← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

W. (continued 2)

Reading edition

Windsor, winzə, stad: Windsor-chair = met hoogen rug; Windsor-soap = soort toiletzeep.

Wine, wain, wijn, dronkenschap, wijnfuif: Still wine = niet parelende wijn; Sparkling wines = parelende wijnen; Wine and water = grog van wijn; Spirit of wine = wijngeest, alcohol; It is a pity to dilute this wine = te verdunnen; He never mixes his wines = drinkt nooit door elkaar; Good wine needs no bush = behoeft geen krans; When wine is in, wit is out = als de wijn is in den man, is de wijsheid in de kan; When the wine is drawn it must be drunk = men moet het ijzer smeden als het heet is; Wine-bag = wijnzak; Wine-bibber = pimpelaar; Wine-bin = wijnkist; Wine-biscuit = wijnbeschuitje; Wine-bottle; Wine-cask = wijnvat; Wine-cellar = wijnkelder; Wine-cooler = koelvat (voor wijnen); Wine-decanter = karaf; Wine-glass = wijnglas; Wine-grower = wijnbouwer; Wine-growing; Wine-lees = wijnmoer; Wine-merchant = wijnkooper; Wine-press = wijnpers; Wine-shop = wijnhuis; Wine-skin = wijnzak; Wine-stone = wijnsteen; Wine-vault = groote wijnkelder; Wine-vaults = proeflokaal; Wine-vinegar = wijnazijn.

Winfred, winfred, Winfried.

Wing, wiŋ, subst. vleugel, wiek, vlerk, vlucht, coulisse, épaulet, molenwiek; Wing verb. van vleugels voorzien, bevleugelen, vliegen, doorvliegen, onschadelijk maken (in den vleugel, arm of been treffen): Swallows on the wing = vliegende zwaluwen; We are on the wing = aan den arbeid; The general was on the left wing = aan den linker vleugel; She went there under the wing(s) of her mother = onder moeders vleugels; We went there upon the wings of the wind = op de vleugelen des winds; The bird beat its wings against its prison = sloeg met; To clip a person’s wings = iemand kortwieken; His soul has taken wing = is (het lichaam) ontvloden; They took wing = gingen aan den haal; The angel winged his flight (way) to the earth = richtte zijne vlucht naar de aarde; I doubt if I can wing the ruffian = onschadelijk kan maken; Wing-case = vleugelschild; Wing-shell = vleugelhoren; Wing-shot = schot op een vliegenden vogel; Wing-stroke = vleugelslag; Winged = ge- of bevleugeld, vlug: Winged words = gevleugelde woorden; Wingless = zonder vleugels, met rudimentaire vleugels; Winglet = vleugeltje.

Wink, wiŋk, subst. knipoogje, wenk, oogenblikje, blink; Wink verb. knipoogen, wenken: I did not get a wink of sleep last night, I never slept a wink = heb geen oog dichtgedaan; To give (tip) a wink to a person = To tip a person the wink = een wenk geven; I will just take forty winks = ga even dutten; He winked at my shortcomings = zag door de vingers; Wink-a-peep = guichelheil; Winker = wimper, oog, oogklep; It was done like winkey, like winking = zeer snel en flink.

Winkle, wiŋk’l, alikruik.

Winkle-hawk, wiŋk’lhôk, winkelhaak, scheur (Amer.).

Winnipeg, winəpeg; Winipiseogee, winipisôkî.

Winnow, winou, wannen, ziften, schiften; Winnower; Winnowing: Winnow-basket (-machine, -sieve).

Winslow, winzlou.

Winter, wintə, subst. winter; ook adj.; Winter verb. overwinteren, de winterkwartieren betrekken, gedurende den winter bewaren (vertoeven), overhouden (van planten, etc.): It happened at (the) death of winter, in the depth of winter = in het hartje van den winter; Winter apple = winterappel; Winter barley = wintergerst; Winter citron = soort v. winterpeer; Winter cough = chronische bronchitis; Winter crop = winteroogst, wintervrucht; Winter moth = wintervlinder; Winter pear = winterpeer; Winter quarters = winterkwartieren; They went into winter quarters = betrokken de winterkwartieren; Winter solstice = winterzonnestilstand; Winter suit = winterpak; Winter-garden = wintertuin; Wintergreen = wintergroen; Winter-ground = eene plant tegen de koude met stroo bedekken; Winter-kill = door strenge koude dooden (Amer.); Winter-service = winterdienst; Winter-time = wintertijd; Winter-weather = winterweer; Winterly = wintersch, winterachtig, koud, somber = Wint(e)ry.

Winy, waini, naar wijn smakend; dronken.

Wipe, waip, subst. veeg, het vegen, slag; lik (fig.); Wipe verb. vegen, afvegen, afwisschen, uitwisschen, ranselen: To give a thing a wipe = afvegen; He gave me a wipe = gaf me een lik; I wiped his eye = stak hem de loef af; To wipe one’s feet (shoes) = voeten vegen; The past cannot be wiped away as we wipe writing from a slate; Everything was wiped off = afgeveegd, weggevaagd; To wipe off a score = een rekening vereffenen; To wipe out = het levenslicht uitblazen; He was wiped (out) of his watch = zijn horloge werd hem ontfutseld; Wipe it out = veeg of wisch het uit; I have wiped up the floor with him = ik heb hem tegen den grond gesmakt; Wiper = veger, stoffer, wisscher; Wiping-cloth (Wiping-clout) = doek.

Wire, waiə, subst. draad, ijzerdraad, telegraafdraad, telegram; Wire verb. met een metalen draad vastmaken, aan een draad rijgen, in een strik (van metaal) vangen, telegrapheeren, met ijzerdraad omringen: He replied by wire = per draad, telegrafisch; To manipulate (pull, work) the wires = de draden in handen hebben, in ’t geheim besturen; To send a wire = telegram; That boy seems to be all on wires = kan niet stil zitten, heeft kwik in zijn lijf; He has wired away (in) = is met kracht aan den arbeid gegaan; Wire back, please = antwoord per draad verzocht; Wire-blind = horretje; Wire-bridge = hangbrug; Wire-brush; Wiredraw = trekken of rekken van metaaldraden, uitspinnen, muggenziften; Wiredrawer = draadtrekker; Wiredrawing (fig.) = zaniken; Wire-edge = draad (van een pas geslepen mes, schaats, etc.); Wire-entanglement = draadversperring; Wire-grate = chassinet; Wire-gauze = fijn metaalgaas; Wire-puller = die de draden in handen heeft, (politieke) intrigant; Wire-pulling = geheime invloed, intrige(s); Wire-stitching = het hechten van de bladen met ijzerdraad; Wireless telegraphy (Wireless station); Wiriness, subst. v. Wiry = van of sterk als ijzerdraad, borstelig, mager en gespierd, taai, scherp: His wiry chin = zijn scherpe, puntige kin; I am rather wiry, and can stand a good deal of fatigue = ik ben nogal taai.

Wisconsin, wiskonsin.

Wisdom, wizd’m, wijsheid, wetenschap; Wisdom-tooth = verstandskies: Has he cut his wisdom-tooth yet? = heeft hij zijn verstandskies al.

Wise, waiz, wijs, verstandig, vroom (Bijb.), ernstig, ervaren, bekwaam: The three Wise men of the East = de Wijzen uit het Oosten; Wise woman = waarzegster; vroedvrouw; It is easy to be wise after the event = wie wist, die won; Why, man, take it, who is the wiser? = wie weet er wat van, wordt er wat van gewaar; A word to the wise is enough = een goed verstaander heeft maar een half woord noodig, Wiseacre, waizeikə, waanwijze, wijsneus; Wise-hearted = wijs, bekwaam; Wiseness = Wisdom.

Wise, waiz, wijze: In any wise = op de een of andere manier; In no wise = op geenerlei manier, geenszins; On this wise = op deze manier.

Wish, wiš, subst. wensch, verlangen, begeerte; Wish verb. wenschen, verlangen, hopen: To give a person his wish = iemands wensch vervullen; To have one’s wish = zijn wensch vervuld krijgen; I wish he may do it = ik wou dat .…; I wish you joy (of it) = ik feliciteer u (er mee); I wish you well = ik mag u graag, ben u goed gezind; To wish a person at the devil (Jericho); I wished for your return = verlangde naar; I wished him over the moon = wou dat hij op de Mookerhei zat; Wish(ing)-bone = borstbeen van een vogel: To divide a wish(ing)-bone, (gezegd van een jongen en een meisje, die ieder aan een eind trekken; die het langste stuk in de hand houdt, zal het eerst trouwen of een wensch vervuld zien); Wishing-cap (-rod) = tooverhoedje (roede); Wisher; Wishful = wenschend, verlangend, smachtend: To be wishful of; subst. Wishfulness.

Wishart, wišət.

Wish-wash, wišwoš, slap, waterig; ook subst.; Wishy-washy = slap, onbeduidend, sentimenteel.

Wisp, wisp, wisch, bosje of bundeltje, vegertje, dwaallicht; Wisp verb. afvegen: A wisp of a girl = een nietig, schraal meisje, klein ding; Wisp of hair; adj. Wispy.

Wist, wist, oud imperf. van to wit.

Wistful, wistful, peinzend, ernstig, droefgeestig, vol droef verlangen; subst. Wistfulness.

Wistiti, wistiti, soort v. Z. Am. aap.

Wistonwish, wist’nwiš, prairiehond.

Wit, subst. kennis, verstand, vernuft, rede, scherpzinnigheid, grappigheid of geest(igheid), geestig man, humorist; ook verb. in: To wit = namelijk, te weten: Mother wit = natuurlijk gezond verstand; Ready wit = gevatheid; He is at his wit’s end, at his wits’ end = ten einde raad; Are you in your wits? = hebt gij “de vijf” bij elkander; He is out of his wits = is de kluts kwijt, gek; He has all his wits about him = al zijne zinnen goed bij elkaar; To come to one’s wits again = weer tot bezinning komen; To drive a person out of his wits = dol maken; You have frightened them out of their wits = ze vreeselijk doen schrikken; To live by one’s wits only = op de een of andere manier zonder werken door de wereld komen; That will set your wits to work = u alle overleg doen gebruiken; Use your wits = gebruik uw verstand; Witless = dom, onverstandig, dwaas; subst. Witlessness; Witted: Dull-wited, Quick-witted = suf, scherpzinnig; Wittingly = voorbedachtelijk.

Witch, witš, subst. heks; Witch verb. beheksen, betooveren: He is no witch = geen heksenmeester; Witchcraft = Witchery; Witch-elm = bergiep; Witch-hazel = hamamelis; Witch-meal = groote wolfsklauw; Witchery = betoovering, bekorting.

Witenagemot(e), witənagəmout, nationale vergadering (bij de Angel-Saksers).

With, widh, met, mede, door, bij, van, etc.: Blind with fear; Frantic with despair = gek van wanhoop; Stiff with cold; Thirsty with walking; I have no power with him = invloed op hem; One year with another = het eene jaar door het andere; I am with you there = met u eens; Withal, widhôl, daarbij, bovendien, verder.

Withdraw, widhdrô, terugtrekken, weggaan, onttrekken, terugnemen, inhouden (bij verkoop): He withdrew his support = onthield ons zijn steun; He withdrew from business = trad uit; Withdrawal = terugroeping, terugtrekking, terugneming, opvraging van inleg; Withdrawer; Withdrawing: Withdrawing-room = Drawing-room; Withdrawment = Withdrawal; Withdrawn, p.p. van Withdraw.

Withe, w(a)idh, with, subst. wilgentwijgje, rijsje. Zie Withy.

Wither, widhə, verwelken, verdorren, vernietigen: One of those mornings when it is hot and cold, wet and dry, bright and lowering, sad and cheerful, withering and genial, in the compass of an hour = akelig (guur) en lekker; Withered = verdord, uitgedroogd; Withering = vernietigend (fig.).

Wither, widhə: Wither-lock = boschje haar, waaraan de ruiter bij het opstijgen zich vast grijpt; Wither-wrung = aan de schoft bezeerd of geschaafd; Withers = schoft van een paard: The wither are wrung = de schoft is stuk geschuurd; mijn geduld is ten einde; To press on the wrung wither = de gevoelige snaar aanroeren; My wither are unwrung = ik ben van alle werk ontslagen, vrij.

Withheld, widhheld, imp. en p.p. van Withhold, widhhould, weerhouden, onthouden, onttrekken: The permission was withheld from him = werd hem geweigerd; Withholder; Withholdment = onthouding, etc.

Within, widhin, adv. en prep, binnen, in, van binnen, inwendig, niet te buiten gaande: His room is within mine = men komt in zijne kamer door de mijne; Within call = te beroepen; Within doors = binnenshuis; Within my memory = voor zoolang ik mij kan herinneren; Within a mile of = nog geen mijl; It is not within my power = in mijne macht; Within my price = in mijn prijs; Within a month’s time = binnen eene maand; The deer was within range = onder schot; Within sight; He was within a little of being killed = het scheelde maar weinig of; Who’s within = wie is daar? To live within one’s income = niet meer uitgeven dan men te verteren heeft; To think within oneself = by zich zelf.

Without, widhaut, adv. en prep. zonder, buiten, van buiten, uitwendig, vrij, beroofd van, onafhankelijk van: Without day = zonder een dag te bepalen voor samenkomst of behandeling; geheel van de baan; Without doors = buitenshuis; Without funds in hand = zonder dekking; Without one’s reach = buiten bereik; The station is without the town = buiten de stad; I can get ready without you = zonder u; I can do without it = ik kan het missen, heb het niet noodig.

Withsay, widhsei, tegenspreken, ontkennen.

Withstand, widhstand, weerstaan, zich verzetten; Withstander = tegenstander, die zich verzet; Withstood, widstud, imp. en p.p. van to withstand.

Withwind, widhwaind, akkerwinde, haagwinde.

Withy, withi, w(a)idhi, uit wilgentwijgen, taai, buigzaam.

Witness, witnəs, subst. getuigenis, getuige, ooggetuige (= Ocular witness); Witness verb. getuige zijn van, als getuige teekenen, ondervinden, beleven: In witness whereof = ten bewijze waarvan; Witness for the crown, for the prosecution = getuige à charge; Witness for the defence, defendant (prisoner) = getuige à décharge; To bear witness to = getuigenis afleggen, betuigen; To call to witness = tot getuige roepen; When we turn to the art of education, the English educationist does not leave himself without witness = laat zich niet onbetuigd; I took him to witness = nam hem tot getuige; You have been romping, witness your hot face = getuige je vuurroode gezicht; The most violent storm I ever witnessed = dien ik ooit beleefd heb; Did you ever witness such a thing? = ooit zóó wat gezien; The signatures were witnessed = door getuigen gestaafd; Witness-box = getuigenbank.

Witticism, witisizm, geestige zet; Wittiness, subst. v. Witty = geestig, scherp, snedig.

Witwal, witwôl, groene specht.

Wive, waiv, trouwen, tot vrouw nemen: Hanging and wiving goes by destiny = hangen en trouwen is eene loterij; This Hottentot chief is the most wived man (scherts.) = heeft de meeste vrouwen.

Wiveliscombe, wilsk’m.

Wivern, waivən; Zie Wyvern.

Wizard, wizəd, subst. waarzegger, toovenaar.

Wizen, wiz’n, adj. dor, droog, verschrompeld; Wizen verb. verwelken, verschrompelen; Wizen-faced = met verschrompeld gelaat.

Woad, woud, weede (plant); Woaded = met weede, blauw gekleurd.

Wobble, wob’l, waggelen(d loopen); op en neer gaan (van effecten): “Quawk”, said the pig, and wobbled off; These pictures are wobbly = onzeker in prijs. Zie Wabble.

Woburn, wubən, woubən.

Woe, wou, subst. smart, verdriet, wee: Woe is me = wee mij; Woe worth the chase = wee zij de jacht; Woe worth the day = wee den dag; Woebegone = naargeestig, in smart gedompeld; Woeful = treurig, ellendig, naargeestig, droevig; subst. Woefulness; Woe-worn = door smart verteerd; Woful = Woeful.

Wolcot(t), wulkət.

Wold, would, woud, bosch, heuvelland.

Wolf, wulf, subst. wolf, harde wanklank, lupus; Wolf verb. op de wolvenjacht gaan, gulzig verslinden: A wolf in sheep’s clothing = een wolf in een schapevacht; He always cries wolf = maakt altijd valsch alarm; I have a wolf by the ears = ik heb mijn man gevonden; To have a wolf in the stomach = een razenden honger hebben; We could hardly keep the wolf from our door = nauwelijks den mond open houden; Wolf-dog = wolfshond; Wolf-fish = zeewolf; Wolf-net = wonderkuil (soort v. net); Wolf’s bane = gele monnikskap; Wolf’s-claw, Wolf’s foot = wolfsklauw; Wolf’s-peach = tomaat; Wolfish = wolfachtig, wreed, vraatzuchtig; Wolfkin, Wolfling = jonge wolf.

Wolfe, wulf; Wolfram, wulfram, Wolfram; wolframium; Wollaston, woləst’n; Wolstonecraft, wulst’nkrâft; Wolseley, wulzli; Wolsey, wulzi; Wolton, wult’n; Wolverhampton, wulvəramt’n.

Wolverine, wulvərin, veelvraat.

Wolves, wulvz, mv. v. Wolf.

Woman, wum’n, vrouw, vrouwelijke bediende: Woman of the town = prostituée; Woman of the world = vrouw van de wereld; My good woman = vrouwtje; Kept women = maîtressen; Lady’s woman = kamenier; The New Woman = de (ultra) moderne vrouw; The Scarlet Woman = de moeder van alle ontucht en onheiligheid (Openb. XXII, 4); That frivolous Winsley woman = dat wijf (die meid) van die W.’s; He played (acted) the woman = speelde de rol der zwakke vrouw; There is a woman in the wind = daar zit eene vrouw achter; Woman-born = uit eene vrouw geboren; Woman-built = door vrouwen gebouwd; Woman-doctor = doctores; Woman-hater = vrouwenhater; Woman-saint; Woman-servant; Womanhood = vrouwelijke staat, vrouwelijkheid; Womanish = vrouwelijk, vrouwen …; (Woman tears), verwijfd; subst. Womanishness; Womankind = het vrouwelijk geslacht, de vrouwen, het vrouwvolk; Womanlike = vrouwelijk, zacht; Womanliness, subst. v. Womanly = Womanlike; Women, wim’n, vrouwen; Women-folk = vrouwvolk; Women’s rights = rechten der vrouw; Women’s (Woman’s, Woman-) suffrage = vrouwen-stemrecht; Womenkind = Womankind.

Womb, wûm, subst. baarmoeder, schoot: Falling and displacement of the womb = uitzakken; Womb-fury (med.); Womb-passage = (hals der) scheede.

Won, wɐn, imp. en p.p. van to win.

Wonder, wɐndə, subst. wonder, verbazing, bewondering; Wonder verb. verbaasd staan, zich verwonderen, nieuwsgierig zijn, benieuwd zijn: Wonders will never cease = de wonderen zijn de wereld nog niet uit; To do (perform, work) wonders = wonderen doen; To look all wonder = groote oogen opzetten; It caused considerable scandal, and remained a nine days’ wonder = en bleef een korten tijd de aandacht trekken; No article in a review is a nine days’ wonder = baart ooit lang opzien; In the name of wonder = om ’s hemels wil; It is no wonder he refused = het is heel natuurlijk; He is here, for a wonder = zoowaar (vreemd genoeg); The seven wonders of the world = de zeven wonderen der wereld; I wonder where he can have been = ik ben benieuwd; I wonder how much he left me = ik ben toch nieuwsgierig, ben benieuwd; Wonderland = land der wonderen; Wonder-stricken = Wonder-struck = verbaasd, door verwondering getroffen; Wonder-working = wonderdadig; Wonderer = wie zich verbaast, etc.; Wonderful = verwonderlijk, vreemd, verbazend; subst. Wonderfulness; Wonderment = verwondering, verbazing; Wondrous = verwonderlijk, vreemd.

Won’t, wount, samentr. v. Will not: It won’t do = dat gaat niet.

Wont, wount, wɐnt, gewend; subst. gewoonte, gebruik; Wont verb. gewend zijn, plegen; zich gewennen (Wont oneself): Wonted = gewoon, gewend; Wontless = ongewoon, niet gewend.

Woo, wû, vrijen naar, dingen naar, het hof maken, trachten te winnen: They woo the battle = zoeken den strijd; Wooer; Wooing: To go a-wooing = uit vrijen gaan.

Wood, wud, subst. woud, bosch, hout, vat, houtinstrument; Wood verb. met bosch bedekken, in bosch veranderen, hout innemen: It was drawn from the wood = van het vat getapt; In a wood = verward, verlegen; The ale is in the wood = in het vat: The Palace in The Wood = Het Huis ten Bosch; I shall soon be out of the wood = buiten gevaar of de moeilijkheid te boven zijn; She is out of the wood again = is weer bij (kennis); Have you taken in your stock of wood yet? = al hout opgedaan; He doesn’t see the wood for trees = hij ziet wegens de boomen het bosch niet; Wood-ant = boschmier; Wood-ashes = houtasch; Wood-band = houtorkest, de blaasinstrumenten, “het hout”; Woodbine = wilde kamperfoelie; Wood-bird = boschvogel; Wood-bound = ingesloten door hooge en zware heggen; Wood-carver = houtsnijder; Wood-carving = houtsnijwerk; Woodchuck = soort v. marmot; Wood coal = bruinkool; Woodcock = houtsnip; sukkel; Woodcraft = bedrevenheid in boschcultuur of jacht; jachtvermaak; Woodcut = houtsnee(plaat); Wood-cutter = houthakker, maker van houtsneden; Wood-drink = afkooksel van medicinale planten; Wood-engraver = houtgraveur; Wood-engraving = houtgraveerkunst, houtgravure; Wood-fretter = houtworm; Wood-gear = raderwerk van hout; Wood-grouse = auerhaan; Wood-hole = Wood-house = houtloods; Wood-knife = hertsvanger; Woodland, subst. boschland, adj. bosch.., woud.., boschachtig; Woodlark = boomleeuwerik; Wood-lot = stuk land waarop brandhout wordt verbouwd (Amer.); Wood-louse = houtluis; Woodman = boschwachter, boschbewoner, houthakker; Wood-mite = houtworm; Wood-mouse = boschmuis; Wood-nymph = boschnimf; Wood-paper = papier uit hout vervaardigd; Wood-pavement = houten bestrating; Woodpecker = specht; Wood-pigeon = houtduif; Wood-pile = houtmijt; Woodreeve = houtvester; Wood-rick = Wood-pile; Wood-rock = bergvlas, soort v. asbest; Wood-ruff = Lieve Vrouwe Bedstroo; Wood-sare = koekoekspog; Wood-screw = houtschroef; Woodshed = houtloods; Wood-skin = boot of kano van boombast (Guyana); Wood-soot = houtroet (bemesting); Wood-sorrel = boschklaverzuring; Wood-spite = groene specht; Wood-tar = houtteer; Wood-vetch = soort lathyrus; Wood-wale = Woodpecker; Wood-wax(en) = verfbrem; Woodwork = houtwerk; Wood-worm = Wood-mite; Wooded = bedekt met bosch; Wooden = van hout, houterig, dom, suf: What are you so wooden about? = hoe ben je zoo suf; Wooden horse = paard (gymn.); ook strafmiddel (To ride the wooden horse); Wooden shoes = klompen, armoede, oude spotnaam voor de Fransche natie; Woodenness = houterigheid, stijfheid: That particular woodenness which has in all ages been characteristic of mere philologists; Woodiness, subst. v. Woody = houtachtig, boschrijk: Woody fibre (tissue) = houtvezels (weefsel).

Woof, wûf, inslag, weefsel.

Wool, wul, wol, bont: Great (Much) cry and little wool = veel geschreeuw en weinig wol = More squeak than wool; To draw (pull) the wool over a person’s eyes = iemand zand in de oogen strooien; Wool-ball = wolbal (in magen van dieren); Wool-bearing = woldragend; Wool-comber, wolkammer; Wool-combing = het wolkammen; Wool-cotton = boomwol; Wool-dyed = in de wol geverfd; Wool-gathering, subst. het vergaren van pluisjes wol; verstrooidheid; adj. verstrooid: His wits are a-wool-gathering = zijn verstand is op den loop, hij suft; Wool-grower = schapenfokker; Wool-man = wolkooper; Wool-market; Wool-merchant; Wool-mill = wolspinnerij; Woolpack = baal wol (± 108,826 K.G.); Woolsack = zitplaats van den Lord Chancellor in het House of Lords; Woolsorter = wolsorteerder = Wool-stapler, dit laatste ook wolhandelaar; Wool-staple = wolmarkt; lengte der wolharen; Wool-trade = wolhandel; Woollen = van wol, grof, lomp, boersch: Woollens = wollen stoffen, wollen goederen = Woollen articles of Woollen goods; Wool trade = wolhandel; Wool-draper = lakenkooper, handelaar in wollen goederen; Wool-printer = woldrukker; Wool-scribbler = machine om wol te kaarden; Woolliness = wolligheid; Woolly = wollig, wolachtig, gedempt, dof, onduidelijk, prikkelbaar, knorrig; Woolly-haired; Woolly-head = neger; Woolly-minded men = suffers.

Woolwich, wulidž.

Woom, wûm, beverbont.

Wootz, wûts, fijn Indisch gietstaal.

Worcester, wustə.

Word, wɐ̂d, subst. woord, uitdrukking, mededeeling, bericht, bevel, wachtwoord, parool, motto; Word verb. onder woorden brengen: The Word = de H. Schrift; Money is the word = geld is de boodschap; He is as good as his word = houdt zijn woord = He has not been worse than his word; There were angry words between us = we hadden hooge woorden; At a word = met één woord; By good word = met goedheid; He communicated it to me by word of mouth = mondeling; I repeated it to him word for word = woord voor woord; In a (one) word = in één woord, kort en goed; There you have it in a word = met dat ééne woord is alles gezegd; He is a hero in word(s) = een held met den mond; To a word = woordelijk; Upon my word = op mijn woord; To come to words = woorden krijgen; He tried to get away from his word = van zijne belofte af te komen; I could not get in a word edgeways = er geen woord tusschen krijgen; To stick to one’s word = zijn woord houden; I take you at your word = houd je aan; To take up the word again = weer opvatten; To understand at half a word = met een half woord verstaan; To bring word = bericht brengen; You shall eat your words = terugnemen; He gave me many kind words = sprak zeer vriendelijk; I must have a word with you = u even spreken; To have a few words = woorden (ruzie) hebben; To have the final word = het laatste woord hebben; I have your word = uw woord, verzekering; I won’t have any words about it = ik wil er niet van hooren; She hasn’t a good word to say of (for) anybody = zij heeft op iedereen wat te zeggen; To keep one’s word = houden; To leave word with the servant = boodschap achterlaten; I should like a word with you = je gaarne even spreken; To put in a good word for = een goed woordje doen voor = To say a good word for; He has not said his last word = zijn laatste woord nog niet gezegd (fig.); I’ll send you word = ik zal u eene boodschap zenden; To speak a good word for, Zie Put in; You may take my word for it = gij kunt erop aan; To take the word = het woord nemen; To write word = bericht zenden; Word-book = woordenlijst; Word-building = woordvorming; Word-catcher = woordenzifter, woordenvitter; Word-catching; Word-painter = woordkunstenaar; Word-painting = woordkunst; Word-picture = beeld of beschrijving; Word-spin = met woorden schermen: Journalists can Word-spin on occasion = verstaan de kunst om met veel woorden niets te zeggen; Word-spinner = redekunstenaar; Word-square = reeks v. woorden (in een vierkant) die hetzelfde woord opleveren hetzij naar beneden of van rechts naar links gelezen; Cautiously worded = voorzichtig gesteld; A well-worded letter = een goed gestelde brief; Wording = redactie, bewoordingen; Wordiness, subst. v. Wordy; Wordless = sprakeloos, niet uitgesproken; Wordy = woordenrijk, langdradig: Wordy warfare = woordentwist.

Wordsworth, wɐ̂dzwəth.

Wore, wö, imperf. van to wear.

Work, wɐ̂k, subst. werk, arbeid, bezigheid, bewerking, behandeling, etc.; Works = industrieele inrichting, fabriek, (uur)werk; goede werken, zedelijke plichten (tegenover “genade”), muren, loopgraven, versterkingen, vestingwerken; Work verb. werken, arbeiden, zich inspannen, gisten, stampen (v. een schip), werken op, zich laten bewerken, laten werken, afbeulen, sturen, leiden, oplossen, bedienen, afvisschen, dresseeren, etc.: That is a good day’s work = eene flinke dagtaak; It’s hard and slow work = moeilijk en langzaam vorderend werk; Bicycling is warm work = warm werk; At work! = aan het werk! They were at work on the map = aan het werk; A maid of all work = meid alléén; To be out of work = zonder werk, stilstaand; You’ll have all your work cut out for you = er de handen vol aan hebben; To find a person work = werk verschaffen; I must try to get through all this work to-day = al dit werk zien af te krijgen; You are going the right (wrong) way to work = legt het goed (verkeerd) aan; To go (fall) to work with a will = met ijver aan het werk gaan; To go out to work = uit werken gaan; To make sad work of = verknoeien; To make short work of = korte metten maken met; To set to work = aan het werk gaan, aan het werk zetten; Take up the work you dropped last week = vat het werk weer op; To be thrown out of work = buiten werk (geraakt) zijn; Gas-works = gasfabriek; An iron-works = ijzergieterij; The Board of Works = een lichaam, dat de secular functions van de Vestries in de meeste parishes heeft overgenomen (Zie Vestry); To work guns = bedienen; He worked his men fewer hours = liet werken; To work a mill = aan den gang brengen, drijven; To work arithmetical problems = oplossen; To work a railway = exploiteeren; If I could work my will = mijn zin kon doorzetten (Vergel. To work with a will = flink aanpakken); Worked in iron, gold, etc. = van ijzer, goud bewerkt; He is a hard worked man = hij moet hard werken; Stocks are working down = de effecten gaan naar beneden; The ship is working to windward = kruist naar loevert op; I have been working at my grammar = heb gewerkt; He worked himself into the king’s favour = drong zich in; I had a headache but I have worked it off = maar ze is met werken overgegaan; That did not work on him = had geen invloed; It has worked out something good = heeft uitgewerkt; I left these things to work out their own problems = om vanzelf tot oplossing te komen; To work out one’s dinner, passage = zijn middagmaal, overtocht verdienen met daarvoor te werken; We have steadily worked through all the exhibits = hebben alle uitstallingen geregeld nagegaan; He worked up his rage = hij werd al woedender; It was worked up into something quite different = er kwam geheel iets anders van; He worked himself up into a passion = maakte zich driftig; Workaday = Work-a-day = daagsch, alledaagsch; Work-bag = werktaschje; Work-basket = mandje; Work-box = werkdoos, naaikistje; Work-day = werkdag; Work-folk(s) = werklui; Work-girl = fabriekarbeidster; Workhouse = werkhuis (waarin de armen worden opgenomen, en de voor werk geschikten tot arbeid gedwongen worden); soort tuchtschool of werkinrichting; Workman = arbeider, werkman; Workmanlike = knap, handig, vaardig; Workmanship = wijze van uitvoering, bewerking, arbeid, bekwaamheid, handigheid: This is a box of excellent workmanship = een fraai bewerkte; Work-people; Work-room = werkkamer (voor vrouwen) in huis of fabriek; Work-season = campagne; Workshop = werkplaats; Work-shy = afkeerig van werken; subst. leeglooper; Work-table = werktafel(tje); Workwoman = werkvrouw, werkster; Workable = wat bewerkt, in beweging of gang gebracht, geëxploiteerd kan worden, uitvoerbaar, praktisch: That is not a workable theory, proposal = practisch; Worker = werker, werkman, arbeider; werkbij (-mier): He was my fellow worker for a time = wij hebben een tijdlang samengewerkt; Working, subst. werk, gisting, beweging, gang, bedrijf, exploitatie; adj. werkend, arbeidzaam, werkzaam, bruikbaar: Working-account = exploitatierekening; Working-beam = drijfstang; Working-class(es) = arbeidende klasse; Working-day, subst. werkdag; adj. als v. een werkdag, zwoegend, gewoon; Working-drawing = plan of teekening, constructieteekening; Working-expenses = exploitatiekosten; Working-man = werkman, arbeider; Working-party = troep soldaten voor eene korvee bestemd; Working-point = deel der machine waarop het vereischte effect wordt teweeggebracht; Workless = zonder werk, werk(e)loos: The Workless, the Thriftless and the Worthless, a book by Francis Peek.

World, wɐ̂ld, wereld (ook fig.), aardsch bestaan, levensloop, de menschen, het publiek, maatschappij, menigte: A world of pains = ontzettend veel moeite; World without end = eeuwig; The next (other, future) world = The world to be (world to come) = het hiernamaals; The fashionable (great) world = de groote wereld; It’s him, for all the world = hij is het waarachtig; I wouldn’t part with you for (all) the world = voor niets ter wereld; What in the world do you mean by it? = wat ter wereld; History (Knowledge) of the world; He is a man of the world = een man van de wereld; He is of the world worldly = een echte wereldling, wereldschgezinde; We have travelled all over the world, all the world over = de geheele wereld door- of rondgereisd; All the world say so = alle menschen; All the world and his wife go(es) there = Jan en alleman; She was beginning the world = trad de wereld in; I wish I could begin the world over again = dat ik nog eens weer van voren af aan kon beginnen: I would have given worlds = alles; He has renounced the world = heeft van de wereld afstand gedaan; He thinks (all) the world of his nephew = heeft een hoog idée van; As the world goes = zooals het gaat in de wereld; That is how the world wags (Such is the world, This is the way of the world) = is ’s werelds beloop; World-English = phonetisch internationaal spelstelsel v. Melville Bell; World-famous; World-pain = wereldsmart (“Weltschmerz”); World-wearied = de wereld moede, levensmoede; World-wide = oneindig, zeer groot; World-wise = ervaren; Worldliness = wereldsch-gezindheid; Worldling = wereldling; Worldly = wereldsch, menschelijk, aardsch, verachtelijk; World-minded = wereldsgezind; subst. World-mindedness; World-wise = wijs naar de wereld (gew. in afkeurenden zin).

Worm, wɐ̂m, subst. worm, made, larve, stumper, klabak, gewetenswroeging, schroefdraad, krasser op den laadstok, koelslang; Worm verb. kruipende vooruitkomen, in het geheim en langzaam werken, op slinksche wijze bewerkstelligen, de lading uit geweer of kanon halen, touw spiraalsgewijs omwikkelen, van wormen zuiveren: Even the trodden worm will turn = zelfs het wormpje laat zich niet zoo maar trappen; He wormed himself into the king’s confidence = drong zich kruiperig in; He tried to worm that secret out of me = van mij los te krijgen; Worm-cake = wormkoekje; Worm-eaten = wormstekig; subst. Worm-eatenness; Worm-fever = wormkoorts; Worm-grass = muurpeper; Worm-hole = wormgaatje; Worm-powder = wormpoeder, wormkruid; Worm-seed = alsem, welriekende ganzevoet, boerenkers; Worm-shaped = wormvormig; Worm’s meat = voedsel voor wormen, lijk; Worm-wheel = schroefrad, snek; Wormy = vol wormen, wormstekig, aardsch, kruipend.

Wormwood, wɐ̂mwud, bittere alsem: It is (gall and) wormwood to him = hij wormt er over, het grieft hem.

Worn, wön, p.p. van to wear, versleten, uitgeput, verweerd, uitgeteerd.

Worrier, wɐriə: He is a worrier = een kwelgeest, onaangenaam mensch; It has caused me much worriment = me veel last en verdriet veroorzaakt; Worrit, wɐrit (= Worry): Don’t worry yourself = plaag jezelf toch niet, zit toch niet (zoo) te kniezen.

Worry, wɐri, subst. kwelling, angst, zorg, drukte, “soesa”; Worry verb. kwellen, tobben, plagen, afworgen (zooals de honden doen), rukken, uitputten: You have no worries = niets dat u hindert; Don’t be uneasy, my dear old worry = lieve tobber (bezorgde moeder); The dog worried the old gentleman’s gaiters = rukte en scheurde aan de slobkousen van den ouden heer; To be worried at = zich ergeren over, verdrietig zijn over; The chief had been worrying for her for two hours = naar haar gevraagd, overal gezocht.

Worse, wɐ̂s, erger, slechter; ook subst.: From bad to worse = van kwaad tot erger; Worse luck = ongelukkigerwijze; To be worse = erger, zieker zijn; To be ¼ worse = ¼ procent lager staan; I am no worse = I am none the worse for it = dat heeft me niets gehinderd; To be the worse for = minder waard zijn, schade lijden, er slecht aan toe zijn; To be the worse for drink = aangeschoten zijn; The worse for wear = versleten; To change for the worse = minder worden; To get worse and worse = al erger worden; He is worse off than his brother = slechter af; And, to make things worse, one of the horses fell down dead = en tot overmaat van ramp; Worsen = verergeren, ontaarden; een voordeel behalen op; His betters or his worsers = zijne meerderen of zijne minderen (schertsend).

Worship, wɐ̂šip, subst. waardigheid, aanzien, eerbied, eerbewijzen, aanbidding, godsdienst, eeredienst, titel (vooral van magistraatspersonen); Worship verb. aanbidden, vol eerbied behandelen, vereeren, hoogachten, zich toewijden: Yes, your Worship = ja, edelachtbare; Worshipful = grootachtbaar (titel): Worshipful Master; subst. Worshipfulness; Worshipper = aanbidder: Worshipper of idols = afgodendienaar.

Worst, wɐ̂st, subst. en adj. slechtst(e), ergst(e), minst(e), snoodst(e); Worst verb. verslaan, overwinnen: At the worst = op zijn minst, in ’t ergste geval; In the event of the worst = If the worst comes to the worst = als het op het ergst loopt; The worst of the thing was = het ergste van de zaak was; Let him do his worst = het ergste doen wat hij kan; He had (got) the worst of it = hij verloor het, trok aan het kortste eind; Why should you suppose the worst? = het ergste onderstellen; They were worsted in the battle = zij werden in den strijd totaal verslagen.

Worsted, wustid, subst. en adj. (van) sajet: A ball of worsted = een kluwen sajet.

Wort, wɐ̂t, kruid (in samenstellingen).

Worth, wɐ̂th, worden of zijn (alléén) in: “Woe worth” met volgenden datief: Woe worth the chase, woe worth the day, That costs thy life, my gallant grey = wee de jacht en wee den dag.

Worth, wɐ̂th, subst. waarde, waardij, verdienste, uitstekendheid; adj. waard: To be worth = gelden, waard zijn; What’s that man worth? = hoeveel bezit die man; Take all I’m worth = neem alles wat ik bezit; It is hardly worth looking at = haast geen aankijken waard; It is as much as my place is worth to let him see it = het zou me mijn betrekking kunnen kosten, als hij het zag; He gave the last shilling he was worth = dien hij bezat; He liked to think that he was worth his salt = dat hij den kost waard was; You are not worth a two-penny rope = je bent het ophangen niet waard; He danced for all he was worth = zooveel en zoo goed hij kon; Worthiness, wɐ̂dhinəs, waardigheid, deugd, uitstekendheid; Worthless = waardeloos, verachtelijk; subst. Worthlessness; Worthy, wɐ̂dhi, subst. held, beroemdheid, persoon; adj. waardig, edel, verdienstelijk: The Nine Worthies = de negen helden der Oudheid (Hector, Alexander, Julius Caesar, Jozua, David, Judas Maccabaeus, Arthur, Karel de Groote, Godfried v. Bouillon); I am worthy to be scorned = verdien veracht te worden; This work is not worthy of your talents = is uwe talenten en gaven onwaardig; The labourer is worthy of his hire = zijn loon waard.

Would, wud, imperf. van will: Would to God = God gave; He would often go there = placht te gaan; Would you have me go there? = woudt ge, dat ik daarheen ging? What would you have me do? = wat woudt ge (dan) dat ik deed; I would have you know = ik moet je zeggen; Would-be, subst. bluffer; adj. zoogenaamd: A would-be friend = valsche, zoogenaamde vriend; A would-be sportsman = Zondagsjager.

Wound, wûnd, subst. wonde, smart; Wound verb. wonden, kwetsen: To give (inflict) a wound = eene wonde toebrengen; To wound to death; To wound to the quick = pijnlijk verwonden of grieven; Wound-fever; Wound-wort = andoorn.

Wound, waund, imp. en p.p. van to wind.

Wove, wouv, Woven, wouv’n, imperf. en p.p. van to weave: Wove(n) paper = velijnpapier.

Wow-wow, wauwau, woef (= hond in de kindertaal); langarmige apensoort (Sumatra).

Wrack, rak, zeewier; wrak; lichte, dunne wolk (Zie Rack): Let the world go to wrack = ten onder gaan.

Wrain-bolt, reinboult; Zie Wring-bolt.

Wraith, reith, geest(verschijning) van iemand vóór zijn dood of even na zijn dood, schim, spook: His friendship for me was henceforth a hollow wraith = niets dan eene schim, eene holle klank.

Wrangle, raŋg’l, subst. gekijf, ruzie; Wrangle verb. kijven, rumoerig twisten: The birds were wrangling for the seed = vochten om; Wrangler = twister, ruziemaker; aan de universiteit te Cambridge een van hen, die in het Honours examen voor B.A. in de wiskunde hooge punten hebben behaald; de beste heette Senior Wrangler (afgeschaft in 1909); Wranglership; Wrangling = twist, ruzie.

Wrap, rap, subst. omhulsel, overtrek, omslagdoek, sjaal, mantel, morgenjapon; Wrap verb. samenwikkelen, bedekken, inwikkelen, oprollen, hullen, opgaan in: The world was wrapped in silence, darkness = in stilte duisternis gehuld; I don’t understand why you are so wrapped up in your country = hoe gij zoo geheel in uw land opgaat, er zoo mee zijt ingenomen; Wrappage = omhulsel; Wrapper = emballage, sjaal, morgenjapon, doek, dekblad, kruisband: Sumatra wrappers = sigaren met S. dekblad; Wrapping-paper = pakpapier; Wrapt = P. Imp. en P.P. v. To wrap.

Wrasse, ras, lipvisch.

Wrath, rôth, râth, woede, gramschap; Wrathful = vol toorn en gramschap; subst. Wrathfulness; Wrathy = toornig, gramstorig.

Wreak, rîk, subst. wraak, woede; Wreak verb. wreken, koelen: To wreak one’s anger (rage) upon = zijn toorn (woede) koelen aan; I’ll wreak my vengeance on you = zal mijne wraak aan u koelen.

Wreath, rîth, krans, ring, winding, kring: Wreaths of smoke; Wreath(e), ridh, omkransen, bekransen, kronkelen, strengelen; Wreathy, rîthi, gewonden, etc.

Wreck, rek, subst. wrak, wrakhout, vergaan, verval, ondergang, vernietiging; Wreck verb. vernietigen, te gronde richten, stranden, schipbreuk (doen) lijden, te gronde gaan: Wrecks = overblijfselen, wrakhout: Receiver of wrecks = strandvonder; Everything went to wreck and ruin = ging te gronde; The ship was wrecked off Kijkduin = verging; To wreck a train = een spoorwegongeluk veroorzaken; The rebels wrecked the bakers’ shops = vernielden en plunderden; Wreck-commissioner = strandvonder (Amer.); Wreck-free = niet onderworpen aan het strandrecht, zooals b.v. de Cinque Ports; Wreck-master = strandvonder (Engl.); Wreckage, rekidž, schipbreuk, wrakhout, overblijfselen; Wrecker = stranddief, strandjutter, strandwacht, bergingsschip; Wrecking-car = spoorwagen met materiaal om na een spoorwegongeluk den weg vrij te maken (Amer.).

Wren, ren, tuinkoning: A wren in the hand is better than a crane to be caught = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht; Wrenning = jacht op wrens; de 26e Dec. heet in ’t Z. van Ierland wrenning-day, omdat oudtijds de wrens op dien dag gevangen, en in triomf van huis tot huis gedragen werden om geld voor een pretje op te halen; de deelnemers aan de jacht heetten wren-boys.

Wrench, renš, subst. ruk, verdraaiing, draaiing, verstuiking, schroefsleutel; Wrench verb. draaien, wringen, verdraaien, verrekken, verstuiken: It was a hard (shocking) wrench to part with her = het was een zeer hard gelag; Students have a fancy for wrenching off knockers = mogen graag kloppers (bellen) “moeren”; To wrench open = openbreken.

Wrest, rest, subst. draaiing, winding, list, verrekking; stemhamer; Wrest verb. verdraaien, verwringen, ontrukken.

Wrestle, res’l, subst. worsteling, worstelwedstrijd; Wrestle verb. worstelen, strijden; Wrestler = worstelaar, athleet; Wrestling-place = worstelplaats.

Wretch, retš, ellendeling, schelm: ongelukkige: Poor wretch = arme stakker: That young Wretch of a girl = dat nest; Wretched, retšid, ellendig, ongelukkig, betreurenswaardig, armzalig; subst. Wretchedness.

Wrexham, reks’m.

Wriggle, rig’l, subst. wriemelende beweging, draaiing; Wriggle verb. wriemelen, zich kronkelend bewegen, draaien, wrikken (v. een boot): To wriggle oneself into a person’s favour = zich vleierig indringen; Wriggler = draaier, knoeier.

Wright, rait, bijna alléén in samenstellingen, als Cartwright = wagenmaker; Shipwright = scheepstimmerman.

Wring, riŋ, wringen, draaien, persen, afpersen, uitknijpen, omdraaien, buigen, martelen, pijnigen: He wrung the confession from me = perste mij de bekentenis af; To wring out clothes; These shrieks wring my heart = knijpen mij het hart toe; We listened with wrung hearts; Wring-bolt = ringbout; Wringer = wringmachine; Wringing: Wringings of conscience = gewetenswroeging; Wringing of the guts = krampen (plat); Wringing-machine = wringmachine; Wringing-wet = zóó nat dat men het kan wringen.

Wrinkle, riŋk’l, subst. rimpel, plooi, vouw, oneffenheid, gelukkige gedachte of inval, wenk; Wrinkle verb. rimpelen, plooien, vouwen; liegen, opsnijden: I’ll put you up to a wrinkle (or two) = ik zal je eens op de hoogte brengen; Shopping wrinkles = kneepjes bij ’t koopen in acht te nemen; He wrinkled up his face, nose; Wrinkled = Wrinkly.

Wriothesley, rot(ə)sli.

Wrist, rist, handgewricht; Wristband = vaste manchet, boord van de (over)hemdsmouw; Wrist-drop = verlamming der hand; Wristlet = soort polsmof, armband, handboei.

Writ, rit, geschrift, bevelschrift, oproeping, dagvaarding, aanklacht: Holy Writ = de H. Schrift; Writs were issued = bevelschriften werden uitgevaardigd; A writ was served upon him = er werd hem eene dagvaarding beteekend.

Write, rait, schrijven, beschrijven, zich schrijven (teekenen): I have written him word = hem geschreven, schriftelijk kennis gegeven; Will you write this fair? = dit in ’t net schrijven; They wrote down what I dictated = zij schreven op; She writes down too much in her books for children = zij schrijft al te kinderachtig; The critic’s objections were written down = werden afdoende weerlegd; The debt was written off = werd doorgehaald, afgeschreven; The ship was written off as wrecked = als vergaan van de lijst gevoerd; Will you write it out? = het copieeren; He has written himself out = zijn schrijversvermogen uitgeput; To write up = bijschrijven, bijhouden: The novel was written up = werd gunstig gerecenseerd, in de hoogte gestoken (afgemaakt) door de critiek; He has written to say that = heeft geschreven, dat; Writer = schrijver, klerk: Writer’s cramp = schrijfkramp; Writer to the Signet = een Schotsch solicitor; Writership = schrijversambt.

Writhe, raidh, verwringen, verdraaien, ineenkrimpen: He writhed his features as in pain = verwrong zijne gelaatstrekken.

Writing, raitiŋ, geschrift, handschrift, tekst, oorkonde: To commit one’s thoughts to writing = op schrift brengen = To draw up (put down, take down in) writing = op schrift zetten; In his own writing = eigenhandig geschreven; Writing-book = schrijfboek; Writing-case = map; Writing-desk = schrijflessenaar, schrijf map; Writing-master = schrijfmeester; Writing-pad = sous-main; Writing-paper = schrijfpapier; Writing-part = schriftelijk gedeelte van een examen; Writing-school = schrijfschool; Writing-table = schrijftafel; Written = geschreven: It is written = er staat geschreven (in de H. Schrift); Written examination; Written Law = geschreven wet = Statute Law.

Wrong, roŋ, subst. onrecht, onrechtmatige daad, overtreding, beleediging, nadeel, misvatting; adj. verkeerd, onbillijk, onrechtmatig; Wrong verb. verongelijken, onrecht aandoen, krenken, beleedigen: Private (public) wrong = onrecht een persoon (de maatschappij) aangedaan, inbreuk op de rechten van een persoon (v. de maatschappij); To be wrong = verkeerd zijn, ongelijk hebben; That is altogether (decidedly) wrong = heelemaal (bepaald) verkeerd; There is something wrong somewhere = er is ergens iets niet in den haak; To do a person wrong = To do wrong to a person = verongelijken, onrecht doen; He has done wrong = verkeerd gedaan, slecht gehandeld; He has had wrong = is verongelijkt; To get to wrongs = in de war raken; To get on (to) the wrong tack = op het verkeerde spoor; To go wrong = verkeerd gaan, den verkeerden weg opgaan; My watch goes wrong = loopt niet goed; To go the wrong way = in ’t verkeerde keelgat komen; To rub the wrong way = boos maken, prikkelen; To swallow a crumb the wrong way = in ’t verkeerde keelgat krijgen; To get hold of the wrong end of the stick = iets bij het verkeerde eind hebben; He got out of bed the wrong foot (leg) foremost = hij is met het verkeerde been uit het bed gestapt; I am on the wrong side of sixty = over de zestig; The wrong side uppermost (outward) = den verkeerden kant boven (buiten), ondersteboven (binnenstebuiten); He wronged her by two years = dacht ten onrechte dat ze twee jaar ouder was; He never wronged me of a penny = heeft mij nooit een cent te kort gedaan; Wrong-doer = overtreder; Wrong-doing = onrecht, overtreding; Wrong-headed = verkeerd, eigenzinnig; subst. Wrong-headedness; Wronger = verongelijker; Wrongful = onbillijk, benadeelend, verkeerd; subst. Wrongfulness; Wrongly = verkeerdelijk, onrechtmatig; Wrongous = onwettig (Schotl.).

Wrote, rout, imperf. van to write.

Wroth, rôth, roth, verbitterd, toornig.

Wrought, rôt, gewrocht, bewerkt, gevormd, gesmeed, geslagen: He was wrought on by his relations = werd bewerkt door zijne familie; Wrought up to great fury = tot groote woede gebracht; Wrought upon = bewerkt (fig.); High-wrought expectations = hooggespannen verwachtingen; Wrought-iron = gesmeed ijzer, staafijzer.

Wroxeter, roksitə.

Wrung, rɐŋ, imp. en p.p. van to wring; Wrung heads = kim (scheepst.).

Wry, rai, scheef, verdraaid, verkeerd: To make a wry face = een leelijk gezicht trekken; To make wry faces = gezichten trekken; Wry-neck = scheeve nek (hals); draaihals (vogel); Wryness = scheefheid, verdraaidheid.

Wunner, wɐnə, kranige vent = Oner.

Wuther, wɐdhə, huilen, bulderen: Wuthering heights = onherbergzame hoogten.

Wyandotte, waiəndot, waiəndot.

Wyat(t), waiət.

Wych-elm, witšelm = bergiep; Wych-hazel (Z. Witch).

Wycherley, witšəli; Wyclif(fe), wiklif; Wyclif(f)ite, wiklifait, volgeling van W. (1324–1384); Wycombe, wikəm; Wye, wai; Wykeham, wikəm; Wykehamist, wikəmist, naam van de leerlingen van Winchester College, door Wykeham, Bisschop van Winchester, te Oxford gesticht; Wyndham, wind’m; Wyoming, waioumiŋ.

Wyvern, waiv’n, gevleugelde draak (Herald.).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings