket, etiket, etiquette: It is not etiquette for ladies = contrary to etiquette = tegen de etiquette.
Etna, etnə, Etna; soort snelkoker.
Eton, ît’n; Etonian, itounj’n, leerling van de school te Eton; ook adj.
Etruria(n), itrûriə(n), Etrurië(r); Etruscan, itrɐsk’n, Etrurisch, Etruriër.
Etui, ətwî, etui.
Etymologic(al), etiməlodžik(’l), etymologisch; Etymologist, etimolədžist, etymoloog; Etymologize, etimolədžaiz, woorden afleiden, aan woordafleiding doen; Etymology, etimolədži, etymologie; Etymon, etimon, grondwoord, stamwoord.
Eucalyptus, jûkəliptəs, eucalyptus, blauwe gomboom.
Eucharist, jûkərist, Eucharistie, het Sacrament des altaars, de H. Hostie; Eucharistic = avondmaals …, dank …; Eucharistica = overpeinzingen en gebeden bij het Heilig Avondmaal.
Euchre, jûkə, Amer. kaartspel (op Whist gelijkend); Euchre verb. beetnemen.
Euclid, jûklid, Euclides; meetkunde; adj. Euclidean, jûklidîən, Euclidian, juklidiən.
Eudoxia, judokšiə; Eugene, jûdžin, judžîn.
Eugenics, judženiks, rasverbetering.
Eulalia, juleiljə.
Eulogist, jûlədžist, lofredenaar; adj. Eulogistic(al); Eulogium, juloudž’m = Eulogy, jûlədži, lofspraak; Eulogize, jûlədžaiz, loven.
Eumenides, jumenidîz, de Furiën.
Eunuch, jûnək, eunuch; Eunuchism, het eunuch wezen, castreeren; Eunuch verb. Eunuchize, castreeren.
Eupepsia, jupepšiə = Eupepsy, jupepsi, jûpepsi, normale spijsvertering; Eupeptic = met goede spijsvertering.
Euphemism, jûfimizm, verzachtende uitdrukking; adj. Euphemistic(al).
Euphonic(al), jufonik(’l), Euphonious, jufouniəs, welluidend; Euphonism, jûfənizm, harmonie der klanken; Euphonize, jûfənaiz, welluidend maken; Euphony, jûfəni, welluidendheid.
Euphrasy, jûfrəsi, oogentroost.
Euphrates, jufreitîz.
Euphues, jûfjuîz; Euphuism, jûfjuizm, gemaakte, gezochte, overdreven sierlijke manier van uitdrukken; adj. Euphuistic(al).
Eurasia, jureišə, jureižə, Europa en Azië; Eurasian = Europeesch-Aziatisch; een uit het huwelijk van een Europeaan en Aziate geborene.
Eureka, jurîkə, Eureka: Eureka overcoat = piekfijne.
Europe, jûrəp; European, jûrəpîən, Europeaan; Europeesch; Europeanize, jûrəpîənaiz = invoeren van Europeesche zeden, enz.
Eurus, jûrəs, (Zuid)oostenwind.
Eustace, jûstis; Eustachian, justeikj’n: Eustachian tube = Eustachiaansche buis; Eustatia, justeišə.
Euston, jûst’n.
Euterpe, jutɐ̂pi, Euterpe; palmsoort; kapellensoort; adj. Euterpean.
Euthanasia, jûthəneižə, Euthanasy, juthanəsi, zachte dood; middel daarvoor.
Euxine (The), dhəjûksin, de Zwarte Zee.
Eva, îvə, Eva.
Evacuant, ivakjuənt, subst. en adj. purgeerend (middel); ventiel; Evacuate, ivakjueit, ontruimen, purgeeren, uitwerpen, ledigen; Evacuation = stoelgang, ontruiming.
Evade, iveid, ontduiken, ontwijken, ontgaan, ontglippen, verijdelen, uitvluchten maken: To evade the law = ontduiken.
Evan, ev’n; Evans, ev’nz.
Evanesce, evənes, verdwijnen; subst. Evanescence; Evanescent = verdwijnend, voorbijgaand, oneindig klein.
Evangel, ivanž’l, evangelie; Evangelic, îv’ndželik, evangelisch = Evangelical, ook subst. een aanhanger van de Low Church; Evangelism, ivanžəlizm, evangelieprediking; Evangelist; Evangelization = evangelisatie; Evangelize, ivanžəlaiz, het evangelie prediken, evangeliseeren.
Evangeline, ivanžəl(a)in.
Evanish, ivaniš, verdwijnen; subst. Evanishment = Evanition.
Evaporable, ivapərəb’l, verdampbaar; Evaporate, ivapəreit, verdampen, uitwasemen, drogen, verdwijnen, luchten (van toorn, b.v.); Evaporation, verdamping; Evaporative = verdampings…; Evaporator = verdampingstoestel; Evaporometer, îvapəromətə, verdampingsmeter.
Evasion, iveiž’n, ontduiking, ontwijking, uitvlucht; Evasive, iveisiv, vol uitvluchten, ontwijkend.
Eve, îv, Eva; avond, vóóravond: She was on the eve of her marriage = het was onmiddellijk vóór haar huwelijk, aan den vóóravond van.
Evelina, evəlainə; Eveline, Evelyn, evəlin.
Even, îv’n, adj. gelijk, effen, even, kalm, onpartijdig, rond; adv. zelfs, juist, zooeven, ook, bovendien; Even verb. effenen, gelijk maken: Even and odd = even en oneven; To be even with a person = niets meer schuldig zijn; To come even with = betaald zetten; To meet on even ground = strijden met gelijke kansen; To be even with the times = met zijn tijd meegaan; He told me even as much = precies hetzelfde; Even as I said it = juist toen; Even now = zoo pas nog; Even if = Even though he came = al kwam hij ook; I saw him even yesterday = ik heb hem gisteren nog gezien; Their even Christians = mede-christenen; His even-handed dealing with all = onpartijdige handelwijze jegens; Even-handedness; On an even keel = achter en voor even diep liggend; Even-minded = gelijkmoedig; Even money = ronde som; Even-tempered = gelijkmatig van humeur (= Of an even temper); Evener = gelijkmaker; zwengelhout (Amer.). Evenness = vlakheid, gelijkheid, gelijkmoedigheid, onpartijdigheid.
Even, îv’n, avond; Evenfall = avondstond; Evensong = vesper, avondlied; Eventide = avondtijd.
Evening, îv’niŋ, avond: The evening crowns the day = einde goed alles goed; Six in the evening = zes uur ’s avonds; Evening-dress = rok en witte das; Evening-gun = avondschot; Evening song = avondlied; Evening-star.
Event, ivent, gebeurtenis, afloop, gevolg, (sport)nummer: Double event = zevenstoot (bilj.); Treble event = negenstoot; At all events = in elk geval; In the event of = voor het geval dat; In the event = ten slotte; Eventful = belangrijk, gewichtig; Eventual, iventjuəl, gebeurlijk, eindelijk; Eventuality = mogelijkheid.
Ever, evə, ooit, in eenig opzicht, in eenige mate: For ever = voor goed; For ever and a day = voor eeuwig en altijd = For ever and aye; Or ever = voordat (verbasterd uit Ere ever); Not ever = never = nooit: I cannot ever repent of it = ik heb er volstrekt geen berouw van; Aren’t you ever coming? = kom je haast? As soon as ever she comes here = zoodra ze maar hier komt; Ever and again = telkens weer; Ever and anon = nu en dan; gedurig; Ever since that time = van dien tijd af aan; I waited for ever so long = een eeuwigen tijd; He may rail ever (never) so much = zooveel hij verkiest; Still tremendously hot! It is ever so much in the shade = ’k weet wel niet hoeveel graden; With ever so slight a foreign accent = een ‘ietsje’, ‘tikje’; It’s ninepence for ever such a little tin = voor nog zoo’n klein blikje; He would veto your taking ever such a little glass = de geringste hoeveelheid; Everglade = moerassige steppe in Oost-Florida; Evergreen = plant, die het geheele jaar door groen blijft; Ever-lasting, evəlâstiŋ, altijddurend, eeuwig; subst. eeuwigheid; sterke stof voor laarsjes: The Everlasting = de (eeuwige) Godheid; Everlastings = immortellen; Everlasting flower = stroobloem; Life everlasting = het eeuwige leven; Evermore = altijd door, steeds weer, voor eeuwig.
Ever(h)ard, evərəd; Everett, evərət.
Eversion, ivɐ̂š’n, omkeering, naar buitenkeering; Eversion verb. Evert, ivɐ̂t.
Every, ev’ri, ieder, elk: Every bit = volkomen, geheel: Her every gesture = elk harer gebaren; Every now and then = van tijd tot tijd, telkens; Every other day = om den anderen dag; My every word = elk mijner woorden; Everybody = iedereen; Everything = alles; Everyway = in elk opzicht; Everywhere = overal.
Evesham, îvz(h)əm.
Evict, ivikt, uitzetten (uit een huis, b.v.), ontnemen, verdrijven; Eviction = uitzetting, ontneming.
Evidence, evidens, subst. bewijs, bewijsmateriaal, klaarblijkelijkheid; Evidence verb. bewijzen; In this novel the clergy are in evidence = komen veel geestelijken voor; Mr. and Mrs. N. were both in evidence = tegenwoordig; Circumstantial evidence = bewijs (Jur.); These circumstances are opposed to the evidence = druischen tegen alle waarschijnlijkheid in; He gave evidence = legde getuigenis af; To turn King’s (Queen’s) evidence = getuigenis afleggen tegen de medeschuldigen; Evident, evid’nt, duidelijk, klaarblijkelijk: Self-evident = zonneklaar; Evidential = duidelijk bewijzend; Evidentness = klaarblijkelijkheid.
Evil, îv’l, subst. kwaad, onheil, ellende, zonde, kwaal; adj. kwaad, boos, snood, slecht, zondig: The Evil one = de duivel; The king’s evil = klierziekte; The evils of war, social evils = rampen; Stomach evils = maagkwalen; This bodes evil = voorspelt kwaad; Evil-affected = kwalijk gezind; Evil case = rampzalige toestand; Evil-doer = boosdoener, zondaar; Evil-eye = kwaad oog (dat op bovennatuurl. wijze kwaad berokkent); Evil-eyed = met evil eye; afgunstig; Evil-favoured = met een ongunstig uiterlijk; Evil-minded = boosaardig; subst. Evil-mindedness; Evil-smelling = kwalijk riekend; Evil-speaking = laster(end); Evil-worker = boosdoener.
Evince, ivins, bewijzen, aan den dag leggen.
Eviscerate, ivisəreit, ontweiden (van wild); verknoeien; subst. Evisceration.
Evocate, evəkeit, oproepen; Evocation = oproeping, bezwering.
Evoke, ivouk, oproepen, uitlokken, voor een andere rechtbank brengen.
Evolution, evəl(j)ûš’n, îvəl(j)ûš’n, evolutie, ontwikkeling, worteltrekking, militaire beweging; Evolutional = ontwikkelings = Evolutionary = evolutie…; Evolutionism = evolutieleer.
Evolve, ivolv, ontvouwen, ontplooien, ontwikkelen, zich ontwikkelen; Evolvulus, ivolvjulɐs, evolvulus, zekere klimplant.
Ewart, jûwət.
Ewe, iû, ooi: Ewe cheese = schapekaas; Ewe-lamb; Ewe-neck = hertenhals (van paarden).
Ewer, jûə, lampetkan, waterkan.
Ewing, jûwiŋ.
Ex, eks, (in samenst.), vroeger, gewezen: The ex-king Milan.
Exacerbate, əgzasəbeit, verbitteren, verergeren; subst. Exacerbation.
Exact, əgzakt, adj. nauwkeurig, precies, methodisch, stipt; Exact verb. eischen, vorderen, afpersen: In exactest sort = in de puntjes; Exactly so = precies; Exacting, veeleischend, streng; Exactingness causes much misery = veeleischendheid; Exaction = afpersing, buitensporige eisch; Exactitude = Exactness = nauwkeurigheid.
Exaggerate, əgzadžəreit, overdrijven, vergrooten; subst. Exaggeration; adj. Exaggerative.
Exalt, əgzôlt, verheffen, verhoogen, verrukken; Exaltation, egzolteiš’n, verheffing, verrukking, geestvervoering; Exalted = hoog, verheven; Exaltedness = exaltatie.
Examination, əgzamineiš’n, onderzoek, ondervraging, verhoor, examen (ook verk. tot Exam, əgzam): Examination on paper = Written examination = The writing part of an examination; Vivâ voce examination = vivâ voce; To enter, (to pass, to present oneself for, to retire from) an examination; Examination-paper = examenopgaaf; Examination-in-chief = ondervraging van de(n) hoofdgetuige; Examinational: The old examinational system = examenstelsel; Examine, əgzamin, onderzoeken, ondervragen, verhooren, examineeren: I examined into the thing = deed onderzoek naar de zaak; Examinee = examinandus; Examiner = examinator, onderzoeker, inspecteur, rechter v. instructie.
Example, əgzâmp’l, voorbeeld, patroon, model, opgave: For example = bij voorbeeld; By way of example = als, bij wijze van; I will set (give) you a good example = u een goed voorbeeld geven; Take example from (by) your brother = neem een voorbeeld aan, uw broeder tot voorbeeld; Exampler = model, voorbeeld.
Exanthema, eksanthîma, huiduitslag; koorts, die daarmee gepaard gaat; meerv. Exanthemata, eksanthîmətə, eksanthemətə.
Exarch, eksâk, Legaat v. den Patriarch; onderkoning (in Italië) van de Byzantijnsche keizers; Exarchate, eksâkit, eksâkit, exarchaat.
Exasperate, əgzaspərit, adj. verbitterd, getergd; Exasperate verb. (əgzaspəreit) verbitteren, tergen, verergeren; subst. Exasperation.
Excalibur, ekskalibə.
Excavate, ekskəveit, uithollen, uitgraven; Excavation = uitholling, holte, uitgraving, doorgraving; Excavator = graafmachine.
Exceed, əksîd, overtreffen, overschrijden, meer zijn dan, te ver gaan, te buiten gaan: I’ll take good care that you don’t exceed = u niet te buiten gaat; I have exceeded already = ik heb al boven mijn “taks” gedronken (gegeten), etc.; Exceeding(ly) = buitengewoon.
Excel, əksel, overtreffen, uitmunten; Excellence, eksəlens, uitstekendheid, voortreffelijkheid; Excellency, eksəlensi, excellentie: In a degree of Excellency = voortreffelijk; Excellent = voortreffelijk.
Excelsior, əkselsiö, excelsior.
Excentric, eksentrik. Zie Eccentric.
Except, əksept, Except verb. uitzonderen, tegenwerpingen maken; prep. buiten, behalve; conj. tenzij, zonder; Excepting = uitzonderend, uitgezonderd; Exception, eksepš’n, uitzondering, tegenwerping, ontkenning: I take exception to such words = ik keur af, neem kwalijk, werp op een exceptie tegen; Bill of Exception = lijst van excepties tegen een rechterlijk besluit; Exceptions prove the rule = de uitzonderingen bevestigen den regel; Exceptionable = berispelijk, betwistbaar; Exceptional = bij wijze van uitzondering = Exceptive.
Excerpt, əksɐ̂pt, excerpeeren, een uittreksel maken; subst. (eksɐ̂pt), excerpt.
Excess, əkses, overtolligheid, overdaad, buitensporigheid, onmatigheid: He eats and drinks to excess = buitensporig veel; Excess fare = boete (op spoorwegen): To pay excess fare; Excessive = overdadig, buitensporig, buitengewoon, onmatig.
Exchange, əkstšeinž, subst. (uit)wisseling, ruiling, beurs; Exchange verb. ruilen, wisselen, uitwisselen: To apply for an exchange = overplaatsing verzoeken; Arbitration of exchange = wisselarbitrage; Bill of exchange = wissel(brief); Course of exchange = wisselkoers; Foreign and domestic exchanges = buiten- en binnenlandsche wisselkoersen; List of exchanges = koersnoteeringen; The Exchange = de Beurs; At to-day’s exchange = ter beurze van heden; Exchange it for another = vervang het, ruil het; Exchange-broker = wisselmakelaar; Exchangeability = wisselbaarheid; Exchangeable = inwisselbaar, uitwisselbaar; Exchanger = wisselaar.
Exchequer, əkstšekə, schatkist, kas: Exchequer Bills = schatkistbiljetten; Chancellor of the Exchequer = kanselier van de schatkist.
Excisable, əksaizəb’l, belastbaar; Excise, əksaiz, subst. accijns, impost; adj. accijns …; Excise verb. belasten, veraccijnzen; Excise-duties = accijnzen; Exciseman = ontvanger der accijnzen; Excise-office = accijnzenkantoor.
Excise, eksaiz, uitsnijden, uithollen, schrappen; Excision, əksiž’n, uitsnijding, amputatie, uitsluiting; excommunicatie.
Excitability, əksaitəbiliti, prikkelbaarheid; Excitable, əksaitəb’l, prikkelbaar; Excitant, əksait’nt, eksit’nt, subst. en adj. prikkelend, opwekkend (middel); Excitation, eksiteiš’n, opwinding, opgewondenheid; Excitative = prikkelend; Excite, əksait, opwekken, aanzetten, opwinden, prikkelen, aan den gang brengen, gevoelig maken; Excitement = opwinding, opgewondenheid, prikkel.
Exclaim, əkskleim, uitroepen, luide uitvaren (against), luid jammeren (on); Exclaimer = ijveraar; Exclamation, ekskləmeiš’n, uitroep, kreet, geschreeuw, het uitvaren (tegen): Note of exclamation = uitroepteeken; adj. Exclamatory, əksklamətəri.
Exclude, əksklûd, uitsluiten, buitensluiten, uitzonderen; Exclusion = uitsluiting; Exclusive, əksklûsiv = uitsluitend, met uitsluiting van (of), exclusief: Exclusive dealing = begunstiging van bepaalde personen (om politieke of relig. redenen); He has exclusive sources of information = aparte, bijzondere; His comforter was three yards long, exclusive of the fringe = buiten de franje; subst. Exclusivism.
Excogitate, əkskodžiteit, uitdenken, verzinnen; subst. Excogitation.
Excommunicate, ekskəmjûnikeit, excommuniceeren; subst. ekskəmjûnikit = een geëxcommuniceerde; Excommunication, ekskəmjûnikeiš’n, excommunicatie: The lesser excommunication = uitsluiting van deelneming aan het avondmaal; The greater excommunication = algeheele kerkban; adj. Excommunicative.
Excoriate, əkskôrieit, villen, de huid afschaven; subst. Excoriation.
Excrement, ekskrəment, uitwerpsel(en); adj. Excremental.
Excrescence, əkskres’ns, uitwas, wrat; Excrescent = overtollig.
Excrete, əkskrît, afscheiden; Excretion, əkskrîš’n, afscheiding; Excretory, əkskrîtəri, ekskrətəri, afscheidend: Kidneys are excretory organs = afscheidingsorganen.
Excruciate, əkskrûšieit, martelen, folteren; Excruciating = ondragelijk, ijsselijk; Excruciation = marteling.
Exculpate, ekskəlpeit, əkskɐlpeit, verschoonen, verontschuldigen, vrijspreken, rechtvaardigen; subst. Exculpation; Exculpatory = verontschuldigend.
Excursion, əkskɐ̂š’n, afwijking, afdwaling, uitstapje: Excursion-ticket = uitstapkaart; Excursion-train = pleiziertrein; Excursionist = tourist; Excursive, doelloos, afdwalend; subst. Excursiveness; Excursus, əkskɐ̂səs, aanhangsel met nadere uitwerking van een in den tekst genoemd punt.
Excusable, əkskjûzəb’l, verschoonbaar; subst. Excusableness; Excuse, əkskjûs, verontschuldiging, uitvlucht, ontheffing.
Excuse, əkskûz, vrijpleiten, vergeven, vrijstellen, verontschuldigen: He is excused all the hard work in the house = vrijgesteld van; He excused himself on that score = verontschuldigde zich; Excuse me for doubting it = neem me niet kwalijk, dat …
Exeat, eksiat, verlof aan een (Engelsch) student tot tijdelijke afwezigheid; afwezigheidsverlof aan een geestelijke.
Execrable, eksikrəb’l, verfoeilijk; subst. Execrableness; Execrate, eksikreit, verfoeien, vervloeken, verwenschen; subst. Execration; adj. Execrative = Execratory.
Executable, eksəkjûtəb’l, əksekjutəb’l, uitvoerbaar; Execute, eksikjût, uitvoeren, volvoeren, verrichten, passeeren, ten uitvoer leggen, voltrekken, terdoodbrengen: To execute a deed = eene acte passeeren; To execute a will = een testament uitvoeren; Executer = executeur; Execution, eksikjûš’n, uitvoering, volbrenging, voordracht, spel, uitwerking, bevel tot voltrekking (= Writ of execution), executie, beslag, voltrekking der doodstraf: To put a thing into execution = iets ten uitvoer brengen; An execution was put into our house for rent = om de huur werd er beslag gelegd op het meubilair; To take in execution = bij executie laten verkoopen; Executioner, eksikjûšənə, beul; Executive, əgzekjutiv, subst. uitvoerende macht; adj. uitvoerend, volvoerend; Executor, egzekjutə, executeur; Executionership = ambt van executeur; Executory = executoir; Executrix = executrice.
Exegesis, eksidžîsis, exegese; Exegete, eksidžît, exegeet; Exegetic(al), eksidžetik(’l), exegetisch; Exegetics, eksidžetiks, uitlegkunde.
Exemplar, əgzemplə, model, voorbeeld; Exemplariness, əgzemplərinəs, eksəmplərinəs, voorbeeldigheid; Exemplary, əgzempləri, eksəmpləri, egzəmpləri, voorbeeldig, uitstekend; Exemplification, əgzemplifikeiš’n, verklaring, bewijsplaats; afschrift; Exemplify, əgzemplifai, met een voorbeeld aantoonen, als voorbeeld dienen, een afschrift maken.
Exempt, əgzemt, subst. vrijgestelde; adj. vrij, bevrijd; Exempt verb. vrijstellen, excuseeren; Conscientious exempts = v. dienst vrijgestelden wegens gemoeds- of godsdienstbezwaren; Exemption, əgzemš’n, vrijstelling, vrij zijn.
Exequatur, eksikweitə, exequatur, officiëele bekrachtiging; erkenning van een consul door de regeering.
Exequies, eksikwiz, begrafenisplechtigheid.
Exercise, eksəsaiz, subst. gebruik, vervulling, beoefening, lichaamsbeweging; oefening, godsdienstoefening, exercitie, opgave; Exercise verb. uitoefenen, gebruiken, aanwenden, oefenen, afrijden, drillen, beweging nemen in de open lucht, beproeven, verontrusten: Exercise-book = schrift; To do one’s exercises = schoolwerk maken; To hold closing exercises = eindrepetities houden; You can take exercise every day in that climate = je alle dagen in de open lucht bewegen; To claim and exercise a right = eischen en uitoefenen; They were much exercised on that subject = ze hielden zich ernstig bezig met dat onderwerp; You were exercised that we should know her = gij deedt uw best, steldet er belang in; I was painfully exercised in my mind at the way in which he ruined his children = had er erg mee te doen; maakte me ongerust; I was seriously exercised in my mind as to the possibility of doing it = ik zat er ernstig over in; He exercises me strangely = maakt het mij zeer moeielijk; Exerciser.
Exert, əgzɐ̂t, inspannen, (kracht) toonen of gebruiken: It is the privilege of poetry to exert such charms = zulke bekoringen uit te oefenen; He exerted himself very much = spande zich zéér in; Exertion, əgzɐ̂š’n, inspanning, krachtige poging.
Exes, eksiz, verkorting van Expenses.
Exeter, eksitə.
Exeunt, eksiɐnt, ‘zij treden af’ (tooneel).
Exfoliate, əksfoulieit, afschilferen; subst. Exfoliation.
Exhalable, əgz(h)eiləb’l, əksheiləb’l, vluchtig; Exhalation, eksəleiš’n, ekshəleiš’n, egzəleiš’n, uitwaseming, damp; Exhale, əgzheil, əksheil, əgzeil, uitademen, uitwasemen, in damp opgaan, doen verdampen.
Exhaust, əgz(h)ôst, uitputten, leegmaken, luchtledig maken: The fifth edition is exhausted = uitverkocht; Exhausted receiver = leeggepompte klok (van eene luchtpomp); Exhaust-pipe = afvoerpijp (v. stoom); Exhaust-valve = afvoerklep; Exhauster = exhauster, oppomper, opzuiger; Exhaustible = uitputtelijk; Exhaustion, əgz(h)ôstj’n, uitputting, vermoeienis, uitpompen, uitstroomen; Exhaustive = volledig, alleruitvoerigst: He sent me Exhaustive information about that subject = volledige inlichtingen; Exhaustless = onuitputtelijk.
Exhibit, əgz(h)ibit, subst. uitstalling, tentoongesteld voorwerp, bewijsstuk, staat; Exhibit verb. tentoonstellen, uitstallen, vertoonen, formeel indienen of overleggen; voorschrijven (van geneesmiddelen); Exhibition, eks(h)ibiš’n, tentoonstelling, vertooning, indiening of overlegging van bewijsstukken, studiebeurs, openbare les met prijsuitdeeling; het voorschrijven (van geneesmiddelen); lijftocht: He made an exhibit of himself = hij stelde zich belachelijk aan; He has an interesting collection on exhibit = heeft … ingezonden; Exhibit-room = tentoonstellingszaal; Exhibiter, eksibišənə, iemand, die van eene beurs studeert; Exhibitist = executant; Exhibitive = voorstellend; Exhibitor = vertooner, exposant; adj. Exhibitory.
Exhilarant, əgz(h)ilər’nt, subst. en adj. vervroolijkend of opbeurend (middel); Exhilarate, əgz(h)iləreit, opvroolijken, verblijden; subst. Exhilaration = opvroolijking, vroolijkheid.
Exhort, əgz(h)öt, vermanen, waarschuwen, aanzetten, aansporen; subst. Exhortation, eks(h)öteiš’n; Exhortative; Exhortatory = vermanend; Exhorter = vermaner.
Exhumation, eks(h)jumeiš’n, opgraving; Exhume, əgz(h)jûm, opgraven.
Exigence, eksidžens, Exigency, eksidžensi, noodzakelijkheid, urgentie, behoefte, benoodigd bedrag, vereischte; adj. Exigent.
Exiguity, eksigjûiti, kleinheid, onvoldoendheid; Exiguous, əgzigjuəs, gering, klein, schraal.
Exile, eksail, egzail, subst. balling, verbanning; Exile verb. verbannen: To pass sentence of exile on.
Exist, əgzist, zijn, bestaan, leven; Existence = bestaan, zijn; Existent.
Exit, eksit, het heengaan (v. het tooneel), aftreden, uitgang, verscheiden, dood: He made his exit = hij trad af, stierf.
Exmouth, eksmɐth.
Exodus, eksədɐs, Exodus: General exodus = algemeene uittocht.
Ex officio, eksofišiou, ambtshalve.
Exon, eksən, titel van de 4 officieren der Yeomen of the Guard, in rang onder den Ensign.
Exonerate, əgzonəreit, zuiveren, vrijspreken; ontheffen, ontlasten; subst. Exoneration; adj. Exonerative.
Exorbitance, əgzöbit’ns, overdrijving, buitensporigheid; Exorbitant = buitensporig: Exorbitant bill = hooge rekening, hooge prijs.
Exorcize, eksösaiz, əgzösaiz, uitdrijven, uitbannen (van booze geesten); Exorcizer of Exorcist = duivelbanner.
Exordium, əgzödj’m, inleidend woord, aanhef; Exordial = inleidend.
Exoteric(al), eksəterik(’l), openbaar, populair.
Exotic, əgzotik, subst. en adj. niet inheemsch, buitenlandsch (product).
Expand, əkspand, uitspreiden, ontplooien, in omvang toenemen, ontluiken, uitzetten; Expanse, əkspans, uitgestrektheid, groote ruimte, uitspansel; Exspansibility = uitzetbaarheid, spankracht; Expansible = uitzetbaar; Expansion, əkspanš’n, uitzetting, spanning, verbreeding, toeneming, vermeerdering, uitgestrektheid, ruimte: Expansion curb = instrument tot het tegengaan van uitzetting of inkrimping (door hitte of koude), zooals bij chronometers; Expansive = uitzettings …, uitzetbaar, uitgestrekt, openhartig, zich licht uitend: Expansive force = spankracht; Expansive power = uitzettingsvermogen; Expansive youths = openhartige, gevoelige jongelui; subst. Expansiveness.
Expatiate, əkspeišieit, uitweiden (on), uitvoerig zijn; subst. Expatiation; Expatiatory = wijdloopig.
Expatriate, əkspeitrieit, verbannen (uit het vaderland): To expatriate oneself = het vaderland verlaten; subst. Expatriation.
Expect, əkspekt, verwachten, rekenen op, vermoeden, denken: He is not expected to live = de dokters hebben hem opgegeven; She is expecting = in blijde verwachting; Expectance = verwachting, hoop, opschorting; Expectant = hoopvol, verwachtend; expectant; Expectation, ekspekteiš’n, verwachting, vooruitzicht, belofte: To have expectations from an old aunt = wat ‘te wachten’ hebben; Expectation of life = vermoedelijke levensduur; Expectation week = de week tusschen Hemelvaartsdag en Pinkster.
Expectorant, əkspektər’nt, subst. en adj. slijm losmakend (middel); Expectorate, əkspektəreit, opgeven (bij het hoesten); Expectoration, ophoesten, het opgehoeste; Expectoratoon = kwispedoor (Amer.).
Expediency, əkspîdj’nsi, gepastheid, raadzaamheid, geschiktheid; utiliteitsbeginsel, zelfzucht; adj. Expedient, əkspîdj’nt, ook subst. hulpmiddel, redmiddel.
Expedite, ekspidait, bevorderen, verhaasten; afzenden, uitvaardigen, snel afmaken of verrichten: The revolution was expedited, instead of delayed = verhaast; Expedition, ekspidiš’n, haast, vlugheid, spoed, vlugge verzending; expeditie, onderneming; Expeditionary = expeditie …: Expeditionary troops; Expeditious, ekspidišəs, Expeditive, əkspeditiv, Expeditory, əkspeditəri, vaardig, vlug.
Expel, əkspel, uitdrijven, verbannen (from), wegzenden, uitsluiten; Expellant, uitdrijvend middel; Expeller: Pain-expeller = pijnstillend middel.
Expend, əkspend, uitgeven, besteden (on), verbruiken; Expenditure, əkspenditjə, uitgaven, kosten, verbruik: That is mere expenditure of words (breath) = slechts verlies van woorden.
Expense, əkspens, onkosten, uitgaven: At my expense = op mijne kosten; To be at the expense of = moeten betalen; I am sorry you were put to such expense = dat gij zooveel kosten hebt gehad; He went to great expense = hij maakte veel kosten; Expensive = kostbaar; subst. Expensiveness = kostbaarheid, duurte.
Experience, əkspîriəns, subst. ondervinding, ervaring; Experience verb. ondervinden, ervaren, probeeren, beproeven, ondergaan: Of no experience = onervaren; It was outside all our experience = zoo iets hadden we nog nooit beleefd; Experience is the best teacher = Experience is a good school = de onderv. is de beste leermeesteres; Experience keeps a dear school = door schade en schande wordt men wijs; Experience teaches fools = ervaring is de wijsheid der dwazen; He experienced religion = werd bekeerd (Amer.); An experienced teacher = een ervaren onderwijzer; Experiential science = ervaringswetenschap; Experiment, əksperiment, subst. proef; Experiment verb. proeven nemen, experimenteeren (on); Experimental philosophy = proefondervindelijke wijsbegeerte; Experimentalize = experimenteeren; Experimenter.
Expert, ekspɐ̂t, subst. deskundige, vakman; adj. (əkspɐ̂t) deskundig, bedreven: To get expert at = ervaren worden in; subst. Expertness.
Expey = Expensive.
Expiable, ekspiəb’l, verzoenbaar; Expiate, ekspieit, boeten, weer goed maken; Expiation = boete, zoenoffer: Feast of Expiation = Groote Verzoendag; adj. Expiatory: Expiatory sacrifice = zoenoffer.
Expiration, ekspireiš’n, uitademing, ademtocht, einde, dood, vervaltijd; Expiratory = tot de uitademing behoorend: Expiratory execution = terechtstelling door verstikking, etc.; Expire, əkspaiə, uitademen, den laatsten adem uitblazen; afloopen, vervallen: This ticket expired yesterday; Expiry, ekspirə, əkspairi, vervaltijd: The expiry of the copyright = het vervallen van het copierecht.
Explain, əksplein, uitleggen, verklaren: To explain away = door toelichting uit den weg ruimen; Explainable = verklaarbaar; Explainer = verklaarder; Explanation, ekspləneiš’n, uitlegging, verklaring: To come to an explanation with = het eens worden met; Explanatory notes = verklarende aanteekeningen.
Expletive, eksplətiv, subst. stopwoord, verwensching; adj. aanvullend = Expletory.
Explicable, eksplikəb’l, verklaarbaar; Explicate, eksplikeit, uitleggen; subst. Explication; Explicative, eksplikətiv, uitleggend = Explicatory; Explicit, əksplisit, duidelijk, helder, open, uitvoerig; subst. Explicitness.
Explode, əksploud, uiteenbarsten, ontploffen, laten ontploffen, verwerpen: An exploded notion = opgegeven denkbeeld; He exploded with his grievances to his friend’s ear = hij uitte zijne grieven tegen zijn vriend; Explodent = ontploffingsgeluid; Exploder = ontploffingsmiddel.
Exploit, əksplôit, subst. heldendaad; Exploit verb. exploiteeren, uitbuiten, benutten, gebruiken (tot zijn doel); Exploitation, eksplôiteiš’n, exploitatie, uitbuiting, verkenning; Exploiter, uitbuiter.
Exploration, ekspləreiš’n, onderzoeking, navorsching; Explorative = Exploratory = onderzoekend, onderzoekings—; Explore, əksplö, zorgvuldig onderzoeken; Explorer = onderzoeker; sonde.
Explosion, əksplouž’n, uitbarsting, losbarsting; ontploffing; Explosive, əksplousiv, subst. ontploffingsstof; klapper, ontploffingsgeluid; adj. ontploffend, knal, schiet—; opvliegend: Explosive cotton = schietkatoen; Explosive signals = knalsignalen; subst. Explosiveness.
Exponent, əkspoun’nt, verklaarder, exponent; adj. Exponential: Exponential equation = vergelijking met den onbekende als exponent; Exponential quantity = exponentiaal grootheid.
Export, ekspöt, uitvoer, uitgevoerde artikelen; Export-duties = uitgaande rechten; Export-trade = uitvoerhandel.
Export, əkspöt, uitvoeren; Exportable = uitvoerbaar; Exportation, ekspöteiš’n = uitvoer; Exporter = exporteur.
Exposal, əkspouž’l. Zie Exposure.
Expose, əkspouz, blootstellen, overleveren, aan de kaak stellen, ontblooten, openbaren, blootleggen, tentoonstellen, uitstallen, uiteenzetten: They exposed the child = lieten … aan zijn lot over; Exposition, ekspəziš’n, blootstelling; blootlegging, verklaring; tentoonstelling (Amer.); Expositor, əkspozitə, uitlegger, tolk, woordenlijst; Expositive, Expository = verklarend; Exposure, əkspoužə, blootstelling, blootlegging, ontblooting (= Indecent exposure), onthulling, uitstalling, het blootgesteld zijn: Death by exposure = doodvriezing, etc.
Expostulate, əkspostjuleit, ernstig onderhouden, vermanen; Expostulation = vermaning, vertoog, woordenwisseling; Expostulator = afkeurder; adj. Expostulatory.
Expound, əkspaund, verklaren, vertolken.
Express, əkspres, subst. bode, expresse, tijding, sneltrein; adj. duidelijk, helder, uitdrukkelijk, expres, juist; Express verb. uitdrukken, betuigen, uitpersen, per expresse verzenden (Amer.); in beeld brengen; Express-man = beambte bij een Express-office = expeditiekantoor (Amer.); Express-train = sneltrein; He expressed himself very distinctly = drukte zich uit; Expressible = uitdrukbaar; Expression = uitpersing, uitdrukking, verklaring, voorstelling: He loves you past expression = meer dan woorden kunnen zeggen; Expressive = vol uitdrukking, krachtig: Expressive language = krachtige, levendige taal; Expressive of deep interest = groote belangstelling uitdrukkende; subst. Expressiveness.
Expropiate, əksprouprieit, onteigenen, uitsluiten; (Compulsory) expropriation = onteigening (bij de wet).
Expulsion, əkspɐlš’n, uitdrijving, verbanning; Expulsive = verbannend; afdrijvend (middel).
Expunge, əkspɐnž, uitwisschen, uitkrabben.
Expurgate, əkspɐ̂geit, ekspɐ̂geit, zuiveren; subst. Expurgation; Expurgator, əkspɐ̂gətə, ekspɐ̂geitə = zuiveraar; Expurgatory, əkspɐ̂gət’ri, zuiverend: Expurgatory Index = lijst van boeken, door den Paus verboden, zoolang zij niet van de daarin voorkomende dwalingen zijn gezuiverd.
Exquisite, ekskwizit, uitgezocht, uitgelezen, voortreffelijk, verfijnd, keurig, lekker; hevig, verschrikkelijk, diep; subst. fat; subst. Exquisiteness; Exquisitism = fatterigheid.
Exsanguinity, eksaŋgwiniti, bloedarmoede; Exsangui(n)ous, əksaŋgwi(n)ɐs, bloedarm.
Exsect, əksekt, uitsnijden; subst. Exsection.
Exsiccant, əksik’nt, subst. en adj. opdrogend (kruid of middel); Exsiccate, eksikeit, əksikeit, op- of uitdrogen; subst. Exsiccation.
Exsuccous, əksɐkəs, saploos, droog.
Extant, ekst’nt, əkstant, bestaande, voorhanden, aanwezig; uitstekend.
Extasy, ekstəsi. Zie Ecstasy.
Extemporal, əkstempər’l, Extemporaneous, əkstempəreinjəs, onvoorbereid; subst. Extemporaneousness; Extemporary, əkstempərəri, Extempore, əkstemperî, onvoorbereid, voor de vuist; Extemporize, əkstempəraiz, voor de vuist spreken, improviseeren; Extemporizer = improvisator.
Extend, əkstend, uitstrekken, uitbreiden, verspreiden, rekken, verlengen, verwijden, vergrooten, zich uitstrekken, rekken, zich verspreiden, beslag leggen: An invitation was extended to me = mij ook werd eene uitnoodiging gezonden; I extend my best hopes to you = ontvang; A more extended book = omvangrijker boek; This group requires extended notice = het is noodig, dat wij deze groep van naderbij bezien; He had the most extended powers = de meest uitgebreide volmacht; Extendible = uitrekbaar; Extensibility = uitrekbaarheid; adj. Extensible, əkstensib’l = Extensile, əkstensil, rekbaar; Extension, əkstenš’n, uitbreiding, uitstrekking, verlenging, rekken, uitgebreidheid; omvang; Extensionist, əkstenšənist, iemand, die vóór extension (d.i. uitbreiding en verspreiding van universitair onderwijs) is; Extensive, əkstensiv, uitgebreid, veelomvattend: Extensive knowledge = uitgebreide kennis; subst. Extensiveness; Extensor, strekspier; Extent, əkstent, uitgebreidheid, omvang, beslaglegging: To a certain extent = tot op zekere hoogte; To the extent of = ten bedrage van; He laughed at me to such an extent, that I got my back up = lachte zóó om mij, dat ik boos werd.
Extenuate, əkstenjueit, verzachten, verminderen: Extenuating circumstances = verzachtende omstandigheden; subst. Extenuation; Extenuator = verzachter; adj. Extenuatory.
Exterior, əkstîriə, subst. buitenzijde, uiterlijk; adj. buitenste, buiten..; uiterlijk, buitenlandsch: Exterior angle = buitenhoek; Exteriority, əkstîrioriti, uiterlijkheid, buitenzijde, overdreven oplettendheid voor uiterlijke dingen.
Exterminate, əkstɐ̂mineit, uitroeien, verdelgen, elimineeren; subst. Extermination; Exterminator = verdelger; Exterminatory war = verdelgingskrijg.
Extern, əkstɐ̂n, externe (leerling); adj. uiterlijk, uitwendig = External, subst. uitwendig deel; Externals = uitwendige deelen, uitwendige ceremoniën en plechtigheden, zichtbare vorm; Externality = uiterlijkheid.
Exterritorial, əksteritôriə’l, buiten het rechtsgebied van een land.
Extinct, əkstiŋkt, uitgebluscht, uitgestorven, niet meer bestaande, niet meer van kracht; Extincteur, əkstiŋktɐ̂, extincteur; Extinction = blussching, uitroeiing, uitsterving, ondergang.
Extinguish, əkstiŋgwiš, uitblusschen, verstikken, verduisteren, vernietigen, opheffen, delgen; adj. Extinguishable; Extinguisher = uitblusscher, dompertje, een dooddoener; subst. Extinguishment.
Extirpate, əkstɐ̂peit, ekstɐ̂peit, verdelgen, uitroeien, geheel wegnemen; subst. Extirpation; Extirpator, əkstɐ̂pətə, ekstɐ̂peitə, uitroeier, soort eg of wieder.
Extol, əksto(u)l, verheffen, prijzen.
Extort, əkstöt, afpersen, ontwringen; subst. Extortion; Extortionary = afpersings - -; Extortionate = onbillijk, buitensporig; Extortioner = woekeraar.
Extra, ekstrə, subst. extra, bijgevoegd iets, enz.: An Art extra = plaat als premie bij een tijdschrift; I took her on as extra = (nood)hulp; adj. daarbuiten, buiten en behalve, buitengewoon: Seven and twenty shillings a week for board and lodging: no extras = zonder meerdere kosten; Extra pay = toelage; Extra-postage = strafport; Extra special = extra tijding; Extra work = extra werk, strafwerk.
Extract, ekstrakt, uittreksel, extract: Extract of beef = vleeschextract.
Extract, əkstrakt, uittrekken, trekken: To extract a tooth (To have a tooth extracted) = trekken (laten); To extract the root of = den wortel trekken uit; Extractable = (uit)trekbaar; Extraction = uittreksel, afkomst, geboorte: Extraction of roots = worteltrekking; Extractive = uittrekbaar; extract; Extractor = trekker, tang (voor (tand)artsen).
Extraditable, ekstrədaitəb’l, uitleverbaar; Extradite, ekstrədait, uitleveren (van misdadigers, enz.); Extradition, ekstrədiš’n, uitlevering: Law of Extradition = uitleveringswet.
Extrageneous, ekstrədžînjəs, tot eene andere soort behoorend, vreemd.
Extra-judicial, ekstrədž(j)udiš’l, buitengerechtelijk, wederrechtelijk.
Extramundane, ekstrəmɐndein, bovenaardsch.
Extra-mural, ekstrəmjûr’l, buiten de muren van stad (of universiteit).
Extraneous, əkstreinjəs, vreemd, niet behoorende bij.
Extraordinary, əkströd’nəri, buitengewoon, zeldzaam, merkwaardig.
Extravagance, əkstravəg’ns, buitensporigheid, overdrevenheid, verkwisting, overdaad; Extravagant = buitensporig, verkwistend, overdreven, geexalteerd; Extravaganza, əkstravəganzə, een bepaald soort muziekstuk, een geexalteerde rede, tooverballet.
Extravasate, əkstravəseit, uit de aderen dringen of brengen (van bloed); subst. Extravasation.
Extreme, əkstrîm, uiterst, laatste, verste, slot..; zeer groot of hevig, zeer nauwkeurig of gestreng; subst. uiteinde, uiterste grens, hoogste graad: Extreme unction = het Laatste Oliesel; It is ridiculous in the extreme = het is allerbelachelijkst; To carry to extremes = op de spits drijven; Extremes meet = de uitersten raken elkander; He was in extremis = lag op het uiterste; Extremist, əkstrîmist, ultraradicaal, ultra; Extremity, əkstremiti, uiterste, uiteinde, hoogste graad, uiterste nood, buitengewone gestrengheid of heftigheid: Driven to Extremity = tot het uiterste gedreven; The extremities = de ledematen of extremiteiten: Nether extremities = beenen; To push matters to extremes = op de spits drijven.
Extricable, ekstrikəb’l, ontwarbaar, vermijdbaar; Extricate, ekstrikeit, (zich) bevrijden, losmaken, ontwarren; subst. Extrication.
Extrinsic(al), əkstrinsik(’l), uiterlijk, van buiten.
Exuberance, Exuberancy, əgzjûbər’ns(i), əksiûbərəns(i), weelderigheid, overvloed, overdrevenheid; adj. Exuberant.
Exudation, egziudeiš’n, eksiudeiš’n, uitzweeting; Exudative = uitzweetings - -; Exude, əgziûd, əksiûd, uitzweeten, afscheiden, afgescheiden worden.
Exult, əgzɐlt, jubelen, juichen; Exultant (= Exulting) = juichend, jubelend; subst. Exultation, egzɐlteiš’n, eksɐlteiš’n.
Exuviae, əgzjûviî, əksiûviî, afgeworpen huiden of schalen; Exuviation, əgzjûvieiš’n, əksiûvieiš’n = afwerping.
Eyas, aiəs, jonge valk.
Eyder, aidə, de Eider.
Eye, ai, subst. oog, blik, gezicht, glans, knop (van planten); Eye verb. beschouwen, aankijken, monsteren: What the eye does not see, the heart does not grieve over; Eyes front! = Staat! (milit.); Eyes left (Eyes right) = richt u! The eye of day (of the morning) = de zon; The eye of a dome = ronde opening in; The eye of an egg = hanetree; The eye of a needle; It shows to the eye of sense beautiful vistas = opent een schoon verschiet voor het geestesoog; The eyes of a ship = kluisgaten; I could find no favour in his eyes = ik kon geen genade vinden in zijne oogen; I am getting my eye in now = begin er nu kijk op te krijgen; I’ll have an eye over her = een waakzaam oog houden over; He has an eye to (upon) my sister = hij heeft een oogje op mijne zuster; He had an eye to my money = had het gemunt op; I have an eye to business = ik let op de zaken, affaire; I will keep an eye on him = ik zal hem nauwkeurig gadeslaan; He looked upon me with an evil eye = zag mij met een scheel oog aan; He sees a thing with half an eye = met een half oog; I see eye to eye with you = ik ben ’t met u eens, heb er denzelfden kijk op als gij; I never set eyes on her = ze is me nooit onder de oogen gekomen; To break the law and turn the blind eye = een oogje dicht doen; Eye-ball = oogappel; Eye-beam = oogstraal; Eye-bolt = oogbout (scheepst.); Eyebright = oogentroost (plant); Eyebrow = wenkbrauw; Eye-drop = traan; Eye-flap = oogklep; Eyeglass = monocle, oogglas; Eyehole = kijkgat; Eyelash = wimper; Eyelet = oog, vetergaatje, reefgat; Eyelet-hole = vetergaatje; Eyelid = ooglid; Eye-opener = iets verbazends; Eyepiece = oculair, oogglas; Eye-salve = oogzalf; Eyereach = Eyeshot; Eye-servant = oogendienaar; Eye-service = oogendienst; Eyeshot = gezichtsafstand: He was within (out of) eyeshot = hij was in (uit) het gezicht; Eyesight = gezicht, gezichtsvermogen: His eyesight begins to fail = zijne oogen worden zwak; Eyesore = gerstekorrel (Med.); doorn in ’t oog: He is an eyesore to me; Eye-string = oogzenuw; Eye-tooth = oogtand: I’m not going to be cheated out of my eye-teeth here (Amer.) = ik laat me hier niet beetnemen; Eye-wash = oogwater = Eye-water, dit ook: glasachtig lichaam (van het oog); Eyewitness = ooggetuige.
Eyne, ain, oud Meerv. van Eye.
Eyot, aiət, riviereilandje.
Eyre, êə, vroegere rondgaande rechtbank: Justices in Eyre = rondgaande rechters.
Eyrie, Eyry, êri, airi, îri. Zie Aerie.
Ezekiel, izîkj’l, Ezechiël; Ezra, ezrə.