← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

Q.

Reading edition

Q. kjû; Q. = question; Q(ueen’s) B(ench); Q(ueen’s) C(ounsel of College); Q(uod) E(st) = dat is; Q(uod) E(rat) D(emonstrandum) = wat bewezen moest worden; Q(uod) E(rat) F(aciendum) = wat gedaan moest worden; Q(uantum) l(ibet) = zooveel gij verkiest; Q(uarter) M(aster) G(eneral); Qr = quarterly of quire; Q(uarter) S(essions); Qt. = quart; On the strict Q. T. = Quiet = ‘stiekem’; Qu. = queen, query, question; Quart(erly); Qy. = query.

Qua, kwei, kwâ, als: I speak qua a private person.

Quack, kwak, subst. gekwaak, kwakzalver, grootspreker; adj. kwakzalverachtig; Quack verb. kwaken, bluffen, kwakzalveren; Quack medicine, nostrum = kwalkzalversmiddel; Quacksalver, kwaksalvə, kwakzalver; Quackery = blufferigheid, kwakzalverij, bedrog; Quackish = kwakzalverachtig.

Quad, kwod, verk. voor Quadrangle of Quadruple(t).

Quadragesima, kwodrədžesimə, veertigdaagsche vasten vóór Paschen: Quadragesima-Sunday = eerste Zondag van de vasten; Quadragesimal = tot den vastentijd behoorende; Quadragesimals = offeranden vroeger aan de moederkerk gebracht op den middenzondag in vasten.

Quadrangle, kwodraŋg’l, vierkant (binnen)plein door gebouwen omringd, vierkant; Quadrangular, kwodraŋgjulə, vierhoekig, vierzijdig.

Quadrant, kwodr’nt, vierde deel (van een cirkel), boog van 90 graden, hoekmeter: Quadrant of altitude = instrument op eene globe om hoogten te meten; Quadrantal, kwodrant’l, kwodrəntəl, tot een quadrant behoorende.

Quadrate, kwodrit, subst. vierkant; adj. vierkant, kwadraat; Quadrate verb. (kwodreit) overeenbrengen, overeenstemmen; Quadratic, kwodratik, subst. vierkantsvergelijking; adj. tot een vierkant behoorende: Quadratic equation = vierkantsvergelijking: Quadratics = het deel der algebra dat over vierkantsvergelijkingen handelt; Quadrature, kwodrətjə: Problem of the quadrature of the circle.

Quadrennial, kwodreniəl, vierjarig, vierjaarlijksch; Quadrennium = 4-jarige periode.

Quadricapsular, kwodrikapsiulə, met vier kapsels.

Quadricorn, kwodrikön, met vier (voel)horens; adj. Quadricornous, kwodrikönəs.

Quadricycle, kwodrisaik’l, (motor)rijwiel voor 4 personen.

Quadriga, kwodraigə, (Romeinsche) wagen op twee wielen met vier paarden naast elkander.

Quadrilateral, kwodrilatər’l, subst. en adj. vierzijdig(e figuur).

Quadrille, kədril, kwodril, quadrille.

Quadrillion, kwodrilj’n, 1. met 24 nullen er achter; in Amer. 1. met 15 nullen.

Quadrivalvular, kwodrivalvjulə, vierkleppig.

Quadroon, kwodrûn, afstammeling van een creool en terceroonsche vrouw.

Quadrumana, kwodrûmənə, de vierhandigen; Quadrumanous = vierhandig.

Quadruped, kwodruped, subst. en adj. viervoetig (dier).

Quadruple, kwodrup’l, subst. en adj. viervoudig(e hoeveelheid); Quadruple verb. verviervoudigen: Quadruple births = vierling(geboorten); Quadruplet, kwodruplet = (motor)rijwiel voor 4 personen; vierling.

Quadruplicate, kwodrûplikit, adj. viervoudig; Quadruplicate verb. kwodrûplikeit, verviervoudigen; subst. Quadruplication.

Quaestor, kwîstə, kwestə, thesaurier; Quaestor-ship.

Quaff, kwâf, subst. groote teug: Quaff verb. inzwelgen, veel drinken: To quaff off = in één teug uitdrinken; Quaffer.

Quag, kwag, moeras; Quaggy = moerassig, meegevend (van grond); Quagmire = moeras, drassige bodem, poel.

Quagga, kwagə, quagga.

Quail, kweil, subst. kwartel: Quail-call (Quail-pipe) = fluitje om wachtels te lokken.

Quail, kweil, den moed verliezen, sidderen; doen sidderen: The boy quailed beneath your glance = sidderde voor uw blik.

Quaint, kweint, adj. raar, zonderling, dwaas, grillig, vergezocht: A quaint fellow = een rare vent; Your quaint notions of propriety = je zonderlinge (dwaze) begrippen van gepastheid; subst. Quaintness.

Quake, kweik, subst. trilling, huivering; Quake verb. schudden, beven, trillen: The shout set the walls to quaking = deed trillen; Quaker = een van de sekte der Kwakers (gew. Society of Friends genoemd); Quaker(-gun) = gemonteerd houten kanon om den vijand beet te nemen (Amer.); Quakeress; Quakerism = leer en praktijk der Kwakers; Quaky = sidderend.

Qualification, kwolifikeiš’n, bevoegdheid, bekwaamheid, eigenschap, geschiktheid, vereischte; Qualificatory = bevoegd, etc. makend; Qualified = bevoegd, voorwaardelijk, nader bepaald: In a qualified sense = in beperkten zin; subst. Qualifiedness; Qualifier = bepalend woord; Qualify, kwolifai, (zich) bekwaam, bevoegd of geschikt maken, wijzigen, beperken, matigen, verdunnen; bezweren, een eed doen (Amer.): You seem to be qualifying for a lunatic asylum = gij schijnt gek te willen worden; Would you qualify this brandy with two thirds of water? = wilt ge ⅔ water door de cognac doen? A qualifying examination = akte-examen.

Quality, kwoliti, eigenschap, hoedanigheid, kwaliteit, rang, stand, stroomsterkte: The quality = de grooten of aanzienlijken; Gentlemen of quality = v. hoogen rang; In the quality of a nurse = als min.

Qualm, kwâm, kwôm, misselijkheid, plotselinge ongesteldheid, onaangenaam gevoel, gewetensbezwaar of wroeging: He had no qualms (of conscience) about the life he had entered upon = geen berouw over; Qualmish = misselijk; subst. Qualmishness.

Quandary, kwondəri, kwondêri, verlegenheid, lastig geval: He was in a nice quandary = hij zat er leelijk in.

Quant, kwont, kwant, kloet, polsstok.

Quantify, kwontifai, de hoeveelheid aanwijzen of bepalen van; Quantitative, kwontitətiv, quantitatief; Quantity, kwontiti, hoeveelheid, mate, uitgestrektheid, omvang, maatklank; Quantum, kwont’m, hoeveelheid, bedrag.

Quarantine, kwor’ntîn, kwor’ntain, subst. quarantaine, isoleering, quarantaine-station; Quarantine verb. ook kworəntîn, tot quarantaine verplichten: To pass (perform, make) quarantine = in quarantaine liggen.

Quaresimal, kwəresim’l: Quaresimal sermons = lijdensmeditatiën (op Zondagavonden in den vastentijd).

Quarles, kwâlz.

Quarrel, kwor’l, subst. twist, ruzie, gekrakeel; pijl met vierkante spits, (venster)ruit; Quarrel verb. kijven, twisten, krakeelen, aanmerkingen maken: Domestic quarrels = huiselijke twisten; He wanted to fasten a quarrel upon me, to pick a quarrel with me = hij wou ruzie met mij hebben; There are two parties to a quarrel and I won’t be one = voor een twist zijn er twee noodig, en ik doe niet mee; I quarrel with your assertions and statements throughout = ben het volmaakt oneens met; Quarreller = ruziezoeker; Quarrelsome = twistziek, ruzieachtig; subst. Quarrelsomeness.

Quarrier, kworjə, arbeider in een Quarry, kwori, subst. steengroeve; wild, prooi; Quarry verb. uitgraven, delven uit; ploeteren: The quarry was worked by a firm = de steengroeve werd door eene firma geexploiteerd; Quarryings = brokjes steen of marmer; Quarryman = Quarrier.

Quart, kwöt, twee pint = ¼ v. een gallon; tweepintskan.

Quart, kât, vier opvolgende kaarten (piket).

Quartan, kwöt’n, vierdaagsch: Quartan ague (fever).

Quarte, kât, houw naar de linkerzijde van den tegenstander (bij het schermen).

Quarter, kwötə, vierde deel, vierendeel, kwartaal, kwartier, ± 23 c.M.; ± 12,7 K.G.; wijk, landstreek, genade, kwartier (voor troepen), arm van een ra; Quarter verb. in vier gelijke deelen verdeelen, vierendeelen, inkwartieren, ingekwartierd zijn: No quarter ought to be given or shown her = geene genade moet haar geschonken worden; The drums beat to quarters = de trommen gaven het sein om in te rukken; We came to close quarters with the enemy = wij werden met den vijand handgemeen; You have got nice quarters here = een mooie kamer; They marched in close quarters = in gesloten colonne; The men stood at quarters = klaar voor den strijd; We are quartered among friends = bij vrienden ingekwartierd; I have as much a right to quarter my arms as any of you = mag evengoed mijn wapens op het schild plaatsen; Quartering = het inkwartieren; het indeelen van een wapenschild; He has more quarterings on his own side than any house in Europe = meer kwartieren op zijn wapenschild; Quarter-bred = met ¼ zuiver bloed (van raspaarden, etc.); Quarter-day = betaal- of kwartaaldag (Lady-day = 25 Maart; Midsummer-day = 24 Juni; Michaelmas-day = 29 September, en Christmas-day = 25 December); Quarter-deck = campagne; Quartermaster = kwartiermeester: Quartermaster-sergeant = fourier; Quarter-profit system = stelsel, waarbij de schrijver ¼ v. de winst krijgt; Quarter-sessions = driemaandelijksche zittingen v. de vrederechters; Quarterstaff = stok; Quarterly, subst. en adj. driemaandelijksch (tijdschrift); Quartern = 0,142 L.; 2,27 L.; 0,1134 K.G.; Quartern-loaf = vierpondsbrood.

Quartet(te), kwötet, kwartet.

Quarto, kwötou, kwartijn; subst. en adj. kwarto.

Quartz, kwöts, kwarts; Quartziferous = kwartshoudend; Quartzite, kwötsait, kwartsrots; Quartzose = kwarts bevattend; Quartzy = van of als kwarts.

Quash, kwoš, subst. Zie Squash; Quash verb. plat drukken, verpletteren, onderdrukken, nietig verklaren: The verdict was quashed = het vonnis werd vernietigd.

Quasi, kweis(a)i: Quasi nobility = de Baronets.

Quasimodo, kwasimoudou: Quasimodo Sunday = eerste Zondag na Paschen.

Quass, kwas, kwass, een Russische drank.

Quassia, kwosiə, kwasiə, bitterhout; Quassin = het bittere bestanddeel hiervan.

Quaternary, kwotɐ̂nəri, kwətɐ̂nəri, subst. het getal vier; adj. uit vier bestaande: Quaternion, subst. het getal vier, aantal van vier, vierlettergrepig woord.

Quatrain, kwotrein, kâtrein, vierregelig vers, kwatrijn.

Quaver, kweivə, subst. ⅛ noot, triller, trilling; Quaver verb. trillen, vibreeren, met trillers zingen; Quaverer.

Quay, kwei.

Quay, kî, subst. kaai; Quay verb. van kaaien voorzien; Quayage = kaai- of werfgeld.

Quean, kwîn, slet, zedelooze vrouw.

Queasiness, kwîzinəs, subst. v. Queasy, kwîzi, zwak, weekelijk, sentimenteel, kieskeurig, walgend, walgelijk.

Quebec, kwibek.

Queen, kwîn, subst. koningin; Queen verb. de koningin spelen, tot koningin maken, van eene koningin voorzien: To go to queen = dam maken; Queen of the meadows = Meadowsweet; Queen-apple = renet; Queen-bee = bijenkoningin; Queen consort = gemalin van den koning; Queen dowager = koninginweduwe; Queen mother = koninginmoeder; Queen regent = koningin-regentes; Queen regnant = regeerende koningin; Queen’s-Bench Division = afdeeling van het hoogste Gerechtshof; Queen’s-carriage = gevangeniswagen; Queen’s-counsel = rijksadvocaat; Queen’s English = zuiver Engelsch; Queen’s-head = postzegel (met de beeltenis der koningin); Queen’s-metal = wit zilver; The Queen’s Speech = Troonrede; Queen’s ware = geglazuurd crêmekleurig aardewerk; Queen’s weather = prachtig weer; Queenhood = koninginneschap; Queenlike, Queenly = als eene koningin.

Queenborough, kwînbərə.

Queer, kwîə, vreemd, zonderling, wonderlijk, verdacht, onlekker, uit zijn humeur, valsch: A queer bill = onsoliede wissel: I am in Queer Street = ik heb me verzien, bedrogen; ik zit er “in”; I feel rather queer to-day = ik voel me niet lekker vandaag; Queerish = vrij zonderling; Queerness = zonderlingheid.

Quell, kwel, onderdrukken, bedwingen, dempen, tot rust brengen: The revolt was quelled = het oproer werd gedempt; Queller.

Quench, kwenš, blusschen, lesschen, dempen, onderdrukken, doen bedaren; Quenchable = wat gedempt of gelescht kan worden; Quencher = domper, een “glaasje”; Quenchless = onbluschbaar, onleschbaar, onverzadelijk.

Quercus, kwɐ̂kəs, eik.

Querimonious, kwerimounjəs, klagend, ontevreden, jammerend; subst. Querimoniousness.

Querl, kwɐ̂l, bocht (Amer.).

Querulous, kwer(j)ulɐs, klagend, ontevreden, jammerend; subst. Querulousness.

Query, kwîri, subst. vraag, vraagteeken, twijfel; Query verb. vragen (naar), betwijfelen, van een vraagteeken voorzien: Query, which of the two is right? = vrage: wie van beiden heeft gelijk.

Quest, kwest, subst. zoeken, onderzoek; Quest verb. zoeken naar, onderzoeken: The Quest of the Holy Grail; To be in (To go in) quest of = (gaan) zoeken naar; A fresh and questing mind = onderzoekende geest; Quester = speurhond.

Question, kwestj’n, subst. vraag, ondervraging, geschilpunt, interpellatie, opgaaf, twijfel, rekenschap; Question verb. vragen, ondervragen, betwijfelen: Question! = Ter zake! uitroep als een spreker in het Parlement van het onderwerp afdwaalt; That is a (the) question = de vraag; If it is a fair question = als ik vragen mag, als het niet te onbescheiden is; The previous question = de prealabele kwestie; Beside the question = er buiten; The point in question = het punt van discussie; That is altogether out of the question = daar is heelemaal geen sprake van; It is him without a question = hij is het ongetwijfeld; It is a question of time; There is no question about it = geen twijfel aan; To ask a question = eene vraag doen; He begged the question = hij nam als bewezen aan, wat nog bewezen moest worden; The question-begging use of certain terms = het zonder bewijs gebruiken van zekere uitdrukkingen, als: “The will of the nation”; The House is calling for the question = (het Lagerhuis) de vergadering verlangt sluiting van het debat; His repentance was called in question = werd betwijfeld; Questions will be invited at the close of the meeting = gelegenheid om vragen te stellen zal worden gegeven; To pop the question = ten huwelijk vragen; To put a leading question = een vraag doen waarbij men tegelijk het antwoord in den mond geeft; To put a person to question = in verhoor nemen (ook onder folteringen); He put a question to the Home Minister = stelde een vraag aan den Min. v. Binnenl. Zaken; To put the question = (voorstellen) de debatten (te) sluiten en tot stemmen over te gaan; This question is settled = die zaak is in orde, dit geschil is beslist; Remember you question with a cruel man = dat gij te doen hebt; Question-time = tijd om vragen te richten tot de regeering (House of Commons); Questionability = twijfelachtigheid; Questionable = betwijfelbaar, twijfelachtig; subst. Questionableness = betwijfelbaarheid; Questioner = vrager, onderzoeker; Questionless = ongetwijfeld.

Questor, kwestə, Zie Quaestor.

Queue, kjû, staart, staartpruik: To form a queue = “queue” maken.

Quibble, kwib’l, subst. spitsvondigheid, woordspeling, uitvlucht, voorwendsel: Quibble verb. ontwijken, uitvluchten zoeken, spitsvondig zijn, woordspelingen maken; Quibbler.

Quick, kwik, subst. levend vleesch, levende haag; adj. vlug, levend(ig), opwekkend, snel, haastig, gevoelig, hevig, sterk, fijn; To cut (sting, touch) to the quick = tot in ’t levende vleesch snijden, een pijnlijke snaar aanroeren, diep wonden (fig.); Quick ear = fijn gehoor; Quick of ear = scherp van gehoor; Quick eye = scherpe blik; Quick of scent = met fijnen neus; Quick of sight = scherp van gezicht; The quick and the dead = de levenden en de dooden; Be quick about it = gauw wat; He is quick at figures = hij is vlug in het rekenen, rekent vlug; He is a quick-answered boy = gevat jongetje; Quick-beam = gewone lijsterbes; Quick-eyed = scherp van gezicht; Quick-fence = levende haag; Quick-grass = kweek; Quicklime = ongebluschte kalk; Quick-march = versnelde pas; Quick-match = gezwinde lont; Quicksand(s) = drijfzand; Quick-scented = met fijnen reuk; Quickset = uit levende planten bestaande (Quickset hedge = levende haag); subst. levende plant (haag); Quick-sighted = scherp van gezicht; Quicksilver = kwikzilver; Quicksilvered = met kwikzilver bedekt; Quick-step = Quick-march; Quick-tempered = opvliegend, prikkelbaar; At double quick-time = in den looppas; Quick-witted = scherpzinnig, gevat; Quicken = levend worden, zich snel bewegen, trekken, leven vertoonen (gevoelen), opwekken, bezielen, aanvuren, versnellen, opscherpen; ook subst.: Look out for the quicken = houd je klaar voor het snellere tempo; To pick up the quick = dit tempo aannemen; Quickener = opwekker, opwekking, opwekkend middel; Quickness = vlugheid, snelheid, scherpte van blik, etc.

Quid, kwid, herkauwd voedsel, tabakspruim, een pond (geldstuk).

Quidditative, kwiditətiv, het wezenlijke van iets uitmakend; Quiddity, kwiditi, het wezenlijk deel van iets; woordspeling, spitsvondigheid.

Quiddle, kwid’l, den tijd vermorsen, beuzelen; Quiddler = beuzelaar.

Quidnunc, kwidnɐŋk, nieuwsgierig neuswijs persoon, politieke tinnegieter.

Quiesce, kwaies, stom zijn of worden (v. letters); Quiescence, Quiescency = rust; winterslaap; het stom zijn; Quiescent, subst. stomme letter; adj. kalmeerend, rustig, stil, vredig, stom: Quiescent draught (powder).

Quiet, kwaiit, subst. rust, kalmte, vrede; adj. rustig, stil, gerust, niet opzichtig, zonder omslag, familiaar; Quiet verb. kalmeeren, doen bedaren, met rust laten, rustig of kalm worden (down): Have a quiet dinner at our house, with us = eet familiaar bij ons; A quiet dress = stemmige japon; A quiet horse = mak; It’s the way with all these quiet ones = zoo gaat het met (zoo zijn) die stille, bedeesde meisjes; A few weeks’ quiet = rust; Let me be quiet = laat me met rust; He kept it quiet = sprak er niet van; To restore quiet = de rust herstellen; Quiet, Spartan! = koest! At quiet = rustig; On the (dead) quiet = (heel) in stilte; Quieten, kwaiət’n, tot rust of bedaren brengen: He tried vainly to quieten the naughty child; Quieter = wie of wat stilt; A Quieting draught = kalmeerende drank; Quietism = quiëtisme, berusting, stille onderwerping, (leer van den Jezuïet Molina (1588); Quietist = aanhanger van Quietism; Quietness = Quietude = rust, vrede, berusting; Quietus, kwaiîtəs, ontheffing, ontlasting; ontslag.

Quill, kwil, subst. schacht (van vleugels), pen, stekel (van een stekelvarken), spoel; Quill verb. fijn plooien: He carries a good, a clever quill = hij heeft eene welversneden pen; Quill-driver = veelschrijver, pennelikker; Quill-pen; Quill-toothpick = veeren tandenstokertje; Quilling = fijn plooisel (van kant, tule of lint).

Quilt, kwilt, subst. gewatteerde sprei of deken; Quilt verb. doornaaien, opstoppen, watteeren, twee stukken stof op elkander stikken met watteering daartusschen (together); omwòelen; afranselen: She felt the daisy quilt creeping up higher and higher = zij voelde den dood naderen; The pipe was quilted with string for its longer preservation = de pijp was met touw omwoeld; Quilted calves = valsche kuiten; Tennyson’s works in quilted cover = in gewatteerden band; He went to the quiltings long ago = hij is lang geleden gestorven.

Quin, kwin.

Quina, kînə, kwainə, kina.

Quinary, kwainəri, uit vijven bestaande, door 5 deelbaar.

Quince, kwins, kwee(peer).

Quincentenary, kwinsentənəri, kwinsəntînəri, 500 jarig (jubileum).

Quincey, kwinsi.

Quincunx, kwinkɐŋks, figuur als deze: ⁙

Quindecagon, kwindekəgon, vijftienhoek.

Quindecemviri, kwindisemvirai, 15 priesters belast met de bewaking der Sibyllijnsche boeken.

Quinine, kwinîn, kwinain; kwainain (Amer.) kinine.

Quinquagesima, kwinkwədžesimə, tijd v. 50 dagen: Quinquagesima Sunday = Zondag vóór de vasten.

Quinquangular, kwinkwaŋgjulə, vijfhoekig.

Quinquennial, kwinkwenj’l, vijfjarig of -jaarlijksch.

Quinquina, kinkînə, kwinkwainə, kinkinə, kina.

Quinsy, kwinzi, keelontsteking.

Quint, kwint, quint (muziek en schermkunst).

Quintal, kwint’l, ± 45,359 KG. of 100 KG.

Quintan, kwint’n, om de vijf dagen.

Quintessence, kwintes’ns, kern of keur van iets, quintessence; Quintessential, kwintəsenš’l, tot het fijnste behoorende.

Quintet(te), kwintet, quintet.

Quintillion, kwintilj’n, 1 + 30 nullen (Engl.); 1 + 18 nullen (Amer.).

Quintuple, kwintjup’l, adj. vijfvoudig; Quintuple verb. vijfvoudig maken; Quintuplet = (motor)fiets voor 5 personen.

Quip, kwip, subst. fijne of scherpe zet, schimpschot, wonderlijke inval, woordspeling, speeldingetje; Quip verb. schertsen, beschimpen.

Quire, kwaiə, boek papier.

Quirinal, kwirinəl.

Quirk, kwɐ̂k, krul, uitvlucht, wonderlijke inval, woordspeling, loopje in muziek: His paltry quirks did not impose on any member = zijne flauwe uitvluchten; adj. Quirky.

Quirt, kwɐ̂t, rijzweep; ook verb. (Amer.).

Quist, kwist, ringduif.

Quit, kwit, adj. quitte, vrij, ontslagen; Quit verb. verlaten, verzaken, opgeven; overlaten; terugbetalen, loonen, afrekenen, vergelden: To be quit for = er af komen met; I shall be quit with you = het je inpeperen; To go (get) quit = vrij komen, vrijgesproken worden; He got notice to quit = hem werd de dienst (de huur) opgezegd; To quit business = uit de zaken gaan; To quit scores = afrekenen; They quitted the siege = hieven op; To quit smoking = opgeven; Quits = quitte, kamp, gelijk: We are quits = we zijn quitte; To cry quits = verklaren “quitte” te zijn; He played double or quits = dubbel of quitte; Quit-claim, subst. afstand (van een recht); ook verb.; Quit-rent = pacht, die van andere verplichtingen vrijstelt.

Quitch(grass), kwitšgrâs, kweek(gras).

Quite, kwait, geheel: I am quite with you = ik ga geheel met u mee, ben ’t geheel eens; A quite young girl = een heel jong meisje (Vergel. quite a young girl = precies een jong meisje); You are quite out = je hebt het heelemaal mis; Quite so = precies; Persons whom she considered not “quite” = niet van haar stand.

Quittance, kwit’ns, betaling.

Quiver, kwivə, subst. trilling; pijlkoker; Quiver verb. trillen, beven, sidderen, ritselen: In a quiver = sidderend; Quivered = van een pijlkoker voorzien, in een koker of scheede.

Quixote (Don), donkwiksət; Quixotic, kwiksotik, dwaas romantisch, buitensporig; Quixotism, Quixotry = Don Quichotterie.

Quiz, kwiz, grappenmaker, spotvogel, vreemde snaak, mikpunt (van spotternij), nieuwsgierig persoon, raadsel, monocle; Quiz verb. voor den gek houden, foppen, schertsen, begluren; Quizzer = snaak, schalk; Quizzical = grappig, snaaksch; Quizzing-glass = monocle.

Quod, kwod, verkort. van Quadrangle, nor, doos: I’ll have you in quod = ik zal je in de “doos” zien te krijgen.

Quodlibet, kwodlibet, spitsvondigheid, woordspeling, potpourri; Quodlibetarian, kwodlibetêriən, iemand die over alles graag disputeert.

Quoif, kôif, kapsel, hoofdtooi, kap.

Quoin, kôin, uitspringende hoek (archit.); hoeksteen, keg.

Quoint, k(w)ôint.

Quoit, kôit, kwôit, platte ring: Quoits = spel daarmede: Deck quoits = ringwerpen op dek.

Quondam, kwond’m, vroeger, voormalig.

Quorum, kwôr’m, voldoend aantal leden om een besluit te nemen.

Quota, kwoutə, evenredig (aan)deel, contingent.

Quotable, kwoutəb’l, wat aangehaald kan worden; Quotation, kwəteiš’n, aanhaling, citaat, (genoteerde) prijs: Wheat was not in the market at any quotation = er was geen tarwe te krijgen; Quotation of prices = prijsnoteering; Quotation-marks = aanhalingsteekens; Quote, kwout, aanhalen, citeeren, noteeren (van prijzen); Quoter.

Quoth, kwouth, zeide of zegt (ik, hij of zij); Quotha, kwouthə, zoo!

Quotidian, kwətidj’n, subst. en adj. (wat) dagelijks(ch) (voorkomt).

Quotient, kwouš’nt, uitkomst (eener deeling).

Quotum, kwout’m, quotum, evenredig aandeel.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings