← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

O.

Reading edition

O, ou; O(hio); O(fficial) A(ssignee); o/a = on account of = voor rekening van; Ob(iit) = hij (of zij) is gestorven; Obad(iah); Obj(ective); Obs(olete); Oct(ober); O(dd) F(ellows); O(ld) H(igh) Ger(man); O(n) H(er) M(ajesty’s) S(ervice) = “Dienst” (op brieven); O. K. = (Orl krekt) = allright; O. P. = Old pale = oude cognac;

Oakum, ouk’m, werk (om te breeuwen): To pick oakum = touw pluizen; He has been picking oakum these three years = hij zit al drie jaar in ’t tuchthuis.

Oar, ö, subst. (lange) roeiriem; Oar verb. roeien: To boat the oars = de riemen innemen; To have an oar in every man’s boat (barge) = zich overal mee bemoeien; To lie on one’s oars = rusten op de horizontaal liggende, uit het water opgeheven riemen, rusten van den arbeid; To put (shove) in one’s oar, To put one’s oar in = zijn neus steken in, een woordje meepraten; To rest (up)on one’s oars = op zijn lauweren rusten; To ship (unship) the oars = inleggen (uitleggen); oared: Four-oared = vierriems …; Oarsman, Oarswoman = roeier, roeister; Oary = met riemen, riemvormig.

Oasis, oueisis, ouəsis, (Meerv. Oases, oueisîz), oase.

Oast, oust, mouteest.

Oat, out, haver (meest Oats): He has sown his wild oats = zijne wilde haren zijn uitgevallen, hij is uitgeraasd; Oat-cake = haverkoek; Oat-meal = havermeel; Oat-malt = havermout; Oaten: Oaten pipe = herdersfluit; Oaten straws = haverhalmen.

Oates, outs.

Oath, outh, eed, verwensching, vloek: By (Upon an) oath = onder eede; Upon my oath = ik zweer het; False oath = meineed; You are on oath = onder eede; To administer (To tender) an oath to a person, To put a person to (on) his oath = iemand een eed afnemen; He took oath on entering upon his office = werd beëedigd; I have sworn an oath = ik heb een eed gedaan; Oath of abjuration = afzweringseed (waarbij de Stuarts na 1688 van den troon werden uitgesloten); Oath of allegiance (Oath of fealty) = eed van trouw; Oath of office = ambtseed; Oath-breaking = eedbreuk.

Obadiah, oubədaiə, obədaiə, Obadja, Kwaker.

Obduracy, obdjurəsi, obdjûrəsi, verstoktheid; Obdurate, obdjurit, obdjûrit, verstokt; subst. Obdurateness.

Obea(h), oubiə, toovermiddel.

Obedience, əbîdj’ns, gehoorzaamheid: Passive obedience = onvoorwaardelijke gehoorzaamheid; To reduce to obedience = tot gehoorzaamheid dwingen; Obedient = gehoorzaam: I am, obediently yours = hoogachtend, Uw dw. dr.

Obeisance, əbeis’ns, əbîs’ns, diepe buiging: To make an obeisance (to).

Obelisk, obəlisk, obelisk, teeken (†); Obelize = van een verwijzingsteeken: +, † (= Obelus, obəlɐs) voorzien.

Oberon, oubəron, obəron, Oberon.

Obese, əbîs, dik, vet, vleezig; subst. Obeseness = Obesity, əbesiti, zwaarlijvigheid.

Obey, əbei, (onderdanig) gehoorzamen; Obeyer.

Obfuscate, obfɐskeit, obfəskeit, verduisteren, verwarren, benevelen; Obfuscated = beneveld; verbluft; subst. Obfuscation.

Obit, obit, oubit, dood, zielmis, lijkdienst: Post obit = na den dood; Obitual = dood(en)…, begrafenis …; Obituary, əbitjuəri, subst. zielmissenboek; ook adj.: Obituary notice = doodbericht.

Obiter, obitə, in het voorbijgaan, toevallig: Obiter dicta = in het voorbijgaan gemaakte opmerkingen.

Object, obdžəkt, voorwerp, doel, hoofdzaak: Salary no object = op salaris zal minder worden gelet; To look an object = er uit zien als een vogelverschrikker; To make oneself an object = zich bespottelijk optooien; Object-glass = objectief; Object-lesson = illustratie, aanschouwelijke les; Object-matter = hoofdzaak, inhoud; Object-teaching = aanschouwingsonderwijs; Objectless = doelloos.

Object, əbdžekt, tegenwerpen, bezwaar maken: I object to your going there = heb er bezwaar tegen; Objection = tegenwerping, bezwaar; Objectionable = laakbaar, onaangenaam: Objectionable pictures = aanstootelijke; Objectional = Objectionable; Objector = opponent.

Objective, əbdžektiv, objectief, voorwerps..; subst. voorwerpsnv., einddoel: Objective case = 4de nv.; Objective point = doel; Objectiveness = Objectivity.

Objurgate, əbdžɐ̂geit, obdžəgeit, berispen, verwijten; subst. Objurgation.

Objurgatory, əbdžɐ̂gətəri, verwijtend, berispend.

Oblate, obleit, oblit, afgeplat aan de polen; subst. Oblateness.

Oblation, obleiš’n, offerande, avondmaal, gave.

Obligate, obligeit, verbinden, verplichten; Obligation, obligeiš’n, verplichting, verbintenis, obligatie: To be (To lie) under an obligation = verplicht zijn; To incur an obligation = een verplichting op zich nemen; Obligatory, obligətəri, (ver)bindend: Obligatory personal military service = persoonlijke dienstplicht.

Oblige, əblaidž, verplichten, een dienst of genoegen doen, eene gunst bewijzen, vriendelijk zijn; bindende kracht hebben, wat voordragen: Will you oblige me so far? = mij dat pleizier doen; Miss Jane will oblige = zal het gezelschap het genoegen doen, iets te zingen, spelen, etc.; Anything to oblige you = als ik je daar een pleizier mee kan doen; Full particulars will oblige = nadere inlichtingen verzocht; An immediate reply will oblige = er wordt om spoedig antwoord verzocht; Obligee, oblidžî, obligatiehouder, schuldeischer; Obliger; Obliging, əblaidžiŋ, beleefd, voorkomend; Obligor, obligö, obligö, schuldenaar.

Oblique, əblîk, əblaik, scheef, schuin, indirect, slinksch, onoprecht; Oblique verb. schuin of scheef staan; schuin afmarcheeren: Oblique angle = scheeve (stompe of scherpe) hoek; Oblique case = verbogen naamval; Oblique dealings = indirecte of slinksche manier van doen; Oblique plane = hellend vlak; Oblique speech = indirecte rede; Obliqueness = Obliquity (əblikwiti) = scheeve richting, afwijking, onregelmatigheid, onoprechtheid, verkeerdheid.

Obliterate, əblitəreit, uitwisschen, doorhalen, onbruikbaar maken (postzegels), vernietigen: Obliterated pulse = uiterst zwakke pols; Obliteriation = uitwissching, etc. onduidelijkheid; adj. Obliterative.

Oblivion, əblivj’n, vergetelheid, achteloosheid: Act of oblivion = amnestie; To bury in oblivion; To pass into oblivion; Oblivious: Oblivious of a thing = iets vergetend; subst. Obliviousness.

Oblong, obloŋ, langwerpig; subst. rechthoek.

Obloquy, obləkwi, verwijt, laster, smaad: To cast obloquy upon = belasteren; To fall into obloquy = in kwaad gerucht komen; To lie under obloquy = in kwaad gerucht staan.

Obnoxious, obnokšəs, onderhevig, blootgesteld; aanstootelijk, hatelijk, afkeurenswaardig, onbemind: He is obnoxious to me = ik mag hem niet zien; subst. Obnoxiousness.

Oboe, oubôi, hobo; Oboist = hoboïst.

Obolus, obəlɐs, obolus (⅙ Drachma); penninkske.

Obreption, obrepš’n, insluiping, verschalking; Obreptitiously, obreptišəsli, tersluiks, op slinksche wijze.

O’Brien, əbraiən.

Obscene, obsîn, vuil, onkiesch, ontuchtig; subst. Obsceneness = Obscenity, əbseniti, vuile woorden of daden, ontucht, onkieschheid.

Obscurant, əbskjûr’nt, duisterling, domper; Obscurantism = domperzucht; Obscurantist, dompersch; subst. domper.

Obscuration, obskjureiš’n, verduistering, etc; Obscure, əbskjûə, adj. duister, somber, nachtelijk, onbekend; nederig, onduidelijk; Obscure verb. verduisteren, bewolken, verkleinen, verbergen, verlagen: He lives very obscurely = teruggetrokken; Obscureness = Obscurity = duisternis, donkerheid, onduidelijkheid, onleesbaarheid, onbekendheid: To retire into obscurity = zich uit het openbare leven terugtrekken; Obscurities = onbekende personen.

Obsecrate, obsikreit, smeeken, bidden; Obsecration = smeeking.

Obsequial, əbsîkwiəl, lijk …; Obsequies, obsikwiz, lijkstaatsie, plechtige begrafenis.

Obsequious, əbsîkwiəs, kruipend, onderdanig; subst. Obsequiousness.

Observable, əbzɐ̂vəb’l, waarneembaar, opmerkenswaardig; subst. Observableness; Observance, əbzɐ̂vəns, waarneming, viering, inachtneming; regel, voorschrift, gebruik; Observant, əbzɐ̂v’nt, oplettend, gehoorzaam: He was observant of his mother’s slightest wishes = lette op; To be observant of forms = gesteld op vormen; Observation, obzəveiš’n, waarneming, opmerking, ervaring: To fall under a person’s observation = onder iemands aandacht vallen; adj. Observational; Observatory, əbzɐ̂vətəri, sterrenwacht; Observe, əbzɐ̂v, waarnemen, gadeslaan, opmerken, vieren, letten op, opnemen: They observed the sun’s altitude = zij waren bezig de zon te schieten; Observer = waarnemer, etc.

Obsess, əbses, bezoeken, kwellen, drukken; Obsession, obseš’n, het bezeten (bezocht, gekweld) zijn, obsessie.

Obsolescence, obsəles’ns, veroudering, atropie; Obsolescent = verouderend, in onbruik gerakend, rudimentair; Obsolete, obsəlît, verouderd, onontwikkeld; subst. Obsoleteness.

Obstacle, obstək’l, hindernis, beletsel: To put obstacles in the way.

Obstetric(al), əbstetrik(’l), verloskundig; Obstetrician, obstitriš’n, verloskundige, vroedvrouw; Obstetrics, əbstetriks, verloskunde.

Obstinacy, obstinəsi, koppigheid, hardnekkigheid; Obstinate, obstinit, hardnekkig, stijfhoofdig; subst. Obstinateness.

Obstipation, obstipeiš’n, verstopping.

Obstreperous, obstrepərɐs, luidruchtig, woelig, rumoerig; subst. Obstreperousness.

Obstruct, əbstrɐkt, versperren, verstoppen, belemmeren, verhinderen; Obstructer; Obstruction = belemmering, beletsel, verstopping; taktiek eener Parlementaire minderheid om door lange discussies of tallooze amendementen, etc. de behandeling van een wetsontwerp te vertragen; Obstructionist = iemand, die den voortgang op die wijze belemmert; Obstructive, adj. belemmerend, hinderlijk, verstoppend; ook subst. Obstructiveness = streven om te belemmeren, enz.; Obstructor; Obstruent = hinderend, stoppend (middel).

Obtain, əbtein, verkrijgen, verwerven, behalen, nemen; bestaan, voortduren, heerschen, algemeen in gebruik (regel) zijn, behelzen: This custom obtains in some of our cities = heerscht; In complexion, as the common reports obtain, she surpassed the lily and rose = naar luid van de algemeene berichten; This obtains with most people = geldt voor; Obtainable = verkrijgbaar, enz.; Obtainer; Obtainment = verkrijging.

Obtrude, əbtrûd, (zich) opdringen, indringen, opdringerig zijn: He obtruded himself upon the company = drong zich op aan; Obtruder; Obtrusion, əbtrûž’n, opdringing; Obtrusive, əbtrûsiv, opdringend, hinderlijk, opvallend; subst. Obtrusiveness.

Obtund, əbtɐnd, stomp maken, verdooven; Obtundent = verdoovend middel.

Obtuse, əbtjûs, stomp, dom, dof: Obtuse angle = stompe hoek; subst. Obtuseness; Obtusion, əbtjûž’n, verstomping, dof- of sufheid.

Obverse, obvɐ̂s, əbvɐ̂s, toegekeerd, de andere zijde betreffend; obvɐ̂s, subst. vóórzijde, keerzijde: The obverse and the reverse of a medal; There is an obverse to the coin = de penning heeft zijn keerzijde (fig.); Obversion = omkeering; Obvert = omkeeren.

Obviate, obvieit, voorkómen, verhoeden, uit den weg ruimen: The difficulty was obviated = weggenomen; subst. Obviation.

Obvious, obviəs, duidelijk, klaarblijkelijk, in ’t oog springend: To be obvious (to the eye); To be obvious to all the world = voor iedereen duidelijk; subst. Obviousness.

O’Callaghan, əkaləh’n.

Occasion, okeiž’n, subst. gelegenheid, gunstig oogenblik, aanleiding, reden, behoefte, noodzakelijkheid; Occasion verb. veroorzaken, aanleiding geven: By, Upon occasion = bij gelegenheid; On that occasion = bij die gelegenheid; On occasion = van tijd tot tijd, desnoods; To have occasion for = noodig hebben; You have no occasion! = geen dank! He has no occasion to be told such a thing = zoo iets behoeft men hem niet te zeggen; I had occasion to look the passage up = het was noodig, dat; There is no occasion for you = geen aanleiding; To give occasion = aanleiding geven; He improved the occasion = maakte zich de gelegenheid ten nutte; sprak een stichtelijk woord; He rode the occasion to death = hij maakte misbruik van; He rose to the occasion = hij bleek berekend voor zijn taak, hield zich flink = He was equal to the occasion; He took (the) occasion by the forelock = hij greep de gelegenheid aan; Occasional = toevallig, als de gelegenheid zich voordoet, gelegenheids..; subst. los arbeider: Occasional chair (Occasional table) = fantasie stoeltje (tafeltje); I see him occasionally = zoo nu en dan ontmoet ik hem wel eens.

Occident, oksident, Westen; Occidental, oksident’l, westersch, westelijk; van mindere voortreffelijkheid (van edelgesteenten).

Occipital, oksipit’l, achterhoofds …; Occiput, oksipɐt, achterhoofd.

Occlude, oklûd, sluiten, stoppen, absorbeeren; subst. Occlusion, oklûž’n.

Occult, okɐlt, verborgen, geheim; Occult verb. verbergen, verduisteren; Occultism = occultisme; Occultness = verborgenheid.

Occupancy, okjupənsi, bezitneming, bezit; Occupant = bezitnemer, bezitter, bewoner, aanwezige; inzittende; Occupation, okjupeiš’n, bezetting, bezigheid, beroep, ambacht: By occupancy = van beroep; Army of occupancy = bezettingsleger; Occupancy-bridge = verbindingsbrug tusschen 2 door een spoorlijn gescheiden stukken land; Occupancy-road = particuliere weg; Occupier, okjupaiə = Occupant; Occupy, okjupai, bezetten, bezitten, innemen, vullen, bezighouden, aanstellen, gebruiken, bewonen, handelen.

Occur, okɐ̂, voorkomen, gebeuren, aantreffen, invallen, opkomen: It occurs to me that more might have been done = het wil mij voorkomen; It didn’t occur to me until it was too late = kwam eerst bij mij op; Occurrence, okɐr’ns, gebeurtenis, voorval.

Ocean, ouš’n, Oceaan; Oceanic, oušianik, oceaan.., buitengewoon groot; Oceania, ousianiə, ousieiniə = de eil. v. de Stille Zuidzee; Oceanides, oušianidîz, Oceaniden; Oceanus, ousîənɐs, Oceanus.

Ocellated, əselətid, osəleitid, met oogvormige punten of vlekken.

Ochlocracy, oklokrəsi, bestuur door het gepeupel; adj. Ochlocratic, okləkratik.

Ochre, oukə, oker, geeltje (gouden munt); Ochre verb. met oker verven; Ochreous, oukriəs, okerachtig, oker bevattend = Ochrey, oukri.

O’clock, əklok: Five o’clock = vijf uur; He knows what’s o’clock = hij weet hoe laat het is, hij weet bescheid, is op de hoogte; The thing went off like one o’clock = het ging van een leien dakje.

Octagon, oktəgon, achthoek; Octagonal = achthoekig.

Octahedral, oktəhîdr’l, oktəhedr’l, achtvlakkig.

Octangular, oktaŋgjulə, achthoekig.

Octant, okt’nt, octant; cirkelboog van 45o.

Octave, okteiv, oktəv, octaaf.

Octavia, okteiviə; Octavius, okteiviəs.

Octavo, okteivou, octavo: Large octavo.

October, oktoubə, October; soort sterk bier.

Octodecimo, oktoudesimou, 18o (18 bladen of 36 bladzijden in een vel).

Octogenarian, oktədžənêrj’n, subst. en adj. 80-jarig(e).

Octopod, oktəpod, achtpootig, ook subst. = Octopodan.

Octopus, oktoupəs, oktəpɐs, poliep met 8 armen.

Octosyllabic, oktəsilabik, achtlettergrepig; Octosyllable, oktəsiləb’l, oktəsiləb’l, woord van acht lettergrepen.

Octroi, oktrôi, octrooi, octrooibureau.

Octuple, oktjup’l, achtvoudig.

Ocular, okjulə, oog …, zichtbaar; subst. oculair: Ocular witness = ooggetuige; Oculist, okjulist, oogarts.

Odalisk, Odalisque, oudəlisk, odalisk.

Odd, od, oneven, overblijvend, ongeveer, waaraan de (het) tweede ontbreekt, eenzaam, afgelegen, vreemd, raar: Odd boy = jongmaatje; The Independent Order of Odd-fellows = een genootschap tot aankweeking van onderlinge vriendschap en het verschaffen v. onderlinge hulp, opgericht in de 18de eeuw; Odd gloves = linker en rechter handschoen, die geen paar vormen; Odd hand = los werkman; Odd job = (los) karweitje; An odd lot = rommeltje, zootje; Odd man = los werkman, invaller; An odd kind of man = vreemde snuiter; The odd man of the family = de eenige ongetrouwde; At odd times = zoo nu en dan eens; The odd trick (bij het whistspel) = trek boven de zes; I have an odd volume of Chambers’ Cyclopaedia = ik heb een enkel deel (v. het geheele werk); A fortnight and odd days = een dikke veertien dagen; Fifty odd guilders = zoowat vijftig gulden; Odd or even = even of oneven; Odds = ongelijkheid, verschil, ongelijke weddenschap of partij, voorgift, waarschijnlijkheid, voordeel, meerdere bekwaamheid, twist, strijd: Odds and ends = afval, lappen, stukken en brokken; What is the odds? = wat zou het? It’s no odds = het heeft niets te beduiden; They are at odds = zij zijn het niet eens, hebben standjes; It is within the odds = er is kans op; The odds are that he will come = er bestaat veel kans; The odds are on his side (for him, in his favour) = het voordeel is aan zijn kant; It was long odds in point of strength = de krachten stonden lang niet gelijk; To face fearful odds = het hoofd bieden aan een groote overmacht; To give a person odds = iemand iets voorgeven; I have the odds of you = ik ben je de baas; They had all the odds of number and time on their side = alle voordeel van getal en tijd; To lay the long odds = een ongelijke weddenschap aangaan; To set at odds = tegen elkaar opstoken; To take the odds = de ongelijke weddenschap aannemen; Odd-conceited = grillig, fantastisch; Odd-looking = zonderling uitziend; Oddity = zonderlingheid, grappigheid, vreemde sijs; Oddments = overgebleven stukken en brokken; Oddness = zonderlingheid.

Ode, oud, ode.

Odeon, Odeum, ədîon, ədîəm, Odeon, schouwburg-, of concertzaal.

Odious, oudjəs, hatelijk, afschuwelijk, leelijk; subst. Odiousness; Odium, oudj’m, haat, blaam, verdenking.

Odoacer, odəeisə.

Odometer, ədomətə, afstandsmeter (aan een rijtuig).

O’Donoghue, ədonəgjû.

Odontalgia, oudontaldžiə, tandpijn; Odontalgic = tandpijn - -; tandpijnmiddel; Odontic = tand …; tandmiddel; Odontology, oudontolədži, tandkunde.

Odoriferous, oudərifərɐs, geurig, welriekend; subst. Odoriferousness; Odorous, oudərɐs, geurig; subst. Odorousness; Odour, oudə, geur, reuk, roep, naam: In bad odour = te slechter naam bekend; Odourless.

Odysseus, ədisiəs, ədisiûz; Odyssey, odisî, Odyssee; Oedipus, îdipɐs, edipɐs.

O’er, Zie Over.

Oesophageal, îsəfadžiəl, slokdarm …; Oesophagus, isofəgɐs, slokdarm.

Of, ov, van: He is of age = meerderjarig; Ten years of age = tien jaar oud; Of an afternoon = op zekeren namiddag; Be of good cheer = wees vroolijk en hoopvol; He worked at this paper within a fortnight of his death = nog veertien dagen voor zijn dood; He went of himself = ging uit zich zelf; I have not seen much of you of late = je den laatsten tijd niet veel ontmoet; A time of all others = bovenal een tijd; He went there of a Sunday = op een Zondag; I like it of all things = ben er dol op; A man of ten thousand = uit duizenden; Blind of an eye = blind aan ’t ééne oog; Beware of the dog = wacht u voor; All of a heap = alles te zamen, op één hoop.

Off, of, adj., adv. en prep. weg, vandaan, ver, rechtsch; Off verb. er uit snijden: Hands off! = afblijven! Off with your hat! = je hoed af! Off his bedroom = naast; Off Dover = op de hoogte van; Off duty = vrij van dienst; Off the latch = niet in de klink; Off the road = van den weg af; Off the stage = achter de coulissen; How far is it off? = hoe ver is het? Off-and-on = af en aan, op en neer; Neither off nor on = besluiteloos; I am off, gentlemen = Heeren, ik ga weg; To be badly (well) off = het slecht (goed) hebben; To be off one’s head = krankzinnig zijn; To be off one’s legs = vermoeid, slecht ter been zijn, van de been zijn; He came off with a slight wound = ontkwam met; When will the concert come off? = plaatshebben; To dine off the joint = een eenvoudig maal gebruiken met een stuk vleesch waar men zelf afsnijdt; To go off = weggaan, zich in beweging zetten, verdwijnen, sterven: My ball went in off the red = verliep op (Bilj.); He would not let me off sixpence = geen schelling minder geven; I’ll let you off if it’s Van Houten’s Cocoa = je krijgt geen straf als het is; To put off = uitstellen, uittrekken, afzetten; To take off = wegnemen, afzetten (amputeeren), uittrekken (van kleeren): You have taken off his features admirably = merkwaardig goed uitgedrukt; He has a talent for taking off a person’s peculiarities = iemands eigenaardigheden na te bootsen; He took himself off = ging er vandoor; Off with you! = maak dat je weg komt; We have a day off, an off-day to-morrow = een vrijen dag; The governor allowed me four days off = vrije dagen; Off-chance = kans, uitzicht; Off-colour = verbleekt, niet in orde: The diamonds were a little yellow, off-coloured as they say at Kimberley = met gele tint; I do not like his off-hand manner = korte, hooghartige manier; An off-hand shot = een schot uit de vrije hand; To sell off-hand = uit de hand; I killed the animal off-hand = op slag; He recited the poem off-hand = voor de vuist weg; Off-handed = Off-hand; Off-horse = vandehandsche paard; Off-licence = “vergunning”, mits de drank niet in het lokaal gedronken wordt; Off-load = afladen; Off-print = overdrukje; Off-reckoning = op het traktement (van militairen) gekort geld; We journeyed for several hours without off-saddling = zonder uit den zadel te komen; Off-scouring = afschraapsel, uitvaagsel; Off-scum = schuim of uitvaagsel, droesem; London in the off-Season = als het Season over is (Zie Season); Off-set, subst. tegenrekening; uitlooper (van bergen), spruit (uit den wortel); Off-set verb. met een tegenrekening voldoen, voorzien in, opwegen tegen: The decrease was off-set by such means; Off-shoot = tak (uit den stam); Off-spring = kroost, kinderen, spruit, voortbrengsel; Off-street = zijstraat; Off-time = vrije tijd; Off-white = met gelige tint; Offing = deel der zee meer dan halfweg van kust tot horizon; We gained (took) the offing = wij kwamen in (kozen) volle zee; The steamer stood to the offing = hield zeewaarts aan; Offish = op een afstand (fig.): On and offish = nu eens wat beter, dan weer minder; Offward = van de kust afhoudend.

Offal, ofəl, afval, uitschot; adj. waardeloos.

Offence, əfens, beleediging, ergernis, aanval, overtreding: No offence = neem me niet kwalijk; You gave offence last night = gij gaaft aanstoot, waart beleedigend; To take offence at = aanstoot nemen, kwalijk nemen; He takes offence very easily = is zeer licht geraakt; Offend, əfend, beleedigen, aanstoot geven, overtreden, schenden, zondigen: He has offenceed against the laws of the country = heeft geschonden; He was offenceed at it = hij was er over geraakt; Offenceer = beleediger, overtreder, zondaar; Offensive, əfensiv, aanvallend, beleedigend, aanstootelijk, onaangenaam, walgelijk: Offensive and defensive alliance = offensief en defensief verbond; An offensive smell = walgelijke lucht; He stood on the offensive = ging aanvallend te werk; subst. Offensiveness.

Offer, ofə, subst. aanbod, aanbieding, voorstel, bod, poging; Offer verb. aanbieden, offeren, opofferen, bieden, bereid zijn, toevoegen, aandoen, opperen, beproeven, trachten: On offer = verkrijgbaar; He made no offer to break prison = deed geene poging om uit te breken; To offer a stubborn resistance to = hardnekkig weerstand bieden; To offer violence = aanvallen; I’ll offer to do it if you go me halves = ik ben bereid het te doen als gij half meebetaalt; He never offered to pay = maakte volstrekt geen aanstalten, mine; He did not offer to run away from us = trachtte niet; Many of the prisoners were offered up by the savages = als offers gedood; Offerer; Offering = aanbieding, offer(ande); Offertory, ofətəri, offertorium (deel der Mis); offerbus = Offer-box (Offer-plate).

Office, ofis, subst. ambt, dienst, bezigheid, functie, plicht, eeredienst, kantoor, bureau, dienstbodenkamer; Offices = bijgebouwen; liefdediensten, voorgeschreven gebeden; To be in office = aan het bestuur zijn; To come (get) into an office = een ambt aanvaarden; He gave (tipped) me the office = gaf me een heimelijken wenk, gaf me een tip (sport); To fulfil (perform) the last mournful office = den laatsten droevigen plicht; To leave (retire from) office = aftreden; To take office = een portefeuille, een hoog staatsambt aanvaarden; The Colonial Office = het Min. van Koloniën; Holy Office = Inquisitie; The Home Office = Min. van Binnenl. Zaken; Office-badge = insigne; Office-bearer = bedienaar van een ambt; Office-boy = loopjongen; Office-clerk = bediende; Office-hour = kantooruur; Office-hunter = baantjesjager = Office-seeker.

Officer, ofisə, subst. officier (= Military officer); dienaar, ambtenaar, beambte, politieagent; Officer verb. van officieren voorzien, aanvoeren: The officers of the court = griffier en klerken; Custom-house officers = kommiezen; A commissioned officer = officier door den koning by Commission (= officierspatent) aangesteld; Non-Commissioned officer = onderofficier; Superior officer = vlagofficier; Warrant officer = uit het korps onderofficieren by Warrant aangestelde officier, als kapelmeester, etc. ongeveer overeenkomend met onze Indische onderluitenants; The army was well officered = werd goed aangevoerd.

Official, əfiš’l, subst. ambtenaar; adj. ambtelijk, officiëel, ambts …; Official duties = ambtsbezigheden; Official Gazette = staatscourant; Official receiver = curator in een faillissement; The officials = beambten; officiëele berichten; Officialdom = bureaucratie: The Language of officialdom; Officiate, əfišeit, een ambt bekleeden; de godsdienstoefening leiden, officiëeren; Officious, əfišəs, officieus; gedienstig, Úvergedienstig, bemoeiziek; subst.; Officiousness.

Officinal, əfisin’l, ofisain’l: Officinal plants = geneeskrachtige planten.

Oft, oft, dikwijls: Many a time and oft = herhaaldelijk; Often, of’n, vaak, oftən, dikwijls; Oftness = herhaaldelijkheid; Ofttimes = dikwijls = Ofttimes.

Ogee, ədžî, ojief.

Ogilvie, oug’lvi.

Ogive, oudžaiv, ədžaiv, oudživ, spitsboog.

Ogle, oug’l, subst. wenk, lonk; Ogle verb. toelonken; Ogler.

Ogre, ougə, weerwolf, boeman; Ogr(e)ish, oug(ə)riš, boemanachtig; vr. Ogress, ougrəs.

Oh, ou, Och! Ach!

Ohio, əhaiou; Ohioan = (bewoner) van O.

Ohm, oum, Ohm (electr.).

Oil, ôil, subst. olie; Oil verb. olieën, smeren, olieachtig worden: Boiled oil = lijnolie; Salad (Table) oil; Sweet oil = olijfolie; Oil of roses; To burn the midnight oil = tot laat in den nacht studeeren; To go to oil = smelten; To pour oil on troubled waters = olie op de golven gieten (fig.); To strike oil = eene petroleumbron ontdekken; een gelukje hebben; That is like throwing oil into the fire = dat is olie in het vuur (fig.); Oil-bag = vetklier; Oil-cake = lijnkoek, raapkoek; Oil-cloth = wasdoek; zeil; Oil-colour = olieverf (dikwijls Oil-colours of Oils: A good portrait in oils = een goed portret in olieverf); Oil-cooking (Oil-heating) stove = petroleumstel (kachel); Oil-crusher = olieslager; Oil-lamp; He is in the oil and colour line = hij doet in olieën en verfwaren; Oilman = oliehandelaar = Oil-merchant; Oil-mill = oliemolen; Oil-painting = het schilderen (of eene schilderij) in olieverf; Oil-press; Oil-seed; Oil shale = laag; Oil-skin = gewaste taf; oliejas; Oilstone = oliesteen; Oil-well = olie- of petroleumbron; To oil (the hand of) a person = de handen smeren (fig.); She has a well oiled tongue = een gladde tong; Oiler = smeerder, oliekan; oliejas; Oiliness, subst. v. Oily = als olie, goed gesmeerd, zalvend, glad.

Oillet(te), ôilət, oog (plantk.); schietgat.

Ointment, ôintm’nt, zalf.

O.K., oukei, in orde, klaar, flink: He is O.K. and you had better give him no sauce = een flinke vent (verkorting van Ol Krekt, verbasterd uit all correct), en je moet maar niet brutaal tegen hem wezen.

Okapi, oukâpi, okapi.

Old, ould, oud, vroeger, gewoon, glad, slim: From old = van ouds; From old time = van oudsher; As in days of old = als in vroeger dagen; We have had a gay old time of it = ouderwets plezier gehad; Let’s talk over Boniface and old times = de dagen van weleer; Old age = oude dag, hooge leeftijd; The Old Country = Engeland; Old file = gierigaard; Old gentleman (Old gooseberry, Old Harry, Old Nick) = de duivel; He is an Old hand = slimme rot; ex-boef; Old maid = oude vrijster; Old man = ouwe heer, oude jongen, oudje; “den Ouwe” = kapitein; Old rye = whiskey; Old salt = bevaren matroos; Old Tom = sterke jenever; Old-beaten = beproefd; Old-clothes-man = oudskleer; Old-established = oud; Old-fangled, Old-fashioned = ouderwetsch; subst. Old-fashionedness; Old-maid = maagdepalm; His Old-world ideas = zijne ouderwetsche denkbeelden; Olden, adj. voormalig; Olden verb. verouderen, oud maken; In olden time = in vroeger dagen; Oldish = oudachtig; Oldness = oudheid; Oldster = bejaard heer, ouder lid, midshipman van ’t vierde jaar.

Oldham, ould’m; Oldys, ouldis, ouldz.

Oleaginous, ouliadžinɐs, olieachtig; zalvend.

Oleander, ouliandə, oleander.

Oleograph, ouliəgraf, oleographie.

Oleomargarine, ouliəmâgərîn, kunstboter.

Oleraceous, oləreišəs: Oleraceous plants = groenten.

Olfactory, olfaktəri, reuk …: Olfactory nerves = reukzenuwen; Olfactories = reukorganen, neus.

Oligarch, oligâk, lid van eene oligarchie; Oligarchic(al), oligâkik(’l), oligarchisch; Oligarchy = oligarchie.

Olio, ouliou, ouljou, mengelmoes, potpourri, soort haché.

Oliphant, olif’nt.

Olivaceous, oliveišəs, olijfkleurig; Olivary, oliv’ri, olijfvormig; Olive, oliv, subst. olijf, olijfgroen; adj. olijf …: The Mount of Olives = De Olijfberg; Olive-branch = olijftak (ook fig.), kind (Ps. CXXVIII, 3); Olive-oil = olijfolie; Olive-tree; Olive-yard = olijfberg.

Oliver, olivə: To give a Ro(w)land for an Oliver = met gelijke munt betalen; Olivia, əlivjə.

Olivet, olivət, oliviënkorrel.

Olla, olə, aarden kruik, poreuze kruik: Olla podrida, pədrîdə, Spaansche schotel (fijn gehakt vleesch in groenten gestoofd). Zie Olio.

Olmsted, omstəd, ɐmstəd.

Olympia, əlimpiə; Olympiad = Olympiade; Olympian = Olympisch, hemelsch; Olympiër; Olympic = Olympisch: Olympic games = O. spelen = Olympics.

Omasum, əmeis’m, boekpens, bladmaag.

Omber, Ombre, ombə, omberspel.

Ombrometer, ombromətə, regenmeter.

Omega, əmegə, əmîgə, ouməgə, omega, einde.

Omelet(te), oməlet, eierstruif: One cannot make omelets without breaking eggs = zonder moeite (opoffering) heeft men niets.

Omen, oum’n, subst. voorteeken; Omen verb. vóórbeteekenen, aankondigen; Ominous, ominɐs, onheilspellend; subst. Ominousness.

Omissible, əmisib’l, weglaatbaar; Omission, əmiš’n, weglating, verzuim: This is a fault of omission rather than of commission = de fout bestaat meer in de weglating dan in een bepaalde onjuistheid; Omissive = verzuimend, weglatend; Omit = nalaten, weglaten, verzuimen; Omittance: Omittance is no quittance = uitstel is geen afstel.

Omnibus, omnibɐs, omnibus; hulpkellner; Omnibus-bill = wetsvoorstel omtrent allerlei verschillende zaken (Am.); Omnibus-box = loge avant-scène; Omnibus-conductor; Omnibus-driver.

Omnipotence, omnipətens, almacht; adj. Omnipotent.

Omniprescence, omniprez’ns, alomtegenwoordigheid; adj. Omnipresent.

Omniscience, omnišəns; alwetendheid; adj. Omniscient.

Omnium-gatherum, omniəmgadhərɐm, allegaartje.

Omnivorous, omnivərɐs, allesetend, alverslindend.

Omoplate, ouməpleit, oməpleit, schouderblad.

Omphalocele, omfələsîl, navelbreuk.

On, on, op, van, naar, tot, te: To be on = in behandeling (rechtszaak) zijn, aan den gang zijn, aan beurt zijn; dronken zijn; To get on = aantrekken; To go on one’s way = voortgaan, zijns weegs gaan; To have on = aanhebben; We left cards on them = gaven onze kaartjes af; The policeman’s “Move on, please” = “doorloopen asjeblieft”; To place on one side = links laten liggen; On account of = wegens; On an average = gemiddeld; On condition = onder voorwaarde; On the contrary = integendeel; On fire = in brand; On foot = te voet; On the one hand, the other hand = eenerzijds, anderzijds; On all hands = van alle kanten; On high = omhoog; On horseback = te paard; On pain of death = op straffe des doods; On purpose = opzettelijk; On the quiet (On the sly) = in stilte, (stiekum); On this side = aan dezen kant; On a sudden = plotseling; Swallows on the wing = vliegende zwaluwen; And so on = enzoovoort; On-come = aanval; On-comer = naderend persoon; On-coming, onkɐmiŋ, naderend, aanstaand; subst. nadering; On-going, on-gouiŋ, voortgang; On-goings = Goings-on; On-looker = toeschouwer.

Onager, onəgə, onədžə, wilde ezel.

Onanism, ounənizm, zelfbevlekking; Onanist.

Once, wɐns, eenmaal, eens: When the war is once over = goed en wel over is; Do it at once = dadelijk; He was at once my friend and colleague = tegelijk; Once again = nog eenmaal; Once and again = nu en dan (zelden); Once for all = eens en voor al; Once more = nog eens; Once in a while = nu en dan, zelden; Once upon a time there was = er was er eens; For this once = voor dezen enkelen keer; For once (in a way) = bij uitzondering, wel eens enkel; Never once = niet eenmaal; That once = voor dien keer; (When) once = zoodra, toen eenmaal; Once a freemason, always a freemason = eens maçon altijd maçon; Once is no custom = eenmaal is geenmaal.

One, wɐn, subst. zeker iemand, éénheid; adj. een, enkel, ongedeeld, men, zekere: One and none is all one = eenmaal is geenmaal; One day = op zekeren dag; One Williams = een zekere W.; One more = nog een; He is the one person who hates it = juist de man; One with another = door elkaar genomen; One way and another = alles te zamen genomen, wel beschouwd; One in a hundred = uit; I for one = ik voor mij; One and all = allen te zamen; All in one = uit één stuk; It’s all one to me = ’t is mij hetzelfde; To be at one = verzoend zijn; To be at one (with) = het eens zijn; I was within one of missing the scene = het was er “an toe”, of ik had het tooneel gemist, niet gezien; To be one and one = één zijn; We shall have to place this on one side = ter zijde moeten zetten, links moeten laten liggen; My little one(s) = kleintje (kindertjes); The great ones of this world = de grooten; The duck and her young ones = de eend en hare jongen; One-armed = éénarmig; One-eyed; That is a one-horse affair (show) = dat is een onbeteekend zaakje, armoedig spulletje; One-legged; Your one-sided views = eenzijdige, partijdige, bekrompen beschouwingen; One-sidedness = eenzijdigheid; One-storied = van één verdieping; Oner = een echte, je ware, een kraan; shilling; Oneness = éénheid, identiteit.

O’Neary, ənîri; Oneida, ənaidə.

Onerous, onərɐs, zwaar drukkend.

Onion, ɐnj’n, ui; kop; Onion verb. inwrijven met een ui: To weep with an onion = krokodillentranen schreien; Onion-peel, Onion-sauce; adj. Oniony.

Only, ounli, alleen, éénig, enkel, behalve: Only bill = solawissel; Only for = zonder; Only see = kijk eens; Only think = denk eens aan; Only yesterday = gister nog, pas (eerst) gisteren.

Onomatopoeia, onomətəpîjə, onəmatəpîjə, klanknabootsend woord, klanknabootsing door woorden; Onomatopoeic(al); Onomatopoetic(al) = klanknabootsend.

Onrush, onrɐš, hevige aanval.

Onset, onset, aanval, storm: To give (make) the onset = aangrijpen, aanvallen.

Onslaught, onslôt, woedende aanval.

Onslow, onzlou; Ontario, ontêriou: Lake Ontario.

Ontology, ontolədži, ontologie, leer van de algemeene eigenschappen der dingen.

Onus, ounəs, bewijslast = Onus probandi, ounəs prəbandai.

Onward, onwəd, vooruit, naar voren; voorwaartsch = Onwards.

Onyx, oniks, ouniks, onyx.

Oof, ûf, geld, “duiten” of centen = Ooftish.

Ooze, ûz, subst. zachte modder, slijk; Ooze verb. (uit)sijpelen, zacht vloeien, (uit)lekken (out); Oozy = modderig: To be oozy with = druipen van.

Opacity, əpasiti, ondoorschijnendheid, onduidelijkheid, domheid; ondoorschijnend iets.

Opal, oup’l opaal; Opalesce, oupəles, kleuren spelen of verspreiden (als een opaal); Opalescence = schittering van kleuren; adj. Opalescent; Opaline, oupəl(a)in, opaalachtig.

Opaque, əpeik, ondoorzichtig, onduidelijk, dom.

Open, oupən, open, blootgesteld, openbaar, bekend, vrij, onbezet, duidelijk, royaal, openhartig, edelmoedig, ontvankelijk; Open subst. open ruimte, vrije veld, open lucht, open zee; Open verb. openen, openslaan, uitspreiden, bekend maken, ontdekken, uitleggen, ontvankelijk maken, bevrijden, opengaan, uitkomen op, open staan, beginnen, aanslaan (van jachthonden) op het zien of ruiken van wild: It is open to criticism = onderhevig; He is open to entreaties = toegankelijk voor; It is open to him = staat hem vrij; An open carriage; Open field = vrij; Open place = niet versterkte; Open river = ijsvrije; Open sea; To cut open = opensnijden; To lay open = openleggen, blootleggen; To lie open = blootgesteld zijn; To set (throw) open; To sleep in the open = onder den blooten hemel; To open the ball = het bal openen, beginnen, voorop zijn, den strijd beginnen; To open a battle; To open a business, a house = eene zaak oprichten; They opened their fire upon the town; To open one’s mind (oneself) to = zich uitstorten voor; To Open a railway = in exploitatie brengen; To open an umbrella over a person; The door opens into a passage = komt uit op; The street opens out of Regent Circus = gaat uit van R. C.; Open-air meetings; Open-eyed = waakzaam; Open-handed = royaal; subst. Open-handedness; Open-hearted; subst. Open-heartedness; Open-mouthed = met open mond (ook fig.); vraatzuchtig, schreeuwerig; Open-work = opengewerkt iets; Opener; Opening = opening, begin, kans, gelegenheid; ook adj.: Men become Tories or Whigs, partly by principle, partly as openings come = afhankelijk van de voordeelen of kansen, die zich aanbieden; Mr. M. has an opening for an apprentice = kan plaatsen; Opening ceremony = openingsplechtigheid; Openly = openlijk; Openness = het open zijn, openhartigheid, mildheid.

Opera, opərə, opera: Opera-bouffe = opera comique; Opera-cloak = sortie; Opera-dancer = balletdanser(es) = Opera-girl; Opera-glass = tooneelkijker; Opera-hat = klak; Opera-house = opera(gebouw); Opera-singer; Operatic = tot eene opera behoorende, opera …

Operate, opereit, bewerken, teweegbrengen, uitwerken, opereeren, drijven, uitvoeren, exploiteeren: To operate upon = bewerken, opereeren; Operating: Operating expenses = bedrijfskosten; Operating-room = operatiezaal; Operating-table = operatietafel; Operation, opəreiš’n, werking, uitwerking, handeling, operatie (in de verschillende beteekenissen), reeks v. militaire bewegingen (mv.): To perform an operation = een operatie doen; Line of operations = operatielinie; First year’s operations = resultaten; Operative, opərətiv, subst. werkman, handwerker; adj. werkdadig, werkend, in exploitatie, operatief; Operator, opəreitə, werker, operateur, tandarts, telegrafist, beursspeculant.

Operculum, əpɐ̂kjəl’m, deksel.

Operetta, opəreta, operette.

Operose, opərous, bedrijvig, vermoeiend, zwaar: subst. Operoseness.

Ophelia, əfîljə.

Ophidian, əfidiən, slangachtig; subst. slang; Ophidium, əfidj’m, slangevisch; Ophites, ofaits, slangendienaars, een godsd. secte.

Ophthalmia, of-thalmiə, oogontsteking; Ophthalmic, oog …; subst. oogmiddel: Ophthalmic hospital, Ophthalmic infirmary; Ophthalmology = oogheelkunde; Ophthalmoscope, of-thalməskoup, oogspiegel; Ophthalmoscopy, of-thəlmoskəpi, of-thalməskoupi = onderzoek met den oogspiegel.

Opiate, oupiit, subst. en adj. slaapwekkend, pijnstillend, verdoovend (middel); Opiate verb. (oupieit) in slaap maken, met opium vermengen.

Opine, əpain, denken, onderstellen.

Opinion, əpinj’n, meening, oordeel, gevoelen: Opinion of counsel = rechtskundig advies; Public opinion = publieke meening; In my humble opinion = naar mijne bescheiden meening; To be of opinion = van meening zijn; I have no opinion of it = heb er geen hoogen dunk van; To injure a person in another person’s opinion = een ander een slecht idee geven van; Opinionated, əpinjəneitid, eigenzinnig, koppig = Opinionative, əpinjənətiv; Opinionist = stijfkop.

Opium, oupj’m, opium: Opium-eater = ‘pen-name’ van Thomas De Quincey; Opium-smoker = opiumschuiver; Opium-smoking den = opiumkit.

Opossum, əposəm, opossum.

Oppidan, opidən, uitwonend leerling (van Eton College).

Opponent, əpoun’nt, subst. tegenstander, tegenstrever; adj. tegenstrijdend, tegenwerkend, opponeerend.

Opportune, opətjûn, gelegen, geschikt, juist van pas, tijdig: He has proved it Opportunely = te juister tijd; subst. Opportuneness; Opportunism, opətjûnizm, opətjunizm, opportunisme; Opportunist.

Opportunity, opətjûniti, gelegenheid, geschiktheid van tijd en omstandigheden: Opportunity makes the thief; To embrace (improve, seize, take) the opportunity = aangrijpen; The book is a monument of exceptional opportunities = buitengewoon gunstige omstandigheden; He did not rise to the height of his opportunities = heeft er niet alles van gemaakt wat hij kon, is beneden zijn onderwerp gebleven; I will take an early opportunity = de eerste gelegenheid aangrijpen.

Opposable, əpouzəb’l, weerlegbaar, bestrijdbaar; Oppose, əpouz, tegenstellen, weerstaan, opponeeren, bestrijden, dwarsboomen: They opposed a stubborn resistance = boden hardnekkig weerstand; As opposed to = tegenover; Opposer = mededinger, opponent; Opposite, opəzit, tegenover, tegengesteld, omgekeerd, vijandig, tegenstandig; subst. het tegenovergestelde, tegendeel: Opposite the post-office, on the opposite side = tegenover het postkantoor, aan de overzijde; soms verb.: He declined either to support or to opposite the measure; subst. Oppositeness; Opposition, opəziš’n, tegenstand, hindernis, oppositie: To act in opposition to = handelen in strijd met, weerstreven; To make opposition to = protesteeren; In spite of opposition = trots tegenstand; Oppositionist = lid van de oppositie.

Oppress, əpres, (onder)drukken, zwaar liggen op; Oppression, əpreš’n, onderdrukking, ellende, (afge)matheid, gevoel v. beklemming; Oppressive = onderdrukkend, zwaar drukkend; subst. Oppressiveness; Oppressor = tyran.

Opprobrious, əproubriəs, verachtelijk, schandelijk; subst. Opprobriousness; Opprobrium, əproubriəm, schande, smaad, eerloosheid.

Oppugn, əpjûn, bestrijden, weerstaan; Oppugnancy, əpɐgn’nsi, tegenstand, strijd.

Optative, optətiv, opteitiv, wenschend; subst. optatief; Optative mood = de wijze (v. een werkw.), die een wensch uitdrukt.

Optic, optik, gezichts …: Optic nerves = gezichtszenuwen; Optical delusion = gezichtsbedrog; Optician, optiš’n, gezichtkundige, optisch instrumentmaker; Optics = optica, oogen.

Optimates, optimeitîz, de aanzienlijken; Optime, optimî, een kandidaat, die bij de Triposes of Honours Examinations voor den B.A. graad te Cambridge, onmiddellijk volgt op den Wrangler.

Optimism, optimizm, optimisme; Optimist, subst. optimist; adj. optimistisch = Optimistic.

Option, opš’n, recht of vrijheid van kiezen, keus, voorkeur: At option = naar verkiezing; To leave a thing to (in) a person’s option = aan iemands keus laten; Optional = van de keus afhangend, vrij in de keuze, facultatief: It is optional with you = het staat u vrij.

Opulence, opjulens, rijkdom, weelde, overvloed; adj. Opulent.

Opus, o(u)pəs (Mv. Opera, opərə), werk (muziek); Opuscule, əpɐskjul, klein werk of geschrift.

Or, ö, eer, of: Either this or the other.

Orach(e), oratš, melde (plant).

Oracle, orək’l, subst. orakel, godsspraak: He has worked the oracle = hij heeft door list en bedrog zijne zaak gewonnen, het zaakje listig overlegd; Oracular, ərakjulə, orakeltaal sprekend, duister, dubbelzinnig, gewichtig; subst. Oracularity = Oracularness.

Oral, ôr’l, mondeling, mond …: Oral examination; Orally.

Orale, əreilî, pauselijke hoofdsluier.

Oran, ərân.

Orange, orinž, subst. en adj. sinaasappel, oranje(kleurig); Orange-blossom = oranjebloesem; Orange-man = koopman in sinaasappelen; Orangeman = spotnaam voor Iersche protestanten (17de eeuw); Orangist, d.i. lid van eene geheime polit. protest, vereeniging in Ierland (1795); Orange-musk = muskaatpeer; Orange-peel = oranjeschil: Candied orange-peel = snippers; Orange-woman; The Orange Free State = The Orange River Sovereignty; Orangeade, orəndžeid, orangeade; Orangery, orənž’ri, oranjerie.

Orang-outang, əraŋûtaŋ, orang-oetang.

Oration, əreišn, redevoering; Orator, orətə, redenaar; Oratoric(al) = welsprekend, rhetorisch; Oratorio, orətôriou, oratorium (muz.); huiskapel; Oratorize, orətəraiz, eene redevoering houden; Oratory, orətəri, welsprekendheid; huiskapel: Priests of the Oratory = leden van het Oratorium, een geestel. congregatie.

Orb, öb, bol, oog(appel), omloop, kringloop, rad, bol; Orb verb. omringen, een kring vormen, zich in een kring bewegen; Orbed = rond, cirkelvormig, volkomen = Orbicular, öbikjulə = Orbiculate, öbikjulit; Orbit, öbit, oogkas; baan (van een hemellichaam); Orbital = tot een baan of oogkas behoorende.

Orcades, ökədîz, Orcaden = Orkney Islands; adj. Orcadian, ökeidj’n.

Orchanet, ökənet, ossetong (plant).

Orchard, ötšəd, boomgaard; Orcharding = ooftbouw; Orchardist.

Orchestra, ökəstrə, orkest: String orchestra = strijkorkest; Orchestral, əkestr’l, ökəstrəl: The Orchestral score = orkestpartituur; Orchestrate, ökəstreit, arrangeeren voor orkest; Orchestration, ökəstreiš’n, het arrangeeren v. muziek voor orkest.

Orchid, ökid, orchidee; Orchidaceous, ökideišəs, tot de orde der orchideeën behoorende; Orchis, ökis, orchis.

Ordain, ödein, instellen, voorschrijven, beschikken, ordineeren, bevestigen of wijden (in kerkelijke ambten); Ordainer; Ordainment.

Ordeal, ödiəl, ödîl, ödîəl, godsgericht, vuurproef (fig.): Ordeal by fire, by water = vuur-, waterproef.

Order, ödə, subst. orde, schikking, methode, toegangsbewijs, reglement, rang, bouworde; Order verb. ordenen, regelen, inrichten, leiden, verordenen, voorschrijven, bestellen, bevelen: Standing orders = reglement van orde; By order = volgens verordening, op bevel; By order of = op bevel van; In order = volgens ’t reglement van orde; In order that = opdat; In order to = om, ten einde; Not in order = buiten de orde = Out of order = in wanorde; Per order = volgens bestelling; To order = op bevel, op bestelling, naar maat; Order of battle = slagorde; Order of the day = agenda, dagorder, orde van den dag; I move to proceed with the order of the day = stel voor tot de orde van den dag over te gaan; Drunkenness was the order of the day = aan de orde van den dag; Order in Council = Kon. Besl. na advies van de Privy Council; To be in good order; In holy orders, Zie Holy; The men were in full marching order = marschtenu; Everything was in working order = alles was klaar (zoodat men beginnen kon); The children were kept in order = stil gehouden; He cannot keep the boys in order = geen orde houden (Vergelijk: To impose good order on a class); To give an order = bevel geven; To give orders for = bestellingen; To be mentioned in general orders = eervol vermeld; He has taken orders with a view to restore order = hij heeft maatregelen genomen om de orde te herstellen; He took priest’s orders = hij werd gewijd als geestelijke; Take Mr. A’s order = vraag wat mijnheer A. zal gebruiken; I won’t be ordered about like that = laat me zoo niet commandeeren; The quack was ordered off by the police = werd gelast heen te gaan; To order out = wegsturen; To order up = boven laten komen; Order-book = boek voor de bestellingen, orderboek (milit.); Order-form = bestelbriefje; Order-word = parool; Orderer; Ordering = regeling, schikking; Orderly, subst. ordonnans (Mounted order), hospitaalsoldaat, opzichter in eene ziekenafdeeling; straatveger (= Streetorderly); adj. ordelijk, rustig, geregeld, kalm, in dienst; Orderly-book = orderboek (mil.); Orderly-man = ordonnans; Orderly-officer = ordonnansofficier; Orderly-room = bureau; Orderly-sergeant = oudste onderofficier van eene compagnie.

Ordinal, ödin’l, rangschikkend; subst. rangsch. telwoord (= Ordinal number); missaal = Ordinale, ödineili.

Ordinance, ödin’ns, verordening, ritus.

Ordinary, ödinəri, gewoon, gevestigd, geijkt, middelmatig, alledaagsch, actief dienend, hof …; lijf …; buiten dienst gesteld; subst. gaarkeuken, table d’hôte in eene ouderwetsche herberg, maaltijd; rechter (vooral in geestelijke zaken): Ordinary debts = boekschulden; Ordinary seaman = licht matroos; In ordinary = actief dienend, lijf …, hof …; buiten dienst gesteld (van schepen): Ambassador, professor in ordinary = gewoon gezant, hoogleeraar; Chaplain in ordinary to the Queen = hofkapelaan; Physician in ordinary to the Queen = hofarts.

Ordinate, ödinit, geregeld, regelmatig; subst. ordinaat; Ordinate verb. ödineit, wijden (door den Bisschop); Ordination, ödineiš’n, wijding, bevestiging; verordening, raadsbesluit (fig.).

Ordnance, ödnəns, (groot) geschut: Piece of ordnance = stuk geschut; (Army) Ordnance Department (tot 1855 Board of Ordnance) = departement voor artillerie en intendance; Director-General of (the) Ordnance = generaal-intendant; Ordnance-factory = geschutgieterij; Ordnance-map = stafkaart; Ordnance Survey = officieele triangulatie van Groot-Brit. en Ierland.

Ordure, ödjə, drek, vuil (ook fig.).

Ore, ö, erts; goud.

Oread, ôriəd, bergnimf.

Oregon, orəg’n; O’Reilly, əraili; O’Rell, ərel.

Organ, ög’n, orgaan, werktuig, orgel; Organ verb. op het orgel spelen: He thinks his owls are organs = hij denkt, dat zijne uilen valken zijn; To blow the organ-bellows = orgeltrappen; To play the organ; To preside at the organ = het kerkorgel bespelen; Organ-blower = orgeltrapper; Organ-builder = orgelmaker; Organ-grinder = orgeldraaier; Organ-loft = orgelkoor; Organ-pipe; Organ-point; Organ-treader.

Organic, öganik, organisch, organiek, bewerktuigd: Organic bodies = dieren en planten; Organic chemistry; Organic disease = organisch gebrek of ziekte; Organic remains = organische overblijfselen; Organism, ögənizm, organisme; Organization, ögənizeiš’n, organisatie, bewerktuiging; Organize, ögənaiz, organiseeren, van organen voorzien.

Organzine, ög’nzîn, ketting(organsijn)-zijde.

Orgasm, ögəzm, geprikkelde toestand.

Orgiastic, ödziastik, als een orgie = Orgie, ödži, Bacchusfeest, drinkgelag, braspartij.

Orgy, ödži. Zie Orgie.

Oriana, örianə.

Oriel, ôriəl, erker, arkel (= Oriel window); oudtijds een soort gallerij.

Orient, ôriənt, subst. Oosten; adj. opgaande, Oostersch, oostelijk, schitterend; Orient verb. ook ôrient, de ligging bepalen, zich orienteeren (= To orient oneself): Pearl of Orient = van het schoonste water = Orient pearl; Oriental, örient’l, subst. Oosterling; adj. oostelijk, weelderig, kostbaar; Orientalism = Oostersche gewoonte of taal, kennis daarvan; Orientalist = Oosterling; kenner v. Oostersche talen, gewoonten, enz.; Orientalize = Oostersch maken (worden); Orientate = (zich) naar het Oosten wenden; Orientation = bepaling van het Oosten, oostelijke ligging, orienteering.

Orifice, orifis, opening, mond, gaatje: Orifice of the stomach.

Origan, origən, marjolein.

Oriflamme, oriflam, oriflamme.

Origen, oridžen, Origenes, oridžinîz.

Origin, oridžin, begin, oorsprong, oorzaak; Original, əridžin’l, oorspronkelijk, eerst, nieuw, erf …; subst. oer-type, eerste exemplaar, oorspronkelijk stuk, excentriek persoon; Original sin (= eerste of) erfzonde; Originality = oorspronkelijkheid, etc.; Originate, əridžineit, voortbrengen, voortspruiten, voortkomen; Origination = oorsprong, begin, wijze van voortbrenging; Originator, oridžineitə, oorzaak, bewerker.

Orinoco, ourinoukou.

Oriole, ourioul, wielewaal.

Orion, əraiən, Orion.

Orison, oriz’n, oris’n, gebed.

Orizaba, ourithâbə.

Orkneys (The), dhiökniz, Orkadische eilanden; Orleans, öliənz, Orleans; soort van katoen, ook ölînz.

Orlop, ölop, overloop, verdek.

Ormolu, öməlu, öməlû, goudbrons.

Ornament, önəment, subst. sieraad, versiersel; Ornament verb. önəment, tooien, versieren; Ornamental, önəment’l, tot versiering dienend: Ornamental art = ornementiek; Ornamental painter = decoratieschilder; Ornamentation = versiering; Ornate, önit, öneit, versierd, sierlijk; subst. Ornateness.

Ornithologist, önitholədžist vogelkenner; Ornithology, önitholədži, leer der vogels; Ornithomancy, ön(a)ithəmansi, önithəmɐnsi, vogelwichelarij.

Orographic(al), orəgrafik(’l), orographisch; Orography, ərogrəfi, orographie.

Orphan, öf’n, wees; adj. verweesd, ouderloos: Orphan-boy; Orphan-girl; Infant Orphan-Asylum = Orphan-hospital; Orphanage, öfənidž, de staat van wees; weeshuis; Orphaned = ouderloos.

Orphean, öfîən, öfiən, v. Orpheus = Orpheus, öfjûs, öfiəs; Orphic, öfik, verweesd, mystiek, v. Orpheus; mysticus.

Orphrey, öfri, een rand v. goudborduursel, ook een rijk vergulde rand in metselwerk.

Orpiment, öpiment, operment, koningsgeel.

Orpin(e), öpin, smeerwortel, gele verfstof.

Orris, oris, Florentijnsche lisch; goud- of zilvergalon.

Ort, öt, brokje, afval; meest m.v.

Orthodox, öthədoks, rechtzinnig, Grieksch Katholiek, rechtgeaard, echt, ouderwetsch, soliede: Orthodox arm-chairs = soliede (ouderwetsche) leuningstoelen; An orthodox pair of lovers = geliefden van den ouden stempel; Orthodox three-volume novels = ouderwetsche romans in 3 deelen; Orthodoxy = rechtzinnigheid, rechtgeaardheid, echtheid.

Orthoepic(al), öthəepik(’l) tot de Orthoepy, (öthouəpi of öthə-ipi) of (de leer der) juiste uitspraak behoorende; Orthoepist, öthouəpist of öthə-ipist, uitspraakkundige.

Orthogon, öthəgon, rechthoek; adj. Orthogonal.

Orthographic(al), öthəgrafik(’l), orthographisch; Orthography, öthogrəfi, spellingsleer, juiste spelling.

Orthopaedic(al), öthəpîdik(’l), öthəpedik(’l), orthopaedisch; Orthopaedist, öthəpîdist, öthopidist, orthopaedisch dokter; Orthopaedy, öthəpidi, öthopədi, orthopaedie.

Ortolan, ötələn, ortolaan, tuinmeerle.

Osage, ousidž, əseidž; Osborne, ozbən.

Oscan, osk’n, Osker (oude Ital. volksstam).

Oscillate, osileit, slingeren, weifelen; subst. Oscillation; adj. Oscillatory.

Osculate, oskjuleit, osculeeren (mathem.); kussen; Osculation, osculatie; kus; Osculatory, oskjulətəri, subst. Christus of heiligenbeeltenis, die vroeger met de woorden “Vrede zij met u” te kussen werd gegeven; adj. kussend, aanrakend: Osculatory ceremony = ceremonie v. voet- of handkus; Oscule = kleine opening, zuigspriet.

O’Shaughnessy, əšônəsi; O’Shea, əšei.

Osier, oužə, kat-(bind)wilg; rijsje; witte kornoelje (Amer.): Osier-ait = klein eilandje; Osier-bed (Osier-holt) = wilgenboschje; Osier-bottle = mandflesch; Osier-twig; Osier-work = mandewerk.

Osiris, əsairis.

Osmium, ozmiəm; osmiəm, osmium.

Osmose, osmous, ozmous, osmose; adj. Osmotic.

Osmund, ozmənd, osmunda: Osmund royal = koningsvaren.

Osnaburg, oznəbɐ̂g, osnəbɐ̂g, Osnabr¸ck; grof linnen.

Osprey, ospri, vischarend; aigrette.

Ossein, osi-in, beenderenweefsel.

Osselet, osəlet, beentje, sepia; Osseous = beenachtig, been..; Ossicle = beentje; Ossiferous, osifərɐs, beenderen bevattend; Ossification = beenvorming; Ossify = tot been worden, versteenen: Ossified system = verouderd, zéér oud; Ossuary = knekelhuis; urn.

Ostend, ostend.

Ostensibility, ostensibiliti, subst. v. Ostensible, ostensib’l, schijnbaar, oogenschijnlijk, duidelijk; Ostension = uitstelling van het allerheiligste; Ostensive = (duidelijk aantoonend; aanstellerig.

Ostent, ostent, aanblik, teeken, voorteeken; bluf; Ostentation = (praal)vertooning, vertoon, pracht; Ostentatious, ost’nteišəs, praalziek, ijdel, opzichtig: subst. Ostentatiousness.

Osteogenesy, ostiədženəsi, beenvorming; Osteography = beschrijving der beenderen; Osteology = leer der beenderen.

Ostler, oslə, stalknecht.

Ostracean, ostreiš’n, oesterachtig; subst. tweeschelpig weekdier, oester; Ostreaculture, ostriəkɐltjə, kunstmatige oesterteelt.

Ostracism, ostrəsizm, schervengerecht; verbanning, doodverklaring; Ostracize, ostrəsaiz, verbannen, doodverklaren.

Ostrich, ostritš, struisvogel: Ostrich-feather.

Ostrogoth, ostrəgoth, Oostgoot; Oswald, ozwəld; Oswego, oswîgou; Otaheite, outəhîti, Tahiti.

Otalgia, ətaldžiə, Otalgy, ətaldži, out’ldži, oorpijn.

Other, ɐdhə, ander(s), nog een: Each other, One another = elkander; Have another cigar = neem nog eene sigaar; The other day = onlangs; Every other day = om den anderen dag; The other morning = onlangs op een morgen; The other side = de linkerkant; Otherwhere = ergens anders; Otherwise = anders, op andere wijze: Much was said, both wise and otherwise = zoowel verstandige als domme dingen; I am not otherwise engaged = ik heb geene andere plannen, ben niet bezet; Not otherwise than most welcome; It is other(wise) with him = met hem is ’t een ander geval: Rather than otherwise = ’t liefst: I can do no other = niet anders; On that afternoon of all others = nog wel op dien namiddag; Some person or other = de een of andere; Otherness = verschil, het anders zijn.

Othman, othm’n; Otho, othou.

Otic, outik, oor …; subst. middel tegen oorpijn; Otitis, ətaitis, oorontsteking; Otology = leer van het oor; Otoscope, outəskoup, oorspiegel.

Ottar, otə. Zie Otto.

Ottava rima, otâvarîmə, couplet van acht regels, waarvan de zes eerste beurtelings en de twee laatste met elkander rijmen.

Otter, otə, otter; zeeotter; gele verfstof; Otter-dog.

Ottewa, otəwə.

Otto, otou, aromatische olie uit bloemen = Attar (of roses).

Ottoman, otəm’n, subst. Turk, ottomane (lage sofa); adj. Turksch: The Ottoman empire.

Otway, otwei.

Oubliette, ûbliet, subst. kerkerhol, valdeur.

Ouch, autš, in goud gevatte edelsteen.

Oudh, aud.

Ought, ôt, subst. iets: For ought I know = voor zoover ik weet.

Ought, ôt, behooren: You ought to know that = dat moest ge weten; You laughed at him? Then you ought not = maar dat mocht je niet.

Ounce, auns, ons (12e van een pound Troy, en 16e van een pound avoirdupois): An ounce of help is better than a pound of preaching = de kleinste daad is beter dan veel gemoraliseer.

Ounce, auns, Amer. jaguar.

Our, auə, ons (bez. voorn. w.): A friend of ours = vriend van ons; He was of ours = hij behoorde tot ons regiment; Ourself = ons, mij, onszelf, mijzelf; Ourselves = ons, onszelven, mijzelf.

Ouse (The), dhîûz; Ousel(e)y, ûzli.

Ousel, ûz’l, meerle; beflijster.

Oust, aust, uit het bezit stooten; den voet lichten; Ouster = uitzetting, berooving.

Out, aut, uit, buiten, op de uitreis, bekend, publiek, ambteloos, buiten dienst, op, verbruikt, ledig, zonder werk, ten einde, boos, twistend, enz.; subst. afgetreden minister, partij, die niet meer aan ’t roer is; speler, die af is (meest meerv.); Out verb. uitdrijven, een uitstapje maken, uiten: He is out and away the stronger of the two = verreweg; An out and excellent portrait = buitengewoon, uitstekend; Out-and-out = door en door, voortreffelijk, onbegrensd, aarts - -; An out-and-out support of the government = steun door dik en dun; Out-and-outer = kraan, iets buitengewoons, een opzichtig kleedingstuk; From this out I am a reformed man = van nu af aan; He said such things in season and out = te pas en te onpas; I am on my way out = op weg naar Indië; We are well out to sea now = zijn nu in (volle) zee; Out there = daar ginder, in ’t buitenland; Out-at-elbows (-heels) = met gaten in; An Out-at-elbow place = vervallen; I am out of breath = buiten adem; He put me out of countenance = bracht me van mijn stuk; Out-of-date = bij zijn tijd ten achter; Out-of-door(s): Out-of-door amusements = openluchtspel; Out of favour = uit de gunst; Out-of-fashion = uit de mode; Out of the frying-pan into the fire = van den wal in de sloot; He died out of hand = onmiddellijk; Out of harm’s way = in veiligheid; buiten schot; He is out of his head = krankzinnig; Out of heart = moedeloos; I am out of all hope = ik heb volstrekt geene hoop meer; I never sleep out of hours = buiten de voor den slaap bestemde uren; Out of sight, out of mind = uit het oog, uit het hart; Since time out of mind = sedert onheugelijken tijd; I am out of money = slecht bij kas; Out of office = buiten betrekking; Out-of-pocket expenses (fees) = noodzakelijke uitgaven (voorschotten); The book is out of print = uitverkocht; The rope was out of my reach = buiten mijn bereik; Out of sorts = onwel, brommig; You are out of temper this morning = uit uw humeur, boos, landerig; I am out of my time = heb mijne leerjaren achter den rug; Out of trim = onordelijk, niet in den haak; That is rather out-of-the-way = ongewoon; An out-of-the-way place = eene afgelegen plaats; Out upon that fellow! = weg met; I am out = ik heb niet meer; ik ben in de war, boos; The jug (wine) is out = leeg (op); The murder, secret is out = ontdekt; Then the murder was out = toen had je de poppen aan het dansen; The time is out = om; You are completely out (of it) = ge hebt het glad mis; That is out of it = haalt er niet bij; He came out in the eighties = ging naar Indië tusschen 1880–1890; Hear me out = hoor mij ten einde toe; I paid him out of your money = van jou geld; I will sit out the concert = ik blijf zitten tot het concert uit is; With these words he ups and outs = na die woorden vliegt hij op en de deur uit; I hardly ever get an outing = ik maak haast nooit een uitstapje; It was her last outing = dat was de laatste maal, dat zij uitging; Summer-outings = zomer-reisjes; Outboard = buiten boord; Outbound = op de uitreis; Outbreak = uitbarsting, oproer; Outburst = uitbarsting; Outcast = verworpeling; Outcome = resultaat; Outcrop = het voor den dag komen of gekomene; Outcrop verb. autkrop; Outcry = geschreeuw; Outdoor = buitendeur; Outdoors = buiten(deur); Outfit = uitrusting; Outfitter = leverancier van outfits; Outgrowth = spruit, resultaat; Outhouse = schuur, bijgebouw; Outlander = vreemdeling; adj. Outlandish; Outlaw = vogelvrij verklaarde, bandiet; Outlaw verb. vogelvrij verklaren; Outlawry; Outlay = onkosten; Outlay verb. autlei, uitbreiden, uitgeven; Outlet = uitgang, uitweg, afvoerkanaal, -buis; Outline = omtrek; Outline verb. schetsen, ontwerpen, zich afteekenen; Outlook = uitkijk, uitzicht, vooruitzicht: To be on the outlook for = uitzien naar; Out-parish = buitenparochie; Out-patient = uitwonend patient (van hospitalen); Out-poor = bedeelde; Out-porch = portaal; Outport = buitenhaven; Outpost = voorpost; Output = bedrag, opbrengst, productie; Outputter = producent; Outrelief = bedeeling; Outrider = voorrijder; Outrigger = papegaaistok, loefhouder, buitenboord aangebrachte roeiklamp; boot daarvan voorzien; Outright = open, zonder voorbehoud, dadelijk; Outset = begin, aanvang; Out-settlement = buitenkolonie; Outskirt = zoom, buitenste grens; Outspan (ook autspan) = uitspannen, kampeeren (Z. Afr.); Outspoken (ook autspouk’n) = ronduit, oprecht; subst. Outspokenness; Outwork = buitenwerk (mil.); Outer = buiten..; subst. Outer garment; Outer world; Out(er)most = uiterste, buitenste; Outness = uiterlijkheid.

Out, aut (in samenst.) drukt dikwijls uit: overtreffen in de door het andere deel uitgedrukte handeling, b.v. Outact = krachtiger handelen; Outbalance = zwaarder wegen; Outbid = hooger bieden, overtreffen; Out brag = overtreffen (in pochen); Outbrave = overtreffen (in glans of dapperheid); Out-classed = totaal verslagen; Outcry = overschreeuwen; Outdare = trotseeren; Outdistance = achter zich laten; Outdo = overtreffen; Outface = brutaliseeren, trotseeren, de oogen doen neerslaan; Outfarm = zich bekwamer boer toonen; Outflank = overvleugelen; Outfly = sneller vliegen dan; Outfrown = de oogen doen neerslaan; Outgeneral = overtreffen in veldheerschap; Out-Gilfillan G. himself = zelfs in zijn soort G. overtreffen; Outgo = overtreffen, te buiten gaan; Outgrow = sneller groeien dan, te groot worden voor; Out-Herod = in woestheid en wreedheid H. overtreffen; Outlast = langer duren dan; Outleap = verder springen dan; Outlive = langer leven dan, overleven; Outlook = de oogen doen neerslaan; Outmanoeuvre, autmən(j)ûvə, verschalken; Out march = harder marcheeren, vóórkomen; Outnumber = in aantal overtreffen; Outpace = voorbijstreven; Outpray = in het smeeken overtreffen; Outrange = verder schieten, achter zich laten; Outrank = hooger zijn in rang; Outreach = verder reiken dan, overtreffen; Outreign = langer regeeren dan: His queen Outreigned him by five years; Outride = harder rijden, uitrijden (zeeterm); Outroar = luider brullen dan; Outroyal = den koning of het hof in pracht overtreffen; Outrun = sneller loopen, ontloopen: To outrun the constable = To outrun one’s income = te groot leven; Outsail = harder zeilen; Outscold = harder schelden of tieren dan; Outsell = meer verkoopen, of duurder verkoopen, dan; Outshine = in luister en glans overtreffen; Outsleep = langer slapen dan; Outsoar = hooger stijgen, overvleugelen; Outspeak = beter (langer) spreken dan; Outspeed = in snelheid overtreffen; Outstand = uitsteken boven, uitstaan: Outstanding debts = uitstaande; Outstanding fact = in ’t oog springend, belangrijk feit; To leave outstanding = laten staan; Outstare = brutaliseeren, de oogen doen neerslaan; Outstay = te lang blijven: He outstayed his welcome = wij waren blij, dat hij wegging; Outstep = overschrijden; Outstrip = voorbijloopen, overtreffen; Outswear = in het vloeken overtreffen; Outtalk = in het praten winnen van, om verpraten: Outtop = uitsteken boven; Outvie = overtreffen; Outvote = bij stemming winnen van, overstemmen; Outwalk = in het wandelen overtreffen; Outwear = langer duren dan, verslijten; Outweigh = zwaarder wegen dan, te zwaar zijn voor; Outwing = in het vliegen de baas zijn; Outwit = verschalken, in slimheid overtreffen; Outworth = in waarde te boven gaan.

Outrage, autreidž, gewelddaad, misdaad, vergrijp, aanranding, grove beleediging; Outrageous = gewelddadig, afschuwelijk, overdreven; subst. Outrageousness.

Outram, ûtrəm.

Outside, autsaid, autsaid, subst. buitenkant, uiterlijk, plaats buiten op (een diligence), buitenpassagier, uiterste, dekblad; adj. buitenste, van buiten, buitenop; adv. buiten(op), aan den buitenkant, buitenboord, behalve: Twenty guilders at the (very) outside = op zijn hoogst; Four outsides (Outside-passengers) = vier passagiers buitenop; The outside public = het buitenstaand (fig.) publiek; Outsider = oningewijde, iemand die er buiten staat, renpaard van onbekende herkomst, of dat oogenschijnlijk geen kans heeft; iemand, die tegen den bookmaker wedt.

Outward, autwəd, adv. en adj. uitwendig, (van) buiten: To clear outward = een schip uitklaren; Outward angle = buitenhoek; Outward-bound = op de uitreis; Outward passage = heenreis; Outward trade = uitvoerhandel; I have never been outwardly a worshipper = ben nooit een kerkganger geweest; Outwardness = uiterlijkheid, objectiviteit, oppervlakkigheid; Outwards = buitenwaarts.

Ouzel, ûz’l, Zie Ousel.

Oval, ouv’l, ovaal, eirond; subst. ovaal: The Oval = een bekend cricket-veld in Kennington (London); Oval compasses.

Ovarian, əvêriən, tot den eierstok behoorende, eierstok …; Ovariotomy; Ovary = eierstok, vruchtbeginsel.

Ovate, ouvit, eivormig; Ovate-oblong = langwerpig ovaal.

Ovation, əveiš’n, hulde, ovatie.

Oven, ɐv’n, oven, kooktoestel; Oven-fork = ovengaffel.

Over, ouvə, prep. en adv. over, boven, voorbij; subst. overschot; Over verb. springen over: The concert is over = uit; The flowers were over = bloeiden niet meer; The rain is over; When school is over the children go home; Over and above what I have told you = buiten en behalve; I told him so Over and over = herhaaldelijk; Over and over again = tot vervelens toe; Over against = tegenover; Over there = daar ginds; I told you so ten times over = tienmaal achter elkander; He is a gentleman all over = een volmaakt gentleman; It is all over (up) with me = met mij gedaan; It’s well over = goed afgeloopen; I went all over the town = ik ben overal in de stad geweest; Over the walnuts and the wine = aan het dessert; I live over the way = hier tegenover; He is over head and ears in debt = tot over de ooren; He fell head over ears into the water = hals over kop; The pot boils over = kookt over; We discussed our affairs over a glass of wine = bij; I have given over doing it = opgegeven, gestaakt; I lost it over a bet = bij een weddenschap; Many advertisements must be kept over = tot een volgend nummer uitgesteld; Published over my name = onder; What remains over = overblijft; To sit over the fire = bij den haard; I will sleep over it = mij er op beslapen; She will not stay over the week = blijft niet langer dan een week; He took (showed) me over his picture-gallery = liet mij zien; We talked over the matter = bepraatten de zaak; Over difficult = te moeielijk; She is not over particular = zij neemt het niet zoo nauw; Over young = wat al te jong; Overabound = buitengewoon of al te overvloedig zijn, overvloed hebben; adj. Overabundant; Overact = overdrijven; Overalls, ouvərôlz, dunne, waterdichte broek ter besparing van de andere bij werken of rijden; morskiel (overjurk); Overarch = overwelven, verwulven, omvatten; Overawe = ontzag inboezemen, in ontzag houden; Overbalance, ouvəbal’ns, subst. overwicht, meer dan het gewicht; Overbalans verb. (ouvəbal’ns) meer wegen, overtreffen, het evenwicht verliezen (= To overbalans oneself); Overbear = onderdrukken, onderwerpen; Overbearing = aanmatigend, heerschzuchtig, uit de hoogte; Overbid = meer bieden dan; Overblow = overwaaien, uitrazen; Overblown = verwelkt: An overblown fellow = overdreven, dwaze; Overboard, ouvəböd, overboord; Overbold = al te stout of vrijmoedig; Overbrim = over (den rand) loopen; Overbuild = te veel bouwen: This part of the town is overbuilt = men heeft hier te veel gebouwd; Overburden = overladen, te veel laden op; Overbuy = te duur betalen, te veel koopen; Overcanopy = met een troonhemel bedekken; Overcareful = al te zorgvuldig of sekuur; Overcarry = te ver rijden (een passagier); Overcast, ouvəkâst, bewolkt; verb. (ouvəkâst), te hoog schatten; bewolken, verduisteren; overnaaien: The sky is overcast = de hemel is bewolkt; Overcharge, ouvətšâdž, subst. te hooge berekening, te groote lading, te veel betaalde vracht; Overcharge verb. (ouvətšâdž), overdrijven, te zwaar beladen, overvragen, al te zeer vullen; Overcloud = bewolken; Overcoat = overjas; Overcome = overwinnen: He was very much overcome = zenuwachtig, aangedaan; Over-credulous = al te lichtgeloovig; Overcrowded = overvol van; Overdo = overdrijven, te gaar koken, overwerken: We are overdone with newspapers nowadays = worden overstelpt; I am overdone = op, heb mij overwèrkt; The meat is overdone = al te gaar; Overdose, ouvədous, al te groote hoeveelheid of dosis; Overdose verb. (ouvədous), een te groote dosis geven; Overdraw = overdrijven, een wissel trekken voor meer geld dan het credit is: To overdraw one’s account; Overdrive = te ver of te snel jagen of drijven: I am overdriven = ik ben op, afgemat, heb mij overwèrkt; Overdue = vervallen, te laat: The train is overdue = de trein is over zijn tijd; Overdue letters = te laat bestelde of bezorgde brieven; Overdue rates = die al betaald hadden moesten zijn; Overearnest = al te ernstig; subst. Overearnestness; To overeat oneself; Overestimate = overschatten, overschatting; Over-exposure = te lange belichting (photog.); Overfeed = te sterk voeden, volstoppen; Overflow, ouvəflou, subst. overstrooming, groote overvloed; Overflow verb. (ouvəflou) overvloeien, overstroomen; Overflowing = overstrooming; Over-fond, ouvəfond, al te teeder, dol; Overfreight, ouvəfreit, overvracht; Over-freight = overladen; Overfull = al te vol; Over-greedy = al te gulzig; Overgrow = met plantengroei bedekken, te groot worden; Overgrown = uit de kracht gegroeid, lang opgeschoten, hooggaand; Overgrowth, ouvəgrouth, te weelderige groei, overvloed; Overhand, bovenhandsch; Overhang = overhangen, hangen over, bedreigen; Overhaul, ouvəhôl, subst. streng onderzoek of examen, inspectie, herstelling; Overhaul verb. (ouvəhôl), streng onderzoeken of inspecteeren, winnen op, herstellen, nazoeken, opzoeken: We overhauled the steamer = wij haalden in; Overhead = boven, boven het hoofd: Overhead (ouvəhed) conductor, wires = bovengrondsche geleiding; Overhear = toevallig hooren, afluisteren; Overhours = óveruren; Over-indulge = al te veel toegeven aan: She over-indulged her children; Over-issue, ouvərišû, te veel in omloop brengen (van bankbiljetten, enz.); subst. ouvərišû; Overjoy, = verrukking; He was overjoyed, (ouvədžôid) to find me = verrukt dat hij mij vond; Over-labour = met te veel werk plagen, al te “peuterig” uitvoeren; Overland, ouvəland, overlánd: The overland mail; adv. ouvəland; Overlap = overdekken, gedeeltelijk bedekken: History and geography overlap here and there = geschiedenis en aardrijkskunde raken elkaar hier en daar; Their lives overlap in the last years of our century = hunne levens vallen gelijktijdig; Over-lavish = al te kwistig; Overlay, ouvəlei, subst. stuk bedekkend papier, bekleeding; Overlay verb. (ouvəlei), bedekken, drukken op, liggen op, doodliggen: Your performance was overlaid by his = werd in de schaduw gesteld; Such books do not preserve, but overlay the old-world stories = zij verknoeien ze; Overleaf = op de andere zijde van het blad; Overleap = springen over, overtreffen, overslaan: You overleapt yourself = gij hebt te ver of te hoog gesprongen; Overlie = liggen op, doen stikken; Overlive = overléven, te boven komen; Overliver; Overload = te zwaar beladen; Overlook = overzien, het opzicht houden over, over het hoofd of door de vingers zien: My room overlooks the Thames = ziet uit op; Overlooker, opzichter, opziener; Overmanned = met te groote equipage; Overmantel = étagère-spiegel; Overmasted = met te hooge of zware masten; Overmaster = vermeesteren, overwinnen; Overmatch = de meerdere zijn, overtreffen, overwinnen; Overmeasure = toegift (bij wegen of meten); Overmuch = te veel; Overnight, ouvənait, den nacht (avond) te voren, van den laatsten nacht of avond; adv. Overnight, ouvənait, gedurende den nacht, den laatsten nacht, gisterenavond; Overpay = te veel betalen; Overpeer = uitsteken boven; Overpitch = te ver gooien, overdrijven; Overplus, ouvəplɐs, overschot, overmaat; Overpower = overstelpen, overweldigen; Overpressure, al te zware druk; Over-produce = te veel produceeren; Over-production = overproductie; Overproof = boven de normale sterkte; sterke brandewijn; Overrake = overheen harken; spoelen over; Overrate = overschatten; Overreach = verder reiken dan, de achterpooten te veel vooruitslaan (van paarden), het evenwicht verliezen; beetnemen, bedriegen, de baas worden; Override = vermoeien of afmatten (door rijden), zich niet storen aan, ter zijde zetten: To override one’s commission = zijne ambstbevoegdheid te buiten gaan; Overripe(n) = al te rijp (worden); Overroast = te sterk braden; Overrule = beheerschen, overheerschen, verwerpen, overstémmen: He was overruled = bleef in de minderheid; Overruling = oppermachtig, alles beheerschend; Overrun = overloopen, verspreiden over, invallen doen en teisteren, onderdrukken, uit elkaar loopen (bij het drukken), overstroomen, voorbijrijden (van het perron): We are overrun with mice = ’t leeft bij ons van muizen; Oversea, ouvəsî, vreemd, van over de zee; Overseas edition = editie van een courant voor de koloniën bestemd; Oversee. Zie Overlook; Overseer, ouvəsîə, inspecteur, opzichter, armvoogd: Overseer of the line (Overseer of the poor); Overseership; Oversell = meer verkoopen dan men kan leveren: An oversold market = eene markt, waar zooveel effecten verhandeld zijn, dat zij niet geleverd kunnen worden; Overset, ouvəset, subst. omverwerping: An article standing in the overset = koopwaar of artikel, dat over is; Overset verb. (ouvəset), omslaan, onderstboven werpen; Overshadow = overschaduwen, beschutten; Overshoe = overschoen; Overshoot = over het doel heenschieten: I have overshot myself = mijn neus voorbijgepraat, te veel gezegd of beweerd; An overshot wheel = waterrad, in beweging gebracht door het er overheen stroomende water; Overshotted = al te zwaar geladen (van vuurwapens), overdreven (uitdrukking); Overside, adv. ouvəsaid, adj. ouvəsaid, over de zijde, over de verschansing; Oversight = opzicht, toezicht, vergissing; Overslaugh, ouvəslô, ontslaan; passeeren bij bevordering; subst. ouvəslô, ontslag; zandbank (Amer.); Oversleep = te lang slapen: I have overslept myself = ik heb mij verslapen; Oversman, ouvəzman, opzichter; scheidsrechter (Schotl.); Overspread = bedekken, verspreiden of uitgespreid zijn; Overstate = overdrijven, te veel bewijzen: To overstate one’s case = te veel willen beweren; subst. Overstatement; Overstay = langer blijven dan: To overstay one’s time; Overstep = te buiten gaan, overtréden; Overstock, ouvəstok, subst. al te groote voorraad; Overstock verb. ouvəstok al te zeer vullen, overvoeren: Being over-stocked with copy, we can find no room for your article = daar we een overvloed van copie hebben; Overstrain = zich al te zeer inspannen, te veel vergen van, zich verrekken (= To overstrain oneself): An overstrained nervous system = overspannen zenuwgestel; Overstrung = kruissnarig; Oversubscribe = voor een te groot bedrag inschrijven; Overtake = inhalen, verrassen, overvallen; Overtask = met werk overladen: I am sorely overtasked = ik heb het veel te druk; Overtax = te zwaar belasten, overschatten; Overthrow, ouvəthrou, subst. nederlaag, ondergang, omverwerping: To give the overthrow; Overthrow verb. (ouvəthrou) omverwerpen, onderstboven gooien, veroveren; Overthwart, koppig, dwars: Overthwart, ouvəthwöt, and endlong = in de dwarste en de lengte; Overtime = overuren: To do (make, work) overtime; Overtone = boventoon (muz.); Overtop = te boven gaan, overtreffen, uitsteken boven; Overturn, ouvətɐ̂n, omkeering, omverwerping; Overturn verb. ouvətɐ̂n, omverwerpen, omgooien; Overweening, subst. groote verwaandheid; adj. aanmatigend, verwaand; Overweight = overmacht, over(ge)wicht; Overwhelm = verpletteren, overstelpen; Overwork, ouvəwɐ̂k, subst. óverwerk; Overwork verb. (ouvəwɐ̂k) al te veel werken, (doen) overwérken, uitputten; Overworn, uitgeput, afgemat, afgezaagd; Overwrought = overspannen.

Overt, ouvət, open(lijk), met uitgespreide vleugels (herald.); Overtly.

Overture, ouvətjə, subst. voorstel, aanbod, ouverture (muz.); Overture verb. aanbiedingen doen: The overtures to intimacy should always come from the higher to the lower = de aanbiedingen van vriendschap; It was difficult to refuse her overtures, she was so kind and hospitable = aanbiedingen, uitnoodigingen.

Ovid, ovid, Ovidius; Ovidian, əvidiən; Ovidius, əvidiəs.

Oviduct, ouvidɐkt, eileider; Oviform, eivormig.

Ovine, ouv(a)in, schaapachtig, schaap …; subst. schaap.

Oviparous, əvipərɐs, eierleggend; Oviposit, ouvipozit, eieren leggen; Oviposition, ouvipəziš’n, het eieren leggen, vooral door middel van de legboor; Ovisac = eierzak; Ovoid = eivormig; Ovulite, ouvjulait, fossiel ei; Ovum = ei.

Owe, ou, schuldig zijn, moeten betalen, verschuldigd zijn, te danken hebben: To owe a person a grudge (a spite) = wrok koesteren tegen; Money was owing to him = men was hem schuldig; To have money owing = gelden hebben uitstaan; It was still owed to her = het kwam haar nog toe; Owing to = tengevolge: It is all owing to your negligence = ’t komt al door uwe onachtzaamheid.

Owl, aul, uil; Owl verb. smokkelen: As drunk as an owl = zoo dronken als eene snip; Owlery = uilennest; uilachtige hoedanigheden; Owlet = uiltje, ook = Owl-moth; Owlish = als een uil, dom.

Own, oun, adj. eigen; Own verb. bezitten: Every one for his own = ieder voor zich; He has a house of his own = een eigen huis; A dear little clock of my very own = heelemaal van mij alleen; To have a reason of one’s own = eene bijzondere reden hebben; To hold one’s own (with) = zijn recht handhaven, stand houden: Of one’s own accord (motion) = uit eigen beweging; He did it on his own hook, account = op eigen houtje, verantwoording; Name your own day = bepaal zelf den dag; To be one’s own master = zijn eigen baas zijn; He does not know his own mind = weet zelf niet wat hij wil; To be own niece to = een volle nicht zijn van; He will have it all his own way = geheel zooals hij het wenscht; Owner = eigenaar; Ownerless = onbeheerd; Ownership = eigendom(srecht).

Own, oun, erkennen, toegeven, zijn hart uitstorten: To own to a fault = bekennen; It must be owned that = erkend worden; I own to your reproach = ik erken dat uw verwijt verdiend is: I own to much less affection for him than for his brother = ik erken, dat ik zijn broer veel liever mag dan hem; Own up like a man! = beken, biecht op; Why don’t you own up about him? = waarom ontken je niet je ongelijk jegens hem?

Ox, oks, (Meerv. Oxen, oks’n), os: Ox-bow = ossenjuk; bocht van eene rivier (Amer.); Ox-eye = bijmees; blauwmeesje; runderoog (plant); Ox-eyed = met groote oogen; Ox-fly = koeienhorzel; Ox-heart = soort groote kers; Ox-hide = runderhuid; Oxlip = hoogstengelige sleutelbloem; Ox-stall = ossenstal; Ox-tail = ossestaart: Ox-tail soup; Ox-team = span ossen.

Oxalic, oksalik: Oxalic acid = oxaalzuur.

Oxford, oksfəd.

Oxidation, oksideiš’n, oxydatie; Oxide, oks(a)id, oxyde; Oxidizable = oxydeerbaar; Oxidize = oxydeeren.

Oxonian, oksounj’n, student, gepromoveerde van de universiteit te Oxford; knoopschoen; ook adj.

Oxygen, oksidžen, zuurstof; bleekpoeder; Oxygenate, oksidžəneit, oksidženeit, met zuurstof verbinden; subst. Oxygenation; Oxygenizable = oxydeerbaar; Oxygenize, oksidžənaiz, oksidžənaiz, oxydeeren.

Oxyhydrogen, oksihaidrədžen, knalgas.

Oxytone, oksitoun, met den klem op de laatste lettergreep.

Oyer, oujə, ôiə, verhoor.

Oyes, Oyez, oujes, oujez, hoort! Met dit woord, driemaal herhaald, worden de openbare afkondigingen begonnen, en zittingen geopend; proclamatie, omroeper.

Oyster, ôistə, oester: Oyster-bed = oesterbed; Oyster-culture = oesterkultuur; Oyster-ground (= Oyster-bed); Oyster-knife; Oysterman; Oyster-patty = oesterpasteitje; Oyster-shell = schelp; Oyster verb. afzonderen, verbannen: He oyster-shelled himself quite out of humanity’s reach = zonderde zich geheel af van de menschen; Oyster-wife (Oyster-woman).

Ozone, ouzoun, əzoun, ozon; Ozonize = in ozon omzetten, met ozon vervullen; Ozonizer = apparaat hiervoor.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings